Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 3 mei 2024 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 71-008437-22 tegen:
[Betrokkene] ,
geboren te [geboortegegevens] ,
wonende te [adresgegevens] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op
€ 293.535,- en heeft aan betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor dat bedrag. Tevens heeft de rechtbank het aantal dagen gijzeling dat met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen.
Van de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.
De verdediging heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de ontnemingsvordering dient te worden verklaard.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis en met de redengeving waarop dit berust onder aanvulling en verbetering van gronden.
Aanvulling van gronden (De veroordeling)
De rechtbank heeft de veroordeling van 3 mei 2024 onder parketnummer 71.008437.22 aan de voordeelsontneming ten grondslag gelegd (pagina 8 van het ontnemingsvonnis). Tegen voormelde veroordeling is door de verdediging hoger beroep ingesteld en dit hof heeft bij arrest van heden onder parketnummer 20-001267-24 de veroordeling in stand gelaten.
Dit heeft tot gevolg dat de veroordeling waarop de ontnemingsbeslissing in hoger beroep is gegrond ongewijzigd blijft.
Verder betekent de bevestiging van de strafrechtelijke veroordeling in hoger beroep dat het verweer van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de ontnemingsvordering, welke was gegrond op de in de strafzaak bepleite vrijspraak, wordt verworpen.
Verbetering van gronden (De wettelijke grondslag)
Het hof neemt over de schatting van het voordeel door de rechtbank, maar neemt niet over hetgeen de rechtbank onder het kopje “De overwegingen van de rechtbank” op pagina 8 en de eerste alinea van pagina 9 van het vonnis heeft overwogen.
Reden daarvoor is dat de rechtbank daarin de schatting lijkt te baseren op de veroordeling ter zake van witwassen en de wettelijke grondslag van artikel 36 e, lid 2 Sr gelet op de in die overwegingen gebezigde bewoordingen dat “veroordeelde voornoemd voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de feiten ter zake waarvan hij is veroordeeld”.
Het hof is van oordeel dat dit niet juist is en stelt in plaats daarvan de wettelijke grondslag van artikel 36e Sr, derde lid Sr, nu aan de voorwaarden voor toepasselijkheid ervan is voldaan.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van al hetgeen hiervoor is overwogen.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. van Campen, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. G.M. Goes, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,
en op 8 oktober 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.