ECLI:NL:GHSHE:2026:2308

ECLI:NL:GHSHE:2026:2308

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 17-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer 20-002502-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Beantwoording van de vragen of een dier (i.c. hond) kan worden aangemerkt als een ‘gevaarlijk dier’ in de zin van artikel 425 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en of de verdachte voldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van haar hond. Het hof acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onvoldoende zorg dragen voor een onder haar hoede staande gevaarlijke hond, waardoor die hond het slachtoffer meermalen heeft gebeten. Hoewel op zichzelf, onder meer gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, een straf zonder meer gerechtvaardigd is, ziet het hof in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 2 oktober 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-049181-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1965,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘onvoldoende zorg dragen voor een onder haar hoede staand gevaarlijk dier’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en haar veroordeeld tot een voorwaardelijke hechtenis voor de duur van 1 maand met een proeftijd van twee jaren en een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, eveneens met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de kantonrechter de inbeslaggenomen hond aan het verkeer onttrokken verklaard.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen hond zal bevelen.

De raadsvrouw van de verdachte heeft integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat het hof niet beschikt over alle ter terechtzitting in eerste aanleg overlegde stukken. Nu de in eerste aanleg overlegde pleitnota van de raadsvrouw ontbreekt, valt niet na te gaan of ter terechtzitting meer verweren zijn gevoerd dan wel of aldaar meer uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht dan de bestreden uitspraak bespreekt. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het, nu het blijkens bij de rechtbank ingewonnen informatie onherstelbaar is, vernietiging van het bestreden vonnis meebrengt.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 22 oktober 2024 te Kortgene, gemeente Noord-Beveland, geen voldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van een onder haar hoede staand gevaarlijk dier, te weten een Rottweiler genaamd [naam] , immers heeft deze hond op voornoemde datum [slachtoffer] meermalen gebeten.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 22 oktober 2024 te Kortgene, gemeente Noord-Beveland, geen voldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van een onder haar hoede staand gevaarlijk dier, te weten een Rottweiler genaamd [naam] , immers heeft deze hond op voornoemde datum [slachtoffer] meermalen gebeten.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit dat het hof de verdachte vrijspreekt van het tenlastegelegde. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsvrouw – in de kern – aangevoerd dat geen bewijs aanwezig is om de bestanddelen ‘gevaarlijk dier’ en ‘geen voldoende zorg dragen’ bewezen te verklaren. Dat de hond van de verdachte, een Rottweiler genaamd [naam] , op 22 oktober 2024 het slachtoffer [slachtoffer] meermalen heeft gebeten, wordt door de verdediging niet betwist. Er ontbreekt echter objectieve onderbouwing voor de conclusie dat de hond [naam] reeds vóór het tenlastegelegde feit als gevaarlijk moest worden aangemerkt. In het geval dat het hof desondanks vaststelt dat de hond [naam] als ‘gevaarlijk dier’ kan worden gekwalificeerd, heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het bewijs ontbreekt ten aanzien van het feit dat de verdachte onvoldoende zorg heeft gedragen ter voorkoming van het gevaar. De enkele omstandigheid dat het hekwerk niet met een slot was afgesloten, betekent niet dat de verdachte onvoldoende zorg heeft betracht. Er was immers vóór dit incident geen aanleiding om te veronderstellen dat de getroffen maatregel, te weten het omheinen van het terrein, onvoldoende was. Zij heeft alle maatregelen getroffen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd, aldus de verdediging.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de hond van de verdachte kan worden aangemerkt als een ‘gevaarlijk dier’ in de zin van artikel 425 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Vooropgesteld dient te worden dat een hond niet eerst dan als ‘gevaarlijk’ in de zin van artikel 425 Sr kan worden aangemerkt als die hond bij eerdere bijtincidenten betrokken is geweest. Ook een hond waarvan op grond van andere feiten of omstandigheden kan worden aangenomen dat hij gevaren oplevert die voormelde wetsbepaling in het algemeen heeft willen voorkomen, moet als gevaarlijk in de zin van die wetsbepaling worden aangemerkt. De enkele omstandigheid dat bij bepaalde hondenrassen meer voorzichtigheid in acht moet worden genomen, volstaat niet om aan te nemen dat sprake is van een ‘gevaarlijk dier’ in de zin van artikel 425 Sr, maar kan wel meewegen.

Blijkens de risicoanalyse bijtincident(en) van het Riskassessmentteam Universiteit Utrecht d.d. 17 november 2024 worden Rottweilerachtige honden vermeld in onderzoek naar humane sterfte door hondenbeten. Hieruit leidt het hof af dat een Rottweiler in staat is om een mens dood te bijten. Dit maakt naar het oordeel van het hof dat een Rottweiler vanuit zijn soort objectief gevaarlijk kan zijn. Daarbij heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de hond [naam] overdag en ’s nachts op het terrein van hun garagebedrijf verbleef en daar diende als beveiliging. Zij hadden geen beveiligingscamera’s of deurbel, daar diende [naam] namelijk voor. Zodra [naam] iemand zag, begon zij te blaffen. Tevens heeft de verdachte bij de politie op 8 november 2024 verklaard dat [naam] weliswaar niet aangelijnd door de winkel en over het terrein liep, maar wel onder commando van de verdachte stond. Op dat moment zou [naam] niet gevaarlijk zijn. Ook mocht [naam] uitsluitend los lopen in de winkel als de verdachte of haar man daarbij waren, zoals de verdachte heeft verklaard ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep. Het hof neemt aan dat, op het moment dat [naam] onder commando van de verdachte (of van haar echtgenoot) stond – ter terechtzitting in hoger beroep verklaarde de verdachte dat [naam] dan onder appèl stond –, zij niet gevaarlijk was. De verdachte heeft echter ook verklaard dat zij niet bij het incident op 22 oktober 2024 aanwezig was en zij niet kan vertellen hoe de hond in de speeltuin aan het Julianaplein terecht is gekomen. Derhalve stond [naam] op dat moment niet onder commando (noch onder appèl) van de verdachte. Dat [naam] onder commando of appèl stond van iemand anders is evenmin gebleken, integendeel, volgens het politiedossier kwam [naam] los aanlopen bij de speeltuin.

Het feit dat [naam] ten tijde van het tenlastegelegde feit niet onder commando/appèl van de verdachte (noch van iemand anders) stond, [naam] speciaal diende als beveiliging van het terrein en Rottweilers in hun soort objectief gevaarlijk kunnen zijn, maakt naar het oordeel van het hof dat voldoende is komen vast te staan dat [naam] voorafgaand aan het tenlastegelegde feit onder voornoemde omstandigheden als een ‘gevaarlijk dier’ in de zin van artikel 425 Sr viel aan te merken.

De beoordeling of sprake is van een ‘gevaarlijk dier’ dient ‘ex ante’ te geschieden, zodat in het onderhavige geval het tenlastegelegde bijtincident bij die beoordeling geen rol heeft gespeeld. Evenmin heeft aan die beoordeling bijgedragen de vermeende eerdere bijtincidenten waarover verbalisant [verbalisant] relateert, nu het hof – met de verdediging – van oordeel is dat daar geen objectieve onderbouwing voor in het procesdossier voorhanden is.

Tot slot ziet het hof zich voor de vraag gesteld of de verdachte voldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van haar hond [naam] . Het hof heeft vastgesteld dat de hond van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde kon worden aangemerkt als een gevaarlijk dier. Dit brengt volgens het hof plichten mee voor de verdachte, aangezien zij als eigenaar en de persoon onder wiens hoede de hond ten tijde van het incident stond, de zeggenschap had over de wijze waarop dit dier onschadelijk moest worden gehouden. Toegespitst op het voorliggende geval berustte bij de verdachte de verantwoordelijkheid om controle te houden over de plaats waar [naam] zich bevond, zodat zij aldaar onder commando/appèl kon verblijven.

Op basis van het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat [naam] zich vrijuit kon bewegen over het terrein van het garagebedrijf. Hoewel het terrein omheind was, was het toegangshek van het terrein waarop [naam] zich bevond weliswaar dicht, maar niet door middel van een slot dan wel sloten afgegrendeld. Derhalve kon een ieder vanaf het plein achter de garage zich (via dat toegangshek) toegang verschaffen tot het terrein waar [naam] vrij rondliep. Daar komt bij dat de verdachte vanuit haar werkplek geen zicht had op het toegangshek. Het hof is van oordeel dat, nu [naam] als een gevaarlijke hond kon worden aangemerkt, en zij vrij rond kon lopen over een terrein waartoe een ieder zich de toegang kon verschaffen, zonder dat de verdachte daar toezicht op kon uitoefenen, een risico aanwezig was waartegen de verdachte maatregelen had moeten treffen. Derhalve komt het hof tot de conclusie dat de verdachte onvoldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van haar hond [naam] .

Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

onvoldoende zorg dragen voor een onder haar hoede staand gevaarlijk dier.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Geen straf

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij onvoldoende zorg heeft gedragen voor de onder haar hoede staande gevaarlijke hond [naam] , waardoor [naam] een jong meisje meermalen heeft gebeten, met aanzienlijk letsel ten gevolge. Het slachtoffer is enorm geschrokken van hetgeen is voorgevallen, zij werd immers geconfronteerd met een aanval van een grote hond.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 4 juni 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat zij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De verdachte heeft hieromtrent verklaard dat zij het verschrikkelijk vindt wat er is voorgevallen en dat zij ontzettend verdrietig is dat haar hond [naam] inmiddels is geëuthanaseerd. Daarnaast verklaarde de verdachte dat zij zeven dagen per week werkt en verschillende hobby’s heeft waarvoor zij een Verklaring Omtrent het Gedrag nodig heeft. Ten slotte verklaarde de verdachte dat zij zich realiseert dat het leven van het slachtoffer nooit meer hetzelfde zal zijn en dat zij erg meeleeft met het meisje, hetgeen als oprecht op het hof overkomt.

Hoewel op zichzelf, onder meer gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, een straf zonder meer gerechtvaardigd is, ziet het hof in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, aanleiding te bepalen dat geen straf zal worden opgelegd. De verstrekkende gevolgen voor de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, waaronder met name het gedwongen euthanaseren van haar hond, maakt dat het hof van oordeel is dat met strafoplegging ter zake van het bewezenverklaarde feit thans geen redelijk doel wordt gediend. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat het kennelijk om een eenmalig incident gaat. Het hof zal derhalve toepassing geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en bepalen dat geen straf aan de verdachte wordt opgelegd.

Beslag

Hoewel uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de hond inmiddels is geëuthanaseerd, is het hof gehouden alsnog op het beslag te beslissen.

De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven hond [naam] , met betrekking tot hetwelk het bewezenverklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9a, 36b, 36c en 425 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

bepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf wordt opgelegd;

beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven hond (Rottweiler, naam: [naam] ) (PL2000-2024272328-2784996).

Aldus gewezen door:

mr. M. van der Horst, voorzitter,

mr. A.J.M. van Gink en mr. N.I.B.M. Buljevic, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. van de Luijtgaarden, griffier,

en op 17 augustus 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M. van der Horst is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M. van der Horst
  • mr. A.J.M. van Gink
  • mr. N.I.B.M. Buljevic

Griffier

  • mr. B.J.M. van de Luijtgaarden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand