Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 20 november 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-179738-25 tegen:
[verdachte] ,
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 8 januari 2025, p. 6-10, voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer] :
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 februari 2025, p. 58-61, voor zover inhoudende als de verklaring van de getuige [getuige 1] :
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 mei 2025, p. 65-69, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
4. Het proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte d.d. 22 maart 2025, p. 82-89, voor zover inhoudende de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] :
5. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 21 augustus 2026, voor zover inhoudende:
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen’ veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] is hoofdelijk gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De verdachte is veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op het moment van het wijzen van het vonnis begroot op nihil.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met aanvulling van de gronden voor wat betreft het bewijs.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de verdediging bepleit dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 3 januari 2025 te Breda, openlijk, te weten, aan [adres 2] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door:
- die [slachtoffer] aan de haren te trekken en/of
- die [slachtoffer] meermalen tegen het hoofd, althans het lichaam, te slaan en/of te schoppen en/of
- dit te filmen en/of hieraan de woorden toe te voegen: ‘my best friend wanneer iemand mij dik noemt’.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 3 januari 2025 te Breda, openlijk, te weten aan [adres 2] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door:
- die [slachtoffer] aan de haren te trekken en
- die [slachtoffer] meermalen tegen het hoofd, althans het lichaam, te slaan en te schoppen en
- dit te filmen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, registratienummer PL2000-2025006012, gesloten d.d. 20 mei 2025, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , hoofdagent van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 116). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen het bewijs dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan:
Op 3 januari 2025, omstreeks 19.30 uur, ben ik samen met mijn vriendinnen, [getuige 1] en [getuige 2] , naar [bedrijf] , indoor luchtkussenpark, aan [adres 2] gegaan. We hadden het tijdslot 19.30 uur tot 21.00 uur. Ze sluiten om 21.00 uur.
[getuige 1] , [getuige 2] en ik zijn naar binnen gegaan. Ons viel op dat er twee meisjes waren die zich vreemd gedroegen naar ons toe toen we daar binnen waren. Wij vonden dat deze twee meisjes ons bewust opzochten en/of ons in de gaten hielden in de hal. Op vrijdag 3 januari 2025 omstreeks 20.15 uur stond ik bij de J en I locatie. Ik werd daar aangesproken door een van deze meisjes. Het andere meisje stond erbij maar zei niets. Ik zal dat meisje dat mij aansprak verder aangeven in deze verklaring als ‘het meisje’.
Op dat moment stond ik daar alleen. [getuige 1] en [getuige 2] waren iets verder, op een andere locatie. Het meisje vroeg aan mij of ik mijn vriendinnen wilde halen. Ik ben naar [getuige 1] en [getuige 2] gegaan en aangegeven dat er een meisje was die hen samen wilden spreken. Wij zijn toen naar locatie I gegaan, waar deze meisjes stonden.
[getuige 1] en [getuige 2] zijn van het kussen gesprongen en ik wilde er achteraan gaan. Ik werd door het meisje vastgehouden. Hoe ze dat deed weet ik niet, maar ik kon niet weg. Het meisje zei dat als ik niet normaal ging doen zij mij in elkaar zou slaan. Ik wilde toen weg, maar kon niet. Zij vroeg vervolgens aan haar vriendin of er niemand van de medewerkers van [bedrijf] in de buurt was, haar vriendin zei dat er niemand in de buurt was. Ineens voelde ik een harde klap op mijn linker kaak. Ik werd toen meerdere malen geslagen, in mijn linkerzijde geschopt tegen mijn ribben en in mijn buik. Ik voelde dat zij aan mijn haren aan het trekken was. Ik voelde pijn in mijn buik en ribben. Ik wilde weg maar dat kon niet, ze bleef me maar trappen en slaan. Ik kon mij ook niet verdedigen of verweren. Ik zag het andere meisje erbij staan, ze deed niets. Ik zag dat ze wel haar mobiel vast had. Ik vermoed dat zij de mishandeling opgenomen heeft op haar mobiel.
Toen het meisje vermoedelijk een medewerker van [bedrijf] aan zag komen, hield ze op met slaan en schoppen en is snel richting de uitgang gerend. Het andere meisje ging met haar mee richting uitgang.
Omdat ik nog last had van mijn buik en ribben ben ik de volgende dag, 4 januari 2025, naar de huisartsenpost in Oosterhout gegaan. De arts constateerde het volgende: verdikking aan mijn linkerzijde kaak, huidverkleuring bij mijn ribben en een bult aan de linkerzijde op mijn hoofd.
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
Op 3 januari 2025, omstreeks 20.00 uur, was ik met [slachtoffer] en nog een vriendin van ons, [getuige 2] , bij [bedrijf] in Breda. Vanaf het moment dat wij binnen waren, waren er heel de tijd twee meisjes die ons, mij, [getuige 2] en [slachtoffer] riepen en oogcontact zochten. Wij waren de enigen die toen binnen waren met nog twee ons onbekende jongetjes van ongeveer 10 jaar, zij waren met hun moeder. De jongetjes waren al weg toen dit alles gebeurde.
[slachtoffer] stond boven bij een springkussen. Nadat wij een kwartier hadden gesprongen, gingen wij naar [slachtoffer] om met zijn drieën naar beneden te springen. Bij [slachtoffer] aangekomen begonnen die meisjes meteen tegen ons te schreeuwen en te schelden. Ik zag dat 1 meisje, ik zag dat ze blond haar had, de uitgang voor ons had geblokkeerd en het andere meisje, ik zag dat deze zwart haar had, was meteen boos. Op dat moment passeerde [getuige 2] het meisje dat de uitgang geblokkeerd had en sprong naar beneden. De uitgang naar beneden is een gat van ongeveer 50 bij 50 centimeter groot, om eruit te kunnen moet je hier echt doorheen kruipen. Het meisje dat de uitgang blokkeerde ging met haar benen tegen de ene kant van de opening en met haar rug tegen de andere kant van de opening. Ik zag dat zij in haar beide handen haar telefoon vast hield. Ik zag dat zij deze telefoon voor zich hield met de achterzijde naar ons toe.
Het meisje met het zwarte haar begon tegen mij en [slachtoffer] te schreeuwen. Ik hoorde dat het meisje met het zwarte haar alleen maar aan het schelden was met kanker. Ik was er klaar mee. Ik zei toen tegen [slachtoffer] : “Kom, we springen ook gewoon naar beneden”. Hierop sprong ik als eerste. En ik hoorde dat [slachtoffer] terug werd geroepen. Ik hoorde dat het meisje met het zwarte haar tegen haar zei: “Nee, jij blijft hier”. Ik zag toen ik naar beneden sprong dat [slachtoffer] achterover viel.
Ik zag dat [slachtoffer] door het meisje met het zwarte haar vast werd gehouden aan haar haar, want ik zag haar nog naar achteren vliegen. Ik zag dat het meisje met het zwarte haar [slachtoffer] met haar rechterhand aan haar haren trok. Toen [getuige 2] en ik beneden stonden hadden we geen zicht meer op [slachtoffer] . Ik hoorde het meisje met het blonde haar tegen haar vriendin zeggen: “Nu is er niemand”. Direct daarna hoorden wij [slachtoffer] schreeuwen en huilen. Ik hoorde het geluid van klappen die werden gegeven. Het geschreeuw en gehuil van [slachtoffer] kwam boven de stem van het meisje dat bleef schelden uitkomen.
Direct daarna zijn [getuige 2] en ik een medewerker van [bedrijf] gaan halen om hulp. Toen wij met hem weer bij het springkussen aankwamen, hoorde ik het meisje met het blonde haar tegen het meisje met het zwarte haar zeggen: “Stop, want er komt iemand aan”. Ik wist dat zij doelde op de medewerker, mij en [getuige 2] want verder was er ook niemand. De man is naar boven gegaan en is [slachtoffer] gaan helpen. Toen [slachtoffer] met de man van het springkussen kwam, zag ik dat [slachtoffer] bloed op haar gezicht had vlak bij haar kin, op haar linkerwang. Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat ze was geslagen, aan haar haren was getrokken, op haar hoofd was getrapt en in haar buik was getrapt. Ik vroeg vervolgens hoe het was gebeurd, ik hoorde dat [slachtoffer] toen zei dat ze naar achteren was getrokken aan haar haar. Ik zag dat het haar van [slachtoffer] goed in de war zat, het stond alle kanten op.
Op 3 januari 2025, omstreeks 20.45 uur, vond er een mishandeling plaats bij de [bedrijf] , gelegen aan [adres 2] . Bij deze mishandeling werd slachtoffer [slachtoffer] mishandeld door de later bekend geworden verdachte [medeverdachte] . In het verdachte verhoor van [medeverdachte] verklaarde zij dat de mishandeling gefilmd was door haar medeverdachte, de later bekend geworden [verdachte] . In de aangifte werd door slachtoffer [slachtoffer] aangegeven dat de mishandeling gefilmd was.
Op 3 april 2025 werd in belang van het onderzoek een telefoon van het merk Apple, type iPhone 13 met goednummer: PL2000-2025006012-2845440 in beslag genomen onder: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2009. Door de digitale recherche werd de inhoud van deze telefoon veiliggesteld voor onderzoek.
Beeldmateriaal van het strafbare feit
Ik zag dat er op 3 januari 2025 te 20.53.06 uur een video was opgenomen waarin het later bekend geworden slachtoffer [slachtoffer] diverse malen geschopt en geslagen werd door verdachte [medeverdachte] . Ik zag dat het bewuste videobestand met daarop de mishandeling, voorzien was van bestandsnummer: IMG_7603.MP4. Ik zag dat het bestand 21 seconden lang was. Ik hoorde dat de beelden voorzien waren van geluid. Bij het afspelen van het bestand zag ik een donkere gedaante, later bekend geworden verdachte [medeverdachte] , op een luchtkussen in beeld staan met haar linkerzijde naar de camera toe. Ik zag nog een tweede persoon, slachtoffer [slachtoffer] , links van [medeverdachte] op de grond zitten van datzelfde luchtkussen met haar rug tegen de wand aan.
Ik hoorde het slachtoffer met een hoge stem de woorden “Wat de fuck” schreeuwen. Ik zag dat [medeverdachte] op dat moment met de rechterarm een slag naar beneden maakt. Ik zag dat aangeefster op haar rechterzij komt te liggen. Ik zag dag de slag in de richting van het bovenlichaam gaat van aangeefster welke op de grond zit. Ik zag dat aangeefster de slag af wil weren met haar rechterbeen en armen. Door het duister kan ik niet zien of de slag raak is. Ik hoorde het slachtoffer de gehele tijd schreeuwen. Ik zag dat [medeverdachte] met haar rechterbeen een trappende beweging maakte in de richting van het hoofd van het slachtoffer. Ik zag dat de trap tegen het hoofd raak was. Ik hoorde het slachtoffer “Auw” schreeuwen. Ik zag dat het slachtoffer rechtop ging zitten tegen de luchtkussenwand aan. Ik zag dat verdachte [medeverdachte] wederom naar het slachtoffer toe liep. Ik zag dat [medeverdachte] met haar rechterbeen een trap maakte in de richting van het bovenlichaam van het slachtoffer. Ik zag dat het slachtoffer de trap afweerde met haar rechterarm. Op het moment dat het been de rechterarm van het slachtoffer raakte hoorde ik een klap. Ik hoorde het slachtoffer “Stop, stop, Stop” schreeuwen terwijl zij geschopt en geslagen werd. Ik hoorde [verdachte] op de achtergrond lachen.
Ik zag dat [medeverdachte] wederom naar het slachtoffer toe liep. Ik hoorde het slachtoffer schreeuwen: “stop, stop, ik zweer?”. Ik zag dat het slachtoffer op haar rug lag. Ik zag dat [medeverdachte] op de buik van het slachtoffer ging zitten. Ik zag dat [medeverdachte] met haar beide knieën aan weerszijden van de buik van het slachtoffer ging zat. Ik zag dat verdachte en slachtoffer elkaar aan konden kijken. Ik zag dat [medeverdachte] diverse klappen op het bovenlichaam geeft. Ik zag dat de klappen het bovenlichaam raken. Ik hoorde het slachtoffer schreeuwen van de pijn. Ik hoorde het slachtoffer nogmaals “stop” en “stop jongen, auw” schreeuwen. Ik zag dat het slachtoffer rechtop ging zitten. Ik zag dat [medeverdachte] met haar rechterhand de haren van het slachtoffer pakt. Ik zag dat [medeverdachte] met een krachtige beweging haar hand, gezien vanuit de camera, naar rechts beweegt. Ik zie dat het hoofd van het slachtoffer met dezelfde kracht mee ging in deze beweging. Ik zag dat [medeverdachte] met haar rechter gebalde vuist meerdere klappen maakte naar het hoofd van het slachtoffer. Ik zag dat de klappen het hoofd met kracht raakten. Ik hoorde het slachtoffer continue schreeuwen van de pijn en “stop” schreeuwen naar de verdachte. Ik zag dat het slachtoffer en [medeverdachte] opstonden. Ik zag dat [medeverdachte] , tijdens het opstaan haar rechterknie ophief en met haar rechterbeen een trappende beweging maakte naar de buik van het slachtoffer. Ik zag dat de rechtervoet van verdachte [medeverdachte] de buik van het slachtoffer raakte. Ik hoor het slachtoffer “auw” roepen en ik zag dat het slachtoffer haar beide armen over elkaar deed en deze voor haar buik hield. Ik zag dat het slachtoffer licht vooroverboog.
Ten tijde van de mishandeling zag ik verdachte [verdachte] geen enkele keer een poging ondernam om [medeverdachte] tegen te houden en/of de mishandeling te stoppen. Ik hoorde verdachte [verdachte] alleen maar lachen tijdens het filmen.
O: Je wordt verdacht van mishandeling gepleegd op 3 januari 2025.
V: Wil je hierover een verklaring afleggen?
A: Ik ging met een vriendin, [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte), naar [bedrijf] in Breda. Ik heb toen een meisje geslagen. [verdachte] heeft dit gefilmd.
V: In de aangifte wordt verteld dat jij ineens aangeefster vastpakt en meerdere malen slaat? Wat kun je daar over vertellen?
A: Vastgepakt niet, ik heb haar wel geslagen en aan haar haren getrokken.
V: Toen jij met de aangeefster aan het vechten was vroeg je aan jouw vriendin of er geen personeel in de buurt was. Klopt dit?
A: Ja dat klopt.
V: Waarom vroeg je dit?
A: Voordat we gingen vechten wilde ik gewoon weten of er iemand in de buurt was.
V: Jouw vriendin heeft jou verteld dat er geen personeel te zien was. Wat heb je toen gedaan?
A: Ja toen ben ik begonnen met slaan.
V: Tevens is aangeefster geschopt tegen haar ribben en in haar buik. Wat kun je hier over vertellen?
A: Ik heb haar geschopt.
V: Aangeefster vertelt verder dat jouw vriendin erbij stond en niets deed, ze stond zelfs met een telefoon in haar handen? Wat kun je hier over vertellen?
A: Ze was aan het filmen ja. Tijdens het filmen was [verdachte] aan het lachen.
V: Heeft zij de mishandeling gefilmd?
A: Ja.
Op 3 januari 2025 was ik bij [bedrijf] in Breda met [medeverdachte] . [medeverdachte] heeft gevochten met slachtoffer [slachtoffer] . Ik heb dit gefilmd.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Hiertoe heeft de raadsvrouw van de verdachte – kort weergegeven – naar voren gebracht dat de verdachte geen significante bijdrage heeft geleverd aan het gepleegde geweld en het niet haar bedoeling is geweest om onderdeel te zijn van dit geweld. De geweldshandelingen zouden ook hebben plaatsgevonden als de verdachte het geweld niet had gefilmd en zij niet had gelachen. De enkele omstandigheid dat de verdachte heeft gelachen, hetgeen zij ontkent, zegt niets over de reden waarom zij heeft gelachen, aldus de verdediging. Daarnaast heeft de raadsvrouw van de verdachte naar voren gebracht dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de uitgang zou hebben geblokkeerd.
Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.
Het hof stelt voorop dat van het in vereniging plegen van geweld sprake is indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem/haar te kunnen aanmerken als iemand die in vereniging geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.
Op grond van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, stelt het hof het navolgende vast. Op 3 januari 2025 heeft medeverdachte [medeverdachte] bij [bedrijf] te Breda het slachtoffer [slachtoffer] aan de haren getrokken en haar meermalen tegen het hoofd, althans het lichaam, geslagen en geschopt. De verdachte heeft voorafgaand aan dit geweld, op verzoek van de medeverdachte, gekeken of er iemand van het personeel in de buurt was. Daarnaast heeft zij de uitgang geblokkeerd, deze geweldshandelingen gefilmd, tijdens het incident gelachen en geen poging ondernomen om het geweld te beëindigen.
Het verweer van de verdediging dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de uitgang heeft geblokkeerd verwerpt het hof. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van getuige [getuige 1] hieromtrent. De omstandigheid dat dit blokkeren niet te zien is op de beelden en [getuige 2] weg heeft kunnen komen, doet hier niet aan af.
De door de verdachte afgelegde verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende dat zij niet degene is die aan het lachen is op de beelden, maar dat dit een ander persoon betreft, verwerpt het hof. Deze verklaring rijmt niet met haar eerder afgelegde verklaring en het dossier biedt ook geen aanknopingspunten voor de juistheid hiervan, met name nu hieruit juist volgt dat het tegen sluitingstijd was en er verder (bijna) niemand was. Hetgeen de verdediging overigens naar voren heeft gebracht omtrent (de betekenis van) het lachen door de verdachte wordt door het hof verworpen, nu dit lachen in onderling verband en samenhang bezien dient te worden met de overige handelingen van de verdachte.
Het hof is van oordeel dat de verdachte door de combinatie van voornoemde handelingen een voldoende significante bijdrage heeft geleverd aan het gepleegde geweld. Dat de verdachte zelf geen fysiek geweld heeft gepleegd, doet hieraan niet af. Het filmen van het geweld en hierbij lachen is vernederend voor het slachtoffer en draagt bij aan het voortduren en goedkeuren van het geweld. Door bovendien te controleren of personeel aanwezig was en de uitgang te blokkeren, heeft de verdachte bijgedragen aan het mogelijk maken van het geweld zonder daarbij in te grijpen. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.
Resumerend acht het hof, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen in onderling verband en samenhang beschouwd met de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. Door aldus te handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast en in het algemeen veroorzaakt dergelijk handelen gevoelens van onrust, angst en onveiligheid bij slachtoffers. Uit de door aangeefster verschafte informatie blijkt dat het bewezenverklaarde in dit geval ook een grote impact op haar heeft gehad. Daarnaast heeft het incident openlijk plaatsgevonden, waardoor personen ongewild getuige (kunnen) zijn geweest van (een deel van) het gepleegde geweld. Bij hen kan door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte tevens een gevoel van onrust, angst en onveiligheid zijn ontstaan.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie, d.d. 16 juni 2026, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. In dat kader heeft het hof acht geslagen op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 12 november 2025. Hieruit volgt dat belangrijke beschermende factoren zijn dat het goed gaat met de verdachte op school en thuis. Zij houdt zich goed aan de regels. De moeder van de verdachte heeft zicht op wat zij doet in haar vrije tijd. Om herhaling te voorkomen is het belangrijk dat de verdachte (alternatieve) oplossingen bedenkt voor probleemsituaties en deze ook inzet. Dat vindt zij nu soms nog lastig. Het dynamisch risicoprofiel komt uit op heel laag, wat maakt dat er nauwelijks veranderbare factoren zijn binnen de verschillende domeinen die de kans op herhaling vergroten. Bij een veroordeling wordt geadviseerd een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte naar voren gebracht dat het op school goed gaat en zij over is naar de vierde klas van het VMBO-b en zij nagelstyliste wil worden. Zij heeft geen bijbaan of hobby’s, gebruikt geen drugs en drinkt af en toe alcohol, aldus de verdachte.
Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd omdat daarin de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt. Alles afwegende is het hof van oordeel dat een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie, passend en geboden is.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij vonnis waarvan beroep is de vordering hoofdelijk gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade. De gevorderde immateriële schade betreft schade als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Gelet op de aard en omvang van het letsel dat aangever door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte heeft ondervonden, begroot het hof de schade naar billijkheid op een bedrag van € 500,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Voor het overige zal de vordering van de benadeelde partij worden afgewezen.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2025, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Hoofdelijkheid mededader
Tot vergoeding van de schade is naast de verdachte ook de mededader gehouden. Zij zijn derhalve hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade. Indien en voor zover één van hen (een deel van) deze schade betaalt, zal ook de ander daardoor zijn bevrijd van zijn betalingsverplichting.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de medeverdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 500,00. De verdachte en de medeverdachte zijn daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 0 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77m, 77n en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen jeugddetentie.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat de verdachte met haar mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of haar mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Aldus gewezen door:
mr. S.V. Pelsser, voorzitter,
mr. A.C. van Campen en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,
en op 4 september 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.