Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 6 december 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-339970-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1991,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft de verdachte, bij vonnis waarvan beroep, vrijgesproken van het onder feit 3 tenlastegelegde, en de verdachte ter zake van ‘diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen’ (feit 1), ‘diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels’ (feit 2) en ‘diefstal’ (feit 4) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.
Aan het voorwaardelijk strafdeel zijn, naast de gebruikelijke algemene voorwaarden, bijzondere voorwaarden verbonden bestaande uit:
De rechtbank heeft aan de reclassering de opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving hiervan.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] is door de rechtbank hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 2.750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is voor het overige afgewezen. De rechtbank heeft de verdachte bovendien veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot de datum van het vonnis begroot op nihil.
De benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding. De rechtbank heeft de benadeelde partijen tevens veroordeeld in de proceskosten van de verdachte, tot de datum van het vonnis begroot op nihil.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen, met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] volledig toe zal wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 en feit 4 tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de verdediging bepleit dat de gevorderde immateriële schade niet toewijsbaar is, en de vordering derhalve slechts voor € 1.250,00 toegewezen dient te worden. Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] heeft de raadsman, in het verlengde van de verzochte vrijspraak, bepleit dat deze vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, dan wel dient te worden afgewezen. Ten slotte is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is door rechtbank Zeeland-West-Brabant vrijgesproken van hetgeen aan hem onder feit 3 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de meervoudige kamer.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 15 december 2023 te Waalwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een telefoon en/of een auto van het merk/type BMW XI kenteken [kenteken] en/of (met daarin) een of meerdere bankpas(sen) en/of een of meerdere sleutels en/of een tas en/of muntgeld (25 euro) en/of gereedschap en/of een of meerdere regenjas(sen) en/of een of meerdere paraplu’s, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer] tegen de hand te trappen en/of te schoppen en/of die [slachtoffer] de woorden toe te voegen (zakelijk weergegeven):
althans woorden van gelijke dwingende en/of dreigende aard en/of strekking en/of die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal op/tegen/in het gezicht/hoofd te slaan en/of te stompen en/of die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal bij en/of om de nek vast te pakken en/of vast te houden (in de zogeheten nekklem) en/of met een gebaksvorkje en/of met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp en/of met een op een mes gelijkend voorwerp tegen de keel te drukken en/of gedrukt te houden en/of in de borst te prikken;
2.hij op of omstreeks 15 december 2023 te Waalwijk, althans in Nederland, een gelbedrag van 1260, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel een valse sleutel door onbevoegd te pinnen met een bankpas (op naam van die voornoemde [slachtoffer] ) en/of met bijbehorende pincode van die voornoemde [slachtoffer] en/of onbevoegd contactloos te pinnen met een bankpas (op naam van die voornoemde [slachtoffer] );
4.hij in of omstreeks de periode van 3 december 2023 tot en met 4 december 2023 te Waalwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon en/of geldbedrag van 950 euro en/of een paar schoenen (merk adidas, type Hoopr) en/of een rijbewijs (op naam van [benadeelde 2] ) en/of een identiteitskaart (op naam van [benadeelde 2] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij op 15 december 2023 te Waalwijk tezamen en in vereniging met een ander een telefoon en een bankpas die aan [slachtoffer] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door die [slachtoffer] tegen de hand te schoppen en die [slachtoffer] de woorden toe te voegen (zakelijk weergegeven):
althans woorden van gelijke dwingende en dreigende aard en strekking en die [slachtoffer] meermalen bij en om de nek vast te pakken en vast te houden (in de zogeheten nekklem) en met een gebaksvorkje tegen de keel te drukken en in de borst te prikken;
2.hij op 15 december 2023 te Waalwijk een geldbedrag van 1260, dat aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel een valse sleutel door onbevoegd te pinnen met een bankpas (op naam van die voornoemde [slachtoffer] ) en met bijbehorende pincode van die voornoemde [slachtoffer] ;
4.hij in de periode van 3 december 2023 tot en met 4 december 2023 te Waalwijk een telefoon en geldbedrag van 950 euro en een paar schoenen (merk adidas, type Hoopr) en een rijbewijs (op naam van [benadeelde 2] ) en een identiteitskaart (op naam van [benadeelde 2] ) die aan [benadeelde 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de Districtsrecherche Hart van Brabant, proces-verbaalnummer ZB4R023104/ ZB4R023097/ ZB4R023098, gesloten d.d. 2 maart 2024, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent, generalist tactische opsporing bij de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 186). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
Ten aanzien van feit 1:
1. Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , pagina 134 tot en met 141, inhoudende, zakelijk weergegeven:
Vanochtend (het hof begrijpt: 15 december 2023) vroeg heb ik via een datingapp contact gezocht en werd ik uitgenodigd. Dit was via Bullchat. De accountnaam van de man waarmee ik afsprak was [accountnaam] . Ik ben dus naar Waalwijk gegaan. Ik was omstreeks 04.15 a 04.25 uur in Waalwijk. Ik moest naar het adres [adres 2] komen. Ik werd binnen gelaten door de jongen waarvan ik de foto heb verstrekt maar dan met een baard, hij noemde zich [verdachte] (het hof begrijpt telkens: de verdachte). Na het douchen vroeg hij of ik samen met hem drugs wilde gebruiken. Hij zei 50 euro en ik heb dit overgemaakt. Dat rekeningnummer was [rekeningnummer 1] op naam van [naam 1] . Dit was om 05.54 uur. Toen kwam de andere jongen in beeld. In het gesprek had hij wel al gezegd dat er nog iemand boven was. Deze jongen zou de drugs gaan halen. De tweede jongen (het hof begrijpt telkens: medeverdachte [medeverdachte]) had heel veel tatoe's, iets van goud in zijn mond. De tweede jongen zou drugs gaan halen en de jongen waarmee ik een afspraak had zei kom wij gaan naar boven. Boven is uiteindelijk ook niks gebeurd, want hij bleef maar praten. Beneden pakte ik mijn telefoon en zag dat om 06.58 uur ook 50 euro was afgeschreven. Ik zag dat erbij stond [bedrijf 1] . Ik wilde naar huis gaan. De tweede jongen zei tegen mij: je pincode. Ik wilde mijn jas pakken en dat mocht ik niet. Ik zag dat hij op een gegeven moment naar mijn gezicht schopte. Ik heb dit af kunnen weren met mijn linkerhand. Deze doet nu ook zeer, is dikker en blauw. Hij bleef zeggen pincode, pincode, pincode. Hij pakte een gebaksvorkje. Ik zag dat hij naar mij toe liep, ik zag en voelde dat hij mij van achteren vastpakte. En vermoedelijk een mes, maar kan ook het vorkje zijn tegen mijn nek aan zette. Ik begreep later dat ik ook een rode striem aan de rechterzijde van mijn nek heb. Hij zei weer pincode, pincode. Daar ging het eigenlijk alleen maar om. Hij wilde ook de code van mijn telefoon hebben. De jongen met de baard was in de tussentijd terug gekomen en was alleen verbaal aanwezig. De eerste keer moest hij iets doen en de tweede keer moest hij bier gaan halen voor ons drietjes. Ik werd dus bedreigd en ik werd ook geslagen tussendoor. Ik werd ook door de tweede jongen geprikt op mijn borst met het gebaksvorkje. Ik heb een rood plekje op mijn borst en er zit een gaatje in mijn trui ter hoogte van mijn borst. Ik ben ook minimaal twee keer door de man van achter vast gepakt met zijn arm om mijn nek geknepen. Ik heb uiteindelijk de code van mijn telefoon gegeven en van mijn bankrekening. De jongen met baard is toen weggegaan en het geld gaan pinnen. Ik zie op mijn bankrekening dat er 1260,00 euro is opgenomen om 09.17 uur bij de [pinautomaat] aan de [locatie] in Waalwijk. De tweede jongen bleef bij mij terwijl [verdachte] dus weg was. [verdachte] kwam via de achterdeur terug. Zij zeiden iets tegen elkaar. De tweede jongen gooide de telefoon naar mij en beiden jongens gingen weg. Ik ben in het huis gaan kijken of ik mijn bankpasje zag. Die kon ik niet vinden.
De dreigementen waren uitspraken als dat ze wisten waar ik woonde, dat ik kinderen had. ik maak ze af, je bent niet meer veilig, ik heb meerdere mensen vermoord. hij zei ook dat hij zijn zus had vermoord en dat ik maar op internet moest kijken.
In de tijd dat ik heb gedoucht hebben ze mogelijk de autosleutel gepakt. Mijn bankpasje lag in de auto en die moeten ze daar uitgehaald hebben.
Korte opmerking verbalisant
Wij zagen dat de aangever een rode striem aan de rechterzijde van de nek heeft, blauwe en zwelling van de linkerhand en een rood plekje op de borst. Tevens zagen wij dat er een gaatje ter hoogte van de borst in de trui van aangever zit op ongeveer gelijke hoogte en plek als de rode plek.
2. Het proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 16 december 2023 (p. 142 tot en met 150) voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer] .
O: Wij zijn doende met een onderzoek in verband met de aangifte die je hebt gedaan op 15 december 2023 en willen je vragen stellen over deze aangifte.
O: Je verklaarde dat je nadat je de tatoeage jongen had geconfronteerd weg wilde gaan, maar werd tegengehouden.
V: Door wie werd je tegengehouden?
A: De tatoeage jongen. Al het geweld wat is gebruikt is alleen door de tatoeage jongen gedaan.
V: Op wat voor manier werd je tegengehouden?
A: De tatoeage jongen zei dat ik mijn pincode moest geven, dit zei hij meerdere keren. Als ik mijn pincode niet zou geven zou hij mij gaan steken. Hij had op dat moment een gebaksvorkje in zijn rechterhand en maakte stekende bewegingen in de richting van mijn nek en in de richting van mijn borst. Tijdens dat de tatoeage jongen dreigde met beiden voorwerpen in zijn hand heeft hij een wurggreep bij mij aangelegd. Ik werd voor de 2e keer op de bank geduwd en toen maakte de tatoeage jongen een draaiende beweging en maakte een schoppende beweging in de richting van mijn hoofd. Ik heb deze trap afgeweerd met mijn linkerhand. Ik heb daar een flinke blauwe plek aan overgehouden op mijn pols en hand. Opvallend was dat [verdachte] gedurende deze hele geweldsperiode op de gang stond, met de deur open. [verdachte] stond of zat bij de trap en keek niet naar ons maar moet ons hebben gehoord. Na de dreigementen en het geweld vroeg de tatoeage jongen om mijn mobiele telefoon. Hij vroeg mij om mijn pincode van mijn mobiele telefoon. De tatoeage jongen pakte mijn telefoon. De tatoeage jongen zei nu je mobiel telefoon ontgrendelen anders ga ik je nog een keer raken. [verdachte] stond in de gang en ik heb de pincode van mijn bankpas doorgegeven aan de tatoeage jongen. Ik hoorde en zag dat de tatoeage jongen naar [verdachte] liep en zei "hier is de pincode". Dit herhaalde hij 3 keer. Ik zag dat [verdachte] wegliep de woning uit. Toen [verdachte] terugkwam gaf hij aan dat het pinnen niet gelukt was. Ik hoorde de tatoeage jongen zeggen nu je telefoon openen en je bankgegevens openen. Ik opende daarop mijn bankrekening. Toen ik mijn bankieren app had geopend rukte de tatoeage jongen mijn telefoon uit mijn hand. Ik zag dat de tatoeage jongen geld overboekte vanaf mijn spaarrekening naar mijn lopende rekening. Ik zag dat [verdachte] op dat moment in de gang bij de trap stond. Ik zag dat [verdachte] wegging nadat de tatoeage jongen iets zei. Ik had wel door dat [verdachte] een tweede poging ging doen om te pinnen.
3. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , pagina 153 en 154, inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 15 december 2023 kreeg ik de melding van een diefstal met geweld op [adres 2] . Ik ben direct ter plaatse gegaan en trof voor de woning een man (het hof begrijpt: aangever [slachtoffer]) die aangaf de melder en tevens slachtoffer te zijn. Ik zag dat deze aangever een snee in zijn nek had en een blauwe plek op zijn rechterhand. Verder zag ik dat er geldbedrag was overgeboekt vanuit de spaar naar de lopende rekening van aangever
4. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] met bijlage, pagina 220 tot en met 234, inhoudende, zakelijk weergegeven:
Naar aanleiding van een diefstal met geweld, gepleegd op 15 december 2023 tussen
04:45 en 09:15 uur aan of in [adres 2] , bleek dat er met de bankpas van het slachtoffer ' [slachtoffer] ' een bedrag van 50 euro was gepind bij [bedrijf 1] aan de [plek] Te Waalwijk. Door verbalisant [verbalisant 4] werd op deze beelden op 15 december 2023 omstreeks 06:48 uur de in dit dossier voluit genoemde verdachte [medeverdachte] herkend. Door mij zijn de beelden van het [bedrijf 1] aan de [plek] te Waalwijk bekeken. Hierbij heb ik met name gezocht naar beelden van 15 december 2023 omstreeks 06:48 uur.
Opmerking verbalisant:
De tijd vermeld in het camerasysteem van het [bedrijf 1] aan de [plek] Te Waalwijk blijkt een uur voor te lopen op de werkelijke lijd Hier is bij het verwerken van de beelden in dit proces-verbaal rekening gehouden.
Ik zag op deze beelden het navolgende:
06:47.06 uur: Verdachte stapt uit een blauwe BMW met het kenteken [kenteken] . Deze personenauto is eigendom van het slachtoffer " [slachtoffer] ".
06:47.18 uur Verdachte loopt de kiosk van het tankstation binnen.
06:47.42 uur Verdachte houdt bij de kassa een betaalpas tegen de kaartlezer.
06:47.50 uur Verdachte ontvangt een biljet van 50 euro van de kassamedewerkster.
06:48.08 uur Op de rechterhand van de verdachte is een tattoo te zien met de tekst: " [medeverdachte] "
06:48.54 uur Verdachte loopt terug naar de blauwe BMW.
06:49.20 uur Verdachte rijdt weg met de blauwe BMW
5. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , pagina 185 tot en met 186 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven :
Op 16 december 2023, werd aangever [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1970
te [geboorteplaats 2] , aanvullend gehoord over de aangifte diefstal met geweld met twee personen, wederrechtelijke vrijheidsberoving, mishandeling en bedreiging, gepleegd op 15 december 2023. In het aanvullende verhoor gaf de aangever specifieke beschrijvingen met betrekking tot het signalement van de verdachten.
Verdachte 2:
Veel tatoeages, afzonderlijk van elkaar over het gehele lichaam. Specifiek op de armen en het bovenlichaam. Tatoeage op de buik boven de navel: Datum geschreven in dag, maand, jaar. Afmetingen: Ongeveer 20 centimeter breed en 10 tot 15 centimeter hoog. Overige kenmerken: Goud plaatje om de tanden aan de voorzijde van het bovengebit.
In proces-verbaal van bevindingen met nummer 73, staan de tatoeages met foto’s van verdachte [medeverdachte] beschreven. Uit het proces-verbaal van bevindingen en de verklaring van aangever [slachtoffer] blijken de volgende overeenkomsten.
Verdachte 2: [medeverdachte] , geboren [geboortedag 3] 1996
Tatoeage op de buik boven de navel: Datum geschreven in dag. maand, jaar.
In het proces-verbaal van bevindingen met nummer 73, zijn de Gouden voortanden benoemd als een specifiek kenmerk in het uiterlijk van verdachte [medeverdachte] . Dit is een tweede overeenkomst met de verklaring van aangever [slachtoffer] .
6. Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] van 23 december 2023, pagina 75 tot en met 85, inhoudende, zakelijk weergegeven:
O: Op 15 december 2023, om 06:58 uur, werd er met de pinpas van het slachtoffer geld gepind bij een tankstation in Waalwijk.
V: Wat kun jij hierover verklaren?
A: Ik zie al dat ik het ben. Duizend procent.
7. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegd bij dit hof op 23 september 2026, voor zover inhoudende:
Ik heb via Bullchat met het account ‘ [accountnaam] ’ een afspraak met [slachtoffer] op 15 december 2023. [medeverdachte] (het hof begrijpt telkens: medeverdachte [medeverdachte]) was er die avond ook bij. Hij is een gebruikersvriend van mij. [medeverdachte] heeft mij een pinpas en pincode gegeven, en ik ben € 1.260,00 gaan pinnen. Als je gebruiker bent, maakt het niet uit van welke rekening het geld komt. Als er maar iets afgehaald kan worden. Ik mocht een deel van het geld houden.
Ten aanzien van feit 2
Nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft bekend de onder feit 2 tenlastegelegde te hebben begaan, er door hem hierna niet anders is verklaard en door noch namens hem een verweer strekkende tot vrijspraak is gevoerd, volstaat het hof met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Ten aanzien van feit 4
1. Het proces-verbaal van aangifte [benadeelde 2] , pagina 304 tot en met 309, inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 3 december 2023 omstreeks 22:00 uur maakte ik thuis via Bullchat een
seksafspraak met een man (het hof begrijpt telkens: de verdachte) die vrij snel zijn adres doorgaf: [adres 2] . Omstreeks 23:00 uur, arriveerde ik op [adres 2] . Ik ben met een man de woning binnengelopen en op de bank gaan zitten. Daarna ben ik met de man gaan douchen en hebben we daar seks gehad. Daarna kwam een andere man naar boven met wie ik basecoke gebruikte in de badkamer. Ik was met de tweede man in de badkamer tot 4 december 2023 omstreeks 08:00 uur. Ik liep met de tweede man naar beneden. Ik kleedde mijzelf aan en merkte toen dat mijn telefoon en schoenen weg waren. In de telefoonhoes zaten mijn identiteitsbewijs en rijbewijs.
Op 4 december 2023, omstreeks 12:00 uur, verliet ik de woning aan [adres 2]
. Ik stapte in mijn auto en reed naar huis. Toen ik thuis was zag ik in mijn emailaccount diverse emails staan die voor mij onbekend waren. Ik zag namelijk mailtjes van dat er een account was aangemaakt op
- [bedrijf 2]
- [bedrijf 3]
Ik belde direct mijn bank ING en vroeg naar vreemde transacties. De medewerker bevestigde aan mij dat er vreemde transacties hadden plaatsgevonden. Vervolgens hoorde ik de medewerker zeggen dat er 950 euro was opgenomen. Mijn rekeningnummer betreft: [rekeningnummer 2]
Naast de genoemde handelingen opende ik een programma op mijn computer, waarmee ik mijn telefoon kon lokaliseren. Het programma wat ik gebruikte betrof Home Assistent. Via deze weg zag ik op maandag 4 december 2023, omstreeks 17:30 uur, dat mijn telefoon in de woning van [adres 3] lag.
2. Een opname van beeld, als bedoeld in artikel 567 van het Wetboek van Strafvordering, te weten foto met bestandsnaam ‘Afschrift Betaalrekening’, pagina 321, voor zover inhoudende:
Het betreft een opname van beeld (te weten: een screenshot) van de afschriften van de betaalrekening van aangever [benadeelde 2] .
Te zien is dat op 4 december 2023 om 03:02:09 op de rekening van [naam 2] (IBAN: [rekeningnummer 3] ) via online bankieren een bedrag van € 950,00 is overgemaakt vanaf de rekening van [benadeelde 2] (IBAN: [rekeningnummer 2] )
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 december 2023, pagina’s 310 tot en met 312, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :
Op 5 december 2023, omstreeks 10.50 uur, belde ik aangever [benadeelde 2] , omdat ik naar aanleiding van de aangifte een aantal aanvullende vragen had.
Aangever verklaarde dat hij contact had via Bullchat. Binnen het platform kreeg hij contact met iemand, die zei te wonen op [adres 2] .
Aangever is rond 8.00 uur naar beneden gegaan. Toen merkte aangever ook dat zijn schoenen en zijn telefoon weg waren. Ik vroeg de aangever om zijn schoenen te beschrijven. Aangever verklaarde dat het lichtblauwe suède schoenen waren. De maat van de schoenen was 42. Aangever verklaarde later de woning te hebben verlaten op schoenen, die in die woning stonden
Met zijn telefoon zijn ook zijn identiteitskaart en zijn rijbewijs weggenomen.
4. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] , pagina 328 tot en met 330, inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 3 januari 2024 vroeg ik aan aangever [benadeelde 2] (het hof begrijpt: [benadeelde 2]) of hij een afbeelding had van de blauwe suède schoenen, die weg waren na het incident op 4 december 2023 op [adres 2] . Kort hierna ontving ik per mail een foto. Drie foto’s werden gemaakt van de schoenen die verdachte [verdachte] aanhad bij zijn aanhouding. Hiermee kan gesteld worden dat de schoenen, die verdachte [verdachte] aanhad bij zijn aanhouding hetzelfde zijn in vorm en kleuren materiaal als de schoenen, die werden weggenomen van aangever. Op donderdag 4 januari 2023, omstreeks 11.20 uur. was ik in de [PI] . Ik hoorde dat verdachte [verdachte] aan het luchten was, maar dat hij naar het kantoor, waar ik mij bevond, zou worden geleid. Ik zag dat verdachte [verdachte] zich bij de balie van het kantoor meldde. Ik zei tegen verdachte [verdachte] dat ik het vermoeden had dat hij in het bezit was van schoenen, die niet van hem waren en dat ik die in beslag wilde nemen. Ik zag dat verdachte [verdachte] de schoenen die hij aanhad uitdeed en dat hij mij die overhandigde. Ik zag dat dit de schoenen waren, die op de foto’s hierboven staan. Ik zag dat het maat 42 betrof.
5. De verklaring van verdachte op de zitting van 22 november 2024, inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik kan mij herinneren dat ik lag te slapen op het adres [adres 2] . Toen ik wakker werd waren mijn schoenen weg en stonden er andere schoenen. Dit waren blauwe schoenen. Ik dacht toen dat de eigenaar van de blauwe schoenen mijn schoenen had meegenomen en toen heb ik de blauwe schoenen aangetrokken.
6. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegd bij dit hof op 23 september 2026, voor zover inhoudende:
Ik had op 3 december 2023 met [benadeelde 2] een afspraak gemaakt via Bullchat. Hij is toen naar [adres 2] gekomen. Wij zouden namelijk een date hebben. Toen ik beneden kwam, mistte ik mijn schoenen. Toen heb ik andere schoenen meegenomen. Ik kon namelijk moeilijk op blote voeten naar buiten.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Ten aanzien van feit 1:
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde. Hiertoe heeft de raadsman – kort weergegeven – aangevoerd dat de feitelijke bijdrage van de verdachte onvoldoende is om te kunnen spreken van medeplegen. Niet blijkt dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] voorafgaand een plan tot afpersing of beroving van aangever [slachtoffer] hebben gemaakt, of dat de verdachte zelf enige uitvoeringshandelingen heeft verricht. Medeverdachte [medeverdachte] was immers degene die de geweldshandelingen heeft verricht. De enkele aanwezigheid van de verdachte en het mogelijk niet distantiëren is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen, aldus de raadsman.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Voor de vraag of sprake is van de vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan onder meer rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt, nu het erom gaat dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.
Aangever [slachtoffer] heeft in de vroege ochtend van 15 december 2023 een afspraak met de verdachte gemaakt via de datingapp Bullchat. Omstreeks 04:40 uur arriveerde de aangever op het adres [adres 2] , waar hij de verdachte trof. Toen de aangever de woning op enig moment wilde verlaten, werd hij door de medeverdachte [medeverdachte] tegengehouden. De medeverdachte zei meermaals tegen de aangever dat hij zijn pincode moest geven. Om te bewerkstelligen dat aangever zijn pincode af zou geven, heeft de medeverdachte met een gebaksvorkje in de nek en het lichaam van de aangever geprikt en een draaiende en schoppende beweging gemaakt waardoor de aangever een blauwe plek heeft op zijn rechterhand heeft opgelopen. Ook heeft de medeverdachte aangever tweemaal in een wurggreep vastgepakt en is de aangever woordelijk bedreigd. Aangever heeft verklaard dat hij na het geweld zijn pincode heeft afgegeven aan de medeverdachte. Gedurende de gehele geweldsperiode stond de verdachte bij de trap in de gang. De deur naar de woonkamer was geopend. Bovendien blijkt uit de aangifte dat de verdachte tijdens het voorval verbaal aanwezig was. Zo zou er onder andere gezegd zijn dat ‘ze wisten waar de aangever woonde’. Op het moment dat de medeverdachte de pincode doorgaf aan de verdachte heeft aangever het geld van zijn betaalrekening overgeboekt naar zijn spaarrekening, zodat er met de pinpas geen geld kon worden gepind. De verdachte heeft toen de woning verlaten en kwam later terug met de mededeling dat het pinnen niet gelukt was. Nadat de aangever had ingelogd op de bankierenapp, heeft de medeverdachte de telefoon van aangever gepakt en heeft hij geld van de spaarrekening naar de betaalrekening overgemaakt. Verdachte heeft hierna opnieuw de woning verlaten en heeft om 09:17 uur € 1.260,00 gepind bij de [pinautomaat] aan de [locatie] te Waalwijk. Van dat geld heeft verdachte een deel gehouden. Toen verdachte weer terugkwam, heeft de medeverdachte de telefoon aan de aangever teruggeven. De verdachte en de medeverdachte hebben vervolgens de woning verlaten.
Hoewel de rollen van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] verschilden, was tussen hen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met als gezamenlijk doel financieel gewin voor hen beiden. Samen is het hen gelukt om het bankpasje en de pincode van aangever [slachtoffer] te bemachtigen en direct daarna daarmee het geld (te weten: € 1.260,00) van zijn bankrekeningen te pinnen. De verdachte heeft weliswaar ten tijde van het bewezenverklaarde zelf geen (fysiek) geweld toegepast, maar alle handelingen stonden in dienst van het uiteindelijke doel, namelijk: aangever [slachtoffer] bewegen tot de afgifte van zijn pinpas en de bijbehorende pincode (feit 1) en vervolgende daarmee zoveel mogelijk geld buit maken (feit 2).
Eenieder die in dat kader handelingen heeft verricht of een rol vervulde, leverde een wezenlijke en essentiële bijdrage aan het plegen van de tenlastegelegde feiten. Zo was het de verdachte die de aangever, middels het maken van een afspraak via Bullchat, naar de woning heeft doen komen, en was hij tijdens het voorval niet enkel fysiek (waardoor zijn aanwezigheid onderdeel werd van de bedreiging), maar ook verbaal in de woning aanwezig. Hiernaast is de verdachte, toen het pinnen de eerste keer mislukte, teruggekeerd naar de woning en is hij vervolgens (nadat de medeverdachte geld van de spaarrekening van de aangever naar diens lopende rekening had overgemaakt) opnieuw gaan pinnen. Na het geslaagde pinnen is de verdachte weer teruggekeerd naar de woning, en heeft hij vervolgens samen met de medeverdachte de woning verlaten. Het pinnen was het sluitstuk om financieel gewin te bereiken. Het was dan ook de verdachte die na het afhandig maken van de bankpas en pincode gereed stond om te gaan pinnen.
Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat het onder feit 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Ten aanzien feit 4:
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder feit 4 tenlastegelegde. Daartoe is in de kern aangevoerd dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het wederrechtelijk wegnemen van de schoenen. De verdachte heeft de schoenen enkel aangetrokken omdat zijn eigen schoenen weg waren, aldus de raadsman.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat de verdachte op 4 december 2023 de woning aan [adres 2] heeft verlaten terwijl hij de schoenen van aangever [benadeelde 2] droeg. Door de woning te verlaten met de schoenen van de aangever (zonder dat de verdachte hiervoor toestemming had gekregen), is sprake van een voltooide diefstal. Naar het oordeel van het hof dienen deze gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm immers te worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het wegnemen c.q. het zich toe-eigenen van de schoenen, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte het oogmerk had om de schoenen zich wederrechtelijk toe te eigenen. De omstandigheid dat de verdachte de schoenen enkel had aangetrokken omdat zijn eigen schoenen weg waren maakt, wat daar overigens van zij, het oordeel van het hof niet anders.
Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
diefstal.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft het hof verzocht om een lagere straf op te leggen dan door de rechtbank is opgelegd.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De ernst van het bewezenverklaarde
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een drietal vermogensdelicten (diefstal met geweld, gepleegd door twee of meer verenigde personen, diefstal door middel van valse sleutels en diefstal). De wijze waarop deze feiten plaatsvonden, getuigt van een verregaande mate van brutaliteit. De verdachte is telkens doelbewust en planmatig te werk gegaan door op een datingsite (te weten: Bullchat) contact met de slachtoffers te zoeken en met hen af te spreken. In de woning werden de slachtoffers vervolgens (al dan niet door geweld en bedreiging met geweld) goederen afhandig gemaakt. Deze zeer intimiderende handelwijze heeft tot een zware mentale druk en angst bij de slachtoffers geleid. Zo zwaar, dat aangever [slachtoffer] zijn bankgegevens met de medeverdachte heeft gedeeld.
De verdachte heeft door het plegen van de aan hem ten laste gelegde feiten een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zijn slachtoffers en hun angst aangejaagd. Slachtoffers van dergelijke misdrijven kunnen nog lange tijd last hebben van angstgevoelens. Bovendien getuigt het handelen van de verdachte (en medeverdachte) van een gebrek aan respect voor andermans goederen. De verdachte heeft bij het plegen van de delicten alleen rekening gehouden met zijn eigen gewin en heeft getoond geen respect te hebben voor andermans eigendommen. Het hof merkt hierbij op dat de verdachte (en zijn medeverdachte) slachtoffers uitkozen die - gelet op de aard van de afspraak - zich in een compromitterende positie bevonden en niet snel genegen zouden zijn om aangifte te doen. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij (en zijn medeverdachte) zich op deze wijze hebben willen verrijken ten koste van anderen. De omstandigheid dat verdachte indertijd verslaafd was aan verdovende middelen doet daar niet aan af.
De persoon van de verdachte
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 6 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een soortgelijk feit. Deze veroordeling heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw de fout in te gaan.
Voorts heeft het hof zich rekenschap gegeven van de overige in het dossier aanwezige stukken die betrekking hebben op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het reclasseringsadvies van 4 juni 2024, en het actualisatierapport van de reclassering van 2 september 2026.
Uit het reclasseringsadvies van 4 juni 2024 blijkt dat er bij de verdachte sprake is van een zorgelijk delictpatroon van zowel vermogens- als geweldsdelicten. De leefgebieden financiën, sociaal netwerk, middelengebruik, psychosociaal functioneren en houding worden door de reclassering gezien als criminogene factoren, waarbij verslavingsproblematiek als belangrijkste factor wordt gezien. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod en andere voorwaarden het gedrag betreffende.
In het actualisatierapport van de reclassering van 2 september 2026 wordt beschreven dat de verdachte sinds de start van het toezicht zijn afspraken goed nakomt en hij zich openstelt in het contact met de reclassering en hulpverlening. Hij heeft zich vanaf het begin ingezet om te werken aan zijn toekomst en streeft daarbij maatschappelijk geaccepteerde doelen na. De verdachte staat inmiddels formeel onder bewind en zijn financiële situatie is (voor zover mogelijk) op orde. De verdachte heeft sinds januari 2026 zijn eigen sociale huurwoning, waar hij samen met zijn vriendin, dochtertje en stiefzoon woont.
Ten slotte heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft in dit verband verklaard dat hij zijn leven heeft gebeterd, en er voor zijn vrouw en kinderen wenst te zijn. Zo is hij samen met de reclassering aan het kijken om als zelfstandige [beroep] aan de slag te gaan, om op deze manier een stabiel inkomen te genereren. Hiernaast gebruikt de verdachte, met uitzondering van cannabis, al enige tijd geen verdovende middelen meer. Na lange tijd van afwezigheid, is het contact tussen de verdachte en zijn vader opgestart en draagt de verdachte inmiddels de (dagelijkse) zorg voor zijn vader.
Conclusie
Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die (gedeeltelijke) onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende is het hof, met de advocaat-generaal en de rechtbank, van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren passend en geboden is. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Het hof zal, mede gelet op het advies in het reclasseringsrapport d.d. 4 juni 2024, aan de voorwaardelijke straf bijzondere voorwaarden verbinden, te weten: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, het opbouwen positief sociaal netwerk en breken met (gebruikers)contacten, schulden saneren en beschikken over een vorm van zinvolle dagbesteding, op de wijze zoals in het dictum vermeld. Anders dan de reclassering, acht het hof het thans niet nodig om een contactverbod op te leggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 6.250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende schadeposten:
Weggenomen geldbedrag: € 1.250,00
Immateriële schade: € 5.000,00
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 2.750,00. Voor het overige heeft de rechtbank de vordering afgewezen. Tevens is de verdachte veroordeeld in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, ten tijde van het wijzen van het vonnis begroot op nihil.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van de gehele vordering, derhalve ook het niet toegewezen gedeelte van de vordering, zodat de vordering in hoger beroep opnieuw in volle omvang aan het hof ter beoordeling voorligt.
Post i. (weggenomen geldbedrag)
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof is van oordeel dat de vordering aan materiële schade ad € 1.250,00 toewijsbaar is nu deze voldoende is onderbouwd en voorts in voldoende rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde. Bovendien is dit bedrag door de verdediging niet betwist en toewijzing daarvan komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Post ii. (immateriële schade)
Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde, zoals hier aan de orde, lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit, de gevolgen daarvan voor de benadeelde, en gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen worden toegekend, begroot het hof de immateriële schade die de benadeelde rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit heeft geleden naar billijkheid op een bedrag van € 1.500,00.
Hoofdelijkheid Het hof stelt vast dat de verdachte het bewezenverklaarde samen met anderen heeft gepleegd. Nu de verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde partij hoofdelijk (naar burgerlijk recht) aansprakelijk voor de schade ter hoogte van € 2.750,00.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2023, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
De verdachte zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is bepaald.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en medeverdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 2.750,00. De verdachte en de medeverdachte zijn daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.392,51, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende schadeposten:
Smartphone Sony Xperia: € 997,00
Vervanging ID-kaart en rijbewijs: € 152,60
Schoenen: € 200,00
Telefoonabonnement vaste lijn: € 42,91
Het hof merkt op dat, ten aanzien van de posten i., ii. en iii., ten onrechte in het voegingsformulier een materiële schadevergoeding van € 1.353,60 is gevorderd. Dit is een kennelijke rekenfout en aangenomen dient te worden dat een bedrag van € 1.349,60 aan materiële schade wordt gevorderd. Hiernaast is er onder ‘proceskosten’ een bedrag van € 42,91 gevorderd. Het hof zal deze kostenpost eveneens aanmerken als materiële schade, hetgeen betekent dat een totaalbedrag van € 1.392,51 aan materiële schade aan het oordeel van het hof is onderworpen.
De benadeelde partij [benadeelde 2] is door de rechtbank niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
Het hof overweegt daartoe als volgt
Posten i en ii. (smartphone Sony Xperia & vervanging ID-kaart en rijbewijs)
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van verdachtes onder feit 4 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof is van oordeel dat de vordering aan materiële schade ad € 1.149,60 (te weten: € 997,00 + € 152,60) toewijsbaar is nu deze voldoende is onderbouwd en voorts in voldoende rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde. Bovendien komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Post iii. (schoenen)
Blijkens het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting kan naar oordeel van het hof
niet worden vastgesteld of de inbeslaggenomen schoenen reeds terug zijn gegeven aan de
benadeelde partij. Dit onderzoek zou een nieuwe zitting nodig maken en zou daarom een
onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, waardoor het hof zal bepalen dat de
vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de
burgerlijke rechter aanbrengen.
Post iv. (telefoonabonnement vaste lijn)
De gevorderde schade ter zake van het telefoonabonnement acht het hof onvoldoende onderbouwd. Uit het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting is gebleken of, en zo ja welke extra kosten er door de benadeelde partij zouden zijn gemaakt. Zulks is in de aangifte niet gesteld, en nadere stukken of bescheiden, waaruit dit zou moeten blijken, ontbreken. Het hof zal de vordering op dat punt dan ook afwijzen.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 december 2023, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
De verdachte zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is bepaald.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 1.149,60. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat:
- de verdachte zich binnen 48 uur na het ingaan van de proeftijd meldt bij reclassering [verslavingskliniek] . op het adres [adres 4] (tel. [telefoonnummer] ), en zich daarna gedurende de proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen blijft melden bij deze instelling, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht.
- dat de verdachte zich gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig acht, laat behandelen door [verslavingskliniek] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk na aanmelding middels Ifzo. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling en detoxificatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, late nopnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt:
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.750,00 (tweeduizend zevenhonderdvijftig euro) bestaande uit € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.750,00 (tweeduizend zevenhonderdvijftig euro) bestaande uit € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 27 (zevenentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 15 december 2023.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.149,60 (duizend honderdnegenenveertig euro en zestig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 42,91 (tweeënveertig euro en eenennegentig cent) aan materiële schade af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.149,60 (duizend honderdnegenenveertig euro en zestig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 11 (elf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 3 december 2023.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. van Campen, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. N. van der Laan, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. Beskers, griffier,
en op 7 oktober 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. S.C. van Duijn en mr. N. van der Laan zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.