Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 21 december 2023 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, met parketnummers 01-219166-23 en 01-210746-23, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vordering tot tenuitvoerlegging, met parketnummers 01-215078-22 en 20-001582-21, tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het primair tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 01-219166-23 en het primair tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 01-210746-23 bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘zware mishandeling’ (in de zaak met parketnummer 01-219166-23 en ‘diefstal’ (in de zaak met parketnummer 01-210746-23), de verdachte strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest. De rechtbank heeft voorts een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht in de vorm van een contactverbod en gebiedsverbod voor de duur van 2 jaren opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank bevolen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Tot slot heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging gelast van de onder parketnummers 01-215078-22 en 20-001582-21 eerder opgelegde voorwaardelijke straffen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf, en in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek van het voorarrest alsmede het contact- en gebiedsverbod zoals de rechtbank in eerste aanleg aan de verdachte heeft opgelegd. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het contact- en gebiedsverbod dadelijk uitvoerbaar zal verklaren.
Ten aanzien van de vorderingen tot tenuitvoerlegging van de onder parketnummers 01-215078-22 en 20-001582-21 opgelegde voorwaardelijke straffen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de tenuitvoerlegging daarvan zal gelasten.
De raadsman heeft primair vrijspraak van het tenlastegelegde in de zaken met parketnummers 01-219166-23 en 01-210746-23 bepleit. Subsidiair heeft de raadsman een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het verrichten van nader onderzoek in de vorm van een getuigenverhoor, in de zaak met parketnummer 01-219166-23. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met een aanvulling van de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd.
Aanvullende bewijsoverweging
De raadsman van de verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit van het onder parketnummer 01-219166-23 tenlastegelegde. Daartoe werd aangevoerd dat de verklaring van aangever [benadeelde 1] minimaal wordt ondersteund door de andere bewijsmiddelen in het dossier en dat daardoor de overtuiging ontbreekt dat het de verdachte is geweest die de zware mishandeling heeft gepleegd.
Voorts heeft de raadsman van de verdachte integrale vrijspraak bepleit van het onder parketnummer 01-210746-23 tenlastegelegde. Daartoe werd aangevoerd dat sprake was van een misverstand en niet van een diefstal dan wel poging tot diefstal.
Het hof overweegt ten aanzien van het onder parketnummer 01-219166-23 tenlastegelegde als volgt.
Aangever [benadeelde 1] heeft verklaard dat de verdachte de ruit van zijn voordeur heeft vernield en hem daarna heeft mishandeld. Het hof ziet, evenals de rechtbank, geen aanleiding om te twijfelen aan deze verklaring. De verklaring van aangever, inhoudende dat hij is mishandeld door de verdachte, wordt voldoende gesteund door de overige bewijsmiddelen in het dossier. Zo verklaarde aangever dat de verdachte na de mishandeling op zijn fiets is gestapt en is weggereden. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij een man op een omafiets zag wegfietsen vanaf de [locatie] . Deze fietser riep nog het een en ander naar aangever [benadeelde 1] . Toen getuige [getuige 1] zich bekommerde om aangever [benadeelde 1] , verklaarde aangever dat hij was mishandeld door [verdachte] , aldus de verdachte, en dat de politie gebeld moest worden. Volgens getuige [getuige 1] gebeurde dit alles rond 23.00 uur. De verbalisanten arriveerden rond 23.10 uur en zagen dat de ruit van de voordeur van aangever was vernield.
De verbalisanten hebben de beschikbare camerabeelden van buurtbewoners bekeken. Uit deze camerabeelden bleek dat om 22.52.11 uur een man op een fiets op beeld verscheen en om 22.55.28 uur is glasgerinkel en een dof gebonk te horen. Om 23.02.22 uur werd een man op een fiets waargenomen en deze man was aan het schreeuwen. Verbalisant [verbalisant] heeft gerelateerd dat hij de stem van de man op de omafiets herkende als de stem van de verdachte. Nadat de verdachte werd aangehouden, is zijn mobiele telefoon onderzocht. Op deze mobiele telefoon stond een afbeelding van een deur met kapot glas. Deze foto is gemaakt om 22.57.18 uur. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij een omafiets heeft.
Tegenover deze feiten en omstandigheden heeft de verdediging gesteld dat de foto van de deur met kapot glas op de telefoon van de verdachte niet overeenkomt met de foto van de voordeur van aangever [benadeelde 1] . De verdachte verklaarde hierover dat hij niet wist hoe een foto van een deur met kapot glas op zijn telefoon terecht is gekomen. Verder heeft de verdediging bepleit dat uit de overgelegde pintransacties blijkt dat de verdachte zich op het moment van de mishandeling in de stad bevond.
Het hof passeert deze stellingen van de verdediging en overweegt daartoe als volgt.
Uit het dossier volgt dat vaststaat dat de desbetreffende foto van de deur met kapot glas met de telefoon van de verdachte is gemaakt en de verbalisanten hebben gerelateerd dat de foto op de telefoon van de verdachte overeenkomt met de foto van de voordeur van de woning van [benadeelde 1] die zich in het dossier bevindt. Hoewel de kwaliteit van de foto’s in het dossier beperkt is, is het specifieke kenmerkende breukpatroon in het glas van de deur van de foto op de telefoon van de verdachte en de foto die door de verbalisanten is gemaakt naar het oordeel van het hof hetzelfde. Door de verdediging is betoogd dat er een ander schadepatroon zichtbaar is en daarbij is gewezen op een ‘hoekje glas’ linksboven dat wel zichtbaar is op de ‘politiefoto’, maar niet op de foto zoals gemaakt door de verdachte. Het hof verwerpt het verweer op dit punt, omdat de hoek van de foto zoals gemaakt door de verdachte een andere is. De verdachte heeft de foto vanuit een veel schuinere hoek genomen en verder stond de deur kennelijk deels open toen de verdachte de foto heeft gemaakt en was deze geheel gesloten toen de politie de foto heeft gemaakt. Dat de deur deels openstond toen de verdachte de foto heeft geschoten, verklaart ook de andere ‘verschillen’ die door de verdediging naar voren zijn gebracht. Daarbij komt dat het tijdstip waarop de foto op de telefoon van de verdachte is genomen alsmede het tijdstip waarop de verbalisanten glasgerinkel op de beelden hebben waargenomen, ondersteunen dat het haast niet anders kan zijn dat de foto op verdachtes telefoon de foto is van de deur van aangever, waarbij wordt opgemerkt dat het wel zeer onwaarschijnlijk zou zijn indien de verdachte precies op de datum en het tijdstip waarop de ruit in de deur van [benadeelde 1] werd vernield, een foto heeft gemaakt van een deur met een kapotte ruit met een op zijn minst genomen zeer vergelijkbaar breukpatroon van een andere woning op een andere locatie. Een andere locatie overigens die, gesteld dat die al zou bestaan, voor het hof onbekend is gebleven nu deze niet door de verdachte is genoemd of anderszins is gebleken.
Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat uit de pintransacties van de rekening van de verdachte zou blijken dat hij in de stad aanwezig was. Het hof heeft echter vastgesteld dat de pintransacties, welke door de verdediging zijn overgelegd, telkens niet zijn voorzien van een duidelijke datum met jaartal dan wel datum met een gelet op de zomertijd aan de orde zijnd tijdstip. Ook zijn er transacties overgelegd van 21 augustus, terwijl de mishandeling op 20 augustus 2023 is gepleegd. Deze pintransacties sluiten derhalve het daderschap van de verdachte geenszins uit. Ook sluit het bezoek van de verdachte aan restaurant [bedrijf] niet uit dat hij de mishandeling gepleegd heeft. De verdachte was, zo blijkt uit het dossier, in het restaurant aanwezig van 21.06 uur tot 21.40 uur. De vernieling van de deur en de daaropvolgende mishandeling vonden pas rond 23.00 uur plaats.
In het dossier bevindt zich nog de verklaring van getuige [getuige 2] die in het voordeel van de verdachte zou hebben verklaard. In het licht van de overige bewijsmiddelen acht het hof deze verklaring niet betrouwbaar en zal deze naast zich neerleggen. Daarbij komt dat de getuige [getuige 2] zelf verklaart dat hij last heeft van zijn geheugen door een coma als gevolg van drugsgebruik. Ook heeft hij verklaard dat hij niets weet van een mishandeling en dat hij niet zeker is op welke dag hij de verdachte tegen was gekomen.
Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden is voor het hof onomstotelijk vast komen te staan dat het de verdachte is geweest die aanwezig was bij de woning van aangever [benadeelde 1] en ook die [benadeelde 1] zwaar heeft mishandeld.
Het hof overweegt ten aanzien van het onder parketnummer 01-210746-23 tenlastegelegde als volgt.
Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat de fiets op slot stond en dat een man, zo bleek later de verdachte, de fiets optilde en met de fiets wegliep. Aangever [benadeelde 2] heeft verklaard dat hij verdachte voorbij de winkel zag komen met de fiets van zijn vriendin, getuige [getuige 3] , in zijn handen. Aangever [benadeelde 2] liep naar de verdachte toe en vroeg om de fiets los te laten. De verdachte deed dat niet, waarop aangever [benadeelde 2] de fiets uit zijn handen trok en 112 belde. Gelet op voorgaande komt het hof tot de conclusie dat de verdachte als heer en meester over de fiets heeft beschikt en dat sprake is van een voltooide diefstal.
De verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij dacht dat het om zijn fiets ging, acht het hof ongeloofwaardig. De verdachte heeft nergens verklaard dat hij dacht dat het zijn fiets betrof, ook niet op het moment dat hem werd verzocht om de fiets terug te geven, hetgeen wel voor de hand had gelegen. Ook verklaarde de verdachte niet over een misverstand op het moment dat aangever [benadeelde 2] en getuige [getuige 3] de politie belden, hetgeen eveneens zeer voor de hand zou liggen. Daar komt nog bij dat de handeling van de verdachte om de fiets op te tillen en weg te lopen, zonder eerst te proberen het slot te openen, naar de uiterlijke verschijningsvorm eerder past bij een diefstal van de fiets dan bij een misverstand.
Het hof verwerpt aldus de verweren van de verdediging en acht, evenals de rechtbank, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 01-219166-23 en het primair tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 01-210746-23.
Voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft ter terechtzitting van 13 augustus 2026 een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van [getuige 4] , dus een andere [getuige 4] dan de [getuige 2] die als getuige door de politie is gehoord, als getuige indien het hof tot een bewezenverklaring komt van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 01-219166-23. [getuige 2] zou kunnen verklaren dat hij op 20 augustus 2023 met de verdachte in een café zat op het tijdstip dat de mishandeling gepleegd zou zijn.
Het hof wijst dit verzoek af en overweegt daartoe als volgt. Het hof acht het horen van getuige [getuige 4] niet noodzakelijk, gelet op de bezigde bewijsmiddelen en het vorenoverwogene. Het hof heeft bij de afwijzing van het verzoek laten meewegen dat het verzoek eerst op de, na een eerdere aanhouding, inhoudelijke behandeling in hoger beroep is gedaan en, de geloofwaardigheid (van het bestaan) van zo’n getuige in het midden latend, niet duidelijk is geworden waarom tot dat moment is gewacht terwijl deze door de verdediging genoemde persoon kennelijk al bijna drie jaar bekend zou zijn bij de verdachte.
Op te leggen sanctie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de door de rechtbank opgelegde straf, zal bevestigen.
De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht om aan de verdachte een onvoorwaardelijke straf op te leggen gelijk aan het voorarrest.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een zware mishandeling van [benadeelde 1] . De verdachte heeft die [benadeelde 1] meerdere klappen tegen het hoofd en schoppen tegen de ribbenkast gegeven, waardoor hij een gebroken neus en ribfracturen heeft opgelopen. Door aldus te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het hof weegt in strafverzwarende zin mee dat sprake is van een kwetsbaar slachtoffer en dat, onder dreiging de deur eruit te stampen als niet werd opengedaan, de mishandeling heeft plaatsgevonden in de woning van [benadeelde 1] . De verdachte moet hebben geweten dat [benadeelde 1] lichamelijk en geestelijk kwetsbaar was, aangezien de verdachte gedurende een periode bij hem in de woning is verbleven. Dit gegeven heeft de verdachte er niet van weerhouden om hem zwaar te mishandelen, zonder enige redelijke aanleiding daartoe. Het hof rekent de verdachte zeer aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Voorts is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een fiets. Daarmee heeft de verdachte laten zien dat hij ook geen respect heeft voor de eigendommen van anderen.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 2 februari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte waaruit volgt dat hij reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van vermogensdelicten. Deze veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich opnieuw strafbaar te maken aan soortgelijke feiten.
Verder heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij een slechte gezondheid heeft, dat hij een nieuwe partner heeft en dat de woningbouw met de verdachte aan het zoeken is naar passende woonruimte in verband met zijn lichamelijke beperkingen.
Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en uit het oogpunt van vergelding, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Met betrekking tot het procesverloop overweegt het hof ambtshalve in deze zaak evenwel nog het volgende.
Het hof heeft in aanmerking genomen dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 31 augustus 2023, zijnde de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank Limburg heeft vonnis gewezen op 21 december 2023. De behandeling in eerste aanleg is afgerond met een einduitspraak binnen 24 maanden na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn in eerste aanleg is derhalve niet overschreden.
De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 21 december 2023 met het instellen van hoger beroep namens de verdachte. Het hof wijst heden, op 27 augustus 2026, arrest. De behandeling in hoger beroep is daarmee niet afgerond met een einduitspraak binnen 24 maanden na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn in hoger beroep is overschreden met ongeveer 8 maanden. Van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen is niet gebleken.
In beginsel zou het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zonder meer passend en geboden achten. Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn in het voordeel van verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen gevangenisstraf zal verminderen met 2 maanden.
Het hof legt aldus aan de verdachte een hogere straf op dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof acht een hogere straf aangewezen omdat sprake is van een kwetsbaar slachtoffer die in zijn eigen huis door het handelen van de verdachte ernstige verwondingen heeft bekomen.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
Het hof is niet gebleken van nieuwe incidenten tussen de verdachte en het slachtoffer. Het hof ziet derhalve geen aanleiding om opnieuw een contact- of gebiedsverbod aan de verdachte op te leggen, zodat het hof daartoe niet zal overgaan.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 57, 302 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf, en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.
Aldus gewezen door:
mr. A.J. Henzen, voorzitter,
mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H. Smits, griffier,
en op 27 augustus 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.