ECLI:NL:GHSHE:2026:2478

ECLI:NL:GHSHE:2026:2478

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 09-09-2026
Datum publicatie 11-09-2026
Zaaknummer 20-003390-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Het hof veroordeelt de verdachte wegens 'de eendaadse samenloop van verkrachting, meermalen gepleegd (feit 1 primair) en feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd' (feit 2 primair), alsmede wegens 'feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd' (feit 3) tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof een beslissing genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 9 december 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-044401-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

woonplaats kiezende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van het onder feit 4 tenlastegelegde vrijgesproken en heeft de rechtbank de overige feiten bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als:

de verdachte strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest en waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met de slachtoffers [slachtoffer I] en [slachtoffer II] . Tot slot is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de beslissing op het immateriële deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer II] en, opnieuw rechtdoende, de vordering tot een bedrag van € 3.500,- aan immateriële schade toewijzen en de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Voorts is verzocht om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.

Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is er een strafmaatverweer gevoerd. Tot slot is bepleit om de voorlopige hechtenis op te heffen.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak door de rechtbank van het onder feit 4 tenlastegelegde feit. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:

1. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 juni 2019 tot en met 17 juni 2022 te [plaats] , [gemeente] , in elk geval in Nederland, door een andere feitelijkheid dan geweld of bedreiging met geweld [aangever I] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangever I] , hebbende hij verdachte

- zich door die [aangever I] laten pijpen en/of

- zijn penis in/tegen de anus van [aangever I] geduwd/gebracht

- een vinger in de anus van [aangever I] geduwd/gebracht en/of

- die [aangever I] getongzoend

en bestaande die andere feitelijkheid hierin dat hij, verdachte

- een feitelijk overwicht op die [aangever I] had, gezien de verstandelijke beperking en/of kwetsbaarheid van/bij die [aangever I] en/of

- het leeftijdsverschil en/of

- de relatie opa-kleinkind en/of

- die [aangever I] in de veronderstelling heeft gelaten dat het normaal was en/of erbij hoorde en/of uit liefde was om seks met elkaar te hebben en/of

- het dreigen tegen die [aangever I] dat hij kon oprotten/vertrekken als hij niet meewerkte aan de seksuele handelingen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij - als grootvader/opa - op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 juni 2019 tot en met 16 juni 2020 te [plaats] , [gemeente] , in elk geval in Nederland ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [aangever I] , geboren op [geboortedatum aangever] , door

- zich door die [aangever I] te laten pijpen en/of

- zijn penis in/tegen de anus van [aangever I] te duwen/brengen

- een vinger in de anus van [aangever I] te duwen/brengen en/of

- die [aangever I] te tongzoenen;

2. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 juni 2019 tot en met 17 juni 2022 te [plaats] , [gemeente] , in elk geval in Nederland, door een andere feitelijk dan geweld of bedreiging met geweld [aangever I] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, hebbende hij, verdachte

- die [aangever I] gepijpt en/of

- zijn penis tussen de billen en/of tegen de anus van die [aangever I] geduwd/gebracht en/of

- die [aangever I] diens penis in zijn, verdachtes, anus laten duwen/brengen en/of

- zich door die [aangever I] laten aftrekken en/of

- die [aangever I] afgetrokken

en bestaande die andere feitelijkheid hierin dat hij, verdachte

- een feitelijk overwicht op die [aangever I] had, gezien de verstandelijke beperking en/of kwetsbaarheid van/bij die [aangever I] en/of

- het leeftijdsverschil en/of

- de relatie opa-kleinkind en/of

- die [aangever I] in de veronderstelling heeft gelaten dat het normaal was en/of erbij hoorde en/of uit liefde was om seks met elkaar te hebben en/of

- het dreigen tegen die [aangever I] dat hij kon oprotten/vertrekken als hij niet meewerkte aan de seksuele handelingen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij - als grootvader/opa - op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 juni 2019 tot en met 16 juni 2020 te [plaats] , [gemeente] , in elk geval in Nederland, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [aangever I] , geboren op [geboortedatum aangever] , door

- die [aangever I] te pijpen en/of

- zijn penis tussen de billen en/of tegen de anus van die [aangever I] te duwen/brengen en/of

- die [aangever I] diens penis in zijn, verdachtes, anus laten duwen/brengen en/of

- zich door die [aangever I] te laten aftrekken en/of - die [aangever I] af te trekken;

3. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 juni 2020 tot en met 16 juni 2022 te [plaats] , [gemeente] , in elk geval in Nederland, door een andere feitelijk dan geweld en/of bedreiging met geweld [aangever II] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, hebbende hij, verdachte

- die [aangever II] afgetrokken en/of

- die [aangever II] zichzelf laten aftrekken in zijn bijzijn

en bestaande die andere feitelijkheid hierin dat hij, verdachte

- een feitelijk overwicht op die [aangever II] had, gezien de verstandelijke beperking en/of kwetsbaarheid van/bij die [aangever II] en/of

- het leeftijdsverschil en/of

- de relatie opa-kleinkind en/of

- die [aangever II] in de veronderstelling heeft gelaten dat het normaal was en/of erbij hoorde en/of uit liefde was om seks met elkaar te hebben en/of

- het dreigen tegen die [aangever II] dat hij kon oprotten/vertrekken als hij niet meewerkte aan de seksuele handelingen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat hij:

1.primair op tijdstippen in de periode van 17 juni 2020 tot en met 17 juni 2022 te [plaats] , door een andere feitelijkheid dan geweld [aangever I] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangever I] , hebbende hij verdachte

- zich door die [aangever I] laten pijpen en

- een vinger in de anus van [aangever I] geduwd/gebracht

en bestaande die andere feitelijkheid hierin dat hij, verdachte

- een feitelijk overwicht op die [aangever I] had, gezien de verstandelijke beperking en kwetsbaarheid van die [aangever I] en

- het leeftijdsverschil en

- de relatie opa-kleinkind en

- die [aangever I] in de veronderstelling heeft gelaten dat het normaal was en erbij hoorde en uit liefde was om seks met elkaar te hebben;

2.primair op tijdstippen in de periode van 17 juni 2022 tot en met 17 juni 2022 te [plaats] , door een andere feitelijk dan geweld [aangever I] heeft gedwongen tot het plegen en dulden van ontuchtige handelingen, hebbende hij, verdachte

- die [aangever I] gepijpt en

- zijn penis tussen de billen en tegen de anus van die [aangever I] geduwd en

- die [aangever I] diens penis in zijn, verdachtes, anus laten brengen en

- zich door die [aangever I] laten aftrekken en

- die [aangever I] afgetrokken

en bestaande die andere feitelijkheid hierin dat hij, verdachte

- een feitelijk overwicht op die [aangever I] had, gezien de verstandelijke beperking en kwetsbaarheid van die [aangever I] en

- het leeftijdsverschil en

- de relatie opa-kleinkind en

- die [aangever I] in de veronderstelling heeft gelaten dat het normaal was en erbij hoorde en uit liefde was om seks met elkaar te hebben;

3. op tijdstippen in de periode van 17 juni 2020 tot en met 16 juni 2022 te [plaats] , [gemeente] , door een andere feitelijk dan geweld [aangever II] heeft gedwongen tot het plegen en dulden van handelingen, hebbende hij, verdachte

- die [aangever II] afgetrokken en

- die [aangever II] zichzelf laten aftrekken in zijn bijzijn

en bestaande die andere feitelijkheid hierin dat hij, verdachte

- een feitelijk overwicht op die [aangever II] had, gezien de verstandelijke beperking en kwetsbaarheid van die [aangever II] en

- het leeftijdsverschil en

- de relatie opa-kleinkind en

- die [aangever II] in de veronderstelling heeft gelaten dat het normaal was en/of erbij hoorde en/of uit liefde was om seks met elkaar te hebben.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Omwille van de leesbaarheid van dit arrest worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.

