Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 16 oktober 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-204491-25 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van hetgeen aan hem ten laste is gelegd.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 2 juli 2025 te Heijen, gemeente Gennep, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 229 kilogram, althans 396 flessen distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 2 juli 2025 te Heijen, gemeente Gennep, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en vervoerd, een hoeveelheid van 396 flessen distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
De advocaat-generaal heeft betoogd dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, ook zonder een test van de inhoud van de aangetroffen flessen. Hiertoe is – kort gezegd – aangevoerd dat er genoeg andere factoren aanwezig waren om aan te kunnen nemen dat de flessen gevuld waren met distikstofmonoxide.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen het volgende vast. Op 2 juli 2025 hebben verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een auto staande gehouden nadat deze de Duits-Nederlandse grens passeerde. Medeverdachte [medeverdachte] was de bestuurder van de auto en de verdachte was de passagier. Tijdens de doorzoeking van de auto, troffen zij in de laadruimte een grote pallet met daar bovenop een houten plaat aan. De pallet was volledig omwikkeld met zwarte krimpfolie, waaromheen zwarte banden zaten gewikkeld. Verbalisant [verbalisant 1] herkende voorts een sticker ter zake de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen op het pallet. Onder de folie zaten meerdere dozen. Op de dozen stond de tekst ‘UN1070 Nitrous Oxide’ en deze dozen waren verbalisant [verbalisant 1] ambtshalve bekend als dozen waarin lachgascilinders worden vervoerd. Eén van deze dozen is door verbalisant [verbalisant 1] geopend, waarna hij 6 flessen in de doos zag zitten. In totaal zijn er 66 dozen met elk 6 lachgascilinders aangetroffen in de auto (in totaal 396 flessen). Medeverdachte [medeverdachte] heeft, naar aanleiding van een vraag van verbalisant [verbalisant 1] , verklaard dat hij lachgasflessen vervoerde. Ook de verdachte zelf heeft in zijn verhoor verklaard dat hij wist dat hij lachgas ging vervoeren vanuit de opslag in Duitsland naar Nederland. De inhoud van de flessen is niet getest.
Het hof heeft de in het politiedossier weergegeven foto’s van de pallet, dozen en flessen bekeken. Op de foto’s van de aangetroffen pallets op pagina 13 en 16 van het procesdossier heeft het hof het volgende waargenomen. De pallets zijn omwikkeld met zwarte banden. Op de zwarte banden zijn verschillende A4’tjes geplakt. Op één van deze A4’tjes staat het volgende: “Component: Nitrous oxide 99,95%. UN no: 1070.” Uit een zoekslag op internet volgt dat het Engelse woord voor lachgas ‘nitrous oxide’ is. Daarnaast is dat UN1070 het internationale VN-nummer (UN-nummer) voor distikstofmonoxide.
Op de doos die onder de zwarte banden is aangetroffen, heeft verbalisant [verbalisant 1] het UN-nummer en de Engelse naam van lachgas waargenomen. Op de foto van de doos op pagina 19 van het procesdossier, heeft het hof waargenomen dat ook op de doos staat: “99,9% PURE N2O”. N2O is de chemische formule van distikstofmonoxide. Ook heeft het hof het E-nummer van lachgas, te weten E942, op de doos waargenomen. Bij het openen van de kartonnen doos zagen verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] voorts zes lachgasflessen, allen verzegeld met een rubberen dop. Daarnaast zagen de verbalisanten in de doos diverse opzetstukjes om op de lachgasfles te monteren om vervolgens het gas vrij te laten/te gebruiken. Hieruit leidt het hof af dat de flessen op het moment van aantreffen nog gevuld waren. Het hof nam op de foto van de fles op dossierpagina 23 waar dat op de fles wederom het E-nummer van lachgas staat vermeld en het Duitse woord voor distikstofmonoxide, te weten ‘distickstoffmonoxid’. Hieruit blijkt naar het oordeel van het hof genoegzaam dat de verzegelde fles gevuld was met lachgas.
Uit het voorgaande blijkt dat er op heel veel verschillende manieren stond aangegeven dat de verzegelde flessen in de pallet gevuld waren met distikstofmonoxide. Er zijn geen contra-indicaties aanwezig dat de flessen, ondanks het voorgaande, met een ander gas gevuld zouden zijn. De verdachten hebben ook geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring gegeven voor de aanwezigheid van en de inhoud van de aangetroffen lachgasflessen. Sterker nog, de verdachte heeft tijdens zijn verhoor verklaard dat hij wist dat hij lachgas vanuit Duitsland naar Nederland ging vervoeren. Ook medeverdachte [medeverdachte] verklaarde op de vraag van verbalisant [verbalisant 1] tijdens de staande houding wat hij vervoerde, dat het lachgas betrof. Hieruit blijkt ook dat zij opzet hadden op het binnen het grondgebied van Nederland brengen van distikstofmonoxide.
Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden – in onderlinge samenhang bezien – en gezien de omstandigheid dat de verdachte heeft verklaard dat hij wist dat hij lachgas ging vervoeren, is voor het hof genoegzaam komen vast te staan dat de in het voertuig aangetroffen lachglasflessen gevuld waren met lachgas, oftewel distikstofmonoxide. Een nader onderzoek aan de lachglasflessen door het NFI, was naar het oordeel van het hof voor deze vaststelling derhalve – gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden – niet noodzakelijk.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk binnen het grondgebied brengen van 396 flessen distikstofmonoxide (lachgas). Bij het gebruik van lachgas, met name onder jongeren, doen zich de laatste jaren in toenemende mate problemen voor. Het gebruik van lachgas brengt gezondheidsrisico’s met zich mee en leidt tot milieuschade door het in de natuur achterlaten van lege cilinders. Ook gaat de handel vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit. Om die redenen staat lachgas sinds 1 januari 2023 op lijst II van de Opiumwet, waardoor het bezit strafbaar is. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 12 juni 2026, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd; niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof, met de advocaat-generaal, een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. A.J. Henzen, voorzitter,
mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. M.A.M. Wagemakers, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.A.M.H. Hermans, griffier,
en op 20 augustus 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. M.A.M. Wagemakers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.