Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 4 september 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-261276-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van:
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest. Voorts is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toegewezen tot het bedrag van € 527.610,00, vermeerderd met de wettelijke rente, en is een beslissing genomen met betrekking tot het beslag.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.
Door de verdediging is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling van de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de beslissing met betrekking tot het beslag en met verbetering van de toepasselijke wetsartikelen.
Aanvullende strafmaatoverweging
Door de verdediging is in hoger beroep oplegging van een straf bepleit die geen onvoorwaardelijke detentie met zich brengt. Daarbij is betoogd dat detentie de verdachte belet in het afbetalen van zijn schuld aan zijn voormalige werkgever [benadeelde partij] en voorts is gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, met name de gezondheidstoestand van zijn echtgenote.
Het hof is van oordeel dat het handelen van de verdachte zeer laakbaar is geweest. De verdachte heeft gedurende een lange periode (5,5 jaar) en op verschillende momenten VVV cadeaukaarten weggenomen, waardoor hij zijn werkgever voor een zeer groot bedrag van in totaal € 527.610,00 heeft benadeeld. Bovendien overtrad hij bij het wegnemen van de cadeaukaarten de interne regels van zijn werkgever. De ernst van het bewezenverklaarde laat in beginsel geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het hof is voorts gebleken dat de verdachte in de voorbije periode niet is begonnen met het terugbetalen van de schade aan [benadeelde partij] of dat hij zelfs maar stappen heeft gezet om tot een betalingsregeling te komen.
Het hof schaart zich daarom achter de door de rechtbank opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Beslag
De rechtbank heeft de onder de verdachte in beslag genomen VVV Cadeaukaarten verbeurdverklaard. Echter, naar het oordeel van het hof behoren de onder de verdachte in beslag genomen VVV Cadeaukaarten toe aan [benadeelde partij] Omdat [benadeelde partij] redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, dienen deze aan die rechtspersoon te worden teruggegeven.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 57, 311 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing met betrekking tot het beslag en doet in zoverre opnieuw recht.
Gelast de teruggave aan [benadeelde partij] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
de 84 VVV Cadeaukaarten die tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte zijn aangetroffen (KVI pagina 530 van het eindproces-verbaal, voorwerpnummer ZB1R023043_797722).
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
Aldus gewezen door:
mr. A.M.G. Smit, voorzitter,
mr. G.P.N. Robben en mr. N. van der Laan, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.J. Gras, griffier,
en op 30 september 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. A.M.G. Smit en mr. N. van der Laan zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.