Bewijsoverwegingen

I.

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

II.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord is in de kern het volgende aangevoerd.

De verdediging heeft bepleit dat er geen sprake is geweest van dwang nu er geen sprake is van een concrete gedraging van de verdachte die maakt dat hij de kwetsbare positie van de jongens zodanig heeft aangewend dat daardoor een zodanige druk dan wel dreigende situatie is ontstaan dat de jongens zich niet tegen de seksuele handelingen konden verzetten of onttrekken. Daar komt bij dat enige voorzichtigheid dient te worden betracht met betrekking tot de verklaringen van [aangever II] en [aangever I] nu zij op laakbare wijze zijn beïnvloed door [persoon] , aldus de verdediging

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

De intimiteit tussen de verdachte en [aangever I] is langzaam maar zeker gegroeid en is naar eigen zeggen van de verdachte aldus oprecht geweest en kwam van twee kanten. Daarnaast heeft de verdachte nooit tegen [aangever I] gezegd dat hij met niemand over het seksuele contact mocht praten en heeft hij [aangever I] nooit op fysieke of mondelinge wijze aangezet tot enige seksuele handelingen.

Volgens de verdediging zijn er diverse ontlastende elementen die maken dat er sprake is geweest van een geheel vrijwillige seksuele relatie. Zo blijkt volgens de verdediging uit het dossier dat [aangever I] van de intimiteit met de verdachte heeft genoten. Zo raakte [aangever I] bij het seksuele contact opgewonden en kreeg hij een erectie. Deze signalen wijzen er volgens de verdediging op dat [aangever I] juist vrijwillig seksueel contact heeft gehad met de verdachte. Daarnaast was er ruimte voor het maken van afspraken over het seksuele contact en kon [aangever I] weigeren. Dit alles onderstreept volgens de verdediging dat de seksuele handelingen tussen [aangever I] en de verdachte geen dwingend maar juist een vrijwillig karakter hadden.

Ten aanzien van feit 3

De verdediging heeft bepleit dat er ten aanzien van het zichzelf laten aftrekken van [aangever II] slechts sprake zou zijn van een strafbare handeling ex artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht (oud) indien [aangever II] zichzelf onder dwang van de verdachte zou hebben moeten aftrekken. Volgens de verdediging is hier geen sprake van geweest. Daarnaast heeft de verdediging bepleit dat er geen sprake is geweest van het aftrekken van [aangever II] door de verdachte. Van meet af aan heeft de verdachte verklaard dat hij [aangever II] niet heeft afgetrokken. De verdachte heeft enkel de penis van [aangever II] aangeraakt om hem te helpen met zijn probleem dat het velletje niet over zijn eikel zou gaan. Deze enkele aanraking van de penis van [aangever II] had aldus geen seksuele lading en kwalificeert volgens de verdediging niet als een ontuchtelijke handeling zoals bedoeld in artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht (oud). Daarnaast is er geen sprake geweest van dwang. Zo heeft de verdachte [aangever II] nimmer in de veronderstelling gebracht dat het normaal zou zijn om seksuele handelingen met of bij hem te verrichten dan wel te ondergaan.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Wettelijk kader

Op grond van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering is voldaan, kan volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, niet in algemene zin worden beantwoord, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. In zedenzaken is niet vereist dat het misbruik zelf steun vindt in ander bewijsmateriaal, maar is het afdoende wanneer de verklaring van een slachtoffer op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Tussen de verklaring en het overige gebezigde bewijsmateriaal mag geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband.

De seksuele handelingen met [aangever I]

Verdachte heeft bekend dat hij in zijn woning in [plaats] de aan hem verweten seksuele gedragingen heeft gepleegd met [aangever I] met uitzondering van het brengen van zijn vinger in de anus van [aangever I] en het tongzoenen met [aangever I] . Het hof is van oordeel dat ook ten aanzien van deze laatste twee gedragingen aan het bewijsminimum is voldaan. Niet alleen heeft [aangever I] hierover consistent en gedetailleerd verklaard en acht het hof deze verklaringen betrouwbaar, maar ook past dit binnen het geheel van de feiten en omstandigheden die uit het dossier naar voren komen en waar verdachte zelf over heeft verklaard.

De seksuele handelingen met [aangever II]

heeft aangifte gedaan van seksueel misbruik door zijn opa, de verdachte. Dit seksueel misbruik zou hebben plaatsgevonden bij de verdachte thuis. Door de ADHD medicatie van [aangever II] kon hij moeilijk een erectie krijgen en moeilijk klaarkomen. De verdachte zou hebben geprobeerd om [aangever II] te laten klaarkomen door aan de penis van [aangever II] te trekken. Verder zou de verdachte [aangever II] diverse malen Viagra hebben gegeven om zijn erectieproblemen te verhelpen. Tot slot heeft [aangever II] verklaard dat de verdachte een wedstrijdje deed om te kijken wie van de twee als eerste zou klaarkomen. [aangever II] dacht er niet veel over na, ze hielden veel van elkaar en hij dacht dat dit normaal was.

[aangever II] heeft specifiek over twee momenten van seksueel misbruik verklaard.

[aangever II] heeft verklaard dat de verdachte met hem een wedstrijdje hield om te kijken wie het snelste klaarkwam. Daarbij stonden de verdachte en [aangever II] beiden voor de TV en waren ze porno aan het kijken. De verdachte zei dan ‘eens kijken wie er het eerst klaarkomt’. Het hof acht de verklaring van [aangever II] op dit punt geloofwaardig en betrouwbaar en heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze verklaring. De ontkennende verklaring van de verdachte op dit punt maakt niet dat dit onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen kan worden, te meer nu het in zedenzaken niet is vereist dat het misbruik zelf steun vindt in ander bewijsmateriaal, maar is het afdoende wanneer de verklaring van een slachtoffer op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. Het overige deel van de verklaring van [aangever II] vindt steun in de verklaring van de verdachte. Zo heeft de verdachte verklaard dat hij wel eens porno keek met [aangever II] en [aangever I] en heeft het daarbij over kanaal 216, zijnde kennelijk het pornokanaal op de TV van de verdachte. Ze hadden het er dan over dat echte liefde ontbrak in zulke films.

[aangever II] heeft daarbij verklaard dat hij even met zichzelf bezig wilde zijn en naar boven wilde gaan, maar de verdachte wilde dat hij beneden bleef en zei dat hij dat wel in de woonkamer mocht doen omdat de TV daar lekker groot was. De verdachte zei dat ze geen geheimen voor elkaar hadden en zette zelf de porno aan voor [aangever II] . [aangever II] heeft gezien dat de verdachte op die momenten om het hoekje keek. De verdachte zelf heeft verklaard dat [aangever II] weleens naar de TV keek en dan zei ‘opa kijk eens ik heb een stijve’. Ook hier vindt de verklaring van [aangever II] steun in de verklaring van de verdachte.

Ook heeft [aangever II] verklaard dat hij ADHD medicatie slikte en daardoor moeilijk kon klaarkomen. Dit had hij tegen de verdachte gezegd. De verdachte had toen gezegd ‘ik ga proberen om jou klaar te maken’. Dit gebeurde in de avond op de bank bij de verdachte thuis. [aangever II] was volledig naakt en zat op een handdoekje op de bank. [aangever II] lag met zijn rug op de bank en de benen richting de verdachte. De bank stond recht voor de TV en de verdachte had zijn kleding aan. [aangever II] lag daar en zijn geslachtdeel bleef zacht. Toen de verdachte eraan zat werd deze hard. De verdachte trok ook met zijn hand aan het geslachtdeel van [aangever II] .

De verdachte heeft hierover verklaard dat [aangever II] hem had verteld over zijn erectieprobleem en dat ze er toen samen naar hebben gekeken. De verdachte dacht eerst dat zijn voorhuid te nauw was, zei dat hij gewoon moest oefenen en gaf hem zalf ervoor. De verdachte heeft geprobeerd om het vel over de eikel van [aangever II] te trekken en heeft daarbij de piemel vastgepakt. Dit gebeurde op de bank. De verdachte heeft daarbij ook verklaard dat hij het kan zijn dat [aangever II] dit anders heeft ervaren.

Ten aanzien van deze specifieke gebeurtenis is het hof van oordeel dat [aangever II] zeer consistent en uitgebreid heeft verklaard waarbij onderdelen van de verklaring van [aangever II] door de verdachte worden erkend. Zo heeft de verdachte aan de penis van [aangever II] gezeten en heeft hij (geprobeerd) om de voorhuid van [aangever II] over de eikel te trekken. Dat deze handelingen enkel zouden hebben gezien op een door de verdachte verondersteld medisch probleem van [aangever II] kan het hof niet rijmen. In de eerste plaats is de verdachte geen dokter of specialist op het gebied van erectieproblemen. Daarnaast had de verdachte [aangever II] bij dergelijke problemen die verband zouden houden met zijn medicatie naar de dokter moeten sturen. Het zelf voor dokter spelen en het trekken van de voorhuid over de eikel van [aangever II] kan naar het oordeel van het hof gezien worden als handelingen in het kader van het aftrekken en zijn dusdoende handelingen met een seksuele context. Dit klemt te meer nu de verdachte heeft gezegd dat hij [aangever II] wel zou laten klaarkomen.

Daarnaast heeft [aangever II] verklaard dat er nadien door hem en de verdachte is gesproken over deze situatie en dat de verdachte zei dat als hij dit nog een keer wilde, dat dit dan oké was. Ook heeft [aangever II] verklaard dat de verdachte heeft voorgesteld om hem te pijpen, hetgeen uiteindelijk niet is gebeurd. Dit alles maakt naar het oordeel van het hof dat de intentie van de verdachte wel degelijk een seksueel aspect had en dat hij bovendien geprobeerd heeft om verder te gaan met [aangever II] .

Verder heeft [aangever II] verklaard dat de verdachte hem meermalen Viagra pillen heeft gegeven. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij [aangever II] wel een keer een pilletje heeft gegeven voor de erectie. Ook hierin wordt de verklaring van [aangever II] ondersteund.

Het hof acht op basis van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem verweten seksuele gedragingen met [aangever II] heeft gepleegd.

Dwang

Voor een bewezenverklaring van verkrachting volgens artikel 242 en 246 van het Wetboek van Strafrecht (oud) is vereist dat een verdachte iemand heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. De dwang moet dan bestaan uit: (i) geweld of een andere feitelijkheid/feitelijkheden of (ii) bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid/feitelijkheden.

Het hof is van oordeel dat er gelet op het dossier en het verhandelde ter zitting geen sprake is geweest van geweld of bedreiging met geweld. De vraag resteert of er dan sprake is geweest van ‘andere feitelijkheden’ waardoor de verdachte [aangever I] en [aangever II] heeft gedwongen tot het ondergaan de tenlastegelegde seksuele handelingen.

Van door een feitelijkheid dwingen tot het ondergaan van seksuele handelingen in de zin van artikel 242 en 246 van het Wetboek van Strafrecht (oud) kan slechts sprake zijn indien de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn of haar wil heeft ondergaan. Van door een feitelijkheid dwingen als hiervoor bedoeld kan sprake zijn indien de verdachte opzettelijk een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend of het slachtoffer in een zodanige afhankelijkheidsrelatie heeft gebracht dat het slachtoffer zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen die handelingen heeft kunnen verzetten, of dat de verdachte het slachtoffer heeft gebracht in een zodanige door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie dat het slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken. Of zulk een dwang zich heeft voorgedaan, laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

[aangever I] heeft aangifte gedaan van seksueel misbruik door zijn opa, de verdachte. Wanneer [aangever I] bij de verdachte logeerde sliep hij altijd bij de verdachte in bed. [aangever I] stond de handelingen door de verdachte toe omdat hij dacht dat het normaal was en dit erbij hoorde. Naar eigen zeggen zat hij in een cocon van de verdachte en zei de verdachte telkens tegen hem ‘het is een liefde naar elkaar’. Nadat de seksuele handelingen hadden plaatsgevonden gingen [aangever I] en de verdachte een sigaretje roken en zei de verdachte ‘ja het was lekker, maar ik vond het met een vrouw wel lekkerder’. Dat de verdachte deze woorden heeft gebruikt, wordt ook door de verdachte erkend.

Met de verdediging is het hof van oordeel dat het leeftijdsverschil an sich onvoldoende is om dwang door middel van andere feitelijkheden aan te nemen. In het geheel van feiten en omstandigheden kan dit echter wel meespelen. Vaststaat dat [aangever I] , geboren in [geboortejaar] , 55 jaar jonger was dan de verdachte. Daarnaast was [aangever I] [leeftijd] oud ten tijde van de eerste seksuele handelingen en was hij net twee jaar daarvoor uit de kast gekomen als homoseksueel en stond hij aldus aan het begin van zijn homoseksuele ontwikkeling. Reeds gelet op het leeftijdsverschil heeft de verdachte al een bepaalde overmacht over [aangever I] . Daar komt bij dat de verdachte de opa van [aangever I] is en uit die familieband tevens een bepaalde afhankelijkheidsrelatie voortvloeit.

Daarnaast is [aangever I] een jongeman met een licht verstandelijke beperking met een laag IQ van onder de 70, die is gediagnosticeerd met ADHD en die zeer beïnvloedbaar is. [aangever I] is in [jaartal en leeftijd] vanuit zijn ouderlijk huis op een woongroep gaan wonen nadat zijn ouders de zorg over hem en zijn broer [aangever II] op dat moment niet meer konden dragen. [aangever I] had het daar niet naar zijn zin. Na het overlijden van zijn oma heeft zijn opa, de verdachte, meer belangstelling voor hem getoond en is hij vaker bij zijn opa langsgegaan. In het begin was dit af en toe en na verloop van tijd werd dit meer en was dit ieder weekend en iedere vakantie. [aangever I] dacht bij de verdachte een veilige thuishaven te vinden. De verdachte was met dit alles bekend en vond het fijn als [aangever I] langskwam. [aangever I] en [aangever II] beheersten na het overlijden van zijn vrouw zijn leven. De verdachte en [aangever I] konden over alles praten, zo ook over seksualiteit. Uit het dossier blijkt dat de verdachte wist van de hiervoor genoemde diagnose en omstandigheden. Voorts heeft de verdachte in hoger beroep verklaard dat hij in de bewezenverklaarde periode erg belangrijk was voor [aangever I] en [aangever II] . De jongens wilden altijd bij hem thuis zijn, omdat ze daar de vrijheid hadden om te doen wat ze wilden. De jongens wilden niet naar hun ouders omdat ze zich volgens de verdachte afgedankt voelden door hun ouders.

[aangever I] en [aangever II] kwamen juist in de periode van vergaande maatregelen die de vrijheden van een ieder beperkten in Nederland door de uitbraak van Covid-19 vaak bij de verdachte. De mogelijkheid tot sociale contact was op dat moment beperkt. [aangever I] en [aangever II] konden door naar de verdachte toe te gaan wat meer uit het sociale isolement komen en konden zich aldaar vrij bewegen.

Gelet op het vorengaande wist de verdachte van meet af aan van de situatie waarin [aangever I] zich bevond en dat hij op zoek was naar een veilige thuishaven bij de verdachte. Deze veilige thuishaven is door toedoen van de verdachte verstoord.

De verdachte heeft verklaard dat hij genoot van de intimiteit met [aangever I] en dat het is begonnen met knuffelen – hetgeen ook door [aangever I] is verklaard – maar dat het na verloop van tijd is uitgegroeid naar meer seksuele intimiteit. Dat er sprake was van een vrijwillige tweezijdige intieme relatie, zoals door de verdachte verklaard, wordt door [aangever I] ontkracht.

[aangever I] heeft verklaard dat hij met tegenzin de seksuele handelingen onderging. [aangever I] heeft hieromtrent verklaard dat hij door de verdachte het gevoel kreeg dat deze seksuele handelingen erbij hoorden omdat het toch uit liefde naar elkaar was. Zo zou verdachte hebben gezegd ‘het is een liefde naar elkaar’. Verder heeft [aangever I] op diverse manieren laten merken de seksuele handelingen als niet prettig te hebben ervaren. Soms heeft [aangever I] gezegd dat hij niet wilde en naar bed wilde gaan. Het was dan de verdachte die zei ‘joh kom even’ en ‘ook gezellig, laat je mij weer alleen zitten ermee’. [aangever I] heeft daarnaast verklaard dat het stimuleren van de anus met de vinger door de verdachte hem pijn deed en dat het niet prettig was. Wanneer de verdachte op enig moment vroeg of [aangever I] hem wilde pijpen had hij daar helemaal geen zin. Op dat moment werd hij met zijn hoofd er naar toe gedrukt en had de verdachte gezegd ‘doe maar, kom even, ik vind dat lekker want dan was het net een beetje alsof ik bij een vrouw bij de vagina naar binnen kom’. Die ene keer is de verdachte ook klaar gekomen in de mond van [aangever I] en heeft de verdachte daarvoor zijn excuses aangeboden. Als de verdachte [aangever I] wilde pijpen vond [aangever I] dat niet prettig en zei hij dat de verdachte het niet kon.

Ten aanzien van het pijpen door [aangever I] waarbij de verdachte in zijn mond klaarkwam heeft de verdachte grotendeels overeenkomstig de verklaring van [aangever I] verklaard. Zo zou het kunnen kloppen dat de verdachte de woorden zoals door [aangever I] verklaard, heeft gebruikt en is het een keer voorgekomen dat hij in de mond van [aangever I] klaarkwam en dat [aangever I] dit vervelend vond. Ook heeft de verdachte verklaard dat [aangever I] het maar niets vond als hij door de verdachte werd gepijpt. De verdachte heeft bevestigd dat [aangever I] daarbij heeft gezegd dat hij, de verdachte, het niet kon.

Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat [aangever I] op deze momenten aan de verdachte duidelijk heeft gemaakt dat hij de seksuele handelingen niet wilde, maar daar is door de verdachte niet naar geluisterd.

Het verweer van de verdediging dat [aangever I] genoot van de seksuele handelingen en dat het om die reden de seksuele handelingen vrijwillig zijn geweest, volgt het hof niet. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van zedenfeiten een lichamelijke reactie kunnen ondervinden tijdens het misbruik. Bij jongens en mannen uit dit zich in een erectie of een zaadlozing. Deze ‘genitale respons’ is een automatische reactie van het lichaam waarbij het geheel los van de wil reageert op seksuele prikkels. Het krijgen van een dergelijk lichamelijk respons zegt daarmee niets over de opwinding of toestemming van het slachtoffer en kan om die reden dan ook niet gezien worden als een ontlastend gegeven voor de verkrachting en aanranding onder dwang.

