Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 27 maart 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-265625-22 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [woonadres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het primair tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘poging tot doodslag’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de rechtbank gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat hij van overheidswege wordt verpleegd.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] is geheel toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 14.165,47, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
De verdachte is veroordeeld in de proceskosten, tot dan toe begroot op € 812,00.
Tot slot is ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd, zo begrijpt het hof, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, het adolescentenstrafrecht toe zal passen en de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde zal veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van 720 dagen, waarvan 254 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof in het kader van het voorwaardelijke strafdeel de door de reclassering in het rapport van 29 december 2025 geadviseerde bijzondere voorwaarden zal opleggen met uitzondering van het locatieverbod en de verplichting een opleiding te volgen. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze integraal zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente, en dat het hof ten behoeve van het slachtoffer de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
De verdediging heeft een straftoemetingsverweer gevoerd. De raadsvrouw heeft in dit verband bepleit dat het hof zal afzien van het gelasten van de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege en dat het hof toepassing zal geven aan het adolescentenstrafrecht. Ten aanzien van de bewezenverklaring en de vordering van de benadeelde partij refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep – tenlastegelegd dat hij:
op of omstreeks 15 oktober 2022 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, met voornoemd opzet die [benadeelde] meermalen (met kracht) tegen/op het hoofd en/of het gezicht, althans tegen het lichaam, heeft geslagen en/of met geschoeide voet heeft geschopt en/of gestampt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
op of omstreeks 15 oktober 2022 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken bovenkaak, althans een breuk in de wand van de kaakbijholte (sinus maxillaris) en/of fracturen van dentale elementen, heeft toegebracht door deze [benadeelde] telkens opzettelijk (met kracht) tegen/op het hoofd en/of het gezicht, althans tegen het lichaam, te slaan en/of met geschoeide voet te schoppen en/of stampen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:
op 15 oktober 2022 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, met voornoemd opzet die [benadeelde] meermalen (met kracht) tegen het hoofd en/of het gezicht heeft geslagen en met geschoeide voet tegen/op het hoofd heeft gestampt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Daarbij overweegt het hof dat uit de camerabeelden en verschillende getuigenverklaringen blijkt dat de verdachte na het slachtoffer eerst met een vuistslag knock-out te hebben geslagen, meermalen met kracht met geschoeide voet tegen een kwetsbaar lichaamsdeel, te weten het hoofd, van het buiten bewustzijn op de straat liggende slachtoffer heeft getrapt waaruit volgt dat de verdachte – gelet op de uiterlijke verschijningsvorm en bij gebrek aan tegenindicaties – bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever hierdoor zou komen te overlijden.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
poging tot doodslag.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Door zowel de deskundigen van het Pieter Baan Centrum ( [psychiater 1] , psychiater, en [psycholoog 1] , GZ-psycholoog) als [psycholoog 2] , GZ-psycholoog, en [psychiater 2] en [psychiater 3] , respectievelijk psychiater en psychiater in opleiding, wordt geadviseerd het tenlastegelegde, indien bewezen, in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
In de rapportage van 3 maart 2023 beschrijft [psycholoog 2] dat het vanuit de posttraumatische stressstoornis (hierna: PTSS) van de verdachte aannemelijk is dat hij zich in het nauw gedreven voelde en vanuit een overlevingsdrang heeft gereageerd, zonder een weloverwogen keuze te maken. Het is volgens de rapporteur onaannemelijk dat de PTSS totaal geen rol heeft gespeeld bij het tenlastegelegde. [psychiater 2] en [psychiater 3] beschrijven in hun rapport van 3 maart 2023 dat er tot op zekere hoogte ruimte is geweest voor vrije-wilsuitoefening ten aanzien van het tenlastegelegde. De verdachte zou door zijn pathologie niet automatisch en onontkoombaar tot delictgedrag worden gedreven, maar lijkt wel een zekere mate van controleverlies te ervaren zodra hij deze weg ingeslagen is. Tot slot beschrijven [psychiater 1] en [psycholoog 1] in hun rapport van 31 oktober 2023 dat de verdachte bij conflicten sneller en heftiger reageert doordat zijn PTSS word ‘getriggerd’. Ook ten tijde van het tenlastegelegde zou er sprake zijn geweest van een dergelijke situatie. In hun aanvullende rapportage van 18 juli 2025 ( [psychiater 1] ) en 20 augustus 2025 ( [psycholoog 1] ) blijven zij bij dit oordeel.
