ECLI:NL:GHSHE:2026:2331

ECLI:NL:GHSHE:2026:2331

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 31-08-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer 20-003239-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Het hof heeft het bestreden vonnis vernietigd en het primair tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als: 'medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is'. De bewijsverweren zijn verworpen. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is aan de verdachte een artikel 38v-maatregel opgelegd. Het hof heeft bevolen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 18 december 2025, parketnummer

02-057725-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer

02-304493-22, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres]

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. De politierechter heeft het subsidiair tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen’ en de verdachte te dien aanzien veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de politierechter een vrijheidsbeperkende maatregel, als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, opgelegd inhoudende dat de verdachte voor de duur van 3 jaren in de periode van 1 december tot en met 2 januari zich niet zal ophouden in [straat 1] , [straat 2] en [straat 3] te [dorp] , [gemeente] . De politierechter heeft bepaald dat 2 weken hechtenis – tot een maximum van in totaal 6 maanden hechtenis – zal worden toegepast voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De maatregel is dadelijk uitvoerbaar verklaard. Ten slotte heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf in de zaak met parketnummer 02-304493-22, te weten een taakstraf voor de duur van 60 uren.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd en zich ten aanzien van de vrijheidsbeperkende maatregel en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

primairhij in of omstreeks de periode van 27 december 2024 tot en met 28 december 2024 te [dorp] , [gemeente] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht op een kruising/kruispunt (van [straat 1] en [straat 2] en [straat 3] ) door

- een brandbare stof in een voertuig te gooien, en/of

- deze brandbare stof in een voertuig in aanraking te brengen met open vuur (als gevolg waarvan het voertuig in brand vliegt), en/of

- de ruiten van het voertuig in te slaan, en/of

- een autoband en/of een kerstboom en/of een bankstel en/of een of meer onbekend gebleven stoffen en/of voorwerpen in/op/tegen het voertuig te gooien en/of duwen, ten gevolge waarvan het voertuig en/of de bestrating van het wegdek van die kruising/kruispunt en/of het straatmeubilair en/of andere brandba(a)r(e) goed(eren), geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de/het nabij gelegen

woningen/appartementencomplexen/gebouwen/straatmeubilair en/of het overige wegdek, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

subsidiairhij in of omstreeks de periode van 27 december 2024 tot en met 28 december 2024 te [dorp] , [gemeente] , in elk geval in Nederland, openlijk, te weten, aan [straat 1] en/of [straat 2] en/of [straat 3] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meerdere goederen, te weten een voertuig, de/het nabij gelegen woningen/appartementencomplexen/gebouwen/straatmeubilair en/of het overige wegdek, in elk geval enig goed, door

- een brandbare vloeistof in het voertuig te gooien, en/of

- deze brandbare vloeistof aan te steken (als gevolg waarvan het voertuig in brand vliegt), en/of

- de ruiten van het voertuig in te slaan, en/of

- een autoband en/of een kerstboom en/of een bankstel en/of een of meer onbekend gebleven stoffen en/of voorwerpen in/op/tegen het voertuig te gooien en/of duwen, en/of

- een bierflesje richting het autowrak te gooien.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primairhij in de periode van 27 december 2024 tot en met 28 december 2024 te [dorp] , [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk brand heeft gesticht op een kruising/kruispunt (van [straat 1] en [straat 2] en [straat 3] ) door

- een brandbare stof in een voertuig te gooien, en

- deze brandbare stof in een voertuig in aanraking te brengen met open vuur (als gevolg waarvan het voertuig in brand vliegt), en

- de ruiten van het voertuig in te slaan, en

- een autoband en een kerstboom en een bankstel en een of meer onbekend gebleven stoffen en/of voorwerpen in/op/tegen het voertuig te gooien en/of duwen, ten gevolge waarvan het voertuig is verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten het straatmeubilair en het wegdek, te duchten was.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het primair tenlastegelegde bepleit. Daartoe is – kort samengevat – aangevoerd dat niet vastgesteld kan worden dat door de brand schade is ontstaan dan wel gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Er waren in december 2024 meermaals branden op het kruispunt in [dorp] . Het dossier bevat vooral algemeenheden over deze branden, maar is onvoldoende specifiek over onderhavige brand, aldus de verdediging. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat geen sprake is van medeplegen omdat de rol van de verdachte beperkt is gebleven tot het intikken van de ruiten van de stookauto.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof allereerst de navolgende feiten en omstandigheden vast. In de nacht van 27 op 28 december 2024 is op het kruispunt van [straat 1] , [straat 2] en [straat 3] te [dorp] een auto in brand gestoken. Deze brand is gesticht volgens een modus operandi welke de afgelopen jaren in de decembermaand in [dorp] terugkeert. Omstreeks 23:58 uur zag verbalisant [verbalisant] een colonne van drie auto’s dicht op elkaar rijden richting het kruispunt. Deze drie auto’s betroffen onder meer de eigen auto van de verdachte, die als eerste auto vooropreed in de colonne en de stookauto, die in het midden reed. Vervolgens werd de stookauto in het midden van voornoemd kruispunt tot stilstand gebracht waarna de bestuurder (van de stookauto) de stookauto in brand stak. De verdachte zat als bijrijder in zijn eigen auto. Hij is uitgestapt, naar de brandende auto gerend en heeft de ramen ingeslagen. Door meerdere personen, waaronder de verdachte, werden vervolgens goederen in/op/tegen het brandende voertuig gegooid.

Gemeen gevaar voor goederen

Het hof stelt voorop dat voor het aannemen van gemeen gevaar voor goederen van belang is dat dit ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest.

In het licht van deze vooropstelling is het hof, anders dan de politierechter heeft overwogen en de verdediging heeft bepleit, van oordeel dat door de brand gemeen gevaar voor goederen, in de zin van artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht, te duchten was. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat door het in brand steken van een auto op een kruispunt binnen de bebouwde kom schade aan, in ieder geval, het straatmeubilair en het wegdek kan ontstaan. Het hof is derhalve van oordeel dat ten tijde van de brandstichting het gemeen gevaar voor deze goederen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was.

Medeplegen

Het hof stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplegen aan een strafbaar feit op grond van bestendige jurisprudentie sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht dient te zijn. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Inhoudelijk geldt daarbij dat het opzet van de verdachte zowel op de nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededader(s), als op de verwezenlijking van het tenlastegelegde grondfeit moet zijn gericht.

Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen het hof op grond daarvan heeft vastgesteld, heeft de verdachte tezamen met anderen de stookauto naar het kruispunt begeleid, waarna de bestuurder van de stookauto de auto in brand heeft gestoken. Vervolgens heeft de verdachte de ramen van de brandende auto ingeslagen en tezamen met anderen materialen in en op de brandende auto gegooid. Om het strafbare feit op deze wijze uit te voeren moet een stookauto zijn geregeld en een plan gemaakt zijn om met drie auto’s naar het kruispunt te rijden precies rond 00.00 uur en daar brand te stichten. De verdachte reed als bijrijder in zijn eigen auto naar de plek en heeft een significante bijdrage geleverd aan de actie. De gebeurtenissen voltrokken zich zeer snel hetgeen duidt op een gecoördineerde actie. Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte(n). Door te handelen als hiervoor vermeld, heeft de verdachte ook opzet gehad op de brandstichting en daaraan een voldoende significante en wezenlijke bijdrage geleverd. Daarmee acht hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

Conclusie

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.

Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf en maatregel

De verdediging heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar te volstaan met oplegging van een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van brandstichting te [dorp] . Als gevolg van deze brand is gemeen gevaar voor goederen ontstaan. Sinds enkele decennia kent [dorp] een historie met een onrustige jaarwisseling en (forse) ordeverstoringen, met name door brandstichting op het kruispunt van [straat 1] , [straat 2] en [straat 3] . De branden veroorzaken jaarlijks schade aan het wegdek, straatmeubilair en omliggende appartementencomplexen, en leveren gevaar voor omwonenden door hitte en roetoverlast alsmede stress en slapeloosheid. Het spreekt voor zich dat deze feiten gevoelens van onveiligheid en onzekerheid teweeg hebben gebracht bij personen woonachtig of verblijvende in de nabije omgeving. Het hof neemt het de verdachte kwalijk dat hij weer een bijdrage heeft geleverd aan de ongeregeldheden en brandstichting in [dorp] .

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 juni 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van brandstichting te [dorp] . Deze eerdere veroordeling heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een soortgelijk feit, hetgeen het hof in strafverzwarende zin meeweegt. Door deze veroordeling is bovendien het taakstrafverbod van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Ook daarop heeft het hof bij de straftoemeting acht geslagen.

Het hof heeft tevens kennisgenomen van het reclasseringsrapport d.d. 28 april 2025. Hieruit blijkt dat de reclassering vanwege de proceshouding van de verdachte niet tot een delictanalyse en risico-inschatting kon komen. Desondanks heeft de reclassering geen problemen geconstateerd op het gebied van huisvesting en dagbesteding. De verdachte kent een problematisch verleden met drugsgebruik, maar is daarvoor opgenomen geweest en is inmiddels abstinent van drugs, aldus de reclassering. De verdachte ervaart in zijn leven geen problemen en heeft geen (forensische) hulpvragen. Bij een veroordeling adviseert de reclassering dan ook een straf zonder bijzondere voorwaarden. Uit dit rapport van de reclassering blijkt voorts dat de verdachte de taakstraf, die hij in 2023 opgelegd heeft gekregen voor brandstichting te [dorp] , niet volledig heeft uitgevoerd waardoor deze negatief is geretourneerd.

Verder heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij bij zijn moeder woont en als zelfstandige werkt in de staalbouw. Hij is zijn schulden aan het aflossen en wil op korte termijn op zichzelf gaan wonen. De verdachte heeft verklaard dat hij een cocaïneverslaving had en daarvoor is opgenomen in een kliniek en in een safehouse heeft verbleven. Voorts kampte hij met PTSS, waarvoor hij traumabehandelingen heeft ondergaan. Het gaat op dit moment veel beter met hem. Hij vult zijn dagen met werken en is al vier jaar abstinent van drugs. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal grote gevolgen voor de verdachte hebben. Zo zal hij opdrachtgevers kwijtraken en weer in aanraking komen met mensen en middelen waarvan hij bewust afstand heeft gedaan. Hij wil zijn verantwoordelijkheid nemen door een taakstraf uit te voeren, aldus de verdachte.

Het hof kan, gelet op het strafbare handelen van de verdachte in combinatie met het strafblad van de verdachte, niet anders dan concluderen dat het gedrag van de verdachte onverbeterlijk is. De verdachte trekt zich kennelijk niets aan van justitiële interventies en naar het oordeel van het hof is sprake van aan aanzienlijk risico op recidive. Het hof is derhalve van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, het justitiële verleden van de verdachte en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Het hof komt daarmee tot oplegging van dezelfde straf als door de politierechter is gedaan en door de advocaat-generaal is gevorderd, terwijl voor brandstichting normaliter aanzienlijk zwaardere straffen worden opgelegd dan voor openlijke geweldpleging. Het hof houdt derhalve met deze strafoplegging in grote mate rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de gevolgen van een langdurige gevangenisstraf voor zijn bedrijf. Bovendien is het hof van oordeel dat met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking wordt gebracht en de strafoplegging dienstbaar wordt gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Voorts zal het hof aan de verdachte, evenals de politierechter, ter voorkoming van strafbare feiten ook een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen voor de duur van 3 jaren, inhoudende dat de verdachte zich telkens in de periode van 1 december tot en met 2 januari niet zal ophouden in [straat 1] , [straat 2] en [straat 3] te [dorp] , [gemeente] . Hierbij zal vervangende hechtenis worden toegepast voor het geval niet aan deze vrijheidsbeperkende maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De totale duur van de ten uitvoer te leggen vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 6 maanden. Het hof is bovendien van oordeel dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaard moet worden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds is onderworpen aan de dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkte maatregel in eerste aanleg. Het hof houdt er, gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de recidive, ernstig rekening mee dat de verdachte opnieuw een soortgelijk strafbaar feit pleegt.

Vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie in het arrondissement Zeeland-West-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 26 januari 2023 onder parketnummer

02-304493-22. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een soortgelijk strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde taakstraf dient te worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38v, 38w, 47 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de verdachte voor de duur van 3 jaren in de periode van 1 december tot en met 2 januari zich niet zal ophouden aan [straat 1] , [straat 2] en [straat 3] te [dorp] , [gemeente] , en beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan, waarbij de duur van deze vervangende hechtenis 2 weken bedraagt voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een gezamenlijk maximum van 6 maanden en bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;

beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is, met aftrek van de tijd gedurende welke de verdachte reeds onderworpen is geweest aan de door de politierechter opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel;

beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht;

beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 26 januari 2023, parketnummer

02-304493-22, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten: een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. A.E.J. Satink en mr. Y. van Setten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.H.P. van der Linde, griffier,

en op 31 augustus 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Satink en mr. Van Setten zijn buiten staat om dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A.M.G. Smit
  • mr. A.E.J. Satink
  • mr. Y. van Setten

Griffier

  • mr. N.H.P. van der Linde

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand