Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 15 oktober 2024, in de strafzaak met parketnummer 01-202879-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1944,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte partieel vrijgesproken van het tenlastegelegde, te weten van het onderdeel dat de verdachte tabletten bevattende 10 mg metoclopramide zonder vergunning in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd, en is de verdachte ter zake van ‘overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18 van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. De rechtbank heeft het op de beslaglijst vermelde inbeslaggenomen goed, te weten een ampul (1 set middel X, bestaande uit drie tabletten natriumazide en vier tabletten domperidon), onttrokken aan het verkeer.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De verdediging heeft verzocht dat het hof in het kader van de afdoening toepassing zal geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Met betrekking tot het op de beslaglijst vermelde inbeslaggenomen goed heeft de verdediging verzocht dat het hof de teruggave aan de verdachte zal gelasten.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de partiële vrijspraak door de rechtbank van het tenlastegelegde, te weten dat de verdachte tabletten bevattende 10 mg metoclopramide zonder vergunning in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf, de motivering van de beslagbeslissing en de aangehaalde wettelijke voorschriften en doet in zoverre opnieuw recht. Tevens zal het hof de strafmaatoverwegingen aanvullen.
De rechtbank heeft in de opsomming van de bewijsmiddelen opgenomen ‘het verslag van een deskundige (…) zijnde een bevoegdheidsbeoordeling van [verbalisant] , bron 1, dossierpagina’s 829 t/m 381’. Het hof heeft geconstateerd dat in de paginaverwijzing sprake is van een kennelijke misslag nu deze als volgt dient te luiden: ‘dossierpagina’s 829 t/m 831’.
Op te leggen sanctie
Het hof verenigt zich met de strafmaatoverwegingen van de rechtbank, behalve voor wat betreft de navolgende zin op pagina 7, tweede regel, van het vonnis: ‘Hij is lichtzinnig omgesprongen met de risico’s die zijn handelen met zich brachten en dit neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk’. In aanvulling op hetgeen de rechtbank heeft overwogen overweegt het hof het navolgende.
De verdachte heeft in een periode van meer dan zestien maanden meermalen opzettelijk de Geneesmiddelenwet overtreden door tabletten bevattende 10 mg domperidon, een anti-braakmiddel, zonder vergunning in voorraad te hebben gehad, te koop aan te bieden en/of af te leveren. De verdachte heeft verklaard dat hij de tabletten aan mensen heeft verkocht of gegeven die tevens het ‘middel X’, een zelfdodingsmiddel, wilden hebben. De mensen zochten contact met de verdachte, waarna hij hen bij hem thuis uitnodigde voor een gesprek. Aan de hand van dat gesprek besliste verdachte of het voor hem acceptabel voelde om het setje met middel X en domperidon te verstrekken.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde, het in voorraad hebben, te koop aanbieden en afleveren van domperidon, gezien de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder het handelen van de verdachte plaatsvond, slechts in deze context dient te worden beoordeeld, namelijk de omstandigheid dat de verstrekking van domperidon slechts geschiedde in combinatie met de verstrekking van dodelijke doses natriumazide aan personen die een einde aan hun leven wensten te maken. De zorgvuldigheidseisen in de euthanasiewetgeving zijn opgenomen om elke casus zo zorgvuldig en verantwoord mogelijk te beoordelen en te behandelen, onder meer middels toepassing van het vierogenprincipe, inhoudende dat een risicovolle handeling altijd gecontroleerd dient te worden door een tweede persoon om fraude, fouten of misstanden te voorkomen, met als doel veiligheid en transparantie te waarborgen. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte bij zijn handelen enkel gevaren op zijn eigen morele kompas. De verdachte is van mening dat hij met zijn achtergrond van genoten opleidingen, zijn kennis en kunde een feilloze inschatting kan maken of het (moreel) verantwoord is om aan een bepaald persoon de dodelijke combinatie van middelen te verstrekken, zoals hij dat heeft gedaan. Bij deze inschatting heeft de verdachte zich niet opengesteld voor bijvoorbeeld een consulent/arts dan wel een andere deskundige aangezocht om telkens mee te kijken bij zijn beoordeling, waardoor het vierogenprincipe door hem niet is gehanteerd en zijn inschatting, beoordeling en handelwijze niet werden gecontroleerd door een onafhankelijke persoon en ook achteraf niet controleerbaar zijn. Bovendien is het hof van oordeel dat de beoordeling door de verdachte middels de gevoerde gesprekken telkens slechts een momentopname is geweest, waarbij bijvoorbeeld volstrekt onvoldoende gecontroleerd de voorgeschiedenis van de personen werd betrokken en de thuissituatie werd beoordeeld en waarbij geen enkele vorm van nacontrole of toezicht plaatsvond.
Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte bij het maken van zijn inschatting slechts een deel van de maatschappelijke werkelijkheid – zijn visie daarop – betrokken en heeft hij in zijn praktijk van het aanbieden en verstrekken van het middel X en de tabletten domperidon zijn verantwoordelijkheid met betrekking tot de belangen van andere deelnemers aan het rechtsverkeer en de mogelijk schadelijke maatschappelijke effecten van zijn handelen veronachtzaamd, zeker nu dit heeft geleid tot het in het maatschappelijk verkeer brengen van middelen die kunnen leiden tot het beëindigen van het grootste goed dat een mens heeft: het leven.
Hoewel de verdachte naar zijn oordeel telkens beredeneerd een moreel verantwoorde keuze heeft gemaakt, neemt dit niet weg dat hij naar het oordeel van het hof gevaarzettend heeft gehandeld. De verdachte heeft steeds gehandeld enkel op basis van zijn eigen oordeel van de betrokken persoon, welk oordeel slechts gebaseerd was op een momentopname en zonder zich te bekommeren om wat er met de setjes gebeurde nadat hij ze had verstrekt. Zo heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep ook erkend dat hij niet wist waar de setjes terecht zijn gekomen of wanneer en door wie de setjes daadwerkelijk werden ingenomen, waardoor deze dodelijke combinaties aan middelen mogelijk voor langere tijd in het maatschappelijke verkeer aanwezig waren en dat misschien nog steeds zijn. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte hierover verklaard dat door niets op te schrijven over de afnemers van de verstrekte middelen, die afnemers niet konden worden herleid, zodat ze uit het zicht zouden blijven van politie en Openbaar Ministerie en dat hij ook tegen de afnemers zei dat als hij ze later tegen zou komen, hij niet meer zou weten wie ze waren. Door deze handelwijze is het voor de politie inderdaad onmogelijk gebleken te achterhalen waar de door de verdachte in het maatschappelijk verkeer gebrachte dodelijke setjes aan middelen zijn gebleven en welke (mogelijk dodelijke) gevolgen dit in het verkeer brengen met zich heeft gebracht. De afspraken die de verdachte heeft gemaakt met de personen aan wie hij de setjes verstrekte over de wijze waarop ze deze moesten bewaren of gebruiken, maken dit niet anders, nu er geen sprake was van enige vorm van toezicht achteraf wat er daadwerkelijk met de setjes gebeurde. Bovendien heeft verstrekking van dit middel ook effect op de productie hiervan en nodigt het mogelijk personen in bepaalde kringen juist uit om tot productie hiervan over te gaan, hetgeen een maatschappelijk onwenselijk effect teweegbrengt.
De verdachte heeft – hoewel hij er ongetwijfeld van overtuigd was dat hij zwaarwegende belangen van het individu diende – volstrekt onvoldoende oog gehad voor de mogelijk zeer schadelijke maatschappelijke gevolgen van zijn handelen. Het hof neemt hem dat ernstig kwalijk.
Gelet op het hiervoor overwogene en de overwegingen van de rechtbank, waarmee het hof zich verenigt, is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat, gelet op de ernst en de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, niet kan worden volstaan met toepassing van het rechterlijk pardon, zoals bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Bovendien is het hof van oordeel dat evenmin kan worden volstaan met de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf. Alles afwegende is het hof in beginsel van oordeel dat oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen, passend en geboden is.
Met betrekking tot het procesverloop overweegt het hof het navolgende.
Het hof stelt voorop dat iedere verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaar nadat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
Het hof stelt vast dat in eerste aanleg de redelijke termijn waarbinnen de openbare behandeling en afdoening van de strafzaak had moeten plaatsvinden, is overschreden, te weten met een termijn van ongeveer 14 maanden. Op 5 augustus 2021 heeft een doorzoeking van de woning van de verdachte plaatsgevonden en het hof merkt dit moment aan dat de verdachte er mee bekend is geraakt dat tegen hem een strafvervolging zou kunnen worden ingesteld. Het vonnis in eerste aanleg dateert van 3 jaren en ruim 2 maanden later, te weten 15 oktober 2024.
Zoals hiervoor overwogen is het hof van oordeel dat zonder schending van de redelijke termijn een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen, passend en geboden is. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met een
voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen,
Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Beslag
Het op de beslaglijst vermelde inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een set ‘middel X’ bestaande uit hoeveelheden natriumazide en tabletten van het geneesmiddel domperidon, is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu dit voorwerp aan de verdachte toebehoort, bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte begane misdrijf werd aangetroffen en dit voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven, terwijl dit van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36d en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1 en 18 van de Geneesmiddelenwet en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de Economische Delicten, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing tot vrijspraak met betrekking tot het zonder vergunning in voorraad hebben, te koop aanbieden en/of afleveren van tabletten bevattende 10 mg metoclopramide.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. A.R. Hartmann, voorzitter,
mr. M.M. Koevoets en mr. W.F. Koolen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,
en op 30 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.