Het hof neemt deze in grote lijnen met elkaar overeenstemmende adviezen van de deskundigen over de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte over en maakt deze tot de zijne. Het hof zal het bewezenverklaarde derhalve in een verminderde mate aan de verdachte toerekenen.
Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is de verdachte is strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Meer in het bijzonder overweegt het hof het navolgende.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag van [benadeelde] door hem op een zaterdagavond in een drukbezocht uitgaansgebied meermalen met kracht tegen het hoofd te slaan en te stampen. Hiermee heeft de verdachte een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer gemaakt. Dat het incident voor het slachtoffer zeer ingrijpend is geweest en op hem een grote impact heeft gehad, volgt mede uit de door hem aan het hof overgelegde schriftelijke slachtofferverklaring. Feiten als het onderhavige zorgen bovendien voor gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving als geheel. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 4 november 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte in 2019 onherroepelijk is veroordeeld ter zake van het medeplegen van poging tot zware mishandeling.
Het hof heeft tevens acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. De verdachte heeft in dit verband verklaard dat hij zijn opleiding heeft afgerond en werkzaam is als kok. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij het antidepressivum Sertraline gebruikt en kampt met nierstenen, waarvoor hij reeds een aantal operaties heeft ondergaan. De verdachte heeft verklaard dat het desalniettemin goed met hem gaat en dat hij, met steun van zijn ouders, vriendin, beste vriend, de reclassering en [zorginstelling] , in staat is om te reflecteren op zijn situatie en het tenlastegelegde. De verdachte vindt dat hij een ernstige fout heeft gemaakt en zegt daar spijt van te hebben en heeft daarbij op het hof een oprechte indruk gemaakt. Tot slot heeft de verdachte verklaard dat hij bereid is om zich te houden aan de door de reclassering in het rapport van 29 december 2025 geadviseerde bijzondere voorwaarden indien het hof aan hem een (deels) voorwaardelijke straf zou opleggen.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de in het dossier aanwezige deskundigenrapporten. Uit het pro-Justitiarapport d.d. 3 maart 2023, opgesteld door GZ-psycholoog [psycholoog 2] , volgt dat bij de verdachte sprake is van een PTSS die ook ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde aanwezig was en de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloedde. Indien de stoornis onbehandeld blijft, wordt het recidiverisico ingeschat als hoog. [psycholoog 2] adviseert het jeugdstrafrecht toe te passen, zodat kan worden ingezet op behandeling, scholing, pedagogische beïnvloeding en het betrekken van ouders binnen de behandeling en zijn sociaal emotionele ontwikkeling als zelfstandig individu kan worden bevorderd. Concluderend wordt oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel geadviseerd.
Uit het pro-Justitiarapport d.d. 3 maart 2023, opgesteld door [psychiater 2] , psychiater, in samenwerking met [psychiater 3] , arts in opleiding tot psychiater, volgt dat bij de verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, die tevens aanwezig was ten tijde van het tenlastegelegde en de gedragskeuzes en de gedragingen van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloedde. De verdachte zou de gevolgen van zijn handelen niet volledig kunnen overzien en de verdachte lijkt vaak impulsgedreven te handelen, waarbij hij snel overgaat op verbale en fysieke agressie. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Nu de beperkte pedagogische mogelijkheden niet lijken op te wegen tegen de relatief sterke contra-indicaties, wordt toepassing van het jeugdstrafrecht niet geadviseerd. Middels training en psychotherapie zouden de persoonlijkheidsproblematiek en de daaruit voortvloeiende problemen kunnen worden verminderd. Gelet op de voorgeschiedenis van de verdachte met hulpverlenende instanties, waarbij hij van hulpverlening heeft afgezien, wordt behandeling binnen een ambulant kader door de rapporteurs onwenselijk geacht. Zij adviseren tot oplegging van de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege.
