ECLI:NL:GHSHE:2026:2587

ECLI:NL:GHSHE:2026:2587

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 23-09-2026
Datum publicatie 23-09-2026
Zaaknummer 20-000884-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBLIM:2024:1191

Samenvatting

Het hof verenigt zich met het vonnis van de rechtbank met uitzondering van: - de beslissing op de vordering van de benadeelde partij (moeder slachtoffer); - de beslissing tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de moeder van het slachtoffer; - de beslissing tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de vader van het slachtoffer. Hoewel het hof zich met de volgende beslissingen kan verenigen, vernietigt het hof deze omwille van de leesbaarheid: - de beslissing op de vordering van de benadeelde partij (vader slachtoffer); - de opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren; - de opgelegde maatregel tot terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Het hof veroordeelt uiteindelijk de - verminderd toerekeningsvatbare - verdachte ter zake van de bewezenverklaarde 'doodslag' tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast legt het hof de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op, waarbij het hof adviseert dat deze zal aanvangen op (of zo kort mogelijk na) het tijdstip waarop de verdachte – zou zijn ongewenstverklaring en onrechtmatig verblijf in Nederland worden weggedacht – normaliter in aanmerking zou zijn gekomen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Ten slotte heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen moeder en vader van het slachtoffer, waarbij het toegewezen bedrag telkens zal worden vermeerderd met de wettelijke rente en waarbij telkens de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd.

Uitspraak

Parketnummer: 20-000884-24

Uitspraak : 23 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 13 maart 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-318636-21, tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedag verdachte] 1984,

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Veenhuizen, locatie Esserheem te Veenhuizen.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van de hem tenlastegelegde moord op [slachtoffer] (feit 1 impliciet primair) en van de hem tenlastegelegde diefstal van sigaretten van diezelfde [slachtoffer] (feit 2).

De rechtbank heeft vervolgens het onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde bewezenverklaard, dit gekwalificeerd als ‘doodslag’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem ter zake van die doodslag op [slachtoffer] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Daarbij is tevens de terbeschikkingstelling van de verdachte met verpleging van overheidswege gelast.

De rechtbank heeft verder:

Ten slotte is de teruggave aan de verdachte gelast van de onder hem in beslag genomen personenauto (een [auto] ).

Van de zijde van de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft – zo begrijpt het hof – gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde gevangenisstraf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij (moeder slachtoffer)] en de ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij (moeder slachtoffer)] opgelegde schadevergoedingsmaatregel en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten slotte heeft de verdediging een standpunt ingenomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep (feit 2)

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde. De verdachte heeft onbeperkt hoger beroep ingesteld en het hoger beroep richt zich aldus mede tegen deze vrijspraak. Gelet op artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte tegen een dergelijke beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal daarom het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren voor zover het tegen die vrijspraak is gericht.

Al hetgeen hierna wordt overwogen heeft uitsluitend betrekking op dat deel van het vonnis waartegen het hoger beroep ontvankelijk is.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis – voor zover het hoger beroep daartegen ontvankelijk is – met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust, met uitzondering van:

Hoewel het hof zich kan verenigen met de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van:

zal het hof die beslissingen – omwille van de leesbaarheid – vernietigen. Bijgevolg zal het hof ook de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw vermelden.

Het hof zal de gronden – in de zin van bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen – aanvullen als hierna te melden. Ook ziet het hof aanleiding om de gronden – in de zin van overwegingen omtrent de op te leggen straf en maatregel – aan te vullen en te verbeteren, maar zal het deze overwegingen omwille van de leesbaarheid in hun geheel vervangen en deze aanvullingen en verbeteringen in de nieuwe tekst verwerken.

Aanvulling van de bewijsmiddelen

1. Een schriftelijk bescheid, te weten een afschrift d.d. 10 januari 2021 van een akte van overlijden d.d. 30 november 2021, betreffende het overlijden van [slachtoffer] (dossierpagina 68), voor zover inhoudende:

OVERLEDENE:

Geslachtsnaam: [slachtoffer]

Voornamen: [slachtoffer]

Plaats van geboorte: [geboorteplaats slachtoffer] , Polen

Dag van geboorte: [geboortedag slachtoffer] 1997

Geslacht: Vrouwelijk

Dag van overlijden: 24 november 2021

Plaats van overlijden: Weert

2. Een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapportage forensisch DNA-onderzoek van het The Maastricht Forensic Institute d.d. 3 januari 2022 (dossierpagina’s 891-893), voor zover inhoudende:

(dossierpagina 893)

Om een uitspraak te doen over het mogelijke donorschap van celmateriaal van verdachte R. [verdachte] in de bemonstering van pols (het hof: van [slachtoffer] ) rechts AANV3021NL is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast.

Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen:

o Hypothese 1: de bemonstering van het spoor bevat DNA van onbekende vrouw A en verdachte R. [verdachte] .

o Hypothese 2: de bemonstering van het spoor bevat DNA van onbekende vrouw A en een onbekende, niet verwante persoon.

De resultaten van het onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.