Tot slot blijkt uit het dossier dat de verdachte wel degelijk heeft geprobeerd om zijn seksueel misbruik te verbergen. Het hof is van oordeel dat hieruit volgt dat de verdachte zich er zeer wel van bewust was dat hetgeen hij met [aangever I] deed verkeerd was en zeker geen wederzijdse liefdevolle relatie met vrijwillige seks was, maar iets waarover niet gesproken kon worden met derden en dat verborgen moest blijven. Zo heeft hij eerder tegen [aangever I] gezegd ‘als [naam vader] (hof: vader van [aangever I] , getuige [naam vader] ) dit weet, dan zal zijn hele wereld instorten’. Daarnaast heeft de verdachte op 29 juli 2022, wetende dat de dag erop een gesprek gepland stond tussen [aangever I] en zijn ouders, een e-mail gestuurd waarbij hij onder andere schrijft: ‘Nu je boos op me bent en geen contact wil ben je van plan om vanuit emotie veel kapot te gaan maken. Opa heeft het nu gedaan! Opa houdt van je en wil het liefst dat het tussen ons weer goed komt. Kan dat nog? Jazeker maar wel onder de voorwaarde dat wij elkaars vertrouwen niet schaden. Mocht jij dat wel doen dan zal ik zeker [naam vader] volledig op de hoogte brengen. Met als gevolg: de politie zal worden ingeschakeld en [persoon] zal, temeer gezien zijn verleden, worden verhoord/opgepakt. Jij zult niet langer op de [straat] kunnen blijven wonen en gesloten worden geplaatst. Er zal zeker een contactverbod tussen jou en [persoon] komen. Je Opa wordt ook het slachtoffer want onze breuk zal dan definitief zijn. Ook [aangever II] en je ouders worden hierin betrokken, iedereen verdrietig en alle relaties verstoord. Is dat nu watje wil?’ Dit e-mailbericht is, zoals door de verdediging erkend enigszins dwingend, en past – anders dan door de verdediging betoogd –, mede gelet op de eerdere opmerking van de verdachte, in de dwangsfeer waarbij [aangever I] niets mocht zeggen over het seksuele misbruik.

Beïnvloeding

Van invloed van buitenaf is het hof onvoldoende gebleken. Zo heeft de verdediging bepleit dat [persoon] invloed heeft uitgeoefend op [aangever I] en [aangever II] door te helpen bij het opstellen van e-mails en door hen letterlijk in te fluisteren wat zij wel en niet tegen de politie moesten zeggen over hun ervaringen met de verdachte. Alhoewel uit het dossier volgt dat [persoon] op de dag van het informatieve gesprek zeden contact heeft gehad met [aangever II] en daarbij een bericht heeft gestuurd met daarin o.a. de tekst ‘Vertel ook dat opa je altijd onnodig psychisch onder druk heeft gezet en jullie heeft behandeld als recruten die gedrild moesten worden. En natuurlijk zijn sexuele belangstelling.’, maakt naar het oordeel van het hof niet dat er sprake is geweest van beïnvloeding van [persoon] op de [aangever I] en [aangever II] om belastend over de verdachte te verklaren. In casu gaat het om licht verstandelijke beperkte jongemannen die al veel hebben meegemaakt. Een enkel ondersteunend bericht aan [aangever II] op een voor hem beladen dag is in dat licht onvoldoende om daaruit enige beïnvloeding uit af te leiden. Te meer nu voor hof dit bericht meer lijkt op een herinnering aan [aangever II] van hetgeen hij eerder al aan [persoon] heeft verteld. Dit blijkt naar het oordeel van het hof ook uit de rest van het tekstbericht te weten ‘Het gaat je wel lukken want je hoeft niet alles in de goede volgorde te vertellen hoor’.

Het hof is dan ook van oordeel dat de verklaringen van [aangever I] als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt, dat er geen sprake is geweest van enige beïnvloeding van buitenaf en dat er weldegelijk sprake is geweest van door een andere feitelijkheid dwingen tot het ondergaan van seksuele handelingen in de zin van artikel 242 en 246 van het Wetboek van Strafrecht (oud).

Het hof verwerpt dan ook het verweer van de verdediging in al haar onderdelen.

Het hof acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting en feitelijke aanranding van de eerbaarheid van de [aangever I] .

Het hof is van oordeel dat ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten sprake is van één samenstel van verschillende gedragingen die twee zelfstandige strafbare feiten opleveren. Immers, heeft de verdachte [aangever I] gedurende de bewezenverklaarde periode op verschillende tijdstippen verkracht, maar in diezelfde periode ook ontuchtige handelingen met hem gepleegd. Deze gedragingen vloeien voort uit (steeds) één en hetzelfde wilsbesluit van de verdachte. Het hof is dan ook van oordeel dat voor deze periode sprake is van eendaadse samenloop.

Feit 3

[aangever II] heeft aangifte gedaan van seksueel misbruik door zijn opa, de verdachte. Dit seksueel misbruik zou hebben plaatsgevonden bij de verdachte thuis. [aangever II] dacht er niet veel over na, ze hielden veel van elkaar en hij dacht dat dit normaal was.

Zijn opa zei hem dat zij alles deelden en dat zij in een cocon zaten. Zijn opa wist volgens [aangever II] wel dat hij fout bezig was, omdat hij het anders wel aan anderen zou hebben verteld. En hij zei juist dat het onder hen moest blijven. [aangever II] heeft verklaard dat hij wel eens ‘nee’ zei tegen zijn opa, maar dat hem meestal niets gevraagd werd en dat hij als hij ‘nee’ zou zeggen niemand meer had om naar toe te gaan. Zijn opa was de enige naar wie hij toe kon gaan.

Met de verdediging is het hof van oordeel dat het leeftijdsverschil an sich onvoldoende is om dwang door middel van andere feitelijkheden aan te nemen. In het geheel van feiten en omstandigheden kan dit echter wel meespelen. Vaststaat dat [aangever II] , geboren in [geboortejaar] , 55 jaar jonger was dan de verdachte. Reeds gelet op het leeftijdsverschil heeft de verdachte al een bepaalde overmacht over [aangever II] . Daar komt bij dat de verdachte de opa van [aangever II] is en uit die familieband tevens een bepaalde afhankelijkheidsrelatie voortvloeit.

Daarnaast is [aangever II] een jongeman met een licht verstandelijke beperking met een laag IQ van onder de 70, die is gediagnosticeerd met ADHD en die zeer beïnvloedbaar is. [aangever II] heeft in [jaartal en leeftijd] zijn ouderlijk huis verlaten en is op een woongroep gaan wonen nadat zijn ouders de zorg over hem en zijn broer [aangever I] op dat moment niet meer konden dragen. [aangever II] had het daar niet naar zijn zin. Na het overlijden van zijn oma heeft zijn opa, de verdachte, meer belangstelling voor hem getoond en is hij vaker bij zijn opa langsgegaan. In het begin was dit af en toe en na verloop van tijd werd dit meer en was dit ieder weekend en iedere vakantie. [aangever II] dacht bij de verdachte een veilige thuishaven te vinden. De verdachte was met dit alles bekend en vond het fijn als [aangever II] langskwam. [aangever I] en [aangever II] beheersten na het overlijden van zijn vrouw zijn leven. De verdachte en [aangever II] konden over alles praten, zo ook over seksualiteit. Daar komt bij dat [aangever II] de verdachte in vertrouwen heeft genomen door te praten over zijn erectieproblemen als gevolg van de ADHD medicatie. Verder wist niemand dit. Uit het dossier blijkt dat de verdachte wist van de hiervoor genoemde diagnose en omstandigheden. Voorts heeft de verdachte in hoger beroep verklaard dat hij in de bewezenverklaarde periode erg belangrijk was voor [aangever I] en [aangever II] . De jongens wilden altijd bij hem thuis zijn, omdat ze daar de vrijheid hadden om te doen wat ze wilden. De jongens wilden niet naar hun ouders omdat ze volgens de verdachte zich afgedankt voelden door hun ouders.

[aangever I] en [aangever II] kwamen juist in de periode van vergaande maatregelen die de vrijheden van een ieder beperkten in Nederland door de uitbraak van Covid-19 vaak bij de verdachte. De mogelijkheid tot sociale contact was op dat moment beperkt. [aangever II] en [aangever I] konden door naar de verdachte toe te gaan wat meer uit het sociale isolement komen en konden zich aldaar vrij bewegingen.

Mede gelet op vorenstaande verklaring van de verdachte in hoger beroep wist hij van meet af aan van de situatie waarin [aangever II] zich bevond en dat hij op zoek was naar een veilige thuishaven bij de verdachte. Deze veilige thuishaven is door toedoen van de verdachte verstoord.

Beïnvloeding

Van invloed van buitenaf is het hof onvoldoende gebleken. Zo heeft de verdediging bepleit dat [persoon] invloed heeft uitgeoefend op [aangever II] en [aangever I] door te helpen bij het opstellen van e-mails en door hen letterlijk in te fluisteren wat zij wel en niet tegen de politie moesten zeggen over hun ervaringen met de verdachte. Alhoewel uit het dossier volgt dat [persoon] op de dag van het informatieve gesprek zeden contact heeft gehad met [aangever II] en daarbij een bericht heeft gestuurd met daarin o.a. de tekst ‘Vertel ook dat opa je altijd onnodig psychisch onder druk heeft gezet en jullie heeft behandeld als recruten die gedrild moesten worden. En natuurlijk zijn sexuele belangstelling.’, maakt naar het oordeel van het hof niet dat er sprake is geweest van beïnvloeding van [persoon] op [aangever II] en [aangever I] om belastend over de verdachte te verklaren. In casu gaat het om licht verstandelijke beperkte jongemannen die al veel hebben meegemaakt. Een enkel ondersteunend bericht aan [aangever II] op een voor hem beladen dag is in dat licht onvoldoende om daaruit enige beïnvloeding uit af te leiden. Te meer nu het voor het hof meer lijkt op een herinnering aan [aangever II] van hetgeen hij eerder al aan [persoon] heeft verteld. Dit blijkt naar het oordeel van het hof ook uit de rest van het tekstbericht te weten ‘Het gaat je wel lukken want je hoeft niet alles in de goede volgorde te vertellen hoor’.

Het hof is dan ook van oordeel dat de verklaringen van [aangever I] als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt, dat er geen sprake is geweest van enige beïnvloeding van buitenaf en dat verdachte [aangever II] heeft gedwongen tot het plegen en dulden van de bewezenverklaarde seksuele handelingen.

Het hof is ten overvloede van oordeel dat de verdachte ook dit seksueel misbruik heeft willen verbergen. Zo heeft hij tegen [aangever II] gezegd dat ‘het’ onder ‘ons’ moest blijven.

Het hof verwerpt dan ook het verweer van de verdediging in al haar onderdelen.

Het hof acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feitelijke aanranding van de eerbaarheid van de [aangever II] .

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:

de eendaadse samenloop van

verkrachting, meermalen gepleegd (feit 1 primair)

en

feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd (feit 2 primair)

Het onder 3 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

De verdediging heeft bepleit om – indien het hof komt tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde – rekening te houden met de leeftijd en de gezondheid van de verdachte, de labiele, fragiele gemoedstoestand van de verdachte, de berouwvolle houding, zijn sociaal isolement en de ondervonden wraakacties door derden.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan jarenlange verkrachtingen en het plegen van ontuchtige handelingen bij zijn kleinzoon [aangever I] en het plegen van ontuchtige handelingen bij zijn andere kleinzoon [aangever II] . Dit alles binnen een vertrouwensrelatie waarbij beide kleinzonen zich thuis voelden bij de verdachte en zij naar hem kwamen met hun problemen. Door deze feiten te plegen heeft de verdachte langdurig ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit van [aangever I] en [aangever II] . Dat het misbruik heeft plaatsgevonden in onder andere de woning van de verdachte alwaar [aangever I] en [aangever II] zich thuis voelden en een luisterend oor vonden, maakt de impact des te groter. Daarnaast heeft het seksueel misbruik van [aangever I] eveneens plaatsgevonden in zijn eigen woning. Dit is des temeer een plek waar [aangever I] zich thuis en veilig behoort te voelen. De verdachte wist van de kwetsbare positie, de problemen en de gemoedstoestand van zowel [aangever I] als [aangever II] . Dit alles heeft de verdachte er niet van weerhouden om zich schuldig te maken aan het bewezenverklaarde. Tijdens de verkrachtingen en de ontuchtige handelingen heeft de verdachte zich geen enkele rekenschap gegeven van de belangen van [aangever I] en [aangever II] en heeft hij zich slechts bekommerd om de bevrediging van zijn (lust)gevoelens. De verdachte heeft met zijn handelen het leven van [aangever I] en [aangever II] blijvend beïnvloed. Dat deze feiten moeten worden bestraft met een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf spreekt dan ook voor zich.

Het hof neemt in zijn overweging mee dat de verdachte tijdens het onderzoek in zoverre openheid van zaken heeft gegeven dat hij heeft erkend dat hij een seksuele relatie onderhield met [aangever I] . Echter kan het hof niet inzien hoe de verdachte blijft volhouden dat er sprake was van een wederzijdse en vrijwillige relatie waarbij [aangever I] eveneens het initiatief nam voor de seksuele handelingen. Door dit te blijven volhouden heeft de verdachte zichzelf in de slachtofferrol gezet, heeft hij ondanks zijn geuite spijt geen rekening gehouden met de gevoelens van [aangever I] en heeft hij [aangever I] leed niet erkend. Voorts heeft de verdachte tot op de dag van de zitting in hoger beroep ontkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele handelingen bij [aangever II] en heeft hij slechts verklaard [aangever II] te willen helpen met zijn erectieprobleem. Door deze feiten te blijven ontkennen heeft ook hier de verdachte geen rekening gehouden met de gevoelens van [aangever II] en heeft hij zijn leed niet erkend. Dat dit leed tot op heden nog aanwezig is, blijkt uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaringen van [aangever I] en [aangever II] waaruit onder andere volgt dat zij beiden last hebben van trauma’s door toedoen van de verdachte.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 13 april 2026 waaruit volgt dat de verdachte nog niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Voorts heeft het hof kennis genomen van het reclasseringsrapport d.d. 25 juli 2023 en het psychologisch onderzoek d.d. 21 april 2023 waaruit volgt dat de verdachte lijdt aan een recidiverende depressieve stoornis met melancholische kenmerken.

Daarnaast heeft het hof rekening gehouden met hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht. Zo is naar voren gebracht dat de verdachte op dit moment [leeftijd] is en is gediagnosticeerd met prostaatkanker hetgeen momenteel voor continentieproblemen zorgt. Voorts is naar voren gebracht dat de verdachte door de maatschappij al is bestraft. Zo hebben de meeste familieleden en vrienden het contact met de verdachte verbroken en leeft hij op dit moment in een sociaal isolement. Dit sociale isolement wordt versterkt op de wijze waarop de verdachte door de andere dorpelingen wordt benaderd. Daarnaast hebben er kort na het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant diverse brandstichtingen plaatsgevonden waarbij vier auto’s van de verdachte in vlammen zijn opgegaan.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof is van oordeel dat gelet op de ernst van het bewezenverklaarde alsmede de relatie van de verdachte ten opzichte van de slachtoffers een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren passend en geboden is. Het hof ziet geen aanleiding voor het opleggen van bijzondere voorwaarden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Verzoek opheffing schorsing dan wel opheffing van de voorlopige hechtenis

Door de advocaat-generaal is gevorderd om de schorsing van de voorlopige hechtenis zoals op 16 februari 2023 was bevolen, op te heffen en de verdachte in de voorlopige hechtenis te nemen. Allereerst is het hof van oordeel dat uit het dossier niet is gebleken dat de verdachte de aan de schorsing verbonden voorwaarden heeft overtreden. Daarnaast is gebleken dat de verdachte reeds tijdens de bewaring is geschorst en is het hof van oordeel dat het veroordelend arrest van heden en de hoge leeftijd van de onvoldoende gronden zijn om de gevangenneming van de verdachte te bevelen. Het hof wijst dit verzoek dan ook af.

De verdediging heeft verzocht om de voorlopige hechtenis in zijn geheel op te heffen. Het hof ziet voorts onvoldoende redenen om de voorlopige hechtenis in zijn geheel op te heffen. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zijn onder andere de schorsingsvoorwaarden van een contactverbod met [aangever I] en [aangever II] verbonden. Het hof ziet mede gelet op de op te leggen straf en de mogelijkheid van de verdachte om in cassatie te gaan voldoende redenen om deze schorsing door te laten lopen tot het moment dat de uitspraak onherroepelijk is geworden waarbij de verdachte zich eveneens blijft houden aan de schorsingsvoorwaarden van een contactverbod. Ook dit verzoek wijst het hof af.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer I]

De benadeelde partij [slachtoffer I] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 11.563,31 te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:

eigen risico over 2023 en 2024 ad € 770,00;

gereden kilometers ad € 1.143,31;

toekomstige kilometers ad € 150,00;

immateriële schade ad € 9.500,00.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 11.413,31.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Oordeel hof

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer I] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Ad a

Uit de stukken volgt genoegzaam dat de benadeelde partij in 2023 en 2024 zorgkosten heeft moeten maken, die niet door zijn zorgverzekeraar zijn vergoed. Deze kosten zien op specialistische GGZ zorg en medicatie om rustiger te worden. Uit de stukken volgt onder meer dat de benadeelde partij zich in februari 2023 [ziekenhuis] heeft gemeld in verband met forse stressklachten die voortkomen uit meegemaakt seksueel misbruik. Bij de benadeelde partij is de diagnose Posttraumatische Stressstoornis vastgesteld en hiervoor heeft hij traumabehandeling ondergaan. Uit het overgelegde overzicht van de zorgkorsten volgt dat de benadeelde partij zowel in 2023 als in 2024 het eigen risico van € 385,- heeft moeten betalen. Het hof zal dit onderdeel van de vordering dan ook toewijzen.

Nu dit eigen risico op twee verschillende momenten door de benadeelde partij is betaald, te weten op 6 november 2023 en op 6 november 2024, zal het hof de wettelijke rente bepalen op 6 november 2023 over een bedrag van € 385,- en op 6 november 2024 over een bedrag van € 385,-.

Ad b

De gemaakte reiskosten bestaan blijkens de toelichting op de vordering uit reiskosten voor bezoeken aan het [ziekenhuis] ten behoeve van de traumabehandelingen in 2023 en 2024, bezoeken aan het kantoor van de advocaat in 2023 en 2024 en het bijwonen van de zitting in eerste aanleg.

Het hof is van oordeel dat de reiskosten die gemaakt zijn voor de bezoeken aan het [ziekenhuis] à 3040 kilometer tot een bedrag van € 1.003,20 toewijsbaar zijn. Het hof zal gelet op het gegeven dat deze kosten zowel in 2023 en in 2024 zijn gemaakt de wettelijke rente bepalen op 1 januari 2024.

Ten aanzien van de gevorderde reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting overweegt hof allereerst dat deze kosten niet als materiële schade zijn aan te merken maar als proceskosten.

Ten aanzien van deze post overweegt het hof dat uit bestendige rechtspraak (HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:414) volgt dat het wettelijk stelsel geen ruimte biedt voor vergoeding van de hier bedoelde reiskosten van de benadeelde partij als zij met een gemachtigde procedeert. Nu de benadeelde partij met een gemachtigde in eerste aanleg heeft geprocedeerd is er geen grond voor toewijzing van deze reiskosten à 179 kilometer tot een bedrag van € 59,07 en zal de vordering voor wat betreft deze post worden afgewezen.

Ten aanzien van de reiskosten ten behoeve van het bezoek aan het kantoor van de advocaat is het hof van oordeel dat deze kosten niet toewijsbaar zijn nu dit geen rechtstreekse materiële schade ten gevolge van het strafbare feit betreft. Het hof zal deze kosten à 245,6 kilometer tot een bedrag van € 81,04 dan ook afwijzen.

Ad c

Uit het verzoek tot schadevergoeding valt op te maken dat de post toekomstige kosten à

€ 150,- zien op een kilometervergoeding voor de gemaakte kilometers ten behoeve van de vervolgprocedure waaronder eveneens het bijwonen van de zitting in hoger beroep is benoemd. Nog daargelaten dat de benadeelde partij niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen en de zitting digitaal heeft bijgewoond, is het hof van oordeel dat, zoals hierboven reeds is geoordeeld, deze kosten niet als materiële schade dan wel proceskosten kunnen worden aangemerkt. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij op dit punt dan ook afwijzen nu ook in hoger beroep de benadeelde partij is bijgestaan door een gemachtigde.

Ad d

Het hof is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestond. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Uit de ingediende stukken blijkt genoegzaam dat de benadeelde partij diverse behandelingen heeft ondergaan voor het verwerken van zijn trauma. De benadeelde partij is gediagnosticeerd met PTSS. Uit de slachtofferverklaring volgt voorts dat hij door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte volwassenen niet meer vertrouwd, hij niet meer op een normale manier seks kan hebben en dat hij op het punt heeft gestaan om een einde aan zijn leven te maken. De benadeelde partij is opgenomen geweest en heeft in de crisisopvang gezeten. Ondanks de lange traumatherapie heeft de benadeelde partij nog altijd last van nachtmerries en moet hij dagelijks een hoge dosis medicatie slikken om enigszins te kunnen functioneren en in slaap te vallen. Het hof is derhalve van oordeel dat de gevorderde immateriële schadevergoeding onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Het hof begroot de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 9.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2022.

resumé

Het hof zal toewijzen:

€ 770,00

€ 1.003,20

€ 9.500,00

€ 11.273,20

Het hof zal afwijzen een bedrag van € 290,11, zijnde het bedrag van de reiskosten naar de rechtbank en de advocaat en de post toekomstige kosten.

Proceskosten

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer I] is toegebracht tot een bedrag van € 11.273,20. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer II]

De benadeelde partij [slachtoffer II] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 6.711,38.

De vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:

eigen risico over 2023 ad € 385,00;

gereden kilometers ad € 1.176,38;

toekomstige kilometers ad € 150,00;

immateriële schade ad € 5.000,00.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.711,35.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Oordeel hof

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer II] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Ad a

Uit de stukken volgt genoegzaam dat de benadeelde partij in 2024 zorgkosten heeft moeten maken, die niet door zijn zorgverzekeraar zijn vergoed. Deze kosten zien op consulten bij de GGZ. Uit de stukken volgt onder meer dat de benadeelde partij zich in februari 2023 bij [ziekenhuis] heeft gemeld in verband met forse stressklachten voortkomen uit meegemaakt seksueel misbruik. Bij de benadeelde partij is de diagnose Posttraumatische Stressstoornis vastgesteld en hiervoor heeft hij traumabehandeling ondergaan. Uit het overgelegde overzicht van de zorgkorsten volgt dat de benadeelde partij in 2024 het eigen risico van € 385,- heeft moeten betalen. Het hof zal dit onderdeel van de vordering dan ook toewijzen.

Het hof zal de wettelijke rente bepalen op 6 februari 2024 zijnde de dag waarop de kosten zijn gemaakt.

Ad b

De gemaakte reiskosten bestaan blijkens de toelichting bij de vordering uit reiskosten voor bezoeken aan het [ziekenhuis] ten behoeve van de traumabehandelingen in 2023 en 2024, bezoeken aan het kantoor van de advocaat in 2023 en 2024 en het bijwonen van de zitting in eerste aanleg.

Het hof is van oordeel dat de reiskosten die gemaakt zijn voor de bezoeken aan het [ziekenhuis] à 3240 kilometer tot een bedrag van € 1.069,20 toewijsbaar zijn. Het hof zal gelet op het gegeven dat deze kosten zowel in 2023 en in 2024 zijn gemaakt de wettelijke rente bepalen op 1 januari 2024.

Ten aanzien van de gevorderde reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting overweegt hof allereerst dat deze kosten niet als materiële schade zijn aan te merken maar als proceskosten.

Ten aanzien van deze post overweegt het hof dat uit bestendige rechtspraak (HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:414) volgt dat het wettelijk stelsel geen ruimte biedt voor vergoeding van de hier bedoelde reiskosten van de benadeelde partij als zij met een gemachtigde procedeert. Nu de benadeelde partij met een gemachtigde in eerste aanleg heeft geprocedeerd is er geen grond voor toewijzing van deze reiskosten à 230 kilometer tot een bedrag van € 75,90 en zal de vordering voor wat betreft deze post worden afgewezen.

Ten aanzien van de reiskosten ten behoeve van het bezoek aan het kantoor van de advocaat is het hof van oordeel dat deze kosten niet toewijsbaar zijn nu dit geen rechtstreekse materiële schade ten gevolge van het strafbare feit betreft. Het hof zal deze kosten à 94,80 kilometer tot een bedrag van € 31,28 dan ook afwijzen.

Ad c

Uit het verzoek tot schadevergoeding valt op te maken dat de post toekomstige kosten à

€ 150,- zien op een kilometervergoeding voor de gemaakte kilometers ten behoeve van de vervolgprocedure waaronder eveneens het bijwonen van de zitting in hoger beroep is benoemd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij zich wederom laten bijstaan door een gemachtigde en hierdoor is het hof van oordeel dat, zoals hierboven reeds is geoordeeld, deze kosten niet als materiële schade dan wel proceskosten kunnen worden aangemerkt. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij op dit punt dan ook afwijzen.

Ad d

Het hof is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestond. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Uit de ingediende stukken blijkt genoegzaam dat de benadeelde partij diverse behandelingen heeft ondergaan voor het verwerken van zijn trauma. De benadeelde partij is gediagnosticeerd met PTSS. Uit de slachtofferverklaring volgt voorts dat hij door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte een negatief zelfbeeld had, continue last had van flashbacks, hij slecht sliep en last had van paniekaanvallen. Na behandeling door middel van traumatherapie heeft de benadeelde partij een eetstoornis ontwikkeld en kwam hij in een diep zwart gat terecht. Het hof is derhalve van oordeel dat de gevorderde immateriële schadevergoeding onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Het hof begroot de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 3.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2022. Het overige deel van de vordering zal het hof afwijzen.

resumé

Het hof zal toewijzen:

€ 385,00

€ 1.069,20

€ 3.500,00

€ 4.954,20

Het hof zal afwijzen een bedrag van € 107,18, zijnde het bedrag van de reiskosten naar de rechtbank en de advocaat en de post toekomstige kosten en een bedrag van € 1.500,00 zijnde het resterende bedrag aan immateriële schade.

Proceskosten

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer II] is toegebracht tot een bedrag van € 4.954,20. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 55, 57, 242 en 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer I] ter zake van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 11.273,20 (elfduizend tweehonderddrieënzeventig euro en twintig cent) bestaande uit € 1.773,20 (duizend zevenhonderddrieënzeventig euro en twintig cent) materiële schade en

€ 9.500,00 (negenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;

wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer I] , ter zake van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 11.273,20 (elfduizend tweehonderddrieënzeventig euro en twintig cent) bestaande uit € 1.773,20 (duizend zevenhonderddrieënzeventig euro en twintig cent) materiële schade en € 9.500,00 (negenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 81 (eenentachtig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer II] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.954,20 (vierduizend negenhonderdvierenvijftig euro en twintig cent) bestaande uit € 1.454,20 (duizend vierhonderdvierenvijftig euro en twintig cent) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;

wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer II] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.954,20 (vierduizend negenhonderdvierenvijftig euro en twintig cent) bestaande uit € 1.454,20 (duizend vierhonderdvierenvijftig euro en twintig cent) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 49 (negenenveertig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:

wijst af de verzoeken tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis en tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. S.C. van Duijn, voorzitter,

mr. S.V. Pelsser en mr. C.C.H.T. Coert, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier,

en op 9 september 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Van Duijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.C. van Duijn
  • mr. S.V. Pelsser
  • mr. C.C.H.T. Coert

Griffier

  • mr. R.M. Gloudemans

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand