ECLI:NL:GHSHE:2026:2534

ECLI:NL:GHSHE:2026:2534

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 18-09-2026
Datum publicatie 18-09-2026
Zaaknummer 20-002705-20
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBOBR:2020:5777

Samenvatting

Het hof verklaart het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 2 en feit 3 (overtredingen van de Warenwet) niet-ontvankelijk in de vervolging, nu die overtredingen zijn verjaard. Voorts spreekt het hof de verdachte vrij van feit 1 (overtreding van artikel 174 van het Wetboek van Strafrecht), omdat naar het oordeel van het hof op basis van het verrichte onderzoek niet is komen vast te staan dat de verdachte vlees heeft verhandeld dat schadelijk was voor het leven of de gezondheid.

Uitspraak

[verdachte ] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard en die gekwalificeerd als:

De rechtbank heeft aan de verdachte ter zake van feit 1 een taakstraf opgelegd voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Ter zake van feit 2 en feit 3 is telkens een voorwaardelijke geldboete opgelegd van € 750,00, subsidiair 15 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging van feit 2 en feit 3, nu die feiten thans zijn verjaard. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het onder 1 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van 1 jaar.

De verdediging heeft primair bepleit dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 2 en feit 3 niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging, omdat die feiten zijn verjaard. Voorts heeft de verdediging – voor zover het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 2 en feit 3 niet reeds wegens verjaring niet-ontvankelijk in de vervolging zal worden verklaard – aangevoerd dat het Openbaar Ministerie voor wat betreft alle tenlastegelegde feiten niet-ontvankelijk in de vervolging zal worden verklaard wegens verschillende schendingen van beginselen van een goede procesorde. Subsidiair heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Meer subsidiair heeft de verdediging bepleit dat toepassing zal worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en dat aan de verdachte aldus geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode 1 maart 2016 tot en met 27 augustus 2016, te Haaren en/of Boxtel en/of Zaltbommel, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, waren, te weten een of meer soort(en) vleesbereidingen en/of vleesproducten, heeft/hebben verkocht en/of te koop heeft/hebben aangeboden en/of heeft/hebben afgeleverd en/of heeft/hebben uitgedeeld, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat die waren voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn en dat schadelijk karakter heeft/hebben verzwegen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), voornoemde waren te koop aangeboden en/of afgeleverd en/of uitgedeeld zonder dat de koper(s) en/of verkrijgers(s) van die waren met dat schadelijk karakter bekend was/waren;

2.hij op een of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode 20 mei 2016 tot en met 27 augustus 2016, te Haaren en/of Boxtel en/of Zaltbommel, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

als exploitant(en) van (een) levensmiddelenbedrij(f)(ven) heeft gehandeld in strijd met artikel 8 lid 7 onder a en laatste alinea van de Verordening (EG) nr. 1169/2011, immers

- heeft hij er niet voor gezorgd dat in het onder hun controle staande bedrij(f)(ven) de in artikel 9 en artikel 10 voorgeschreven verplichte vermeldingen worden aangebracht op de voorverpakking of op een daarop aangebracht etiket, of op de op die levensmiddelen betrekking hebbende handelsdocumenten

- heeft hij er niet voor gezorgd dat de in artikel 9, lid1, onder a), f), g), en h), bedoelde vermeldingen ook voorkomen op de buitenste verpakking waarin de voorverpakte levensmiddelen in de handel worden aangeboden, immers:

was/waren op een of meerdere levensmiddelen, te weten vleesbereidingen en/of vleesproducten, de in artikel 9 en artikel 10 van de Verordening (EG) nr. 1169/2011, voorgeschreven verplichte vermeldingen, waaronder

- de benaming van het levensmiddel en/of

- de datum van minimale houdbaarheid of de uiterste consumptiedatum en/of

- bijzondere bewaarvoorschriften en/of gebruiksvoorwaarden en/of

- de naam of handelsnaam en het adres van de in artikel 8, lid 1 bis, bedoelde exploitant van een levensmiddelenbedrijf niet aangebracht op de voorverpakking of op een daarop aangebracht etiket, of op de op die levensmiddelen betrekking hebbende handelsdocumenten en/of op de buitenste verpakking;

3.hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 20 mei 2016 tot en met 27 augustus 2016, te Haaren en/of Boxtel en/of Zaltbommel en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ten aanzien van een of meer eetwaren

a,) *gehandeld in strijd met artikel 14, lid 1 en lid 2 gelet op lid 3 onder b en lid 5 van de Verordening (EG) nr. 178/2002, immers heeft hij, verdachte, en/of haar mededader(s) onveilige levensmiddelen, te weten vleesbereidingen en/of vleesproducten, in de handel gebracht en/of ten verkoop aangeboden en/of verkocht en/of

b) *gehandeld in strijd met artikel 18, lid 1 en lid 4 van de Verordening (EG) nr. 178/2002, immers was/waren een of meerdere levensmiddelen, te weten vleesbereidingen en/of vleesproducten, niet in ieder stadium van de productie en/of de verwerking en/of de distributie (met het oog op de traceerbaarheid) geëtiketteerd of gekenmerkt door middel van relevante documentatie of informatie.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging

Ten aanzien van feit 2 en feit 3

De advocaat-generaal en de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 2 en feit 3 niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard, omdat die feiten thans zijn verjaard.

Het hof overweegt als volgt.

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij in de periode van 20 mei 2016 tot en met 27 augustus 2016 (onder andere) in strijd heeft gehandeld met artikel 8 van de Warenwet (feit 2) en artikel 4 van de Warenwet (feit 3). Gelet op het bepaalde in artikel 1 onder 4° en artikel 2, vierde lid, van de Wet op de economische delicten gaat het hier om overtredingen. Uit artikel 72, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht volgt dat het recht tot strafvordering ten aanzien van overtredingen na tien jaren vervalt. Nu het hof op 18 september 2026 arrest wijst – en aldus nadat meer dan tien jaren na het tenlastegelegde zijn verstreken – is het recht tot strafvordering ten aanzien van voornoemde overtredingen thans vervallen. Het hof zal het Openbaar Ministerie dan ook – conform de vordering van de advocaat-generaal en het standpunt van de verdediging – ter zake van de onder 2 en onder 3 tenlastegelegde feiten niet-ontvankelijk in de strafvervolging verklaren.

Ten aanzien van feit 1

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging op gronden zoals opgenomen in de overgelegde pleitnota – kort gezegd – naar voren gebracht dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat [verdachte ] en [medeverdachte I] wel strafrechtelijk zijn vervolgd, terwijl anderen die bij het vervoer van het vlees waren betrokken ( [getuige I] en [getuige II] ) niet strafrechtelijk zijn vervolgd. Bovendien blijkt dat de beslissing om de zaak strafrechtelijk te gaan vervolgen niet alleen was ingegeven om de voedselveiligheid te waarborgen, maar tevens om media-aandacht te genereren om te laten zien dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) snel en kordaat optreedt, alsmede om wederrechtelijk verkregen vermogen te kunnen afpakken, dit terwijl geen financieel gewin voor de verdachte was vastgesteld, geen sprake was van recidive en bestuursrechtelijk optreden mogelijk was. Het gaat in dit verband om de zuiverheid van het oogmerk; dat was hier vooral krachtig en snel ingrijpen en dat is geen zuiver oogmerk gericht op de normoverschrijding, aldus de verdediging. Voorts is van belang dat er in het onderzochte vlees geen ziekteverwekkende bacteriën zijn aangetroffen, hetgeen uiterlijk op 11 oktober 2016 bij de NVWA uitdrukkelijk bekend was. Desalniettemin is de verdachte op 13 december 2016 buiten heterdaad aangehouden. Op het moment dat duidelijk was geworden dat er geen ziekteverwekkende bacteriën in het vlees waren aangetroffen, had dat aanleiding moeten geven om de berichtgeving te nuanceren, alsmede om de noodzaak en proportionaliteit van verdere strafrechtelijke escalatie kritisch te beoordelen. Gelet op het ontbreken van financieel gewin, het ontbreken van concreet vastgestelde slachtoffers en de mogelijkheid van bestuursrechtelijk corrigerend optreden, acht de verdediging de gang van zaken niet verenigbaar met de zorgvuldigheid en evenwichtigheid die van de vervolgende overheid mag worden verlangd. Dit dient dan ook te worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of de vervolgingsbeslissing in strijd is gekomen met de beginselen van een goede procesorde, waarbij in het bijzonder nog van belang is dat de geconstateerde tekortkomingen na 27 augustus 2016 vrijwel onmiddellijk zijn hersteld; op de pakketten van het vlees waren toen de vereiste etiketteringen aangebracht en het vlees werd in koelwagens vervoerd. Het corrigerende doel van handhaving was daarmee feitelijk bereikt. Gelet op de genoemde gang van zaken, in samenhang bezien met het ontbreken van recidive, de onmiddellijke naleving, het ontbreken van concreet vastgestelde slachtoffers en het uitdrukkelijke onderzoeksdoel om media-aandacht te genereren, is de beslissing tot strafrechtelijke vervolging onvoldoende evenwichtig en disproportioneel geweest. Ten slotte dient – in het licht van voornoemde factoren – mede het tijdsverloop te worden betrokken bij de vraag of het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging kan worden verklaard. Gelet op voornoemde omstandigheden – in onderlinge samenhang bezien – dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging te worden verklaard, aldus de verdediging.