Extreem veel waarschijnlijker: >1.000.000

Aanvulling van de bewijsoverwegingen

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is – kort weergegeven – het volgende aangevoerd.

De verdachte heeft wisselende (en aanvankelijk bekennende) verklaringen afgelegd maar geloof moet worden gehecht aan zijn ter zitting in hoger beroep afgelegde (ontkennende) verklaring. Daarmee is bovendien sprake van een zogenaamde ‘Meer-en-Vaartsituatie’. Door de verdachte is immers een alternatief scenario aangedragen dat niet strijdig is met de bewijsmiddelen, waardoor een met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid is opengebleven.

Het door de verdachte aangedragen alternatieve scenario is weliswaar laat maar niet té laat aangedragen, nu dit ruim voor de behandeling in eerste aanleg is aangekondigd en het Openbaar Ministerie daardoor nog gelegenheid heeft gehad daarnaar onderzoek te verrichten. Ook de wijze van verklaren is sindsdien consistent en gedetailleerd geweest, terwijl hij eerder juist inconsistent, warrig en ongeloofwaardig heeft verklaard. Dat hij in hoger beroep ook uitgebreid heeft verklaard, waarbij hij op onderdelen weer is afgeweken van de ontkennende verklaring die hij bij de rechtbank heeft afgelegd, kan mogelijk worden verklaard doordat de verdachte Spaanstalig is en zijn verklaringen worden vertaald door tolken. Daarom dient dan ook terughoudend te worden omgegaan met het zeer kritisch beoordelen van details in zijn verklaringen.

Daar komt bij dat er zelfs onderdelen van het dossier zijn die erop wijzen dat het scenario van de verdachte aannemelijk is, in het bijzonder wordt gewezen op het volgende:

aldus de verdediging.

Subsidiair heeft de verdediging vrijspraak bepleit van de onder 1 impliciet primair tenlastegelegde ‘moord’.

Het hof overweegt als volgt.

De (betrouwbaarheid van de) bekennende verklaringen van de verdachte

De verdachte heeft zijn eerste bekennende verklaring afgelegd op 24 november 2021 kort nadat hij zich – omstreeks 14.15 uur – aan de balie meldde bij het politiebureau te Weert. De aanwezige verbalisanten hebben de verdachte – omdat hij de Nederlandse taal niet beheerste – uiteindelijk om 14.52 uur gehoord met bijstand van een tolk in de taal Spaans.

Over het moment waarop de verdachte zich meldde en de wijze waarop hij zich toen – en in het daaropvolgende verhoor met de tolk – gedroeg, hebben verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] elk een aanvullend proces-verbaal opgemaakt (van respectievelijk 4 en 6 december 2025). Uit die aanvullende processen-verbaal blijkt in de kern dat de verdachte weliswaar zichtbaar emotioneel en van streek was, maar dat hij niet op verbalisanten overkwam alsof hij in de war was. Ook blijkt daaruit dat de verdachte weliswaar wat trilde, maar wel rustig was in het gesprek met de tolk en verklaarde in samenhangende zinnen.

In de dagen erna is de verdachte bij de politie verhoord op 24, 25, 27 en 29 november 2021 en ook op 15, 16 en 17 februari 2022, in welke verhoren hij telkens in de kern bekennend heeft verklaard en zelfs op meerdere momenten heeft voorgedaan hoe hij [slachtoffer] zou hebben gewurgd. Ook heeft de verdachte bij de rechter-commissaris op 30 november 2021 verklaard dat hij [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door haar adem af te knellen.

Het hof neemt de bekennende verklaringen van de verdachte tot uitgangspunt. Bij de beoordeling van de vraag of die verklaringen voldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt dient in het bijzonder te worden beoordeeld of zij consistent, volledig en accuraat zijn.

Getoetst aan deze criteria stelt het hof vast dat de bekennende verklaringen die de verdachte heeft afgelegd in de kern consistent zijn geweest. Niet alleen innerlijk consistent – dat wil zeggen dat de verdachte zichzelf daarin niet op wezenlijke onderdelen heeft tegengesproken – maar ook liggen zijn bekennende verklaringen onderling in elkaars verlengde.

Verder heeft de verdachte betrekkelijk volledig verklaard. Niet alleen heeft hij zich uitgelaten over het eigenlijke moment van het doden van [slachtoffer] . Hij heeft ook verklaard over de aanloop, de botsing tussen zijn en [slachtoffer] ’s auto, en over zijn vertrek; dat hij [slachtoffer] ’s lichaam met bladeren zou hebben bedekt en naar huis zou zijn gegaan om spullen en kleding bij elkaar te zoeken.

Ten slotte zijn de bekennende verklaringen van de verdachte accuraat gebleken, nu de inhoud daarvan op belangrijke onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen:

Gelet op het vorenstaande ziet het hof – mede bezien tegen de achtergrond van de aanvullende processen-verbaal van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] – geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de door de verdachte afgelegde bekennende verklaringen te twijfelen.

