Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 9 juli 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-060326-25 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1959,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van de tenlastegelegde ‘openlijke geweldpleging tegen goederen’ vrijgesproken. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Universiteit Tilburg heeft de politierechter de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en deze veroordeeld in de proceskosten.
De officier van justitie in het arrondissement Zeeland-West-Brabant heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het aan de verdachte primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 350,00 met een proeftijd van 2 jaren. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Tilburg Universiteit heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof bepaalt dat de vordering integraal wordt toegewezen.
Namens de verdachte is ten aanzien van het tenlastegelegde integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is namens de verdachte ontslag van alle rechtsvervolging bepleit. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij is verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 23 april 2024 te Tilburg openlijk, te weten aan de Warandelaan ( Tilburg Universiteit ), in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (een) goed(eren), te weten een liftschacht en/of een kunstwerk en/of ra(a)m(en), door verf en/of een groene substantie aan te brengen op voornoemde liftschacht en/of kunstwerk en/of ra(a)m(en);
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 april 2024 te Tilburg, aan de Warandelaan ( Tilburg Universiteit ), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een liftschacht en/of een kunstwerk en/of ra(a)m(en), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Tilburg Universiteit , in elk geval aan een ander, toebehoorde(n), heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
primair
hij op 23 april 2024 te Tilburg openlijk, te weten aan de Warandelaan ( Tilburg Universiteit ), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen goederen, te weten een liftschacht en een kunstwerk en ramen, door een substantie aan te brengen op voornoemde liftschacht en kunstwerk en ramen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
I.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
II.
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Daartoe is ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern aangevoerd dat van openlijk in vereniging geweld plegen als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) geen sprake is, omdat er geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de personen die de liftschacht en het kunstwerk hebben beklad. Daarnaast was geen sprake van geweld als bedoeld in artikel 141 Sr, nu in het kader van demonstraties als in het onderhavige geval een ander criterium geldt voor openlijke geweldpleging dan in reguliere gevallen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit het dossier volgt en niet ter discussie staat dat de verdachte op 23 april 2024 deelnam aan een demonstratie van Extinction Rebellion bij de Tilburg Universiteit . De groep demonstranten, waaronder de verdachte, bestond uit ongeveer 20 personen. In de bewuste week was het op de universiteit “carrièreweek” waarbij bedrijven in gesprek konden gaan met studenten over toekomstige werkgelegenheid. De demonstratie richtte zich tegen (onder meer) één van de deelnemende bedrijven. Tijdens de demonstratie is een substantie aangebracht op een liftschacht, een kunstwerk en ramen van de universiteit. Op de ramen is met de substantie een tekst geschreven. Uit het procesdossier en uit de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd volgt dat de verdachte de persoon was die met de substantie de tekst heeft aangebracht op de ramen. De totale kosten van het verwijderen van deze substantie, het reinigen van de liftschacht, het kunstwerk en de ramen alsmede het herstel nadien van het kunstwerk bedroegen € 7.357,66 (€ 324,52 + € 3.509 + € 3.524,14).
Ad 1) Handelen in vereniging
Het hof stelt voorop dat sprake is van het “in vereniging” plegen van geweld indien de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt en deze getalsmatig versterkt, is dus niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die “in vereniging” geweld pleegt. De rechter zal moeten beoordelen of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is. Als daarvan sprake is, is de verdachte ook strafrechtelijk aansprakelijk voor niet door hemzelf gepleegd geweld.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep leidt het hof met betrekking tot het handelen “in vereniging” het volgende af.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd het volgende verklaard over de bewuste demonstratie:
Nu er sprake was van een gezamenlijke voorbereiding, gezamenlijk doelen zijn beoogd en besproken, de daarbij te gebruiken substantie is besproken, de locatie is gescout en vervolgens gezamenlijk ter plaatse met de substantie is opgetreden en de verdachte daarbij telkens actief betrokken was, is het hof van oordeel dat de verdachte zowel een intellectuele als materiële bijdrage heeft geleverd van voldoende gewicht. Verdachtes bijdrage was voldoende significant en wezenlijk, zodat sprake is van het handelen “in vereniging” als bedoeld in artikel 141 Sr. Dat niet elke demonstrant bezig was met hetzelfde doel, noch dat niet ieder gevolg van de acties voor alle demonstranten was voorzien of gewild, maakt dit niet anders.
Ad 2) Geweld
Om van “geweld” in de zin van artikel 141 Sr te kunnen spreken, moet sprake zijn van het aanwenden van een zodanige kracht dat het rechtsgoed daardoor in gevaar wordt gebracht. Bij openlijke geweldpleging is de openbare orde het beschermde rechtsgoed. Derhalve moeten de handelingen van zodanige aard en omvang zijn dat hierdoor de openbare orde wordt verstoord of in gevaar wordt gebracht. Doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of sprake is van “geweld” in de zin van artikel 141 Sr, is de mate waarin de verweten handelingen naar de vorm en binnen de context waarin zij worden verricht, geëigend zijn om de openbare orde te verstoren.
Het handelen van de verdachte en de andere demonstranten bestond uit het aanbrengen van een substantie op de liftschacht, het kunstwerk en de ramen van de universiteit. Op de ramen is door de verdachte met de substantie een tekst geschreven en anderen brachten de substantie aan op de liftschacht en het kunstwerk. Deze substantie kon van de ramen en later ook van de liftschacht worden verwijderd, maar bleek feitelijk niet te verwijderen van/uit de poreuze coating van het kunstwerk. Daar bleef de substantie zitten in de hoeken en gaten van de letters. Volgens informatie van de Universiteit Tilburg waren in de loop der tijd scheurtjes en gaten in de coating van het kunstwerk ontstaan, was de substantie daarin gekropen en was deze daar niet meer goed uit te verwijderen. Daarop is besloten die coating geheel te vervangen. Het hof is, anders dan de raadsman, van oordeel dat van dit handelen gelet op de aard en het karakter daarvan alsmede de zichtbare en financiële gevolgen een zodanige kracht uitging dat de openbare orde daardoor werd verstoord. Het hof kent daarbij betekenis toe aan de aard van de gebruikte substantie, de aanzienlijke omvang van de daarmee aangebrachte sporen en de aard en omvang van de actie.
Bovendien neemt het hof aldus in aanmerking dat de Universiteit Tilburg forse schade is toegebracht. Er werd in eerste instantie een schoonmaakbedrijf ingeschakeld om de substantie van de ramen, de liftschacht en het kunstwerk te verwijderen, maar bij het kunstwerk bleek die substantie niet eenvoudig te verwijderen. Zelfs de inzet van een gespecialiseerd schoonmaakbedrijf bleef vruchteloos. De kosten voor het schoonmaken en uiteindelijk het herstellen van het kunstwerk bedroegen hierdoor ruim € 7.000,-. Dat dit kennelijk, aldus de verdachte, een gevolg was van een inschattingsfout voor wat betreft de coating van het kunstwerk maakt dit oordeel niet anders. Integendeel, dat deze schade kennelijk niet was voorzien maakt niet dat het geweld valt buiten de grenzen van waar zijn (voorwaardelijk) opzet als medepleger van de openlijke geweldpleging op gericht geweest kan worden geacht. Immers, de omstandigheden die de gesteldheid van de doelen betreffen, komen voor rekening van de demonstranten: zij, waaronder de verdachte, hebben hun doelen te nemen zoals deze zijn.
Op grond hiervan staat voor het hof vast dat sprake is van “geweld” in de zin van artikel 141 Sr. Dat deze openlijke geweldpleging in het kader van een demonstratie plaatsvond, doet hieraan niet af.
Het hof verwerpt derhalve het tot vrijspraak strekkende verweer dat namens de verdachte is gevoerd.
Resumerend acht het hof, gelet op het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen
– in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het aan hem primair tenlastegelegde feit heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat het bewezenverklaarde een vreedzame demonstratie betrof, hetgeen valt onder de bescherming van de artikelen 10 en 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en derhalve geen strafbaar feit oplevert. Het handelen van de verdachte was geen laakbare gedraging waartegen strafrechtelijk optreden geboden was, aldus de raadsman.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of het handelen van de verdachte valt binnen de reikwijdte van de artikelen 10 en 11 EVRM. Het onder meer in artikel 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting en het onder meer in artikel 11 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van vergadering zijn fundamentele rechten in een democratische samenleving. Beide rechten hangen nauw met elkaar samen. Uit de rechtspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) kan worden afgeleid dat artikel 11 EVRM betrekking heeft op uiteenlopende vormen van protest (zoals protestmarsen, blokkades, sit-ins en bezettingen), alsmede het recht omvat om – binnen de door lid 2 van die bepaling gestelde grenzen – tijd, plaats en wijze van protest vrijelijk te kiezen. Artikel 11 EVRM beschermt het recht op vreedzame vergadering. Dat betekent dat een samenkomst waarbij de organisatoren en deelnemers gewelddadige intenties hebben, niet valt onder de reikwijdte van artikel 11 EVRM. De door artikel 10 en 11 van het EVRM gewaarborgde vrijheden zijn niet absoluut. Zij kunnen worden beperkt op een wijze die bij de wet is voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van, onder meer, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, en de bescherming van de rechten van anderen.
Uitgangspunt in de rechtspraak van het EHRM is dat elke demonstratie een zekere mate van “disruption to ordinary life” met zich kan brengen. Zo’n verstoring is op zichzelf nog niet voldoende om een beperking te rechtvaardigen van het recht op vreedzame vergadering. Niet elk strafrechtelijk optreden naar aanleiding van de verdenking van een strafbaar feit dat in relatie tot een demonstratie plaatsvindt – ongeacht de aard van en de vorm waarin dat optreden plaatsvindt en ongeacht de vraag of dit optreden tot een sanctie leidt – leidt tot een schending van artikel 10 en 11 EVRM. Uit de door het EHRM geformuleerde uitgangspunten volgt immers dat het recht op vrijheid van vreedzame vergadering zich niet ertegen verzet dat een persoon die deelneemt aan een vreedzame demonstratie, kan worden onderworpen aan de dreiging van een straf of maatregel als de betreffende persoon zelf een “reprehensible act” (laakbare gedraging) pleegt tijdens de demonstratie. De vraag of en wanneer sprake is van zo’n laakbare gedraging, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.
Het hof is van oordeel dat de verdachte in vereniging met zijn mededaders laakbaar gedrag vertoonde waartegen strafrechtelijk optreden geboden is, zodat de daaruit voortvloeiende beperking in de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering gerechtvaardigd en noodzakelijk is. De verdachte had de door artikelen 10 en 11 EVRM gewaarborgde rechten immers ook kunnen uitoefenen zonder daarbij openlijk geweld te plegen tegen goederen als hier is geschied. Het hof is dan ook van oordeel dat de demonstratie geen vreedzame betoging was, nu hierbij sprake was van geweld in de zin van artikel 141 Sr. Het handelen van de verdachte en de andere demonstranten heeft opzettelijk een meer ingrijpende ordeverstoring opgeleverd, waarbij tevens forse schade is aangericht, dan het geval zou zijn geweest bij een vreedzame betoging. Hierdoor vallen de gedragingen van de verdachte niet onder de reikwijdte van de artikelen 10 en 11 EVRM.
Het hof verwerpt het verweer.
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen.
Er zijn geen overige feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Geen straf of maatregel
Het hof heeft acht geslagen op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen.
De verdachte en de andere demonstranten hebben – om aandacht te vragen voor de urgentie van de klimaatcrisis – een liftschacht, een kunstwerk en ramen van de Universiteit Tilburg met een substantie beklad en overgoten, waardoor de universiteit materiële schade heeft geleden. De verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting verklaard dat hij en de andere demonstranten zich vooraf ervan hadden vergewist geen blijvende schade te zullen aanrichten door een substantie te gebruiken die gemakkelijk verwijderbaar was. Echter, de gebruikte substantie bleek op zeer moeilijk en van/uit poreuze materialen feitelijk niet te verwijderen, waardoor de universiteit materiële schade heeft geleden. Dit is een omstandigheid die voor rekening en risico van de daders komt.
Het hof stelt bovendien voorop dat ook reeds het gebruik van een makkelijk verwijderbare substantie onverlet laat dat er kosten zijn verbonden aan het schoonmaken van de goederen waarop de substantie wordt aangebracht. Daarnaast bestaat bij het gebruiken van een dergelijke substantie altijd een risico dat er iets misgaat en er alsnog schade aan de goederen ontstaat, zoals in onderhavige situatie het geval is. Dit rekent het hof de verdachte aan.
Het hof weegt in het voordeel van de verdachte mee dat hij ter terechtzitting in hoger beroep volledige openheid van zaken heeft gegeven en inzicht heeft gegeven in de wijze waarop een demonstratie wordt gepland, voorbereid en uitgevoerd. Daarbij heeft de verdachte erkend dat hij en de andere demonstranten een inschattingsfout hebben gemaakt bij het maken van de keuze voor welke substantie zij zouden gebruiken op welke goederen. Het gevolg van deze inschattingsfout is echter dat er forse schade is ontstaan aan het kunstwerk, hetgeen de verdachte ook oprecht lijkt te betreuren. Dat de Universiteit Tilburg ervoor heeft gekozen niet alle geleden schade op de verdachte te verhalen, doet aan de omvang van de schade overigens niets af.
Het hof is op grond van al het vorenstaande van oordeel dat aan de verdachte geen straf zal worden opgelegd.
Vordering van de benadeelde partij Universiteit Tilburg
De benadeelde partij Universiteit Tilburg heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 324,52. De benadeelde partij is bij vonnis waarvan beroep in deze vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen.
Namens de verdachte is aangevoerd dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu het onduidelijk is of de vordering door een gemachtigde van de universiteit is ondertekend.
Anders dan de verdediging heeft het hof geen twijfel aan de omstandigheid dat het voegingsformulier en het handhavingsformulier door de gevolmachtigde Van de Donk zijn getekend.
Voorts is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij Universiteit Tilburg als gevolg van de verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 324,52, bestaande uit de kosten voor het reinigen van de liftschacht, het kunstwerk en de ramen. De gevorderde schade houdt rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde feit. De verdachte is (met zijn mededaders) hoofdelijk tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Het toe te wijzen totaalbedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente, tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof stelt de ingangsdatum van de wettelijke rente vast op 25 april 2024, zijnde de datum van de factuur van het schoonmaakbedrijf.
De verdachte zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten, op de wijze als in het dictum van dit arrest is bepaald.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer Universiteit Tilburg is toegebracht tot een bedrag van € 324,52. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte hoofdelijk de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9a, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
bepaalt dat ter zake van het primair bewezenverklaarde geen straf wordt opgelegd.
Vordering van de benadeelde partij Universiteit Tilburg :
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Universiteit Tilburg ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 324,52 (driehonderdvierentwintig euro en tweeënvijftig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Universiteit Tilburg , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 324,52 (driehonderdvierentwintig euro en tweeënvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of (een van) zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen heeft/hebben voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 25 april 2024.
Aldus gewezen door:
mr. M. van der Horst, voorzitter,
mr. A.J.M. van Gink en mr. N.I.B.M. Buljevic, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.A.C.G. Heijse, griffier,
en op 17 augustus 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. M. van der Horst is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.