Op basis van de inhoud van het dossier is het hof het navolgende gebleken.

Vanaf juli 2016 kwamen er bij de politie en bij het landelijk klantcontactcentrum van de NVWA (anonieme) meldingen binnen met betrekking tot vlees dat via een besloten Facebookpagina van [medeverdachte II] werd verkocht. In deze meldingen werd aangegeven dat de kwaliteit van het vlees slecht was; het stonk, het was zuur en het was verkleurd. Daarnaast waren verpakkingen niet geëtiketteerd en ontbraken aanduidingen over de houdbaarheidsdatum. Ook zouden mensen na het eten van het vlees ziek zijn geworden.

Het bestuur van [medeverdachte II] werd gevormd door [verdachte ] (voorzitter) en [medeverdachte I] (penningmeester). De stichting had in het land meerdere afhaalpunten waar klanten hun bestellingen konden ophalen. De vleesbereidingen/vleesproducten die werden verkocht, werden betrokken van [medeverdachte III] , eigenaar van de eenmanszaak ‘ [eenmanszaak] ’ en slager van beroep. De [medeverdachte II] , [verdachte ] , [medeverdachte I] en [medeverdachte III] zijn als verdachten strafrechtelijk vervolgd ter zake van handelen in strijd met artikel 174 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede voor overtredingen van de Warenwet. Die overtredingen zijn – zoals hiervoor overwogen – thans verjaard.

Uit de inhoud van het dossier blijkt dat [medeverdachte III] doorgaans op vrijdag begon met het klaarmaken van de bestellingen. Nadat het vlees was verpakt, plaatste [medeverdachte III] het vlees in de vriescel. Hij zette de vriescel uit om te voorkomen dat vleesproducten zouden bevriezen. Op zaterdagochtend haalde [medeverdachte III] het vlees uit de vriescel en plaatste hij de producten in de ruimte voor de vriescel. Daarna werd het vlees op de bedrijfslocatie van [medeverdachte III] opgehaald om het vervolgens bij klanten of afhaalpunten van [medeverdachte II] te kunnen afleveren. In dit verband blijkt dat [medeverdachte III] in de ochtend van 20 augustus 2016 vleesbereidingen/vleesproducten bij zijn bedrijfslocatie heeft klaargezet en dat deze producten vervolgens door [verdachte ] en [medeverdachte I] , alsmede door [getuige I] en [getuige II] – beiden vrijwilliger van [medeverdachte II] – uit kratten werden gehaald en werden overgeladen in koeltassen. Vervolgens werden deze koeltassen verdeeld over drie personenauto’s en zijn [verdachte ] , [medeverdachte I] , [getuige I] en [getuige II] weggereden om het vlees af te leveren.

Ook op 27 augustus 2016 werden (omstreeks 04:00 uur) door [medeverdachte III] vleesbereidingen/vleesproducten klaargezet en werden die producten later die ochtend (omstreeks 07:30 uur) door [verdachte ] , [medeverdachte I] , [getuige I] en [getuige II] in koeltassen gedaan en over drie personenauto’s verdeeld. Omstreeks 09:38 uur reden [verdachte ] , [medeverdachte I] , [getuige I] en [getuige II] weg om het vlees te kunnen afleveren. De drie personenauto’s (Opel Vectra, Ford Ka, Citroën AX) werden om 09:43 uur stilgehouden en vervolgens is de lading van de personenauto’s ter plaatse onderzocht met het oog op de naleving van de voorschriften met betrekking tot het vervoeren van vlees. Ten aanzien van de drie personenauto’s is gerelateerd dat de kofferbak en (een gedeelte van) dichtgeklapte achterbank telkens vol lag met koeltassen, met daarin in plastic verpakte vleesbereidingen en vleesproducten. Op die verpakkingen was geen enkele vorm van aanduiding aangebracht en in de personenauto’s was geen actieve koeling aanwezig. Uit de Opel Vectra zijn van vijf vleesproducten kerntemperaturen gemeten van tussen de 14,5 en 16,5 graden Celsius. Uit de Ford Ka en Citroën AX zijn telkens van zeven vleesproducten kerntemperaturen gemeten van respectievelijk tussen de 11,1 en 16,7 graden Celsius en 12,9 en 15,4 graden Celsius, dit terwijl – ingevolge artikel 15 van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen – vlees zodanig dient te worden vervoerd of in voorraad te worden gehouden dat de temperatuur van de waar ten hoogste 7 graden Celsius bedraagt.

Op 27 augustus 2016 zijn uit de drie personenauto’s in totaal 142 koeltassen gevuld met in totaal 597 kilogram vlees in beslag genomen. Van vier stuks vlees (voorgegaarde hamburgers, gegaarde barbecueworstjes, gemarineerde drumsticks en rauwe gekruide barbecueworstjes) zijn monsters genomen ten behoeve van microbiologisch onderzoek. Op basis van het microbiologisch onderzoek is gebleken dat in de voorgegaarde hamburgers en gegaarde barbecueworstjes meer kweekbare micro-organismen en Enterobacteriaceae zijn aangetoond dan volgens de richtlijnen uit de Hygiënecode voor het slagersbedrijf maximaal zijn toegestaan. Volgens [inspecteur] , inspecteur van de NVWA, kan dit vlees als bedorven worden gekwalificeerd. Uit het microbiologisch onderzoek is voorts gebleken dat er geen ziekteverwekkers (pathogene bacteriën) in de monsters van het vlees zijn aangetroffen.

Bij een controle van de bedrijfslocatie van [medeverdachte III] op 2 september 2016 zijn er geen onregelmatigheid met betrekking tot de kwaliteit en de temperatuur van het vlees geconstateerd. De verpakte vleesbereidingen/vleesproducten die [medeverdachte III] op dat moment aan het klaarmaken was voor [medeverdachte II] waren geëtiketteerd. Ook op 3 september 2016 zijn er geen onregelmatigheden geconstateerd. Op die dag werd onder andere waargenomen dat koeltassen in koelaanhangwagens werden geplaatst die achter de Opel Corsa en Citroën AX waren gekoppeld.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich volgens bestendige jurisprudentie slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld doet zich – onder meer – voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Ten aanzien van deze, tot terughoudendheid nopende, maatstaf gelden voor de rechter bij een eventuele beslissing tot niet-ontvankelijk verklaren van het Openbaar Ministerie zware motiveringseisen. Daarbij dient een afweging plaats te vinden tussen het standpunt van het Openbaar Ministerie ten aanzien van het belang bij de onderhavige strafvervolging en de door de verdediging aangevoerde omstandigheden die tot het oordeel zouden moeten leiden dat de vervolgingsbeslissing in strijd is met, zoals in casu aangevoerd, het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging en het gelijkheidsbeginsel. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur, oftewel het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. Een dergelijk uitzonderlijk geval in vorenbedoelde zin doet zich tevens voor indien zaken zowel op het punt van de haalbaarheid als op dat van de opportuniteit geheel overeenstemmen, maar het Openbaar Ministerie er desalniettemin voor kiest om in slechts één van die zaken strafvervolging in te stellen. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is eerst sprake bij afwijking van een bestendig patroon van beslissen in een groot aantal vergelijkbare gevallen.

Het hof overweegt voorts als volgt.

Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden omdat de verdachte wel strafrechtelijk is vervolgd en [getuige I] en [getuige II] niet, wordt dat verweer verworpen. Aan dit oordeel ligt in het bijzonder ten grondslag dat aan klanten van [medeverdachte II] vlees werd verkocht en dat de verdachte – anders dan [getuige I] en [getuige II] – deel uitmaakte van het bestuur van die stichting. Gelet hierop kan naar het oordeel van het hof dan ook niet worden gesproken van gelijke gevallen.

In de overige door de verdediging genoemde omstandigheden – ook in onderling verband bezien – ziet het hof evenmin reden om het Openbaar Ministerie op grond daarvan niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. In dit verband neemt het hof in het bijzonder in aanmerking dat het voorstelbaar is dat in de media ruchtbaarheid is gegeven aan de onderzoeksbevindingen. Op die manier was het immers mogelijk om de samenleving – waaronder afnemers van het vlees dat op diverse locaties in het land kon worden opgehaald – te attenderen op de omstandigheid dat (mogelijk) inferieur vlees werd verkocht en mogelijk ook geconsumeerd zou gaan worden. Om de voedselveiligheid te waarborgen was snel handelen en ingrijpen vereist. Bovendien kan het instellen van een strafvervolging teneinde op enig moment mogelijk wederrechtelijk verkregen voordeel te kunnen vaststellen en vervolgens mogelijk te kunnen ontnemen naar het oordeel van het hof als gerechtvaardigd strafvorderlijk belang worden beschouwd. In het licht van de verdenking jegens de verdachte – waaronder overtreding van artikel 174 van het Wetboek van Strafrecht – rechtvaardigen de onderzoeksresultaten naar het oordeel van het hof ook de toepassing van dwangmiddelen, zoals de aanhouding van de verdachte. Dat in de van het vlees genomen monsters geen ziekteverwekkers (pathogene bacteriën) zijn aangetroffen en in september 2016 bij controles geen onregelmatigheden (meer) zijn aangetroffen, maakt het bovenstaande naar het oordeel van het hof niet anders. Dat het Openbaar Ministerie in die omstandigheden kennelijk ook geen aanleiding heeft gezien om van verdere strafvervolging ten aanzien van de constateringen in de periode van 1 maart 2016 tot en met 27 augustus 2016 af te zien, impliceert naar het oordeel van het hof ook niet dat die (verdere) strafvervolging disproportioneel is en onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde.

Voor zover de verdediging naar voren heeft gebracht dat het Openbaar Ministerie mede op basis van het tijdsverloop niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard, stelt het hof dat de in het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 geformuleerde uitgangspunten en regels ter zake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn alleen daarop betrekking hebben en dus niet gelden voor de beoordeling van inbreuken op de verdedigingsrechten. Tevens geldt hierbij als uitgangspunt dat indien een inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte die niet onder het bereik van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering valt, de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging niet in aanmerking komt, behoudens in het uitzonderlijke geval dat die inbreuk van dien aard is en zodanig ernstig dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Van een dergelijke inbreuk is het hof in de onderhavige strafzaak blijkens het voorgaande echter niet gebleken. Daarbij stelt het hof ten slotte tevens vast dat – zoals hiervoor overwogen en geoordeeld – de onder 2 en onder 3 tenlastegelegde feiten zijn verjaard en het Openbaar Ministerie ten aanzien van die feiten reeds niet-ontvankelijk in de vervolging zal worden verklaard.

Gelet op het vorenstaande acht het hof het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging van het onder 1 tenlastegelegde. Het andersluidende verweer van de verdediging wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Vrijspraak feit 1

Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat hij in de periode van 1 maart 2016 tot en met 27 augustus 2016 (samen met anderen) heeft gehandeld in vlees, waarvan hij wist (of redelijkerwijs had moeten vermoeden) dat dat vlees schadelijk was voor het leven of de gezondheid en dat hij dat schadelijk karakter heeft verzwegen. Artikel 174, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht stelt strafbaar de verkoop, het te koop aanbieden, het afleveren of uitdelen van waren, wetende dat zij voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn en dat schadelijk karakter verzwijgen. De strafbaarstelling van artikel 174, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht beoogt de menselijke gezondheid en het leven te beschermen tegen handelaren die bewust gevaarlijke producten op de markt brengen, zonder die gevaarlijkheid kenbaar te maken. De strafbaarstelling was aanvankelijk toegesneden op het verkopen e.d. van etens- en drinkwaren, maar werd op aandringen van de Tweede Kamer uitgebreid tot alle soorten waren. Onder het begrip ‘waren’ dienen ‘handelswaren’ te worden verstaan, waarbij geldt dat van ‘(handels)waren’ sprake is indien deze een gebruiksbestemming en economische waarde in het handelsverkeer hebben. De strafbaarstelling ziet daarmee op het plegen van bepaalde handelingen met voor het leven of de gezondheid schadelijke handelswaren, terwijl het schadelijke karakter daarvan wordt verzwegen.

Het hof ziet zich allereest voor de vraag gesteld of het vlees – aan te merken als waren als bedoeld in artikel 174, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht – schadelijk was voor het leven of de gezondheid van de uiteindelijke gebruikers daarvan.

Voor de vaststelling van de schadelijkheid van waren dient met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat i.c. het vlees schadelijk is voor het leven of de gezondheid van mogelijke consumenten. Daarbij geldt tevens het uitgangspunt dat ter zake van het gebruik van de waren voldoende is dat vastgesteld wordt dat schade voor het leven of de gezondheid kan optreden als gevolg van gebruik waarmee redelijkerwijs rekening moet worden gehouden. Voor een bewezenverklaring van ‘schadelijk’ in de zin van artikel 174 van het Wetboek van Strafrecht is derhalve vereist dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de waren een (objectief) voor het leven of de gezondheid schadelijk karakter hebben in het licht van het redelijkerwijs te verwachten gebruik ervan. Niet hoeft dus te kunnen worden vastgesteld welke eventuele schadelijke gevolgen met voldoende mate van zekerheid zouden kunnen optreden.

Zoals hiervoor reeds genoemd, kwamen er vanaf juli 2016 meldingen binnen dat de kwaliteit van het verkochte en afgeleverde vlees slecht was, alsmede dat er mensen na het consumeren van het vlees ziek zouden zijn geworden. Die desbetreffende stukken vlees zijn niet nader onderzocht. Evenmin is komen vast te staan dat mensen na het consumeren van het betreffende vlees daadwerkelijk (en ten gevolge daarvan) ziek zijn geworden. Door de politie en/of de NVWA is ook geen nader onderzoek verricht naar (de kwaliteit van) het vlees dat op 20 augustus 2016 bij [medeverdachte III] werd opgehaald en daarna naar klanten werd gebracht. Er is wel onderzoek gedaan naar (de kwaliteit van) het vlees dat op 27 augustus 2016 bij [medeverdachte III] is opgehaald en vervolgens naar klanten zou worden vervoerd. Gelet op het vorenstaande stelt het hof dan ook vast dat slechts het vlees dat op 27 augustus 2016 werd vervoerd is onderzocht. Van de op 27 augustus 2016 in totaal 597 kilogram in beslag genomen hoeveelheid vlees zijn vervolgens slechts vier monsters genomen ten behoeve van microbiologisch onderzoek. Uit dat microbiologisch onderzoek is naar voren gekomen dat in twee van de vier monsters (van de voorgegaarde hamburgers en gegaarde barbecueworstjes) meer kweekbare micro-organismen en Enterobacteriaceae zijn aangetoond dan volgens de richtlijnen uit de Hygiënecode voor het slagersbedrijf maximaal zijn toegestaan.

De enkele vaststelling dat een product van een hoeveelheid etenswaren niet voldoet aan een voor die etenswaren gestelde norm – in dit geval voornoemde norm uit de Hygiënecode voor het slagersbedrijf en de eerder genoemde overschrijding van de maximumtemperatuur van 7 graden Celsius – impliceert naar het oordeel van het hof niet dat dat product of die waren (objectief bezien) dan ook schadelijk is/zijn voor het leven of de gezondheid. Dat geldt naar het oordeel van het hof eveneens voor zover [inspecteur] heeft beschreven dat het vlees als bedorven kan worden gekwalificeerd. In dit verband heeft het hof mede in aanmerking genomen dat in een rapport van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), getiteld ‘Ons eten gemeten’, het volgende is opgenomen: ‘In voedsel kunnen veel verschillende soorten (micro)organismen voorkomen, en het merendeel hiervan is niet ziekteverwekkend. Wanneer voedsel te lang of bij te hoge temperaturen wordt bewaard kan vermeerdering van micro-organismen (bacteriën, schimmels en gisten) optreden, wat meestal leidt tot bederf. In het algemeen vormt de bederfflora geen risico voor de gezondheid van de consument. Er is zelfs sprake van een zekere mate van veiligheid, omdat de consument door de geur, smaak en uiterlijk van bedorven producten zal worden gewaarschuwd.’ Bovendien blijkt uit de inhoud van het dossier dat in de van de onderzochte verse of gegaarde vleesproducten genomen monsters geen ziekteverwekkers (pathogene bacteriën) zijn aangetroffen, hetgeen naar het oordeel van het hof dan ook geen steun biedt voor de tenlastegelegde schadelijkheid voor het leven dan wel de gezondheid.

Gelet op het vorenstaande is het hof dan ook van oordeel dat op basis van het verrichte onderzoek zoals dat in het dossier is opgenomen niet is komen vast te staan dat de verdachte in de periode van 1 maart 2016 tot en met 27 augustus 2016 vlees heeft verhandeld dat schadelijk was voor het leven of de gezondheid. De verdachte zal derhalve van het onder 1 tenlastegelegde worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het Openbaar Ministerie ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door:

mr. W.F. Koolen, voorzitter,

mr. A.R. Hartmann en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier,

en op 18 september 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. W.F. Koolen
  • mr. A.R. Hartmann
  • mr. H.A.T.G. Koning

Griffier

  • mr. T.H.J. Menting

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand