Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 23 december 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-112670-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
thans verblijvende in P.I. Veenhuizen, locatie Esserheem te Veenhuizen.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde en ter zake van ‘medeplegen van verkrachting’ (feit 1 primair) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden, met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en de verdachte in zoverre, opnieuw rechtdoende, zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest.
De raadsvrouw van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft zij een straftoemetingsverweer gevoerd.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is door rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem onder feit 2 ten laste is gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen deze vrijspraak.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep aan de orde – tenlastegelegd dat:
1. hij op of omstreeks 27 juni 2022 te Bergen op Zoom tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het betasten van de vagina en/of het duwen/brengen van een of meer vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en bestaande dat geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid uit het onverhoeds, terwijl zij sliep en/of (vervolgens) ontwaakte, schrijlings op die in een bed liggende [slachtoffer] te gaan zitten en/of blijven zitten en/of (hierbij) de polsen van die [slachtoffer] gespreid boven haar hoofd vast te houden en/of tegen het bed te duwen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 juni 2022 te Bergen op Zoom tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer] in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, waardoor die [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , namelijk het, terwijl die [slachtoffer] lag te slapen en/of aan het ontwaken was, betasten van de vagina en/of het duwen/brengen van een of meer vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] .
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair dan wel subsidiair tenlastegelegde en overweegt daartoe als volgt.
Op grond van het procesdossier stelt het hof vast dat er één moment is geweest waarop aangeefster [slachtoffer] een of meer vinger(s) in haar vagina voelde. Op dat moment zat de medeverdachte [medeverdachte] bovenop haar. Aangeefster heeft verklaard dat zij zag dat de verdachte met ontbloot onderlichaam en zijn penis in zijn hand naast het bed stond.
De rechtbank heeft geconcludeerd dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte degene is geweest die zijn vinger in de vagina van aangeefster heeft gebracht.
De verdachte heeft ontkend zich hieraan schuldig te hebben gemaakt.
Uit het rapport van het NFI volgt dat op de buitenste schaamlippen van [slachtoffer] DNA van medeverdachte [medeverdachte] is aangetroffen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden bewezen dat het de verdachte is geweest die met een of meer vinger(s) de vagina van aangeefster [slachtoffer] heeft betast dan wel een of meer vinger(s) in haar vagina heeft geduwd/gebracht. Er zijn ook overigens geen aanwijzingen in het dossier dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen medeverdachte [medeverdachte] en de verdachte, zodat de verdachte evenmin als medepleger van verkrachting kan worden aangemerkt.
Het hof zal de verdachte dan ook integraal vrijspreken.
Voorlopige hechtenis
Aangezien de verdachte zal worden vrijgesproken van feit 1 primair en subsidiair, zal het hof het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden opheffen en de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte gelasten.
BESLISSING
Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde;
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
heft op het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden, welk bevel afzonderlijk is geminuteerd;
Aldus gewezen door:
mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,
mr. J. Platschorre en mr. S. Riemens, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp, griffier,
en op 25 september 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mrs. Riemens en Peperkamp zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.