Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 23 september 2025, parketnummer 01-024906-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf met parketnummer 01-255652-24, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [adres 1] ,
thans verblijvende te [adres 2] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘poging tot doodslag’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, en tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden. Voorts is een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht in de vorm van een contactverbod met [benadeelde partij] en haar dochters en een locatieverbod voor de stad
‘s-Hertogenbosch opgelegd, beide voor de duur van 3 jaren, met een bevel tot vervangende hechtenis per overtreding voor de duur van 14 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van 6 maanden, welke beide dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard. Ook heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter hoogte van € 4.514,99 geheel toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten slotte heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging gelast van de onder parketnummer 01-255652-24 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één week.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor zover inhoudende het gebiedsverbod voor de stad ‘s-Hertogenbosch, en, in zoverre opnieuw rechtdoende, een locatieverbod zal opleggen voor het gebied dat door de reclassering inmiddels is aangepast en thans wordt gehanteerd.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit van hetgeen primair ten laste is gelegd. Ten aanzien van hetgeen subsidiair ten laste is gelegd heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. De verdediging heeft tevens een standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf onder parketnummer 01-255652-24, heeft de verdediging verzocht deze gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
primairhij op of omstreeks 22 januari 2025 te ’s-Hertogenbosch, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk van het leven te beroven, als bestuurder van een personenauto onverhoeds en/of met vaart achteruit tegen de zich achter die personenauto bevindende [benadeelde partij] is gereden, waardoor die [benadeelde partij] ten val is gekomen en (vervolgens) door dat (nog immer rijdende) voertuig over het wegdek werd gesleurd (terwijl die [benadeelde partij] achter/onder genoemd voertuig lag), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiairhij op of omstreeks 22 januari 2025 te ’s-Hertogenbosch, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, als bestuurder van een personenauto onverhoeds en/of met vaart achteruit tegen de zich achter die personenauto bevindende [benadeelde partij] is gereden, waardoor die [benadeelde partij] ten val is gekomen en (vervolgens) door dat (nog immer rijdende) voertuig over het wegdek werd gesleurd (terwijl die [benadeelde partij] achter/onder genoemd voertuig lag), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Uit het procesdossier kan genoegzaam worden vastgesteld dat de verdachte aangeefster [benadeelde partij] met zijn auto heeft aangereden door achteruit te rijden. Dit blijkt onder meer uit de aangifte en de bekeken camerabeelden. De verdachte ontkent ook niet dat de aanrijding heeft plaatsgevonden. Het hof heeft echter geconstateerd dat er in deze zaak onvoldoende onderzoek is gedaan naar verschillende relevante aspecten betreffende de aanrijding. Zo is, bij gebrek aan een evidente hoge snelheid, allereerst niet duidelijk geworden hoe snel de auto achteruit reed. Evenmin is duidelijk geworden waar aangeefster nu precies stond, ook niet bij benadering, op het moment dat zij werd aangereden, hetgeen niet zonder betekenis is voor het bepalen van de inmiddels aldaar opgebouwde snelheid en de daarmee verband houdende krachtsinwerking op het lichaam.
In het procesdossier zit medische informatie met betrekking tot het letsel van aangeefster [benadeelde partij] . Het daaruit blijkende letsel geeft evenmin steun voor het oordeel dat de krachtsinwerking op het lichaam zodanig is geweest dat er een aanmerkelijk risico heeft bestaan op het overlijden van [benadeelde partij] .
Naar het oordeel van het hof is er gelet op het vorenstaande onvoldoende bewijs voor de primair tenlastegelegde poging doodslag. Het hof zal de verdachte hier dan ook van vrijspreken.
Bewezenverklaring
Het hof acht met de verdediging wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat verdachte:
subsidiairop 22 januari 2025 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, als bestuurder van een personenauto onverhoeds en met vaart achteruit tegen de zich achter die personenauto bevindende [benadeelde partij] is gereden, waardoor die [benadeelde partij] ten val is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Het hof stelt voorop dat uit de bewijsmiddelen niet met zekerheid kan worden afgeleid dat de verdachte kwaad opzet had om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het hof zal dan ook beoordelen of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.
Het hof overweegt allereerst dat naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bestaat als een voetganger, een kwetsbare, onbeschermde verkeersdeelnemer, door een auto wordt aangereden.
Voor de vaststelling dat de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan zodanige kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Uit het politiedossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 22 januari 2025 te ’s-Hertogenbosch kwam aangeefster [benadeelde partij] met de auto thuis. Zij parkeerde haar auto in een parkeervak aan de overkant van haar huis. Op enig moment nadat zij was uitgestapt, zag zij de verdachte als bestuurder van een auto de straat in komen rijden. De verdachte stopte zijn auto ongeveer ter hoogte van de auto van [benadeelde partij] . [benadeelde partij] stond – bezien vanuit de auto van de verdachte – aan de linkerzijde. Zij keken elkaar aan en de verdachte heeft nog iets naar [benadeelde partij] geroepen. [benadeelde partij] liep vervolgens vanaf de linkerzijde naar de achterkant van de auto van de verdachte, waarna de verdachte met een zekere vaart en met toenemende snelheid achteruit reed en haar met zijn auto raakte. [benadeelde partij] kwam daardoor ten val en hield hier letsel aan over.
De verdachte verklaarde bij de politie dat hij tot [benadeelde partij] door wilde dringen en dat hij achteruit reed om haar aan te kunnen spreken. De verdachte verklaarde dat hij, voordat hij achteruit reed, in zijn linker spiegel en over zijn schouder heeft gekeken en dat hij [benadeelde partij] niet meer zag aan de linkerzijde van zijn auto. Ter terechtzitting in eerste aanleg verklaarde de verdachte dat hij voor [benadeelde partij] langs wilde kruisen voordat ze over zou steken. Hieruit blijkt dat de verdachte wist dat [benadeelde partij] de straat over zou gaan steken. Hij wist niet wanneer, maar omdat hij haar niet meer aan de linkerkant van zijn auto zag, moet het voor de verdachte duidelijk zijn geweest dat [benadeelde partij] zich op dat moment achter de auto bevond. De verdachte besloot desondanks om – zonder op het beeld van de achteruitrijcamera te kijken – achteruit te rijden. Ook de geluidssignalen die de auto moet hebben gegeven als er iets of iemand zich in de buurt van de auto bevindt, hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om achteruit te rijden.
Het hof is van oordeel dat de eerder genoemde gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op het aanrijden van [benadeelde partij] en daarmee op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is het hof niet gebleken.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
poging tot zware mishandeling.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft het hof verzocht om aan de verdachte een gevangenisstraf gelijk aan de duur van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht op te leggen. Indien het hof een hogere straf noodzakelijk acht, heeft de verdediging verzocht om het meerdere voorwaardelijk op te leggen, eventueel met de bijzondere voorwaarden zoals grotendeels aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zijn verbonden. Voorts heeft de verdediging verzocht om de duur van een eventueel op te leggen ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen te matigen ten opzichte van de duur van de ontzegging die in eerste aanleg is opgelegd.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling. De verdachte is met zijn auto achteruit tegen het slachtoffer [benadeelde partij] aangereden, waardoor zij is gevallen en letsel heeft opgelopen. De verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van het slachtoffer [benadeelde partij] . Dat het slachtoffer geen zwaar letsel heeft opgelopen is een gelukkige omstandigheid die allerminst aan het handelen van de verdachte te danken is. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk ter zake van mishandeling van hetzelfde slachtoffer onherroepelijk is veroordeeld. Deze veroordeling heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden te handelen zoals bewezen is verklaard.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte in dat kader naar voren gebracht dat hij momenteel bij zijn vader woont, hij in Nederland niet mag werken en dat hij graag weer wil gaan wonen [plaats] .
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd; niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Opheffing van de voorlopige hechtenis
De verdachte is op 23 januari 2025 in verzekering gesteld. De voorlopige hechtenis is bij beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 16 maart 2026 met ingang van 23 maart 2026 geschorst. Tot het moment van de schorsing zat de verdachte in totaal 425 dagen in de voorlopige hechtenis. Gelet op het feit dat het hof aan de verdachte bij arrest thans een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest heeft opgelegd, en de verdachte daarmee zijn straf reeds heeft uitgezeten, zal het hof het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
Maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht
Op grond van het verhandelde ter terechtzitting ziet het hof voorts – evenals de advocaat-generaal – aanleiding om, ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten, aan de verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht op te leggen voor de duur van 4 jaren, inhoudende een contactverbod met [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] en haar twee dochters, en een gebiedsverbod, inhoudende dat de verdachte zich niet zal ophouden in het gebied tussen en op de straten [straat 1] , [straat 2] , [straat 3] en [straat 4] .
Het hof zal daarbij bepalen dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, hechtenis voor de duur van 14 dagen, met een maximum van 6 maanden, zal worden toegepast. Toepassing van de hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de maatregel niet op.
Dadelijke uitvoerbaarheid maatregel
Het hof zal – net als de rechtbank – bepalen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is, nu er, gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens het slachtoffer [benadeelde partij] .
Het hof zal bepalen dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit arrest al onderworpen is geweest aan de vergelijkbare, door de rechtbank dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel, bij de uitvoering van de maatregel in mindering wordt gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 4.514,99, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende onderdelen:
- Materiële schadevergoeding € 514,99, bestaande uit:
o Eigen risico € 385,00;
o Beveiligingskosten € 129,99;
- Immateriële schadevergoeding € 4.000,00.
Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering geheel toegewezen.
De benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven de gehele vordering te handhaven.
De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep betwist. De verdediging heeft bepleit dat de beveiligingskosten in een te ver verwijderd verband staan met het tenlastegelegde waardoor deze post dient te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Ten aanzien van de vordering van immateriële schadevergoeding heeft de verdediging het hof verzocht deze te matigen.
Materiële schadevergoeding
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Het hof merkt daarbij op dat het aannemelijk is dat de benadeelde partij door de aanrijding medische kosten heeft gemaakt en haar eigen risico heeft moeten verbruiken. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Ten aanzien van de gevorderde kosten van een deurbel met camera is het hof van oordeel dat deze kosten – mede gezien de namens de benadeelde partij gegeven toelichting – niet zijn aan te merken als rechtstreekse schade als gevolg van het bewezenverklaarde en de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2025, zijnde het moment waarop de vordering is ingediend, tot aan de dag der algehele voldoening.
Immateriële schadevergoeding
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade is toegebracht als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Uit het procesdossier volgt immers dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte letsel heeft opgelopen, te weten hoofdpijn, pijn aan haar ribben, kneuzingen dan wel bloeduitstortingen aan hand, schouder en rechter heup.
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, alsmede gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, begroot het hof de immateriële schade die benadeelde rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit heeft geleden naar billijkheid op een bedrag van € 4.000,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2025, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte, die als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde partij] is toegebracht tot een bedrag van € 4.385,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente als vermeld in het dictum, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 43 (drieënveertig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie van het parket Oost-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 23 oktober 2024 onder 01-255652-24. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Op grond van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen. Het hof acht de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf niet opportuun gelet op het feit dat de verdachte reeds langer in voorarrest heeft gezeten dan de duur van de gevangenisstraf die het hof aan de verdachte in deze zaak oplegt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 38v, 38w, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Ontzegt de verdachte ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 (achttien) maanden.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde:
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 14 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.
Beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd als gevolg van de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht op het hiervoor opgenomen maximum van 6 maanden vervangende hechtenis.
Heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.385,00 (vierduizend driehonderdvijfentachtig euro) bestaande uit € 385,00 (driehonderdvijfentachtig euro) als vergoeding van materiële schade en € 4.000,00 (vierduizend euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding voor zover betrekking hebbend op de gevorderde beveiligingskosten.
Veroordeelt de verdachte in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.385,00 (vierduizend driehonderdvijfentachtig euro) bestaande uit € 385,00 (driehonderdvijfentachtig euro) als vergoeding van materiële schade en € 4.000,00 (vierduizend euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 43 (drieënveertig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
28 augustus 2025 en van de immateriële schade op 22 januari 2025.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het parket Oost-Brabant van 18 maart 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 23 oktober 2024 met parketnummer 01-255652-24, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 week.
Aldus gewezen door:
mr. H.A.T.G. Koning, voorzitter,
mr. A.C. Bosch en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.A.M.H. Hermans, griffier,
en op 4 september 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.