Uit de pro-Justitiarapportage van het Pieter Baan Centrum d.d. 31 oktober 2023, opgesteld door [psychiater 1] , psychiater, en [psycholoog 1] , GZ-psycholoog, volgt dat sprake is van een stagnatie en scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling van de verdachte. Voorts zou sprake zijn van symptomen die kenmerkend zijn voor een PTSS. Er is sprake van een scheefgroei in de sociaal-emotionele ontwikkeling van de verdachte, die neigt naar cluster-B-persoonlijkheidsproblematiek (borderline/antisociaal). Tegelijkertijd wordt beschreven dat de persoonlijkheidsontwikkeling nog gaande is, zodat van een uitgekristalliseerde persoonlijkheidsstoornis geen sprake is. Concluderend zou bij de verdachte sprake zijn van PTSS en een stagnatie in de persoonlijkheidsontwikkeling met een scheefgroei naar cluster-B-problematiek met narcistische afweer, die ook ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig waren. De rapporteurs schatten het recidiverisico in als matig verhoogd. Toepassing van het jeugdstrafrecht wordt geïndiceerd, nu de verdachte in het contact jonger overkomt dan zijn kalenderleeftijd en zoekende is naar zijn identiteit. Er zijn volgens de ASR-wegingslijst voldoende indicaties en geen contra-indicaties voor het toepassen van het jeugdstrafrecht. Plaatsing in een instelling zou volgens de rapporteurs tot gevolg hebben dat de verdachte zijn leven weer ‘on hold’ moet zetten. Bovendien zou de verdachte in een JJI-instelling mogelijk door anderen negatief worden beïnvloed. Er bestaan volgens de rapporteurs derhalve duidelijke contra-indicaties voor een klinische opname. Alles afwegende wordt geadviseerd de verdachte in een ambulante setting door een forensisch centrum met expertise voor zowel PTSS als persoonlijkheidsproblematiek te laten behandelen met een langdurig resocialisatietraject, onder toezicht van de reclassering. Oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel wordt derhalve als meest passende sanctie beschouwd.
In de pro-Justitiarapportage d.d. 18 juli 2025 heeft psychiater [psychiater 1] aanvullend over de verdachte gerapporteerd. [psychiater 1] beschrijft dat het bestaan van een PTSS wordt bekrachtigd. Wat betreft de persoonlijkheidsontwikkeling heeft de verdachte zich sinds het PBC-onderzoek uit 2023 in positieve zin ontwikkeld, onder meer op sociaal-emotioneel gebied: “Er kan gesteld worden dat het zonder meer bewonderenswaardig is dat, ondanks (of dankzij) het lopend justitiële traject met vele onzekerheden, spanningen en detenties hij zijn leven grotendeels op orde heeft weten te krijgen omdat op vrijwel alle levensterreinen stabiliteit is bereikt. De verdachte is ook niet meer opnieuw in aanraking geweest met politie of justitie.” Volgens [psychiater 1] kan feitelijk niet meer worden gesproken van een bedreigde persoonlijkheid, laat staan van een persoonlijkheidsstoornis. Wel kan terugkijkend gesteld worden dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde nog geheel niet als een uitgerijpte persoonlijkheid kon worden beschouwd. Die persoonlijkheidsontwikkeling is echter nog steeds gaande en de verdachte is nog steeds te beschouwen als een kwetsbare en beïnvloedbare adolescent. Het recidiverisico wordt thans ingeschat als laag, nu er weinig tot geen risicofactoren worden gezien, terwijl er veel beschermende factoren aanwezig zijn. Het advies om het jeugdstrafrecht toe te passen blijft onverminderd van kracht. Om het recidiverisico (verder) te kunnen verlagen, wordt behandeling van de PTSS noodzakelijk geacht en is een langer durende begeleiding en toezicht op de voortgang en de bestendiging van de positieve ontwikkeling in zijn persoonlijkheid wenselijk.. Er is geen enkele indicatie voor opname in een (forensische) instelling. Dit zou de positieve lijn die in de ontwikkeling van de verdachte wordt gezien, immers doorbreken. Gelet op de positieve ontwikkelingen aan de zijde van de verdachte wordt oplegging van een voorwaardelijk strafdeel met als bijzondere voorwaarde een ambulante behandeling met jeugdreclasseringstoezicht geadviseerd om de voortgang te kunnen blijven monitoren.
In de pro-Justitiarapportage d.d. 20 augustus 2025 heeft ook psycholoog [psycholoog 1] aanvullend over de verdachte gerapporteerd. [psycholoog 1] concludeert dat de verdachte onder (chronische) stress redelijk blijft functioneren. Hij is niet teruggevallen in middelengebruik, heeft geen agressieve incidenten gehad en heeft, voor zover kan worden nagegaan, enkel pro-sociale activiteiten ontplooit. Hij heeft de meest optimale ontwikkeling laten zien. Ten tijde van het opmaken van het rapport is PTSS de enige actieve classificatie bij de verdachte. Voor de rest functioneert hij als een normale jongeman van zijn leeftijd. Binnen de huidige context zou sprake zijn van een laag recidiverisico. Bij het wegvallen van de gunstige sociaal-contextuele factoren wordt dit risico hoger. Er is dan sprake van een matig risico. Binnen spanningsvolle situaties in combinatie met middelenmisbruik kan het risico verder oplopen. Het advies om het jeugdstrafrecht toe te passen blijft onverminderd van kracht. [psycholoog 1] adviseert een behandeling voor de PTSS en reclasseringstoezicht. Oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel wordt door [psycholoog 1] thans niet meer passend geacht, nu de verdachte heeft aangetoond zich ook in het kader van bijzondere voorwaarden aan de aanwijzingen te kunnen houden.
Tot slot heeft het hof acht geslagen op de reclasseringsadviezen d.d. 18 oktober 2022, 22 november 2022, 29 augustus 2023, 15 februari 2024 en 29 december 2025. Hoewel de reclassering aanvankelijk oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel met bijzondere voorwaarden adviseerde, wordt in het meest recente reclasseringsadvies van 29 december 2025 een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere (ambulante) voorwaarden geadviseerd. Vanuit contact met de verdachte, de polikliniek, school, stage-/werkplek, vriendin en ouders van de verdachte komt een positief beeld naar voren over hoe hij tracht de draad weer op te pakken na tweemaal in detentie te hebben verbleven en de aanhoudende onzekerheid rondom de afloop van de strafzaak. Op geen enkel moment heeft de reclassering de indruk gekregen dat de verdachte zich sociaal wenselijk c.q. aangepast tracht op te stellen en/of probeert te manipuleren (conform het beeld dat door de rechtbank in haar vonnis wordt beschreven). De verdachte blijft door zijn PTSS echter kwetsbaar en er is vanuit behandeloogpunt bezien nog een weg te gaan, die overigens ambulant vorm te geven is. Dit proces dient volgens de reclassering nauwlettend gemonitord te worden vanuit een forensisch kader. Een vermindering van de kans op recidive zou naar inschatting van rapporteur, gezien de positief doorgemaakte ontwikkeling van de verdachte in de afgelopen jaren, afdoende geborgen kunnen worden middels het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel met als bijzondere voorwaarden ambulante behandeling en toezicht door de (jeugd)reclassering. Met de rapporteurs van het Pieter Baan Centrum is de reclassering tot slot van oordeel dat het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast.
Anders dan de rechtbank, maar met de advocaat-generaal en de verdediging, ziet het hof aanleiding om toepassing te geven aan het adolescentenstrafrecht als bedoeld in artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte was ten tijde van het tenlastegelegde 20 jaren oud en het hof onderschrijft de bevindingen van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum dat de verdachte in het contact jonger overkomt dan zijn kalenderleeftijd. Nu de persoonlijkheidsontwikkeling en identiteit van de verdachte destijds nog niet waren en nog steeds niet zijn uitgekristalliseerd, zal het hof de verdachte berechten volgens het jeugdstrafrecht.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld welke straf en/of maatregel aan de verdachte dient te worden opgelegd. Het hof stelt voorop dat in de loop van het strafproces meerdere, deels uiteenlopende, deskundigenadviezen zijn uitgebracht. Bij de waardering daarvan hecht het hof in het bijzonder betekenis aan de meest recente rapportages van [psychiater 1] en [psycholoog 1] , nu deze het beste aansluiten bij de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat oplegging van een (voorwaardelijke) PIJ-maatregel thans niet meer aan de orde is. Het hof verenigt zich in dit verband met de hiervoor weergegeven bevindingen en conclusies van de deskundigen [psychiater 1] en [psycholoog 1] in hun rapporten d.d. respectievelijk 18 juli 2025 en 20 augustus 2025 en maakt deze tot de zijne. Uit deze rapporten volgt dat de verdachte zich de afgelopen jaren sterk heeft ontwikkeld, onder meer op sociaal-emotioneel gebied, en dat het recidiverisico gelet op de huidige context thans wordt ingeschat als laag. Er is sprake van stabiliteit op vrijwel alle levensgebieden en de verdachte is sinds het tenlastegelegde, en meer in het bijzonder sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis op 12 augustus 2024, niet meer in aanraking geweest met politie of justitie. Nu de verdachte zijn leven een positieve wending heeft gegeven en heeft aangetoond gemotiveerd te zijn en zich te kunnen houden aan afspraken en bijzondere voorwaarden, acht het hof het niet wenselijk om de door de verdachte ingezette positieve ontwikkelingen te doorkruisen met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor langere duur dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Naar het oordeel van het hof kan een vermindering van het recidiverisico voldoende worden gewaarborgd in het kader van een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 720 dagen, waarvan 253 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. In het kader van het voorwaardelijk strafdeel zal het hof de in het dictum te noemen bijzondere voorwaarden stellen, waarbij het hof zal bevelen dat deze dadelijk uitvoerbaar zijn. Uit de voormelde adviezen blijkt immers dat deze voorwaarden noodzakelijk zijn om het recidiverisico (verder) te beteugelen. Met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 14.165,47. De vordering valt uiteen in de volgende bedragen:
Voorts is een bedrag ter hoogte van € 812,00 aan proceskosten gevorderd.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] is bij vonnis waarvan beroep geheel toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank heeft de verdachte tevens veroordeeld in de proceskosten, tot dan toe begroot op € 812,00.
De benadeelde partij [benadeelde] heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof met betrekking tot de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.
Het hof overweegt ten aanzien van de vordering als volgt.
Post i., post ii. en post iii.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van €6.665,47. Posten i., ii. en iii. zijn voldoende onderbouwd en niet betwist, reden waarom het hof het gevorderde bedrag aan schadevergoeding voor deze posten integraal zal toewijzen.
Post iv.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voorts voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte letsel heeft bekomen en dientengevolge rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof begroot deze schade naar billijkheid op het gevorderde bedrag van € 7.500,00. Het hof heeft bij de schadebegroting mede gelet op bedragen die in soortgelijke gevallen worden toegewezen. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof een totaalbedrag van € 14.165,47 aan schadevergoeding zal toewijzen.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 februari 2024, zijnde het moment waarop de vordering tot schadevergoeding is ingediend, voor de materiële schade en 15 oktober 2022, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, voor de immateriële schade, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Door de benadeelde partij is verzocht om vergoeding van de proceskosten conform het liquidatietarief. Het hof is van oordeel dat in dit verband aansluiting moet worden gezocht bij het liquidatietarief kantonzaken. Voor de rechtsgang in eerste aanleg wordt bij een vordering met een hoofdsom van € 10.000,00 tot € 20.000,00 (conform de tarieven d.d. 1 februari 2024, zoals die golden ten tijde van het wijzen van het beroepen vonnis) in de regel een bedrag van € 406,00 per punt als salaris toegekend. De benadeelde partij komt in dit verband twee punten toe, te weten één punt voor het door zijn advocaat indienen van de vordering tot schadevergoeding en één punt voor de aanwezigheid van de advocaat ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof begroot de proceskosten voor de rechtsgang in eerste aanleg derhalve op een bedrag van € 812,00 (2 x € 406,00).
Voor de rechtsgang in hoger beroep is het ‘liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven per 1 februari 2024’ van toepassing. Daarbij wordt in geval van ‘principaal appèl/hoger beroep van een uitspraak van de kantonrechter op hof’ in geval van een hoofdsom tussen
€ 10.000,00 en € 20.000,00 in de regel € 1.214,00 per punt salaris toegekend. De benadeelde partij komt één punt toe, namelijk voor de aanwezigheid van de advocaat op de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof begroot de proceskosten voor de rechtsgang in hoger beroep derhalve op een bedrag van € 1.214,00.
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, veroordelen in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij aldus begroot op € 2.026,00 (€ 812,00 + € 1.214,00).
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 14.165,47. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 februari 2024 voor de materiële schade en 15 oktober 2022 voor de immateriële schade, tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 77c, 77g, 77h, 77x, 77y, 77z, 77aa en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 720 (zevenhonderdtwintig) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 253 (tweehonderddrieënvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- meewerkt aan het reclasseringstoezicht, welke medewerking onder andere inhoudt dat de verdachte:
o zich meldt op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
o een of meer vingerafdrukken laat nemen en een geldig identiteitsbewijs laat zien. Dit is nodig om de identiteit van de verdachte vast te stellen;
o zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
o de reclassering helpt aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
o meewerkt aan huisbezoeken;
o de reclassering inzicht geeft in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
o zich niet vestigt op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
o meewerkt aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht;
geeft opdracht aan de jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 14.165,47 (veertienduizend honderdvijfenzestig euro en zevenenveertig cent), bestaande uit € 6.665,47 (zesduizend zeshonderdvijfenzestig euro en zevenenveertig cent) aan materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 2.026,00 (tweeduizend zesentwintig euro);
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 14.165,47 (veertienduizend honderdvijfenzestig euro en zevenenveertig cent) bestaande uit € 6.665,47 (zesduizend zeshonderdvijfenzestig euro en zevenenveertig cent) aan materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 95 (vijfennegentig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
23 februari 2024 en van de immateriële schade op 15 oktober 2022;
heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Aldus gewezen door:
mr. R. Lonterman, voorzitter,
mr. C.M. Hilverda en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Burgmeijer, griffier,
en op 4 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. R. Lonterman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.