GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Raadkamerappelnummer: AVNR. 000648-26
Parketnummer 1e aanleg: 01-198955-26
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft gezien de akte van de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, locatie 's-Hertogenbosch, van 27 augustus 2026, waarbij namens:
[naam verdachte]
geboren [datum] te [plaats]
wonende te [adres]
thans verblijvende in [detentieplaats]
hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, locatie 's-Hertogenbosch, van 26 augustus 2026, bij welke beschikking de verlenging gevangenhouding van [naam verdachte] werd bevolen.
Het hof heeft gezien de beschikking waarvan beroep.
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door zijn raadsman
mr. M. Broere.
Het hof heeft kennisgenomen van het dossier.
Uit het dossier blijkt dat verdachte – kort verwoord – wordt verweten poging tot doodslag (feit 1, 2 en 3 primair) en poging tot zware mishandeling (feit 1, 2 en 3 subsidiair).
Het hof overweegt dat de herhaalde toepassing van dwangmiddelen voor eenzelfde feit slechts mogelijk is wanneer sprake is van nieuwe feiten en of omstandigheden die deze herhaalde toepassing rechtvaardigen en dat bij gebreke daarvan sprake kan zijn van schending van het beginsel ‘nemo debet bis vexari’. Het betreft een bijzondere verschijningsvorm van het vertrouwensbeginsel en anders dan door de Advocaat-Generaal is betoogd komt schending van dit beginsel niet slechts in beeld in het geval het om hernieuwde toepassing van de voorlopige hechtenis gaat. Ook in een situatie als de onderhavige, waarin de verdachte voor de feiten waarvoor later een vordering ex artikel 67b Wetboek van Strafvordering is ingediend eerder is aangehouden en in verzekering gesteld, moet sprake zijn van nieuwe feiten en omstandigheden alvorens hernieuwde vrijheidsbeneming aan de orde kan zijn.
Het hof constateert dat de verdachte voor de feiten waarvoor door de rechtbank de 67b Sv vordering is toegestaan, reeds op [datum] 2025 is aangehouden en in verzekering gesteld. Op [datum] 2025 is hij op last van de officier van justitie heengezonden. Op [datum] 2026 heeft de officier van justitie een 67b Sv vordering ingediend. Anders dan dat er ernstige bezwaren zijn gerezen tegen de verdachte terzake een soortgelijk feit, zijn er door het Openbaar Ministerie geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht die een hernieuwde vrijheidsbeneming zouden rechtvaardigen. Mede gezien het tijdsverloop is het hof van oordeel dat dan ook de 67b Sv vordering in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank voor zover die de 67b vordering heeft toegewezen en verklaart het Openbaar Ministerie alsnog niet-ontvankelijk in de 67b Sv vordering.
Tijdens het onderzoek in raadkamer en uit het procesdossier is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan het hof tot de slotsom is gekomen dat het dossier voldoende ernstige bezwaren bevat jegens verdachte ter zake hetgeen hem wordt verweten onder feit 1. De rechter-commissaris heeft de ernstige bezwaren benoemd en de raadkamer van de rechtbank heeft deze aangevuld. Het hof heeft aan de hand van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting in raadkamer zich ervan vergewist dat de ernstige bezwaren zoals omschreven in de vordering tot inbewaringstelling, zoals destijds aangenomen nog onverkort van kracht zijn.
Hetgeen verdachte wordt verweten, te weten een poging tot doodslag, is een strafbaar feit is waar naar de wettelijke omschrijving 12 jaar of meer gevangenisstraf op staat en waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt. Het zou immers voor de samenleving niet te begrijpen zijn en het zou door die samenleving ook niet worden geaccepteerd wanneer degene die zich waarschijnlijk schuldig heeft gemaakt aan een dergelijk ernstige strafbare feiten, niet onverwijld in voorarrest zou worden genomen en voorlopig gehouden.
De door de verdediging genoemde omstandigheid dat een medeverdachte is geschorst en daarbij de rechtsorde niet ernstig is geschokt, leidt het hof niet tot een ander oordeel, mede gelet op de ernst van het feit.
Voorts is er sprake van gevaar voor herhaling. Het hof is van oordeel dat de aan verdachte verweten feiten kennelijk zijn gepleegd tegen de achtergrond van een conflict. Verdachte beschikt kennelijk over een naar agressie neigende mentaliteit, nu verdachte naar aanleiding van een situatie van geringe ernst er kennelijk niet voor terugschrikt om grof geweld te gebruiken wanneer hem dat als dienstig voorkomt. Dit alles doet ernstig vrezen voor herhaling.
Alles overwegende wijst het hof af het hoger beroep.
Namens verdachte is verzocht de voorlopige hechtenis te schorsen. In dat verband is onder meer aangevoerd dat verdachte een jong gezin heeft.
Het hof overweegt als volgt.
Schorsing van de voorlopig hechtenis bij een verwijt van een strafbaar feit waar naar de wettelijke omschrijving 12 jaar of meer gevangenisstraf op staat is in beginsel slechts aan de orde wanneer er sprake is van bijzondere zwaarwichtige de persoon van de verdachte betreffende omstandigheden op grond waarvan het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis dient te wijken voor het persoonlijk belang van de verdachte.
In hetgeen door en namens verdachte, ziet het hof voldoende rechtvaardiging om thans tot schorsing van de voorlopige hechtenis over te gaan. Daarbij heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op het rapport van de reclassering d.d. 20 augustus 2026 en op het gegeven dat de voorlopige hechtenis van een medeverdachte is geschorst.
Het hof zal de voorlopige hechtenis schorsen en zal daaraan de nodige voorwaarden verbinden opdat de samenleving begrijpt dat in dit geval het de voorkeur verdient dat verdachte in vrijheid zijn berechting afwacht boven de voortzetting van de detentie.
Het hof wijst derhalve toe het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van [datum] 2026 te 12.00 uur, onder de na te melden voorwaarden.
BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:
Wijst af het hoger beroep.
Vernietigt de beschikking waarvan beroep met betrekking tot de artikel 67b Sv vordering en verklaart het Openbaar-Ministerie niet-ontvankelijk in de artikel 67b Sv vordering.
Bevestigt de beschikking waarvan beroep voor het overige.
Wijst toe het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Beveelt dat de voorlopige hechtenis van verdachte zal worden geschorst met ingang van [datum] te 12.00 uur.
Stelt aan verdachte als voorwaarden aan de schorsing:
Aldus gedaan op 16 september 2026
door mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter, mr. N. van der Laan en mr. R de Bree, raadsheren, in tegenwoordigheid van S.J.H. van Beekveld, griffier.
De advocaat-generaal bij dit Gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van verdachte.
's-Hertogenbosch, 16 september 2026
Gezien d.d.
De directeur van [detentieplaats]