ECLI:NL:GHSHE:2026:2310

ECLI:NL:GHSHE:2026:2310

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 27-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer 20-002443-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Middelburg
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2024:6275

Samenvatting

Bevestiging vonnis rechtbank. Beroep op psychische overmacht wordt verworpen. Het hof acht, evenals de rechtbank, bewezen dat de verdachte zich op 22 mei 2022 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met voorbedachten rade, het medeplegen van een poging om opzettelijk brand te stichten op 12 januari 2023 en het medeplegen van opzettelijk brandstichten op 18 januari 2023.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 11 september 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-017973-23, tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans verblijvende in [Penitentiaire instelling] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde en het onder feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘medeplegen van zware mishandeling met voorbedachten rade’ (feit 1 subsidiair), ‘medeplegen van poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is’ (feit 2) en, ‘medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is’ (feit 3), de verdachte strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de rechtbank een beslissing genomen op het beslag en op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De verdediging heeft zich voor wat de bewezenverklaring betreft gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts heeft de verdediging ontslag van alle rechtsvervolging bepleit, omdat de verdachte in de visie van de verdediging een geslaagd beroep op psychische overmacht toekomt.

Ten slotte heeft de raadsman verweer gevoerd op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling van de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, de daarmee samenhangende beslissing op de schadevergoedingsmaatregel en de beslissing op het beslag. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd.

Aanvullende overweging strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft ten overstaan van het hof wederom een beroep gedaan op psychische overmacht, reden waarom de verdachte zou moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is – op gronden zoals nader verwoord in de pleitnota – aangevoerd dat de verdachte handelde onder een wezenlijke druk van opdrachtgever [betrokkene] , waardoor er onvoldoende sprake is geweest van een daadwerkelijke wilsvrijheid. De verdachte bevond zich in een stresssituatie met paniek en angst en er was sprake van een gevoel van machteloosheid bij de verdachte.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft zich op 22 mei 2022 schuldig gemaakt aan het medeplegen van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met voorbedachten rade, het medeplegen van een poging om opzettelijk brand te stichten op 12 januari 2023 en het medeplegen van opzettelijk brandstichten op 18 januari 2023.

De vraag waarvoor het hof zich gesteld ziet, is of de verdachte een geslaagd beroep toekomt op psychische overmacht, in welk geval de schuld in de zin van verwijtbaarheid van de verdachte wordt weggenomen. Overmacht vormt een wettelijke strafuitsluitingsgrond die als volgt in artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht is neergelegd: “Niet strafbaar is degene die een feit begaat waartoe hij door overmacht is gedwongen”. Daaronder valt onder meer psychische overmacht. Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Deze drang moet acuut zijn en voor de verdachte onder omstandigheden exceptioneel en onweerstaanbaar. Geen rechtsregel staat er aan in de weg de persoonlijkheid van de verdachte die zich beroept op de strafuitsluitingsgrond, te betrekken bij de beantwoording van de vraag of die verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden aan de ten verwere aangevoerde drang (vgl. HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR2067, rov. 3.5.; HR 6 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR1146, rov. 3.3. en 3.4. en HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6734, rov. 2.6.).

Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat in de onderhavige zaak van een dergelijke van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden, sprake is geweest. De verdachte heeft zijn aanvallen op het slachtoffer voorbereid door gedurende een lange periode meermalen af te reizen naar haar woonplaats, met de bedoeling om de situatie aldaar in kaart te brengen. De verdachte heeft daarna het slachtoffer op drie verschillende momenten aangevallen, te weten 22 mei 2022 (de zuuraanval), de poging tot brandstichting (12 januari 2023) en de voltooide brandstichting (18 januari 2023). Niet gebleken is, mede in het bijzonder gelet op de inhoud van het berichtenverkeer tussen verdachte en de opdrachtgever en/of zijn ex-vrouw, dat er bij de verdachte op de (kort daaraan voorafgaande) momenten dat de (planmatige en gecontroleerde) aanvallen plaatsvonden sprake is geweest van een exceptionele en onweerstaanbare situatie waaraan de verdachte geen weerstand kon bieden.

Voorts kan niet gezegd worden dat de bewezenverklaarde feiten het acute gevolg zijn geweest van de door de verdachte geschetste omstandigheden welke hem ertoe zouden hebben gedrongen te handelen zoals hij heeft gehandeld. Tussen de pleegdata van feit 1 primair en feit 2 zijn immers ongeveer zeven maanden gelegen en tussen de pleegdata van feit 2 en feit 3 een week. Gedurende deze perioden heeft de verdachte ruim de tijd gehad om zich aan de gestelde drang te onttrekken of om een andere keuze te maken, hetgeen hij heeft nagelaten. Sterker nog, uit de gesprekken tussen de verdachte en de opdrachtgever volgt dat sprake is geweest van een wilsvrijheid bij de verdachte, nu gebleken is dat hij actief overleg is geweest over de uitvoering van deze aanvallen. Tevens heeft het hof uit de aard en de toon van de gesprekken wederom niet de indruk bekomen dat er bij de verdachte paniek en angst heerste.

Bij voormelde stand van zaken faalt het beroep op psychische overmacht. Nu er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten, is de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde.

Beslag

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat bij gelegenheid van het vooronderzoek goederen onder de verdachte in beslag zijn genomen.

Nu er geen strafvorderlijk belang meer is bij handhaving van het beslag, zal het hof de teruggave gelasten van de in het dictum van deze uitspraak genoemde goederen aan de verdachte, als zijnde de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 67.987,10 bestaande uit € 22.987,10 aan materiële schade en € 45.000,00 aan immateriële schade. De vordering valt uiteen in de volgende onderdelen:

a. kosten overnachting/verblijf elders € 22.987,10

b. kosten inboedel € -

c. immateriële schade € 45.000,00.

De benadeelde partij heeft de rechter verzocht op grond van zijn bevoegdheid de schade ter zake de inboedel te schatten.

Vorenbedoelde vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van

€ 60.000,00 waarvan € 15.000,00 aan materiële schade, voor kosten inboedel zoals op verzoek van de benadeelde partij door de rechtbank begroot, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, en

€ 45.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2022 tot aan de dag der algehele voldoening

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en dat de vordering daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het hof overweegt ten aanzien van de materiële schade als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Ten aanzien van de kosten voor verblijf/overnachting elders, post a., zal het hof een bedrag van € 6.000,00 toewijzen. Voor het hof is voldoende vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de brand in haar woning niet langer in haar woning kon verblijven. Het hof heeft het toe te wijze bedrag, gebruik makend van zijn schattingsbevoegdheid, begroot op een bedrag van € 1.000,00 aan extra woonlasten per maand over een periode van zes maanden in verband met de acute noodzaak om in de vrije sector snel woonruimte te kunnen huren. Het hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij over een langere periode een vergoeding heeft gevorderd voor de kosten van het verblijf/overnachting elders en dat zij als onderbouwing daarvan ook facturen heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij in hotels van verschillende prijscategorieën in binnen- en buitenland heeft verbleven. Door de verdediging zijn deze facturen, en dan met name de facturen van de hotels uit de hogere prijscategorieën in het buitenland, uitvoerig betwist. Het hof is van oordeel dat een verdere behandeling van dit gedeelte van de post een onevenredige belasting oplevert. Het hof zal dit gedeelte van de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij deze slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Ten aanzien van de gevorderde kosten voor de inboedel, post b, stelt het hof vast dat de benadeelde partij van veel verloren gegane goederen niet een factuur kan overleggen waaruit de waarde van dat goed/deze goederen en daarmee van haar totale inboedel zou blijken. De oorzaak hiervan is voor een belangrijk deel gelegen in de brandstichting op 18 januari 2023 waarbij ook veel papieren, waaronder facturen betreffende de inboedel, zijn verbrand. De benadeelde partij heeft verzocht dat het hof gebruik zal maken van de schattingsbevoegdheid. De benadeelde partij heeft een bon overgelegd waaruit blijkt dat de door de brand verloren gegane gitaar een aanschafwaarde had van € 6.750,00. Daarnaast blijkt uit de onderbouwing bij het schadevergoedingsformulier dat de benadeelde partij in ieder geval een vergoeding vraagt voor een bank, een iPad, een stereo en de vloer van de woonkamer. Het hof zal de waarde van haar inboedel daarom evenals de rechtbank heeft gedaan schatten op een bedrag van € 15.000,00.

Het hof zal aldus een bedrag van 21.000,00 aan materiële schade toewijzen. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof overweegt ten aanzien van de immateriële schade als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade is toegebracht als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek. Uit het onderzoek ter terechtzitting, het schadeonderbouwings-formulier en het procesdossier volgt immers dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte letsel heeft opgelopen te weten ernstige brandwonden in haar gezicht en lichaam alsmede blijvende littekens in haar gezicht en op haar lichaam. Daarnaast had zij snijwonden op het hoofd en een gebroken neus.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, alsmede gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, begroot het hof voorts de immateriële schade die benadeelde partij rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit heeft geleden naar billijkheid op een bedrag van € 45.000,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Wettelijke rente

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2023 voor wat betreft de materiële schade, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening en vanaf 22 mei 2022 voor wat betreft de immateriële schade, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Proceskosten

Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de medeverdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 66.000,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 66.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 273 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 157 en 303 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, de daarmee samenhangende beslissing op de schadevergoedingsmaatregel en de beslissing op het beslag, en doet in zoverre opnieuw recht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

€ 915,00;

1 STK bon;

1 STK bon;

1 PR handschoen;

1 PR handschoen;

1 PR handschoen;

1 PR handschoen;

1 ELS fles;

1 STK elektronica;

1 STK bijl;

1 DS doos

1 STK elektronica;

1 STK USB-stick (memorykaart);

1 STK USB-stick (memorykaart);

1 STK USB-stick (memorykaart);

1 STK USB-stick (memorykaart);

1 STK harddisk.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 66.000,00 (zesenzestigduizend euro) bestaande uit € 21.000,00 (eenentwintigduizend euro) materiële schade en € 45.000,00 (vijfenveertigduizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2023 voor wat betreft de materiële schade tot aan de dag der algehele voldoening en vanaf 22 mei 2022 voor wat betreft de immateriële schade tot aan de dag der algehele voldoening.

Verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 66.000,00 (zesenzestigduizend euro) bestaande uit € 21.000,00 (eenentwintigduizend euro) materiële schade en € 45.000,00 (vijfenveertigduizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2023 voor wat betreft de materiële schade tot aan de dag der algehele voldoening en vanaf 22 mei 2022 voor wat betreft de immateriële schade tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 273 (tweehonderddrieënzeventig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.

Aldus gewezen door:

mr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter,

mr. A.J. Henzen en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Smits, griffier,

en op 27 augustus 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. O.A.J.M. Lavrijssen
  • mr. A.J. Henzen
  • mr. H.A.T.G. Koning

Griffier

  • mr. H. Smits

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand