Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 24 november 2025, parketnummer
02-252532-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen in de zaken met parketnummers 20-000070-24 en 02-140012-24, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘diefstal’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. Voorts heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de eerder opgelegde voorwaardelijke straffen in de zaken met parketnummers 20-000070-24 en 02-140012-24, zijnde respectievelijk een gevangenisstraf voor de duur van 24 dagen en een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.
De verdediging heeft primair vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Daarnaast heeft de verdediging primair bepleit om beide vorderingen tot tenuitvoerlegging af te wijzen. Subsidiair is het hof verzocht de proeftijd te verlengen of de gevangenisstraf om te zetten naar een taakstraf.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de redengeving waarop dit berust.
De verdediging heeft in hoger beroep het in eerste aanleg gevoerde verweer met betrekking tot de bewezenverklaring herhaald. Het hof ziet geen reden daaromtrent anders te oordelen dan de politierechter heeft gedaan. Het verweer dat de verdachte dient te worden vrijgesproken omdat het oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening ontbreekt, vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen van de politierechter. In aanvulling op de bewijsoverwegingen van de politierechter overweegt het hof dienaangaande nog dat het oogmerk van de verdachte tot wederrechtelijke toe-eigening van de goederen blijkt uit zijn bewuste handelingen om de goederen, die hij heeft weggenomen, op andere plekken op te bergen dan de goederen die hij ter betaling heeft aangeboden.
In hetgeen de verdediging in hoger beroep naar voren heeft gebracht met betrekking tot de strafoplegging en de vorderingen tot tenuitvoerlegging, ziet het hof eveneens geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de politierechter.
BESLISSING
Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. J.C. Gillesse, voorzitter,
mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. A.J. Henzen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.H.P. van der Linde, griffier,
en op 17 september 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. O.A.J.M. Lavrijssen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.