Ter zitting in hoger beroep is de verdachte meermalen gevraagd naar het moment dat hij zich op het politiebureau te Weert meldde en de verklaring die hij direct daarna heeft afgelegd, maar daarop heeft hij aanvankelijk geantwoord dat hij toen überhaupt niet zou hebben verklaard over het doden van [slachtoffer] , waarmee de facto wordt geïmpliceerd dat de desbetreffende verbalisanten een vals proces-verbaal hebben opgemaakt. Vervolgens heeft hij gesteld dat hij van de desbetreffende verbalisanten – toen hij al op het bureau aanwezig was – zou hebben gehoord dat haar lichaam was gevonden. Nog daargelaten dat sprake is van op ambtseed opgemaakte processen-verbaal, is voor de juistheid van deze beide verklaringen van de verdachte in het dossier geen enkel aanknopingspunt te vinden zodat het hof daaraan voorbijgaat. Voor wat betreft de tweede van de hierboven genoemde verklaringen van de verdachte komt daar nog bij het gegeven dat de verdachte de Nederlandse taal niet of in beperkte mate beheerst.

Alternatieve scenario’s van de verdachte

Bij gelegenheid van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg en in hoger beroep heeft de verdachte in de kern ontkennend verklaard. Tussen die verklaringen constateert het hof verschillende inconsistenties:

- De rol van [slachtoffer]

o In eerste aanleg heeft de verdachte niet gesproken over de betrokkenheid van [slachtoffer] bij zijn drugshandel, maar slechts dat zij slachtoffer is geworden omdat anderen wilden dat de verdachte voor lange tijd naar de gevangenis zou moeten.

o In hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat [slachtoffer] wist van zijn drugshandel en hem daarmee zelfs regelmatig hielp door met hem mee te rijden.

- Aantal, volgorde en het tot stilstand komen van de auto’s:

o In eerste aanleg heeft de verdachte verklaard over drie auto’s. [slachtoffer] reed voorop, de verdachte daarachter en zij werden gevolgd door een derde auto met daarin drie personen. De verdachte zou op enig moment rechtsaf hebben willen slaan waar [slachtoffer] rechtdoor reed. De auto achter de verdachte liet dit echter niet toe waardoor de verdachte rechtdoor reed en [slachtoffer] zou hebben ingehaald. Daarna viel op enig moment de auto van [slachtoffer] stil midden op de weg. De verdachte moest wegens een niet benoemde oorzaak remmen en had hierdoor pijn op zijn borst en in zijn nek. De drie mensen van de derde auto kwamen terug.

o In hoger beroep heeft de verdachte wederom verklaard over drie auto’s. [slachtoffer] reed voorop, de verdachte daarachter en zij werden gevolgd door een derde auto. De verdachte zou [slachtoffer] hebben willen beschermen en hield daarom expres stil voor een verkeerslicht om afstand te creëren tussen [slachtoffer] en de ‘volgauto’. De volgauto haalde vervolgens echter de auto’s van de verdachte en [slachtoffer] in via de vluchtstrook, kwam daarop in botsing met de auto van [slachtoffer] , welke vervolgens weer in botsing kwam met de auto van de verdachte. De auto van [slachtoffer] kwam hierdoor op de vluchtstrook terecht. De verdachte had door de botsing pijn aan zijn borst en hoofd en was vermoedelijk 4-5 minuten bewusteloos. De derde auto is hierop doorgereden en vervolgens zijn twee andere auto’s (met twee personen in elk daarvan) ter plaatse gekomen.

- Gebeurtenissen ter plaatse

o In eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij vervolgens uit zijn auto is gestapt om naar [slachtoffer] te lopen, waarop de mannen uit de derde auto (met maskers op) de verdachte op zijn knieën hebben gezet en een pistool tegen verdachtes hoofd zetten. Zij zouden vervolgens [slachtoffer] alles hebben aangedaan waarover de verdachte eerder bekennend heeft verklaard en de verdachte zou dat ook hebben zien gebeuren. De mannen zouden hem ook hebben verdoofd (het hof begrijpt evenals de rechtbank: gedrogeerd), waarna de verdachte 45 minuten buiten de auto zat.

o In hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat vier mannen uit de twee net aangekomen auto’s zijn gestapt die hem en [slachtoffer] van achteren zouden hebben vastgepakt, de verdachte door zijn keel af te knellen bewusteloos zouden hebben gemaakt en hem en [slachtoffer] in een greppel zouden hebben geduwd en achtergelaten. Door de mannen zouden jegens de verdachte – voor zover hij weet – geen andere handelingen (zoals het zetten van een pistool tegen zijn hoofd) zijn gepleegd. De verdachte zou verder niets gezien hebben. Hij zou na ongeveer 45 minuten wakker zijn geworden op [slachtoffer] terwijl zij bedekt waren met bladeren en hij zou daar uiteindelijk vertrokken zijn terwijl zij nog leefde.

Het hof concludeert op basis van deze ontkennende verklaringen van de verdachte dat daartussen onderling veel inconsistenties bestaan op zeer wezenlijke onderdelen (gestelde betrokkenheid van [slachtoffer] bij verdachtes drugshandel, het aantal aanwezige auto’s en personen, de plek van het tot stilstand komen van auto’s, het al dan niet hebben plaatsgevonden van een bedreiging met een pistool tegen het hoofd, het al dan niet hebben waargenomen van de door verdachte gestelde verwurging van [slachtoffer] door die personen, het bewusteloos raken door verdoving dan wel door het afknellen van zijn keel etc.). Dergelijke inconsistenties laten zich ook niet verklaren door de mogelijkheid dat tolken soms een woord net anders vertalen. Daarbij merkt het hof overigens op dat de deskundigheid van de tolken die bijstand hebben verleend onbetwist is. Alle vier de tolken – zowel bij de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg als in hoger beroep – beschikten over C1-taalniveau en waren ingeschreven in het tolkenregister.

Ter zitting in hoger beroep is de verdachte bij herhaling geconfronteerd met inconsistenties in zijn verklaring en inconsistenties ten opzichte van eerdere verklaringen. De verdachte heeft daarop slechts geantwoord dat wat hij in hoger beroep verklaart de waarheid is en dat hij eerder (telkens) onjuist heeft verklaard ‘omdat het nu of nooit is’, ‘omdat eerder niemand verdachtes werkelijke verhaal wilde horen’, ‘omdat de ouders van [slachtoffer] moeten weten wat er met haar gebeurd is’ en ‘omdat hij geen vertrouwen meer in de rechtbank had’. Een valide verklaring waarom hij meerdere malen ten onrechte bekennend zou hebben verklaard, is echter uitgebleven.

Bovendien stelt het hof vast dat zijn ontkennende verklaringen geen steun – of zelfs aanknopingspunten – vinden in andere bewijsmiddelen. Zo spreekt bijvoorbeeld geen enkele getuige over drie of vier auto’s (of over vijf of zes personen) die langs de kant van de weg hebben gestaan.

Gelet op het vorenstaande schuift het hof deze ontkennende verklaringen van de verdachte dan ook als ongeloofwaardig terzijde.

Verweren van de verdediging

Het hof verwerpt gelet op het vorenstaande het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging. Niet alleen heeft de verdachte in een laat stadium verklaard. Ook bevatten zijn latere (ontkennende) verklaringen significante inconsistenties die zich niet laten verklaren door toevallige verschillen in vertolking. Bovendien heeft de verdachte – hoewel hij daartoe meermalen in de gelegenheid is gesteld – geen valide reden willen geven voor het feit dat hij eerder zou hebben gelogen.

Naar het oordeel van het hof is overigens – anders dan de verdediging heeft gesuggereerd – van een ‘Meer-en-Vaartsituatie’ geen sprake. Verdachtes alternatieve scenario is immers juist wél strijdig met bepaalde bewijsmiddelen, namelijk met zijn eerdere bekennende verklaringen. Dat hij nadien anders is gaan verklaren maakt dit niet anders.

Ook de waarnemingen die de door de verdediging genoemde getuigen zouden hebben gedaan, doen hieraan niet af. Daarbij stelt het hof voorop dat naar zijn oordeel het tijdstip waarop [slachtoffer] om het leven is gebracht moet zijn gelegen op 24 november 2021 tussen 6.25 en 7.18 uur. Op eerstgenoemd tijdstip is blijkens de GPS-gegevens van de auto van het slachtoffer haar auto tot stilstand gekomen op de weg waarlangs later haar lichaam is aangetroffen (dossierpagina’s 128-136). Op laatstgenoemd tijdstip is de verdachte zichtbaar op camerabeelden als hij binnenkomt in de centrale hal van het appartementencomplex waar hij woonachtig is (dossierpagina’s 69-79).

[getuige 2] heeft verklaard over een ander tijdstip dan in of rond de tijdspanne waarbinnen [slachtoffer] om het leven is gebracht (tussen 05.00 en 05.15 uur die ochtend) en zijn verklaring acht het hof reeds daarom irrelevant. De suggestie van de verdediging dat een mogelijk waargenomen schim met een vuilniszak of zeil een ‘belangrijke aanwijzing’ zou zijn voor een ‘vooropgezet plan door derden’, ontbeert mede daarom elk begin van aannemelijkheid. De verklaring van [getuige 3] heeft ook betrekking op een ander tijdstip (tussen 9.30 en 9.37 uur die ochtend), zodat ook deze verklaring relevantie ontbeert.

[getuige 1] en [getuige 3] bevonden zich ten tijde van hun waarnemingen beiden daarnaast in een auto als bestuurder en namen waar vanaf een afstand terwijl het buiten donker was, zodat het hof (ook) daarom a priori – maar ook bezien tegen de achtergrond van de overige bewijsmiddelen – geen, althans geen doorslaggevende waarde toekent aan hun verklaringen.

Ook uit het enkele feit dat op andere lichaamsdelen van [slachtoffer] (in tegentelling tot haar rechterpols) geen DNA-sporen van de verdachte zouden zijn aangetroffen, kan niet als ontlastend voor de verdachte gelden. DNA-bewijs is immers kleurloos/neutraal van aard.

Op te leggen straf en maatregel

De verdediging heeft bepleit de hoogte van een op te leggen gevangenisstraf – indien het hof mocht komen tot oplegging van een gevangenisstraf naast een terbeschikkingstelling van de verdachte – te beperken tot de duur van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daartoe is – kort weergegeven – aangevoerd dat daarmee recht wordt gedaan aan de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte en ook aan verdachtes belang van een effectieve behandeling. In andere zaken waarin de terbeschikkingstelling van een verdachte met verpleging van overheidswege is opgelegd, zijn significant lagere gevangenisstraffen opgelegd. Bovendien is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn, aldus de verdediging.

Voorts heeft de verdediging verzocht dat het hof aandacht zal besteden aan het feit dat de verdachte in Nederland ongewenst is verklaard en geen rechtmatige verblijfstitel meer heeft, hetgeen de in het kader van een tbs-maatregel beoogde resocialisatie bemoeilijkt en met zich brengt dat de verdachte niet in aanmerking zal komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling en tevens zijn volledige gevangenisstraf zal moeten uitzitten om te worden aangemerkt als ‘passant’. Gelet hierop heeft de verdediging verzocht dat het hof – ingevolge artikel 37b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht – een advies zal opnemen in het onderhavige arrest omtrent het tijdstip waarop de behandeling van de verdachte zal aanvangen, zodat hij de Minister kan verzoeken om de terbeschikkingstelling twee jaren voor het einde van een op te leggen gevangenisstraf aan te doen vangen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het doden van [slachtoffer] .

Aard en ernst van het feit

In de ochtend van 24 november 2021 was [slachtoffer] , een 24-jarige Poolse vrouw die in Nederland woonde, onderweg naar haar werk. De verdachte reed achter haar aan en dwong haar te stoppen door met zijn auto tegen haar auto aan te botsen. [slachtoffer] had een maand daarvoor de kortdurende relatie tussen haar en de verdachte beëindigd. Toen zij na de botsing uitstapte en ondertussen haar vriend probeerde te bellen, pakte de verdachte haar telefoon af en gooide die weg. Hij was boos en gefrustreerd en er ontstond een ruzie en een worsteling. De verdachte heeft [slachtoffer] geslagen, gestompt en haar keel dichtgeknepen. Hoewel zij nog heeft geprobeerd om zich te verdedigen en de verdachte weg te duwen, is [slachtoffer] uiteindelijk overleden doordat zij geen adem meer kon krijgen. De verdachte heeft haar in een greppel langs de weg achtergelaten en haar lichaam bedekt met bladeren. [slachtoffer] is pas uren later door een voorbijganger gevonden.

Voor [slachtoffer] moeten het helse laatste minuten zijn geweest. Met deze wetenschap moeten ook de nabestaanden leven. Door zijn handelen heeft de verdachte hen groot en onherstelbaar leed en verdriet toegebracht. Zo is gebleken uit de verklaring die de moeder van [slachtoffer] ter terechtzitting in eerste aanleg heeft voorgelezen en opnieuw uit het spreekrecht dat zij in hoger beroep heeft uitgeoefend. Op die 24e november 2021 heeft de verdachte niet alleen [slachtoffer] het leven ontnomen, maar ook de levens van haar ouders en broer blijvend beschadigd. Het gemis van [slachtoffer] – die door haar moeder is beschreven als een prachtige persoonlijkheid, vol warmte en goedheid – valt hen nog iedere dag zwaar.

Het hof rekent het de verdachte dan ook ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.

De persoon van de verdachte

Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 maart 2026, betreffende het justitiële verleden van de verdachte in Nederland. Hieruit blijkt dat hij in Nederland eenmaal eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een strafbaar feit (Opiumwet).

Het hof heeft verder bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel ECRIS Spanje d.d. 14 augustus 2024, betreffende het justitiële verleden van de verdachte in Spanje. Hieruit blijkt dat hij in Spanje meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, waarvan tweemaal zake van huiselijk geweld. Ter zake een van die huiselijk geweldzaken is hij veroordeeld tot een significante gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 6 maanden en is hem tevens een contactverbod van 5 jaren opgelegd. Deze veroordelingen dateren weliswaar van langer geleden (2009 en 2013), maar nu sprake is van veroordelingen voor huiselijk geweld, terwijl het thans bewezenverklaarde zich ook in de relationele sfeer heeft afgespeeld, weegt het hof deze veroordelingen in strafverzwarende zin mee.

Het hof heeft tevens gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte voor zover daarvan ter zitting in hoger beroep is gebleken.

Rapportages psychiater en psycholoog

Ook heeft het hof kennisgenomen van de volgende rapporten:

Tevens heeft het hof kennis genomen van hetgeen de deskundigen Keppel en Esquivel ter terechtzitting in eerste aanleg hebben verklaard, voor zover dit is vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting van 28 februari 2024.

Uit deze rapporten en de verklaringen ter terechtzitting eerste aanleg komt als voornaamste conclusie naar voren dat volgens de deskundigen bij de verdachte sprake is van een borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische (dan wel histrionische) kenmerken, alsmede zwakbegaafdheid en een stoornis in het gebruik van cannabis en alcohol. Daarbij is aannemelijk dat er een negatieve wisselwerking is geweest ten tijde van het delict van de bij de verdachte aanwezige psychopathologie (met name de persoonlijkheidsstoornis en zwakbegaafdheid en met uitzondering van de stoornis in het gebruik van cannabis en alcohol) die een doorwerking in het tot stand komen van het tenlastegelegde heeft gehad. De gedragskeuzes van de verdachten werden hierdoor volgende de deskundigen in redelijke mate bepaald. Daarom wordt, in elk geval in laatstgenoemd rapport, door beide deskundigen geadviseerd om het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

Gerapporteerd wordt verder dat het risico dat de betrokkene opnieuw gewelddadig gedrag zou toepassen als ‘hoog’ wordt ingeschat. Geadviseerd wordt om de terbeschikkingstelling van de verdachte met verpleging van overheidswege te gelasten, waarbij een behandeling binnen een relatief hoog beveiligingsniveau noodzakelijk en passend geacht wordt vanwege de aard van de psychopathologie en het ingeschatte recidiverisico. Andere maatregelen worden onvoldoende geacht vanwege dit recidiverisico, het gevaar voor de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen, maar ook vanwege het beperkte ziekte-inzicht en -besef van de verdachte, de noodzaak tot behandeling en het ontbreken van voldoende beschermende factoren. Een terbeschikkingstelling met voorwaarden of bijzondere voorwaarden bij een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt daarom niet geadviseerd.

Het hof neemt deze conclusies en adviezen van de deskundigen, gelet op de onderbouwing ervan, over en maakt deze tot de zijne.

Overschrijding van de redelijke termijn

Ten slotte heeft het hof geconstateerd dat de redelijke termijn is overschreden.

De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 24 november 2021 met de inverzekeringstelling van de verdachte, en geëindigd op 13 maart 2024 met het wijzen van het vonnis waarvan beroep. De redelijke termijn van 16 maanden is in eerste aanleg daarom met ongeveer 11 maanden en 3 weken overschreden. Van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen is niet gebleken.

De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 26 maart 2024 met het instellen van hoger beroep, en eindigt heden, 23 september 2026, met het wijzen van het onderhavige arrest. De redelijke termijn van 16 maanden is in hoger beroep daarom met ongeveer 1 jaar en 2 maanden overschreden. Van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen is niet gebleken.

Hiermee is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en hoger beroep van (in totaal) ongeveer 2 jaar, 1 maand en 3 weken.

Gevangenisstraf

Zonder overschrijding van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden zijn geweest. Gelet echter op voormelde overschrijding van de redelijke termijn, zal het hof – alles overziend – de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het hof volgt hierbij het advies van de deskundigen op dit punt, inhoudende dat wordt geadviseerd om het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Dat het hof desondanks een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur aan de verdachte oplegt, is in het bijzonder vanwege de eerdere recidive van de verdachte op het gebied van huiselijk geweld en de proceshouding van de verdachte. Niet alleen heeft de verdachte geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen, hij heeft ook de nalatenschap van [slachtoffer] besmeurd door te doen voorkomen alsof zij zelfmoord zou hebben willen plegen en later alsof zij zelf in aanzienlijke mate betrokken was bij de drugshandel die de verdachte naar eigen zeggen dreef, terwijl het dossier hiervoor geen enkel aanknopingspunt biedt en dit ook niet eerder door de verdachte naar voren is gebracht.

Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, in verband met een juiste normhandhaving en vanuit het perspectief van vergelding en speciale preventie, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andere of lichtere sanctie dan een straf die langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege

Het hof volgt verder het advies van de deskundigen om de terbeschikkingstelling van de verdachte met verpleging van overheidswege te gelasten. De oplegging van een dergelijke maatregel acht het hof noodzakelijk nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen oplegging van de maatregel eist en tevens is voldaan aan de wettelijke vereisten om een dergelijke maatregel te kunnen opleggen. Het hof sluit zich in dat verband aan bij de bevindingen van de deskundigen op dat punt en in het bijzonder bij de conclusie dat sprake is van een hoog recidiverisico.

Het hof overweegt dat deze maatregel zal worden opgelegd ter zake van het strafbare feit ‘doodslag’, kortom een misdrijf dat ‘gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen’. De maatregel kan daarom langer dan vier jaren duren.

Dat de verdachte in Nederland ongewenst is verklaard en geen rechtmatige verblijfstitel heeft, vormt geen beletsel voor oplegging van een dergelijke maatregel. Wel stelt het hof vast dat de verdachte – als ongewenste vreemdeling – beperkte(re) verlofmogelijkheden heeft en zijn behandeling in beginsel pas zal aanvangen nadat zijn gevangenisstraf is geëindigd. Dit geeft het hof wel reden om op de voet van het bepaalde in artikel 37b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht te adviseren om de behandeling in het kader van de aan de verdachte opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling te doen aanvangen op of zo kort mogelijk na het tijdstip dat de verdachte – zijn ongewenstverklaring en onrechtmatig verblijf in Nederland weggedacht – normaliter in aanmerking zou zijn gekomen voor voorwaardelijke invrijheidstelling.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij (moeder slachtoffer)]

De benadeelde partij [benadeelde partij (moeder slachtoffer)] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 23.979,26. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen en valt uiteen in de volgende posten:

Het hof overweegt als volgt.

i. i) Affectieschade

Op grond van de artikelen 6:107 en 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna telkens: BW) hebben naasten van slachtoffers recht op vergoeding van affectieschade (voor pijn en verdriet) die zij lijden doordat het slachtoffer als gevolg van het strafbare feit ernstig en blijvend letsel heeft bekomen of is overleden. Een beperkte kring van personen kan voor vergoeding van dergelijke affectieschade in aanmerking komen. De hoogte van de schadevergoeding wordt bepaald op basis van standaardbedragen die zijn vastgelegd in het Besluit vergoeding affectieschade.

Het hof wijst dit deel van de vordering toe op grond van artikel 6:108, derde lid juncto vierde lid, onder c, van het BW. [slachtoffer] is immers als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit overleden. De benadeelde partij heeft recht op vergoeding van affectieschade omdat zij de moeder van [slachtoffer] is. Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade bedraagt de toe te kennen schadevergoeding € 17.500,00.

ii) Kosten van de uitvaart

Op grond van artikel 6:108, tweede lid, van het BW kan – voor zover het slachtoffer is overleden als gevolg van een strafbaar feit – degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen zich ter zake daarvan voegen in het strafproces. Dergelijke kosten moeten in redelijkheid zijn gemaakt in het licht van de omstandigheden waarin de overledene leefde. Bovendien moeten dergelijke kosten rechtstreeks in verband staan met het begraven van de overledene (ECLI:NL:HR:2019:829).

Het hof is van oordeel dat de kosten van de uitvaart hebben te gelden als dergelijke kosten van lijkbezorging, nu zij in rechtstreeks verband staan met het begraven van de overledene. Het hof zal daarom de vordering van de benadeelde partij in zoverre toewijzen tot een bedrag van (Zł 18.376,34 x € 0,23 =) € 4.226,56.

iii) Kosten van kaarsen op het graf

Zoals hiervoor is overwogen dienen de kosten van lijkbezorging in redelijkheid zijn gemaakt in het licht van de omstandigheden waarin de overledene leefde en rechtstreeks in verband staan met het begraven van de overledene. Het hof is echter van oordeel dat de kosten van het – gedurende een jaar dagelijks – plaatsen van kaarsen op het graf van [slachtoffer] , niet rechtstreeks in verband staan met de lijkbezorging van de overledene. Het hof zal daarom de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

iv) Reiskosten en v) Aanvullende reiskosten

De benadeelde partij heeft primair gevorderd de opgevoerde reiskosten toe te wijzen als vergoeding van materiële schade.

Het hof overweegt over de vordering tot schadevergoeding ter zake van de gevorderde reiskosten als volgt. Artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering (Sv) biedt een benadeelde partij de mogelijkheid om de schade die zij rechtstreeks heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare feit, in het strafproces vergoed te krijgen. De gevorderde reiskosten kunnen naar het oordeel van het hof echter niet worden aangemerkt als dergelijke rechtstreekse schade.

Evenmin is naar het oordeel van het hof sprake van vermogensschade als bedoeld in artikel 6:96, tweede lid, van het BW. In de eerste plaats is geen sprake van redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht, nu de gevorderde reiskosten geen rechtstreeks verband houden met het ondergaan van (para-)medische behandelingen of met (herstel van) de door de verdachte toegebrachte schade. Evenmin zijn de gevorderde reiskosten aan te merken als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid of redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte.

Hoewel het hof invoelbaar acht dat vergoeding van deze reiskosten wordt verzocht, kunnen ze gelet op het vorenstaande niet als (materiële) schadeposten worden toegewezen. Een ruimere benadering van de vergoedbaarheid van deze gestelde schade gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Resumé

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van (€ 17.500,00 + € 4.226,56 =) € 21.726,56. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat het hof de vordering tot dat bedrag zal toewijzen.

Voor het overige is onvoldoende gebleken dat de gestelde schade rechtstreeks door het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte is veroorzaakt. Het hof zal daarom de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Proceskosten

Ten aanzien van de onder iv) en v) opgevoerde reiskosten heeft de benadeelde partij subsidiair gevorderd dat deze kosten als proceskosten in de zin van artikel 532 Sv zullen worden toegewezen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) geven, behoudens bijzondere omstandigheden, een zowel limitatieve als exclusieve regeling van de kosten waarin een in het ongelijk gestelde partij kan worden veroordeeld.

Op grond van artikel 238 Rv komen reis- en verblijfkosten slechts voor vergoeding in aanmerking voor zover in persoon – dat wil zeggen: zonder gemachtigde (advocaat) – wordt geprocedeerd. Procedeert de benadeelde partij met een gemachtigde, dan komen slechts de kosten voor salaris en noodzakelijke verschotten van de gemachtigde voor vergoeding in aanmerking, en dus niet ook de in artikel 238, eerste lid, Rv bedoelde kosten van de benadeelde partij. Ook hier heeft te gelden dat een ruimere benadering van de vergoedbaarheid van de gestelde reiskosten de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat.

Concluderend beschouwt het hof de gevorderde reiskosten dan ook niet als proceskosten in vorenbedoelde zin.

Het hof zal de verdachte, die als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, ten tijde van het wijzen van dit arrest begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel [benadeelde partij (moeder slachtoffer)]

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan [benadeelde partij (moeder slachtoffer)] is toegebracht tot een bedrag van € 21.726,56. De verdachte is daarvoor naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Aanvullende reiskosten in hoger beroep

Namens de benadeelde partij is ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat zij reiskosten heeft gemaakt om de inhoudelijke behandeling bij het hof bij te wonen. Gelet daarop is verzocht om – naast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van de toegewezen schadevergoeding – tevens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen ten behoeve van deze aanvullende reiskosten ter hoogte van € 708,18.

Het hof ziet daartoe geen reden nu – zoals ook hiervoor is overwogen – deze reiskosten niet hebben te gelden als rechtstreekse schade en aldus een civiele grondslag voor (aanvullende) oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van dat bedrag ontbreekt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij (vader slachtoffer)]

De benadeelde partij [benadeelde partij (vader slachtoffer)] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 17.500,00 ter zake van immateriële schade (affectieschade). Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof verwijst voor het juridische kader omtrent affectieschade naar hetgeen hiervoor is overwogen in het kader van de vordering van [benadeelde partij (moeder slachtoffer)] .

Het hof wijst dit deel van de vordering toe op grond van artikel 6:108, derde lid juncto vierde lid, onder c, van het BW. [slachtoffer] is immers als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit overleden. De benadeelde partij heeft recht op vergoeding van affectieschade omdat hij de vader van [slachtoffer] is. Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade bedraagt de toe te kennen schadevergoeding € 17.500,00.

Resumé

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 17.500,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat het hof de vordering tot dat bedrag zal toewijzen.

Proceskosten

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, ten tijde van het wijzen van dit arrest begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel [benadeelde partij (vader slachtoffer)]

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan [benadeelde partij (vader slachtoffer)] is toegebracht tot een bedrag van € 17.500,00. De verdachte is daarvoor naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Aanvullende reiskosten in hoger beroep

Voor zover de benadeelde partij in hoger beroep zelfstandig heeft verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ter zake van de reiskosten in verband met het bijwonen van de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep, ten bedrage van € 708,18, overweegt het hof als volgt.

Het hof ziet daartoe geen reden nu – zoals ook hiervoor is overwogen – deze reiskosten niet hebben te gelden als rechtstreekse schade en aldus een civiele grondslag voor (aanvullende) oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van dat bedrag ontbreekt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

verklaart het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk, voor zover het is gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.

vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissingen tot de opgelegde gevangenisstraf en maatregel tot terbeschikkingstelling, de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen, en de beslissingen tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen, en doet in zoverre opnieuw recht:

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;

met betrekking tot het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege dient aan te vangen adviseert het hof dat deze zal aanvangen op (of zo kort mogelijk na) het tijdstip waarop de verdachte – zou zijn ongewenstverklaring en onrechtmatig verblijf in Nederland worden weggedacht – normaliter in aanmerking zou zijn gekomen voor voorwaardelijke invrijheidstelling.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij (moeder slachtoffer)]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij (moeder slachtoffer)] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot een bedrag van € 21.726,56 (eenentwintigduizend zevenhonderdzesentwintig euro en zesenvijftig eurocent) bestaande uit € 4.226,56 (vierduizend tweehonderdzesentwintig euro en zesenvijftig eurocent) ter zake van materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij (moeder slachtoffer)] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 21.726,56 (eenentwintigduizend zevenhonderdzesentwintig euro en zesenvijftig eurocent), bestaande uit € 4.226,56 (vierduizend tweehonderdzesentwintig euro en zesenvijftig eurocent) ter zake van materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, waarbij het hof de duur van de gijzeling op ten hoogste 130 (honderddertig) dagen bepaalt en toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij (vader slachtoffer)]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij (vader slachtoffer)] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot een bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij (vader slachtoffer)] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, waarbij het hof de duur van de gijzeling op ten hoogste 112 (honderdtwaalf) dagen bepaalt en toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door:

mr. G.J. Hanssen, voorzitter,

mr. T. van de Woestijne en mr. W.P.A. Korver, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto en mw. J.W.J. de Leeuw, griffiers,

en op 23 september 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. G.J. Hanssen
  • mr. T. van de Woestijne
  • mr. W.P.A. Korver

Griffier

  • mr. J.A.A. Vulto en mw. J.W.J. de Leeuw

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand