ECLI:NL:GHSHE:2026:2312

ECLI:NL:GHSHE:2026:2312

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer 20-002042-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Breda
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2025:4985

Samenvatting

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven. Vrijspraak van impliciet primair tenlastegelegde gijzeling.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 31 juli 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-395087-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde feit bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘medeplegen van gijzeling’, en de verdachte ter zake daarvan veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden met aftrek van voorarrest.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.

Door de verdediging is primair bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van de impliciet primair tenlastegelegde gijzeling. Ten aanzien van de impliciet subsidiair tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Voorts heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd.

Ten aanzien van de voorlopige hechtenis heeft de verdediging een verzoek gedaan strekkende tot wijziging van de schorsingsvoorwaarden, dan wel tot een nieuwe schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis vanaf de datum van het eindarrest.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 11 december 2024 te Breda en/of te Oosterhout, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk een ander, te weten een man die [betrokkene] genoemd wordt en/of tot op heden onbekend gebleven vrienden van die [slachtoffer] te dwingen iets te doen of niet te doen, te weten het betalen van geld, door

- die [slachtoffer] vast te pakken en/of

- die [slachtoffer] op/tegen zijn hoofd te slaan en/of

- die [slachtoffer] in een auto te duwen en/of aan weerszijden van die [slachtoffer] plaats te nemen in die auto en/of vervolgens met die auto weg te rijden en/of

- de handen van die [slachtoffer] vast te binden/tapen en/of zijn ogen dicht te tapen en/of

- die [slachtoffer] een (vuur)wapen te tonen en/of de loop van een (vuur)wapen in zijn mond te stoppen en/of

- die [slachtoffer] gedreigd met een hamer te slaan en/of met een spuit met HIV te injecteren en/of

- die [slachtoffer] , telkens zakelijk weergegeven, gedreigd hem door zijn knieën te schieten en/of zijn vingers af te hakken en/of hem dood te maken en/of hem te laten verdrinken en/of door een neger te laten neuken en/of naar een bos te brengen en/of zijn familie op te zoeken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Het hof begrijpt de tenlastelegging aldus dat de steller van de tenlastelegging beoogd heeft primair gijzeling ten laste te leggen en subsidiair de wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 11 december 2024 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, door

- die [slachtoffer] vast te pakken en/of

- die [slachtoffer] op zijn hoofd te slaan en/of

- die [slachtoffer] in een auto te duwen en/of aan weerszijden van die [slachtoffer] plaats te nemen in die auto en/of vervolgens met die auto weg te rijden en/of

- de handen van die [slachtoffer] vast te tapen en/of zijn ogen dicht te tapen en/of

- die [slachtoffer] een (vuur)wapen te tonen en/of de loop van een (vuur)wapen in zijn mond te stoppen en/of

- die [slachtoffer] gedreigd met een hamer te slaan en/of met een spuit met HIV te injecteren en/of

- die [slachtoffer] , telkens zakelijk weergegeven, gedreigd hem door zijn knieën te schieten en/of zijn vingers af te hakken en/of hem dood te maken en/of hem te laten verdrinken en/of door een neger te laten neuken en/of naar een bos te brengen en/of zijn familie op te zoeken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Vrijspraak van impliciet primair tenlastegelegde gijzeling

Door de verdediging is bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van de impliciet primair tenlastegelegde gijzeling. Daartoe is – kort gezegd en op gronden nader verwoord in de door de raadsman overgelegde pleitnota – aangevoerd dat een bewezenverklaring van gijzeling, als bedoeld in artikel 282a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), vereist dat de vrijheidsberoving in kwestie moet hebben plaatsgevonden met het oogmerk om een ander dan degene die van zijn vrijheid beroofd is, te dwingen om iets te doen of niet te doen. Nu in het onderhavige geval alleen de van zijn vrijheid beroofde aangever gedwongen werd iets te doen, dient de verdachte van gijzeling te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Aan de verdachte is impliciet primair tenlastegelegd dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan gijzeling als bedoeld in artikel 282a Sr, hetgeen een bestanddeel bevat dat inhoudt dat de door de dader uitgeoefende dwang moet geschieden met het oogmerk om een ander dan de gijzelaar – de persoon die van zijn vrijheid beroofd is –, te dwingen iets te doen of niet te doen. Voor een bewezenverklaring van gijzeling is aldus vereist dat de verdachte moet hebben gehandeld met het oogmerk om een ander, onder druk van het wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden van de gijzelaar, te dwingen iets te doen of niet te doen.

Uit de stukken in het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , op 11 december 2024 aangever [slachtoffer] van zijn vrijheid hebben beroofd door hem op de achterbank van een door medeverdachte [medeverdachte 1] bestuurd voertuig te duwen, en met die [slachtoffer] , ingeklemd tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] , weg te rijden vanuit Breda naar Oosterhout, alwaar de vrijheidsberoving is geëindigd door de aanhouding door de politie. De aanleiding voor de vrijheidsberoving was dat een vriend van de aangever, genaamd [betrokkene] , op 9 december 2024 een groot geldbedrag van de rekening van medeverdachte [medeverdachte 3] had gestolen en [betrokkene] een deel van dat geld had overgemaakt naar de bankrekening van de aangever. Het doel van de vrijheidsberoving was, zo volgt uit de aangifte, dat [slachtoffer] het gestolen geldbedrag aan [medeverdachte 3] zou terugbetalen en zou vertellen waar [betrokkene] was.

Nu aldus het oogmerk om een ander dan die [slachtoffer] te dwingen om iets te doen of niet te doen ontbreekt, is het vereiste delictsbestanddeel om te komen tot een bewezenverklaring van het misdrijf gijzeling niet vervuld. Het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van de impliciet primair tenlastegelegde gijzeling.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van de impliciet subsidiair tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Op grond van de stukken in het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting acht het hof het impliciet subsidiair tenlastegelegde, te weten het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving wettig en overtuigend bewezen. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

De raadsman heeft – kort gezegd en op de gronden zoals nader verwoord in de pleitnota – aangevoerd dat de in eerste aanleg aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf te hoog is, gelet op het verschil in strafmaximum tussen gijzeling ex artikel 282a Sr en wederrechtelijke vrijheidsberoving ex artikel 282 Sr. Voorts moet meewegen dat de duur van de vrijheidsberoving zeer kort was, dat de individuele rol van de verdachte beperkt was en dat de verdachte verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen ter terechtzitting in hoger beroep. Ten slotte heeft hij gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Verdachte heeft een zoon met het syndroom van Williams waarvoor hij de zorg draagt met zijn partner. De partner van de verdachte zit daarnaast in de ziektewet en kan de zorg en de financiële lasten niet in haar eentje dragen als de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd krijgt, die het voorarrest overstijgt.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft bij de strafoplegging in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich, in vereniging met anderen, schuldig heeft gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving. De verdachte heeft op 11 december 2024 op klaarlichte dag met een mededader het slachtoffer met geweld in een auto geduwd. In de auto heeft de verdachte en/of (een van) de mededaders de handen en de ogen van het slachtoffer (vast-)getapet, het slachtoffer op het hoofd geslagen en hem bedreigd met onder meer een (vuur)wapen, hamers en een zogenaamd met HIV geïnfecteerde injectiespuit teneinde hem te bewegen het geld toebehorend aan een van de mededaders terug te geven en hen naar [betrokkene] te leiden. Het is geenszins aan de daders te danken dat de wederrechtelijke vrijheidsberoving slechts van zeer korte duur was, doch slechts aan de oplettendheid van een ooggetuige die de politie hierover heeft ingelicht, waarna de vrijheidsberoving door het ingrijpen van de politie is beëindigd. Door aldus te handelen heeft de verdachte met zijn mededaders een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Wederrechtelijke vrijheidsberovingen zoals de onderhavige zijn niet alleen extreem beangstigend voor het slachtoffer zelf, maar roepen ook ernstige gevoelens van onveiligheid en onrust op binnen de maatschappij. De verdachten hadden naar de politie kunnen stappen om het geld terug te krijgen, maar hebben ervoor gekozen om voor eigen rechter te spelen en hebben daarmee te kennen gegeven geen respect te hebben voor de democratische rechtsorde, hetgeen onacceptabel is. Het hof rekent de verdachte dan ook ten zeerste aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.

Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel van de Justitiële Documentatie d.d. 3 juni 2026, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, alsmede op het uittreksel European Criminal Records Information System Justitiële Documentatie van Polen d.d. 26 juni 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het plegen van het onderhavige feit in zowel Nederland als Polen eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten. Het hof zal hiermee in strafverzwarende zin rekening houden bij de beslissing omtrent de strafoplegging.

Het hof heeft voorts rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte voor zover deze ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging naar voren zijn gebracht.

Ten slotte houdt het hof in strafmatigende zin rekening met de omstandigheid dat de verdachte – anders dan in eerste aanleg – wordt veroordeeld voor het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving in plaats van het medeplegen van gijzeling, hetgeen een aanzienlijk verschil in wettelijk strafmaximum en daarmee een verschil in de onderhavige strafmaat oplevert.

Het hof is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt, met name gelet op de ernst van het bewezenverklaarde. Het hof zal de verdachte dan ook veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Voorlopige hechtenis

De raadsman heeft in het kader van de voorlopige hechtenis van de verdachte het hof verzocht de bestaande schorsingsvoorwaarden te wijzigen, dan wel om het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opnieuw te schorsen per datum eindarrest, wanneer de schorsing zoals neergelegd in het op 22 september 2025 gegeven bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis van rechtswege eindigt.

Het hof zal het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opnieuw schorsen per datum eindarrest, waarvan de beslissing separaat zal worden geminuteerd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 47 en 282 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

spreekt de verdachte vrij van het impliciet primair tenlastegelegde;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. S. Riemens, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. A.J.M. van Gink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.C.F. Jansen, griffier,

en op 1 september 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S. Riemens
  • mr. J. Platschorre
  • mr. A.J.M. van Gink

Griffier

  • mr. M.C.F. Jansen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand