Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 26 april 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-820957-19 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
thans verblijvende in P.I. Dordrecht te Dordrecht.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte integraal vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde feit en partieel van het onder 4 tenlastegelegde feit (voor zover ziende op de invoer van 350 kilogram cocaïne) en is de verdachte ter zake van:
feit 1: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 4: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 5: medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd, terwijl bij de feiten 1, 2, 4 en 5 sprake is van eendaadse samenloop in de zin van artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht;
feit 6: gewoontewitwassen,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank twee onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een geldbedrag van € 182.000,00 en een boot van het merk Cobalt (kenteken [kenteken] ), verbeurdverklaard. Ten slotte heeft de rechtbank de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, indien nodig met aanvulling van de bewijsmiddelen, met inbegrip van de beslissing op het beslag, maar met uitzondering van de strafoplegging en – te dien aanzien opnieuw rechtdoende – de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8,5 jaar, met aftrek van voorarrest.
De verdediging heeft:
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de integrale vrijspraak door de rechtbank van het onder 3 tenlastegelegde feit. Voorts is de verdachte in eerste aanleg partieel vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde feit, te weten voor zover ziende op de invoer van 350 kilogram cocaïne. Het hof is van oordeel dat ook deze partiële vrijspraak van het onder 4 tenlastegelegde als een beschermde vrijspraak moet worden beschouwd.
Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat nog aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis – voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover nog aan de orde in hoger beroep – tenlastegelegd dat:
1.hij in of omstreeks de periode van 9 december 2019 tot en met 13 december 2019 te Vlissingen en/of elders in Nederland en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4 en/of 5, van de Opiumwet, althans heeft vervoerd en/of aanwezig heeft gehad, ongeveer 500 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.hij in of omstreeks de periode van 22 oktober 2018 tot en met 31 oktober 2018 te [woonplaats] en/of Vlissingen en/of [plaats] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet, althans heeft vervoerd en/of aanwezig heeft gehad, ongeveer 812 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
4.hij in of omstreeks de periode van 6 september 2018 tot en met 7 september 2018 te Vlissingen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet, althans heeft vervoerd en/of aanwezig heeft gehad, ongeveer 100 kilogram cocaïne, in elk geval een of meer hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
5.hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 7 augustus 2018 tot en met 13 september 2020 te [woonplaats] en/of Vlissingen en/of elders in Nederland en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4 en/of 5, van de Opiumwet, en/of vervoeren van
in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
6.hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 juli 2020 te [woonplaats] en/of [plaats] en/of Rotterdam en/of Kruisland en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, in elk geval zich een of meermalen schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), (telkens) (een) voorwerp(en), te weten
verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van bovenomschreven voorwerp(en) gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp(en) –onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Door de verdediging is in eerste aanleg aangevoerd dat het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard vanwege in het WOD-traject (Werken Onder Dekmantel) begane vormverzuimen. In hoger beroep is dit verweer door de verdediging niet langer gevoerd, doch is wel opgemerkt dat het hof de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ambtshalve dient te beoordelen.
Het hof is, met de rechtbank en de advocaten-generaal, van oordeel dat – zo al sprake is van een of meer vormverzuimen in het WOD-traject (zie ook het kopje “WOD-traject (Werken onder Dekmantel)” verderop in dit arrest) – niet een zodanig ernstige inbreuk op de rechten van de verdachte is gemaakt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Ook overigens zijn er geen omstandigheden gebleken die dienen te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
Het Openbaar Ministerie is derhalve ontvankelijk in de vervolging van de verdachte voor de thans voorliggende strafbare feiten.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij in de periode van 9 december 2019 tot en met 13 december 2019 te Vlissingen en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen en buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 500 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.hij in de periode van 22 oktober 2018 tot en met 31 oktober 2018 te [woonplaats] en Vlissingen en [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 812 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
4.hij in de periode van 6 september 2018 tot en met 7 september 2018 te Vlissingen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 100 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
5.hij in de periode van 7 augustus 2018 tot en met 13 september 2020 te [woonplaats] en Vlissingen, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 5, van de Opiumwet, van
zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden
6.hij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 juli 2020 te [woonplaats] en/of [plaats] en/of [plaats] van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, telkens voorwerpen, te weten
verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of van bovenomschreven voorwerpen gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Voor de leesbaarheid worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 4, 5 en 6 opgenomen in een aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage (op pagina’s 32 tot en met 132).
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak van het onder 1, 2 en 4 en partiële vrijspraak van het onder 5 tenlastegelegde bepleit. Voorts is ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde vrijspraak bepleit dan wel ontslag van alle rechtsvervolging.
Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde is door de verdediging aangevoerd dat de verdachte niet als medepleger van dit feit kan worden aangemerkt. De verklaring van de getuige [getuige 1] dient verre van betrouwbaar te worden geacht, vindt geen grondslag in de feiten en geeft bovendien geen bevestiging voor de aanname dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de (verlengde) invoer en uitvoer van de op 12 december 2019 aangetroffen 500 kilogram cocaïne. Deze partij werd twee dagen ervoor, op 10 december 2019, al gelost en opgeslagen bij [bedrijf 1] . Bij het selecteren en klaarzetten van de pallets was de verdachte niet betrokken en ook bij het laden van de vrachtwagen heeft de verdachte geen rol gehad. Evenmin heeft hij zeggenschap gehad over de chauffeur, de route en de bestemming van de vrachtwagen. De verdachte is eerst op 12 december 2019 in beeld gekomen, terwijl de daadwerkelijke invoer van de cocaïne toen reeds was voltooid. Met betrekking tot het verdere vervoer, kan uit de bewijsmiddelen alleen volgen dat de verdachte, samen met anderen, de vrachtwagen heeft willen onderscheppen, hetgeen niet is gelukt. Ook de aangetroffen zoekopdrachten in zijn telefoon en het afzeggen van een afspraak met de gemeente op 12 december 2019, zeggen enkel iets over de zoektocht naar de partij cocaïne, maar leveren geen bijdrage aan de (verlengde) invoer en uitvoer daarvan, laat staan dat de verdachte hierdoor als medepleger kan worden bestempeld.
Ten aanzien van feit 2 is aangevoerd dat de verdachte weliswaar heeft erkend twee bakens te hebben geactiveerd voor iemand, maar dat hij verder geen betrokkenheid heeft gehad bij de tenlastegelegde invoer van 812 kilogram cocaïne. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het vermoeden van illegaal gebruik van een apparaat nog niet bewijst dat diegene de aanmerkelijke kans op betrokkenheid bij de invoer van drugs ook bewust heeft aanvaard. Hiervoor is meer nodig en dat ontbreekt. Zelfs wanneer ervan uitgegaan zou kunnen worden dat met “ [nickname 1] ” de verdachte bedoeld wordt, kan uit de inhoud van de OVC-gesprekken (Opname van Vertrouwelijke Communicatie) van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] geen strafbare betrokkenheid van de verdachte worden afgeleid bij de invoer van deze partij drugs.
Ook wanneer de verdachte het gebruik van het baken kan worden aangerekend, zou hooguit kunnen worden gesproken van een (niet tenlastegelegde) poging tot verlengde invoer. Door het aantreffen en in beslag nemen van de partij drugs is het immers niet zover gekomen. Door de verdachte zijn geen handelingen verricht die zien op het transporteren van deze partij drugs vanaf het bedrijf [bedrijf 1] in Vlissingen naar uiteindelijk [bedrijf 2] in [plaats] . Er is geen link of connectie met de chauffeur en de verdachte heeft geen instructies gegeven over het transport zelf noch over de bestemming. Het nut van de bakens kan niet gelijk worden gesteld met het gewicht van de bijdrage.
Ten aanzien van feit 4 is aangevoerd dat de verdachte (eveneens) dient te worden vrijgesproken van de invoer van 100 kilogram cocaïne, nu deze partij nooit is aangetroffen. Voor een bewezenverklaring is het van belang om met wettige bewijsmiddelen vast te stellen dat (1) naast de aangetroffen partij van 350 kilogram cocaïne er daadwerkelijk ook een partij van 100 kilogram is geweest, (2) die partij daadwerkelijk cocaïne bevatte en buiten de scan is gebleven en (3) dat de verdachte handelingen heeft verricht of informatie heeft verstrekt om het uithalen van deze partij mogelijk te maken. De bewezenverklaring kan niet steunen op de inhoud van de OVC-gesprekken tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .
Dat de verbalisanten na de scan nog maar 95 pallets in de loods telden, terwijl dit er volgens het manifest voor de scan 96 waren, is opvallend, maar dit bewijst niet dat deze extra pallet er ook daadwerkelijk was én dat zich hierop 100 kilogram cocaïne moet hebben bevonden. Dit kan ook simpelweg een telfout zijn geweest.
Primair heeft de verdediging zich derhalve op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat deze partij van 100 kilogram – waarvan niet is vastgesteld dat dit cocaïne betreft – daadwerkelijk in Nederland is ingevoerd. Van verlengde invoer en/of vervoeren en/of aanwezig hebben kan dan evenmin sprake zijn. Subsidiair is op basis van het dossier evenmin vast te stellen welke bijdrage van voldoende gewicht de verdachte heeft geleverd om deze (verlengde) invoer mogelijk te maken.
Ten aanzien van de onder 5 tenlastegelegde voorbereidingshandelingen is aangevoerd dat:
Ten aanzien van de partij van 60 kilogram cocaïne en de “andere hoeveelheden cocaïne” heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Voorts is ten aanzien van feit 5 aangevoerd dat het gebruik van PGP-telefoons kennelijk is bestemd ter voorbereiding op enig Opiumwetmisdrijf en niet voor de uitvoering daarvan. Gelet hierop kan het voorhanden hebben van de tenlastegelegde PGP-telefoons niet als voorbereidingsmiddel worden beschouwd. Een vrijspraak voor dit bestanddeel dient te volgen.
Ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde gewoontewitwassen is aangevoerd dat de tenlastelegging is toegesneden op artikel 420ter juncto artikel 420bis, lid 1, onder 2, van het Wetboek van Strafrecht en dat geen specifiek bron-/gronddelict kan worden aangewezen, waardoor het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” dient te worden beoordeeld aan de hand van het zogeheten 6-stappenplan. De tenlastelegging omvat bovendien een zeer lange periode, te weten beginnend op 1 januari 2011 en eindigend op 1 juli 2020. Deze periode ligt grotendeels vóór de datum waarop de wetgever een wetswijziging heeft toegepast met betrekking tot het eenvoudig witwassen. Wanneer sprake is van het enkel verwerven en/of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf en geen sprake is van verbergende of verhullende handelingen, kan dit handelen niet als witwassen worden gekwalificeerd. Ontslag van alle rechtsvervolging is dan het gevolg.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie geen volledig beeld, althans onvoldoende, heeft verkregen over de financiële positie van de verdachte. Het enkel opvragen van aangiftes van de verdachte bij de belastingdienst zegt nog niets over de vraag hoeveel contant geld iemand beschikbaar heeft dat niet per definitie afkomstig hoeft te zijn uit enig misdrijf. Daarbij is geen enkel onderzoeksresultaat verkregen dat invulling geeft aan de gedachte dat de verdachte zich in de periode van 2011 tot augustus 2018 heeft bezig gehouden met strafbare feiten waaruit crimineel voordeel is verkregen en een verklaring zou kunnen bieden voor de herkomst van de contante stortingen. Gelet hierop heeft de verdediging gesteld dat niet is voldaan aan stap 2, zodat niet tot een bewezenverklaring van dit deel van de tenlastelegging kan worden gekomen.
Subsidiair, in het geval het hof meent dat wel aan stap 2 is voldaan, heeft de verdediging gesteld dat de pleegperiode te ruim is, gelet op de bewijslastverdeling. Voor burgers geldt in de regel een bewaarplicht van financiële administratie van 5 jaar, nu de belastingdienst tot maximaal 5 jaar kan navorderen. Het kan niet aan de verdachte worden tegengeworpen dat de benodigde oudere informatie niet meer te verkrijgen is. Het moeten afleggen van een verklaring en dit te onderbouwen met stukken komt neer op een ontoelaatbare omkering van de bewijslast en is in strijd met het onschuldbeginsel als neergelegd in artikel 6, lid 2, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM)
Gelet hierop, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat met betrekking tot de periode van 1 januari 2011 tot 1 januari 2015 niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen, omdat het Openbaar Ministerie niet heeft voldaan aan stap 2 en het ontbreken van de nodige (financiële) administratie in het kader van de bewijslastverdeling voor rekening en risico van het Openbaar Ministerie dient te komen.
Voor wat betreft de periode vanaf 1 januari 2015 tot en met 1 juli 2020 ligt dit anders. Voor zover het hof oordeelt dat het Openbaar Ministerie hierbij wel aan stap 2 heeft voldaan, dient te worden beoordeeld of de door de verdachte afgelegde verklaringen concreet, min of
meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Hij hoeft de juistheid van zijn verklaring daarbij niet te bewijzen, want dit dient het Openbaar Ministerie zelf te doen (stap 5).
Ten aanzien van de periode vanaf 7 augustus 2018 tot en met 1 juli 2020 geldt dat, wat de verdediging betreft, de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing is. Gelet op de tenlastelegging, in het bijzonder feit 5, geldt dat juist hier de vaststelling voor de hand ligt dat eventueel onverklaarbare contante stortingen afkomstig zijn uit enig eigen misdrijf. Dit betekent dat het feit in zoverre kan worden bewezen, maar dit niet tot de kwalificatie van witwassen kan leiden. Ontslag van rechtsvervolging dient dan ook voor dit gedeelte van de tenlastelegging te volgen.
Met betrekking tot het contante geldbedrag van € 182.00,00 – waarover de verdachte heeft verklaard dat dit geld van hem was – heeft de verdediging aangevoerd dat het niet anders kan zijn dan dat dit geldbedrag afkomstig is uit enig door de verdachte zelf gepleegd strafbaar feit. Dit betekent dat hier sprake is van een geldbedrag afkomstig uit enig eigen misdrijf, dat, nu eenvoudig witwassen niet is tenlastegelegd, de kwalificatie-uitsluitingsgrond voor dit deel van de tenlastelegging geldt en dat ontslag van rechtsvervolging dient te volgen.
Met betrekking tot de boot is aangevoerd dat de verdachte in het verleden meerdere bronnen van inkomsten had van waaruit hij de beschikking had over contant geld. Het is de vraag of met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat het niet anders kan dan dat dit geld afkomstig is uit misdrijf. De verdediging stelt dat niet kan worden uitgesloten dat het voor de boot benodigde geld een legale herkomst heeft.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Inleiding
In september 2018 is in onderzoek Grant en meer specifiek met betrekking tot de invoer van een grote hoeveelheid cocaïne vanuit het schip [naam] via de haven van Vlissingen (feit 4 op de tenlastelegging) een persoon naar voren gekomen met de bijnaam “ [nickname 1] ”. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat door het criminele samenwerkingsverband van onder meer de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] voor het uithalen van cocaïne uit een scheepslading bananen, gebruik werd gemaakt van de persoon met de bijnaam “ [nickname 1] ”. Ook is gebleken dat deze “ [nickname 1] ” bij het uithalen van de cocaïne een belangrijke rol had.
De politie heeft vervolgens onderzocht wie “ [nickname 1] ” zou kunnen zijn. Op basis van de informatie uit OVC-gesprekken en observaties bij meerdere ontmoetingen tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en “ [nickname 1] ” is de politie tot de conclusie gekomen dat de verdachte [verdachte] de persoon is die “ [nickname 1] ” werd genoemd. Anders dan de verdediging, maar met de rechtbank, is het hof van oordeel dat het hierover door de politie opgestelde proces-verbaal van de identificatie van “ [nickname 1] ” en dat als bewijsmiddel is gebruikt voldoende overtuigt.
Voorts is het hof van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat door de verdachte gebruik werd gemaakt van de Encrochat nicknames “ [nickname 2] ” en “ [nickname 3] ”. In het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van identificatie is de link tussen de verdachte en deze namen voldoende aangetoond. Bij de doorzoeking van de woning van de verdachte zijn verder twee telefoontoestellen aangetroffen die voorzien waren van de SkyECC applicatie. Uit onderzoeksgegevens is naar voren gekomen dat de verdachte middels onder andere die versleutelde communicatiediensten contacten onderhield met personen uit criminele samenwerkingsverbanden over de invoer van cocaïne, onder meer via de haven van Vlissingen. Tevens is het hof van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de gebruiker was van de Threema nickname “ [nickname 4] ”, die onder meer heeft gecommuniceerd over het missen van het transportmiddel met daarin een verstopte partij cocaïne. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, op de vraag of hij bekent “ [nickname 4] ” te zijn, bovendien verklaard: “Dat zal dan zo zijn”.
Uit het dossier volgt voorts dat de verdachte er bij de invoer voor heeft gezorgd dat de pallets met dozen bananen, waarin de cocaïne was verstopt, traceerbaar waren, nadat ze vanuit de schepen waren gelost. Het was zijn taak ervoor te zorgen dat de cocaïne vanuit de haven van Vlissingen uiteindelijk terecht zou komen bij de organisatie of personen die het cocaïnetransport hadden opgezet. De verdachte wist daar de mensen voor en hij had daarover ook de contacten met criminele organisaties dan wel organisatoren. Het hof merkt daarbij op dat de verdachte in meerdere onderzoeken naar voren is gekomen en daarbij telkens deze schakelrol vervulde.
Naar het oordeel van het hof betreft dit een essentiële rol die het mogelijk heeft gemaakt dat andere personen/criminele samenwerkingsverbanden vanuit Zuid Amerika grote hoeveelheden cocaïne via de haven van Vlissingen in Nederland konden in- en doorvoeren (en in elk geval ook één keer naar Duitsland konden uitvoeren).
Het is deze specifieke rol van de verdachte, als verantwoordelijke voor de logistiek rondom de cocaïnetransporten in de haven van Vlissingen, die naar het oordeel van het hof als een rode draad loopt door de aan de verdachte tenlastegelegde feiten.
Juridisch kader
Onder de feiten 1, 2 en 4 wordt de verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden cocaïne en ten aanzien van feit 1 tevens het naar Duitsland brengen daarvan (uitvoer).
Het begrip binnen het grondgebied van Nederland brengen dient extensief te worden geïnterpreteerd. Uit artikel 1, lid 4, van de Opiumwet volgt dat onder binnen het grondgebied van Nederland brengen van middelen, zoals cocaïne, ook is begrepen elke op het verder vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling met betrekking tot die middelen die binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht of tot de voorwerpen of goederen waarin die middelen verpakt of geborgen zijn.
Uit het vijfde lid van artikel 1 van de Opiumwet volgt dat onder buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen, zoals cocaïne, is begrepen: het buiten het grondgebied van Nederland brengen van de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn en het met bestemming naar het buitenland vervoeren, ten vervoer aannemen of ten vervoer aanbieden, het ten uitvoer dan wel ten wederuitvoer aangeven, daaronder begrepen het doen van een summiere aangifte bij uitgaan of het in kennis stellen van de wederuitvoer (...) of het in, op of aan een naar het buitenland bestemd vaar-, voer- of luchtvaartuig aanwezig hebben van die middelen, of van die voorwerpen of goederen.
Daarnaast is van belang dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De bijdrage van de medepleger kan in uitzonderlijke gevallen in hoofdzaak vóór of ná het strafbare feit zijn geleverd. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke gevallen moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.
Het hof zal nu ingaan op de bespreking van de afzonderlijke feiten en verweren.
Ten aanzien van feit 1
Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat het schip [naam] op 9 december 2019 in de haven van Vlissingen is aangekomen en dat vanuit dit schip op 12 december 2019 een lading bananen, afkomstig uit Ecuador, per vrachtwagen is getransporteerd naar de firma [bedrijf 3] in [plaats] , Duitsland. Op 13 december 2019 werd in dat bedrijf, in dozen op twee pallets van die lading bananen, een partij cocaïne aangetroffen van ongeveer 500 kilogram. Uit het onderzoek is gebleken dat deze partij bananen met cocaïne op 10 december 2019 is gelost vanaf het schip en is opgeslagen in [bedrijf 1] . Op 11 december 2019 heeft [getuige 1] , medewerker bij [bedrijf 1] , de betreffende pallets klaargezet om te kunnen worden geladen (outtake).
Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat de verdachte op 12 december 2019 samen met anderen in de onmiddellijke nabijheid van [bedrijf 1] stond te wachten op de komst van de vrachtwagen waarin de pallets met cocaïne werden vervoerd naar [plaats] in Duitsland. De dag ervoor heeft de verdachte op zijn telefoon gezocht op de zoektermen “ [plaats] ” en “ [plaats] , Duitsland”. Het hof leidt daaruit af dat de verdachte op 11 december 2019 al op de hoogte was dat een bedrijf in het Duitse [plaats] de eindbestemming van de pallets met bananen – en dus ook van de cocaïne – was.
Voorts blijkt uit OVC-gesprekken van 12 december 2019, opgenomen in de auto die in gebruik was bij de verdachte, dat de verdachte beschrijft wat er op de zijkant van de vrachtwagen staat en dat de verdachte een deel van het kenteken noemt, hetgeen overeenkomt met de desbetreffende vrachtwagen. De verdachte beschikte derhalve ook over informatie over deze vrachtwagen. Verder volgt uit de bewijsmiddelen, waaronder de eigen verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, dat hij deze vrachtwagen, in samenwerking met een aantal andere personen, onderweg wilde onderscheppen (“langs de kant zetten”). Toen men de vrachtwagen echter kwijtgeraakt was, is de verdachte naar België en uiteindelijk naar Duitsland gereden en heeft hij ter hoogte van [plaats] (Duitsland) met andere personen op een afrit stilgestaan, kennelijk om de vrachtwagen alsnog te kunnen onderscheppen. Later die dag heeft de verdachte nog via Threema met [medeverdachte 3] gecommuniceerd en hem medegedeeld dat ze de truck hadden gemist en dat hij tot aan Keulen had geprobeerd om het te volgen.
Het vorenstaande vindt steun in de verklaringen van [getuige 1] . Anders dan de verdediging, heeft het hof geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van diens verklaringen te twijfelen, nu deze bevestiging vinden in andere objectieve bewijsmiddelen. Hiervoor is te minder aanleiding nu [getuige 1] met zijn verklaringen ook zichzelf belast. Het hof acht de verklaringen van [getuige 1] derhalve geloofwaardig en bruikbaar voor het bewijs. [getuige 1] heeft verklaard dat hij als medewerker van [bedrijf 1] betrokken was bij drugstransporten en dat hij via Encrochat met anderen communiceerde over deze transporten. [getuige 1] gebruikte op Encrochat de nickname “ [nickname 5] ” en communiceerde onder meer met “ [nickname 2] ”. Dat was, zoals hiervoor reeds overwogen, één van de Encrochat nicknames van de verdachte. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [getuige 1] , met de nickname “ [nickname 5] ”, in ieder geval in de periode maart-juni 2020 daadwerkelijk indirect contact heeft gehad met “ [nickname 2] ” over mogelijkheden voor cocaïnetransporten.
Met betrekking tot een transport naar [plaats] heeft [getuige 1] verklaard dat hij weet dat dit een ander adres was dan waar de lading oorspronkelijk in Duitsland naar toe zou gaan, waar hij achter was gekomen via de laadorders. Die laadorders kreeg hij een dag van te voren. Het was de bedoeling dat het transport zou worden onderschept. Hij heeft via zijn cryptotelefoon doorgegeven dat de chauffeur was vertrokken en hij kreeg daarop als reactie dat ze hem niet zagen. [getuige 1] heeft doorgegeven wat er op de zijkant van de witte trailer stond.
Met de rechtbank, is het hof van oordeel dat [getuige 1] het in deze verklaring heeft over het transport van 12 december 2019. Dat hij in dit verband ook heeft verklaard dat hij denkt dat hij bij dit transport 2 trackers heeft geplaatst, terwijl daarvan bij het transport van 12 december 2019 niet is gebleken, althans dat deze trackers niet zijn aangetroffen, maakt dit oordeel niet anders.
Het hof is op grond van vorenstaande omstandigheden van oordeel, ook gezien hetgeen in de inleiding is besproken, dat de verdachte direct betrokken is geweest bij de verlengde invoer van ongeveer 500 kilogram cocaïne en dat hij daarbij ook een essentiële rol heeft gehad. Hij kreeg via zijn contact in de haven van Vlissingen belangrijke informatie voor het onderscheppen van het drugstransport, gaf deze informatie door aan degenen die de drugslading moesten veiligstellen en faciliteerde zo de daadwerkelijke in- en uitvoer van de tussen de bananen verstopte cocaïne. Op het moment dat het, zoals in deze zaak ook aan de hand was, mis lijkt te gaan, komt hij in actie om de cocaïne niet kwijt te raken. Deze specifieke handelingen van de verdachte in de onderhavige zaak, maken dat het hof van oordeel is dat zijn rol van dusdanig belang en van een zodanige omvang is geweest dat kan worden gesproken van medeplegen. Aan de enkele verklaring zonder nadere toelichting en uitleg van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij daar inderdaad was met anderen en dat zijn taak eruit bestond dat hij de vrachtauto langs de kant moest zetten en dat hij slechts hardop iets heeft gelezen, gaat het hof voorbij.
Het hof ziet voor die rol in deze zaak voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daarbij wordt opgemerkt dat dit feitencomplex wel degelijk (ook) gezien kan worden als de (verlengde) invoer van cocaïne in Nederland en dat de verdachte daaraan een wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Het enkele feit dat de cocaïne daarna naar Duitsland is vervoerd en de eindbestemming dus niet Nederland was, maakt dat niet anders. Dat de verdachte van deze eindbestemming een dag eerder, blijkens zijn zoekgeschiedenis, al op de hoogte was, maakt dat het hof tevens het medeplegen van de daaropvolgende uitvoer naar Duitsland wettig en overtuigend bewezen acht.
Ten aanzien van feit 2
Op 31 oktober 2018 werd in een partij bananen van het merk [merk] bij [bedrijf 2] te [plaats] in totaal 812 kilogram cocaïne aangetroffen. In één van de bananendozen werd een zogenaamd baken (plaatsbepalingsapparatuur) aangetroffen. Dergelijke trackers maken het mogelijk om via een mobiele telefoon bepaalde pallets en de dozen waarin de cocaïne is verstopt terug te vinden. Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de simkaart van deze tracker met het IMEI-nummer [IMEI] op 28 oktober 2018 werd geactiveerd op een paallocatie waarbij de woning van de verdachte onder het betreffende dekkingsgebied valt. In dit dekkingsgebied werd het bijbehorende telefoonnummer ook opgewaardeerd in een telefoon van het merk Nokia. Voorts is uit onderzoek gebleken dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] bij die tracker hoort en dat dit telefoonnummer exclusief contacten heeft met telefoonnummer [telefoonnummer 2] in de vorm van sms-berichten. Dit laatste nummer had weer contact met het mobiele nummer van [partner] , de partner van de verdachte. Van dit contact, zijnde een oproep, is een screenshot op een onder de verdachte in beslag genomen telefoon aangetroffen. Verder is sprake van een tweede baken dat op dezelfde datum onder bereik van dezelfde mast is geactiveerd en op dezelfde dag is opgewaardeerd in dezelfde Nokia als het eerste baken. Ook dit tweede baken had exclusief contact met telefoonnummer [telefoonnummer 2] . De simkaart met telefoonnummer [telefoonnummer 2] is in die Nokia opgewaardeerd onder dekking van dezelfde zendmast. Net als de rechtbank, leidt het hof hieruit af dat beide bakens zijn geactiveerd en dat de bijbehorende telefoonnummers zijn opgewaardeerd op dezelfde locatie, door dezelfde persoon, die gebruik maakte van telefoonnummer [telefoonnummer 2] .
De verdachte heeft verklaard dat hij wel eens twee bakens heeft geïnstalleerd voor iemand. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, gaat het hof er vanuit dat de verdachte de genoemde bakens heeft gekoppeld aan een telefoon. Dat hij alleen de installatie heeft gedaan voor een ander of anderen die hij niet bij naam wenst te noemen, dat hij de bakens aan hen heeft teruggegeven en dat hij verder helemaal niets van de zaak af weet, acht het hof, net als de rechtbank, ongeloofwaardig. Niet alleen omdat de verdachte hierover geen nadere toelichting of uitleg heeft willen geven, maar ook omdat uit de bewijsmiddelen het volgende volgt. Nadat het aangetroffen baken met het betreffende telefoonnummer is geactiveerd, heeft het vervolgens op 28 en 29 oktober 2018 vooral aangestraald op de mast waaronder de woning van de verdachte valt. Ook zijn er met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] op 1 november 2018, een dag na de ontdekking van de cocaïne met daarin één van de bakens, nog sms-berichten gestuurd naar beide bakens. Slechts het ontdekte baken stuurde een bericht terug. Het telefoonnummer [telefoonnummer 2] bevond zich toen wederom in het dekkingsgebied van dezelfde mast waaronder ook de woning van de verdachte valt. Dat de verdachte na het activeren van de bakens geen bemoeienis meer met de bakens heeft gehad, zoals hij heeft verklaard, vindt dan ook geen steun in de bewijsmiddelen.
Daarnaast blijkt uit OVC-gesprekken in het onderzoek Grant dat tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wordt gesproken over de lijn van “ [nickname 1] ” en het bananenmerk [merk] waarin de cocaïne zit verstopt alsmede over het aanschaffen van twee apparaten en dat die apparaten te koop zijn bij de Spyshop. Vervolgens bespreken [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , in een gesprek over [nickname 1] , dat “ze komende vrijdag het erin gaan doen” en dat “hij het er zelf uit gaat halen” en dat “ [nickname 1] zelf naar hem schreef, nog voordat [medeverdachte 1] hem had geschreven”.
Het hof is op grond van het vorenstaande, in onderlinge samenhang en verband bezien, van oordeel dat de verdachte ook met betrekking tot deze partij cocaïne degene is geweest die er voor heeft gezorgd dat specifieke pallets/dozen met daarin verstopt de cocaïne, konden worden gevonden en zouden worden uitgehaald en dat hij daarmee een essentiële rol heeft gespeeld bij de invoer in Nederland van die cocaïne. Die rol kan naar het oordeel van het hof vanwege de nauwe en bewuste samenwerking met anderen wederom worden gekwalificeerd als de rol van medepleger. Het hof schuift het verweer van de verdediging, voor zover inhoudende dat ten aanzien van het handelen van de verdachte ‘slechts’ sprake is van een niet tenlastegelegde poging tot verlengde invoer terzijde, omdat strafbare invoer mede omvat “elke op het verdere vervoer van middelen die binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht gerichte handeling” en dit vervoer vanaf een overslagbedrijf betrof.
Ten aanzien van feit 4
Op 6 september 2018 is het schip [naam] met een partij bananen aangekomen in de haven van Vlissingen. Het hof gaat er op basis van de bewijsmiddelen van uit dat via deze lijn een tweetal partijen cocaïne is ingevoerd, namelijk een partij van 350 kilogram cocaïne en een partij van 100 kilogram cocaïne. Tijdens een door de douane uitgevoerde controle werd de partij van 350 kilogram cocaïne aangetroffen tussen de bananen. Uit de OVC-gesprekken tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] kan worden opgemaakt dat die 350 kilogram cocaïne van een andere organisatie was en dat er ook nog een partij van 100 kilogram in de containers zat, die voor hen bestemd was. Die andere organisatie had blijkbaar gebruik gemaakt van dezelfde lijn.
Ten aanzien van de partij van 100 kilogram cocaïne, die niet is onderschept door de douane, overweegt het hof als volgt. Op grond van OVC-gesprekken en observaties in het onderzoek Grant kan worden vastgesteld dat de groep rond [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een transport van cocaïne heeft opgezet via het schip de [naam] . Het zou daarbij gaan om een partij van 100 kilogram. Vlak voor de aankomst van voormeld schip heeft op 4 september 2018 een ontmoeting plaatsgevonden in het [hotel] in Delft, waarbij [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , de verdachte en [medeverdachte 4] aanwezig waren. Naar het oordeel van het hof volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte vervolgens bij deze invoer betrokken is. Blijkens de gevoerde OVC-gesprekken tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] na afloop van deze ontmoeting in het [hotel] zijn zij (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] enerzijds en de verdachte anderzijds) tot elkaar veroordeeld, aangezien de verdachte een lijn heeft in Vlissingen, hij deze heeft opgebouwd en hij nu ook op de hoogte was van de invoer door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben per ongeluk een transport op de lijn van de verdachte gezet. Ze zijn via [nickname 6] (het hof begrijpt: de bijnaam van medeverdachte [medeverdachte 5]) bij de verdachte uitgekomen en ze bespreken dat ze het met hem zullen doen. Uit de OVC-gesprekken volgt voorts dat de verdachte (“het mannetje van [nickname 6] dat ze op 4 september hebben gesproken”) hen heeft aangegeven dat hij het gegarandeerd eruit zal halen, maar ook dat de verdachte hen informatie verstrekt afkomstig vanuit de haven over de stand van zaken. Zo wordt hen door [nickname 1] (lees: de verdachte) bericht dat alles uit de boot door de scanner gaat, dat het lastig is om de pallet ergens uit het zicht te zetten, maar dat hij uiteraard zijn best doet, dat er maandag weer actie is en in het weekend daar niks gebeurt, dat er niet meer gescand wordt en dat ze hem “gelukkig hebben weggezet en hij niet meer door de scan gaat”. Tijdens de controle en de onderschepping door de douane van de partij van 350 kilogram cocaïne, zijn uiteindelijk 95 pallets met [merk] bananen gescand, terwijl er blijkens het manifest van [naam] 96 pallets met [merk] bananen op de boot aanwezig waren. Gelet op de hiervoor genoemde OVC-gesprekken is naar het oordeel van het hof aannemelijk geworden dat de pallet met daarin de partij van 100 kilogram cocaïne, mede door de inzet van de [verdachte] , apart kon worden gezet en daarmee buiten de scancontrole door de douane werd gehouden. Daarbij acht het hof ook relevant dat een deel van de dozen met [merk] bananen op de pallets was voorzien van nummer [nummer] en er in een OVC-gesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] expliciet over één gemarkeerde pallet met dat nummer werd gesproken.
Het hof is, anders dan de verdediging maar met de rechtbank, van oordeel dat – gelet op de OVC-gesprekken, in onderling verband gezien, gelet op de verwijzingen in die gesprekken naar de partij van 350 kilogram cocaïne die wél is onderschept (en cocaïne bleek te bevatten) en gelet op de moeite die is gedaan om de betreffende pallets buiten de scan te houden – geen twijfel bestaat dat het ook ten aanzien van de partij van 100 kilogram waarover wordt gesproken daadwerkelijk sprake is van invoer van cocaïne, ook al is deze partij niet aangetroffen en kon deze partij derhalve evenmin op de daadwerkelijke aanwezigheid van cocaïne worden getest.
Het hof is, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, voorts van oordeel dat de verdachte bij de invoer van deze 100 kilogram cocaïne een cruciale rol heeft gespeeld die als de rol van medepleger kan worden bestempeld. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte ten aanzien van dit transport met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] heeft samengewerkt. Het hof is dan ook van oordeel dat het medeplegen van de invoer van 100 kilogram cocaïne wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Ten aanzien van feit 5
Op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen in de inleiding en met betrekking tot de feiten 1, 2 en 4, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte strafbare voorbereidings- en bevorderingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van die drie transporten, waarbij sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) nu het medeplegen van de daadwerkelijke invoer eveneens bewezen wordt geacht.
Daarnaast is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte strafbare voorbereidings- en bevorderingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van andere transporten via de haven van Vlissingen, waaronder ten aanzien van de onder 3 tenlastegelegde invoer vanuit het schip [naam] van 60 kilogram cocaïne die op 29 januari 2019 is aangetroffen in een distributiecentrum van [bedrijf 4] (welk feit in hoger beroep niet meer aan het oordeel van het hof is onderworpen). Het hof overweegt ten aanzien van deze partij cocaïne dat uit OVC-gesprekken tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is vast komen te staan dat door hen gesprekken werden gevoerd over de invoer van 60 kilogram cocaïne. In die gesprekken werd ook gesproken over onder meer “ [nickname 1] ” en het uithalen van die cocaïne door “ [nickname 1] ”. Het hof merkt op dat, zoals reeds hiervoor is overwogen, is gebleken dat de verdachte de persoon is die door hen “ [nickname 1] ” werd genoemd. Voorts heeft één dag voor de aankomst van de [naam] in de haven van Vlissingen nog een bijeenkomst plaatsgevonden bij [bedrijf 5] in Rotterdam, waarbij ook [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en de verdachte aanwezig waren.
Het hof is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen voorts volgt dat de verdachte ook voorbereidings- en bevorderingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van andere (onbekend gebleven) hoeveelheden cocaïne. Net als de rechtbank, is het hof tot dit oordeel gekomen op grond van de chatberichten in het dossier, de aard van die chatberichten en de contacten die de verdachte heeft gehad via Threema, SkyECC en Encrochat in de tenlastegelegde periode. Die onderschepte chatgesprekken/contacten hadden onder meer betrekking op informatie afkomstig uit de haven van Vlissingen, waaronder de aankomsttijden van vrachtschepen, contacten die de verdachte had in de haven/bij [bedrijf 1] , inspecties door de douane die plaats zouden vinden, informatie met betrekking tot ladingen in schepen en de landen van waaruit de cocaïne zou worden gesmokkeld. Voorts is vast komen te staan dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van de Encrochat-namen “ [nickname 2] ” en “ [nickname 3] ” en dat hij communiceerde met [medeverdachte 6] over de voorbereiding/bevordering van nieuwe drugstransporten. [medeverdachte 6] werd daarbij door de verdachte aangestuurd. [medeverdachte 6] stuurde op zijn beurt [bedrijf 1] -medewerker [getuige 1] aan en in die gesprekken werd de verdachte door [medeverdachte 6] “de baas” genoemd. Hierbij is ten slotte nog van belang dat [getuige 1] heeft verklaard dat hij via Encrochat communiceerde over de mogelijkheden om drugstransporten uit te voeren.
Het hof volgt de verdediging niet in de stelling dat het gebruik van PGP-telefoons in dit geval niet was bestemd voor de uitvoering van enig Opiumwetmisdrijf, zodat het voorhanden hebben van de tenlastegelegde PGP-telefoons niet als voorbereidingsmiddel zou kunnen worden beschouwd. De verdachte heeft de PGP-telefoons immers niet slechts voorhanden gehad ter voorbereiding van enig misdrijf, maar deze ook daadwerkelijk gebruikt en daarmee communicatie gevoerd ten behoeve van de uitvoering van de invoer van cocaïne.
Ten aanzien van feit 6
Het hof is met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat de tenlastelegging onder feit 6 is toegesneden op artikel 420ter jo. artikel 420bis, eerste lid, onder b, Sr. Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder b, Sr opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf” kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien uit de resultaten van het nader onderzoek door het Openbaar Ministerie blijkt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben, moet worden geconcludeerd dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat door de verdachte in de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 juli 2020 contante stortingen zijn gedaan op bankrekeningen van de verdachte en van zijn partner [partner] tot een totaalbedrag van € 526.730,00. Voorts is in de schuur van een chalet/caravan van de verdachte en [partner] een contant geldbedrag aangetroffen van € 182.000,00 en is onder de verdachte een boot inbeslaggenomen waarvoor de verdachte een bedrag van € 37.500,00 contant heeft betaald. Het hof stelt vast dat uit de bewijsmiddelen tevens volgt dat door de door de verdachte bij de belastingdienst opgegeven inkomsten de herkomst van voornoemde contante geldbedragen niet kan worden verklaard. Evenmin kunnen deze verklaard worden door de huuropbrengsten van zijn onroerende goederen, omdat uit het dossier blijkt dat deze alle giraal werden overgemaakt.
Het hof is van oordeel dat, gelet op de hoogte van de gestorte bedragen, in verhouding tot de opgegeven inkomsten, het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid contant geld zonder noodzaak daartoe op grond van beroep of bedrijf, de omstandigheid dat door de verdachte contacten werden onderhouden met criminele antecedenten, er een redelijk vermoeden van schuld is dat sprake is van witwassen. Dat betekent dat van de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring mag worden verlangd voor de herkomst van het geld.
De verdachte heeft in schriftelijke verklaringen en in zijn verklaring bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak ter terechtzitting in eerste aanleg (bij welke verklaring hij in hoger beroep is gebleven) omtrent de contante geldbedragen en de boot een verklaring afgelegd. De verdachte heeft aangevoerd dat het contante geld afkomstig was uit een massagepraktijk die hij van 2011 tot en met 2016 heeft gehad. Verder heeft de verdachte zich bezig gehouden met het plaatsen van keukens en badkamers en de handel in oldtimer bromfietsen. De verdachte heeft verklaard dat hij met die werkzaamheden veel contant geld heeft verdiend en dat daarvan maar een gedeelte aan de belastingdienst is opgegeven. Daarbij is door de verdachte verklaard dat hij van klanten geen gegevens meer kon verstrekken en dat hij zich ook het wachtwoord niet meer kon herinneren van het Duitse eBay-account dat hij gebruikte voor de handel in oldtimer bromfietsen. Het geldbedrag dat in het chalet werd aangetroffen was volgens de verdachte van hem en had hij gewonnen bij twee illegale pokertoernooien, zo heeft hij voor het eerst ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard. De verdachte heeft verder niet willen verklaren waar en wanneer die pokertoernooien hebben plaatsgevonden. Betreffende de boot heeft de verdachte ter zitting in eerste aanleg verklaard dat hij die alleen in bruikleen had en dat hij die mocht gebruiken als hij de kosten voor die boot zou betalen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte hierover geen nadere verklaring gegeven.
Het hof stelt vast dat de verdachte met de door hem afgelegde verklaring over de herkomst van het contante geld er niet in is geslaagd de geldstromen inzichtelijk te maken. Zo heeft hij op geen enkele wijze inzicht willen geven in het klantenbestand van zijn massagepraktijk, voor wie hij klussen heeft verricht of met wie hij heeft gehandeld in oldtimer bromfietsen en wat hij daarmee concreet zou hebben verdiend. De verdachte heeft wel verklaard dat hij die werkzaamheden heeft verricht, maar hij heeft dit niet nader willen of kunnen onderbouwen, ook niet in hoger beroep. Het hof is dan ook van oordeel dat de verklaring van de verdachte niet verifieerbaar is, hetgeen op zichzelf al de conclusie zou kunnen rechtvaardigen dat het niet anders kan dan dat de contante geldbedragen en de boot van misdrijf afkomstig zijn.
Desondanks heeft het Openbaar Ministerie wel geprobeerd om op basis van de summiere (schriftelijke) verklaringen van de verdachte onderzoek te doen naar de herkomst van de contante gelden. De verdachte heeft bij dat onderzoek geen nadere vragen van het onderzoeksteam willen beantwoorden en ook dat nader onderzoek van het Openbaar Ministerie heeft niets opgeleverd. Er konden geen klanten of klantenbestanden van de massagepraktijk of klussen worden achterhaald en niet is gebleken van een handel in oldtimer bromfietsen. Hetzelfde geldt ook voor de illegale pokertoernooien, waar de verdachte verder ook niets over heeft willen prijsgeven.
Met betrekking tot de boot is het hof met de rechtbank van oordeel dat op grond van de verklaring van de getuige [getuige 2] vast is komen te staan dat deze boot aan de verdachte is verkocht en dat hij die ook contant heeft betaald. Ook uit andere bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de eigenaar van deze boot was. Pas na het verhoor van de getuige [getuige 2] en pas tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij de boot in bruikleen had. Echter, ook deze stelling wordt door hem niet nader onderbouwd. Dit maakt dat de verklaring van de verdachte ook op dit punt onvoldoende concreet en ongeloofwaardig is.
Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat uit de resultaten van het nader onderzoek door het Openbaar Ministerie blijkt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en het goed (de boot) waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben, en dat het niet anders kan dan dat de gestorte en gevonden geldbedragen en het geld voor de boot onmiddellijk dan wel middellijk van misdrijf afkomstig zijn.
Aan de stelling van de verdediging dat aan de verdachte niet kan worden tegengeworpen dat het Openbaar Ministerie geen nadere informatie heeft gevonden, omdat de tenlastegelegde periode te ruim is en de verdachte noch bedrijven dergelijke informatie langer dan vijf jaar hoeven te bewaren, gaat het hof voorbij, nu de verdachte op geen enkele wijze inzicht heeft willen geven in het klantenbestand van zijn massagepraktijk, voor wie hij klussen heeft verricht of met wie hij heeft gehandeld in oldtimer bromfietsen en wat hij daarmee concreet zou hebben verdiend. De verklaring van de verdachte is daarmee op geen enkele wijze controleerbaar gebleken.
Ook aan de stelling van de verdediging dat voor de contante stortingen op de bankrekeningen in de periode 7 augustus 2018 tot en met 1 juli 2020 en het contante geldbedrag dat is aangetroffen in de caravan op 1 juli 2020 de kwalificatie-uitsluiting van toepassing is, “nu het voor de hand ligt dat de eventueel onverklaarbare stortingen uit deze periode afkomstig zijn uit eigen misdrijf gelet op de tenlastelegging, in het bijzonder feit 5,” gaat het hof voorbij nu het verweer niet concreter is geworden dan deze enkele stelling in de pleitnota.
Het tenlastegelegde gewoontewitwassen kan, gelet op de lange periode waarin de contante stortingen hebben plaatsgevonden, wettig en overtuigend worden bewezen.
Met betrekking tot het tenlastegelegde medeplegen is het hof met de rechtbank van oordeel dat, ondanks aanwijzingen daartoe, uit de processtukken onvoldoende is gebleken dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte, zijn partner [partner] en/of anderen. De verdachte wordt dan ook vrijgesproken van het strafverzwarende onderdeel ‘medeplegen’.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd,
terwijl bij de feiten 1, 2, 4 en 5 sprake is van eendaadse samenloop in de zin van artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht.
Het onder 6 bewezenverklaarde levert op:
van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
WOD-traject (Werken Onder Dekmantel)
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft in hoger beroep, zoals hiervoor in dit arrest reeds is vermeld, niet langer het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden als gevolg van de vormverzuimen die zich in het WOD-traject hebben voorgedaan. Dit neemt niet weg dat de verdediging zich ook in hoger beroep op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van ernstige vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek welke niet meer (volledig) kunnen worden hersteld, waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken en waarop een sanctie dient te worden gesteld, althans een compensatie noodzakelijk is. Er is voor de inzet van dit zware opsporingsmiddel gehandeld in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De noodzakelijk te achten juiste wijze van sturing met daarbij het creëren van voldoende waarborgen ontbraken. Hierdoor is sprake van diverse normschendingen. Uiteindelijk is vastgesteld dat het WOD-traject geen relevant bewijs heeft opgeleverd voor enig feit waarvoor de verdachte nu terechtstaat. Hierdoor werd zijn recht op een eerlijk proces enkel indirect aangetast. Indirect omdat deze kwestie de wijze waarop er naar de zaak werd en wordt gekeken behoorlijk lijkt te kleuren. Bewijsuitsluiting is echter evenmin aan de orde.
De verdediging stelt dat de onherstelbare vormverzuimen en schendingen hebben geleid tot een ernstige schending van artikel 8 EVRM. Het WOD-traject betrof geen observatie op afstand of aan de zijlijn, maar was een ernstige inbreuk op de privacy en het gezinsleven van de verdachte doordat de WOD-er niet alleen binnenkwam in verdachtes huis, maar ook binnendrong in zijn leven, zijn gezin en zijn sociale kring. Hij zat letterlijk bij hem thuis aan de keukentafel. En daar ging het ook ernstig mis. De eisen van proportionaliteit en subsidiariteit werden geschonden. De sturing en transparantie ontbrak. De undercover werd onderdeel van het gezinsleven. En na de aanhouding van de verdachte ging dat nog vele stappen verder. Het contact met de partner van de verdachte werd intensiever. Door de afwezigheid van de verdachte nam hij diens rol binnen het gezin over. De affectieve relatie die ontstond met zowel de partner van de verdachte als diens zoon, heeft zijn recht op privacy en eerbiediging van zijn gezinsleven in ernstige mate en blijvend geschonden.
Een dergelijke schending kan niet meer worden rechtgezet. Het heeft een blijvende schade opgeleverd. Een strafvermindering op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) vormt een compensatie voor de normschendingen en het handelen door de overheid. Een juridische compensatie. Maar feitelijk is er op persoonlijk vlak geen compensatie die enigszins recht kan doen aan deze situatie. Een aanzienlijke korting op een op te leggen straf maakt dat de verdachte eerder vrij komt en kan beginnen met het daadwerkelijk samen met zijn gezin verwerken van wat er is gebeurd. De verdediging stelt dat een compensatie van ten minste 25% op zijn plaats is en recht doet aan hetgeen de verdachte, zonder deugdelijke noodzaak en zonder dat hij hierop invloed heeft gehad, is overkomen en waar hij tot op de dag van vandaag mee moet leven, aldus de verdediging.
Het standpunt van het openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft, alles afwegende, geoordeeld dat ter compensatie van het daadwerkelijk ondervonden nadeel een strafvermindering dient plaats te vinden van een half jaar.
Het oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat het met de verdediging en het openbaar ministerie van oordeel is dat eventuele vormverzuimen en/of onvolkomenheden in het WOD-traject zijn begaan in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van aan hem tenlastegelegd feiten. De verdachte staat immers terecht voor strafbare feiten die in het kader van het onderzoek Lugo zijn geverbaliseerd en waarvoor de verdachte in het kader van het onderzoek Lugo is aangehouden en verhoord. Het WOD-traject naar ambtelijke corruptie was gericht op drugshandel en witwassen en liep in het kader van het onderzoek Lugo.
Het hof begrijpt de stellingname van de verdediging aldus dat het verweer in hoger beroep nog slechts ziet op onherstelbare vormverzuimen die hebben geleid tot een ernstige schending van artikel 8 EVRM die zouden moeten leiden tot strafvermindering. Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat het recht van verdachte op een eerlijk proces indirect is aangetast, is dit verweer niet nader onderbouwd en is het hof – los van de juistheid van het verweer – met de verdediging en het openbaar ministerie van oordeel dat bewijsuitsluiting niet meer aan de orde is gelet op het feit dat het openbaar ministerie de resultaten van het WOD-traject buiten het procesdossier heeft gelaten en dus niet voor de bewijsvoering heeft willen gebruiken.
In onderzoek Lugo zijn door de Rijksrecherche meerdere bijzondere opsporingsmethodes ingezet om zicht te krijgen op de criminele activiteiten van de verdachte [verdachte] , die in een eerder onderzoek (Grant) naar voren was gekomen onder de nickname “ [nickname 1] ” en betrokken zou zijn bij de invoer van harddrugs vanuit Zuid-Amerika via de haven van Vlissingen naar Europa. Het ging daarbij om onder meer het observeren van de verdachte, het opnemen en afluisteren van door hem gevoerde (tele)communicatie, het aansluiten van een printertap op twee encrypted (PGP) telefoons en het plaatsen van een peilbaken onder het voertuig dat bij de verdachte in gebruik was. Deze bijzondere opsporingsmethodes leverden echter onvoldoende onderzoeksresultaten op.
Op 19 december 2019 werd derhalve een aanvraag gedaan tot een bevel voor stelselmatige informatie inwinning. Dit bevel is afgegeven en daarna een aantal maal verlengd. Het doel was om de in het proces-verbaal van verdenking genoemde strafbare feiten te kunnen verifiëren dan wel te falsificeren en om door te dringen tot de “inner circle” van de verdachte en zijn crimineel samenwerkingsverband. Het WOD-traject is in de periode van december 2019 tot maart 2020 aangevangen met de aankoop en inrichting van een woning aan [adres 1] te [woonplaats] , te weten de woning naast die van de verdachte en zijn gezin (wonende op [adres 2] ). Bij de inzet werd gebruik gemaakt van meerdere informanten, waaronder en met name van opsporingsambtenaar [informant A] . Deze [informant A] was een politie-informant met financiële expertise en werd de bewoner van het pand aan [adres 1] te [woonplaats] . Zijn opdracht was telkens om sociaal contact te leggen met de verdachte en/of [partner] (de partner van de verdachte), teneinde op die manier informatie in te winnen over de verdachte.
Het WOD-traject liep ook nog op het moment dat de verdachte op 14 september 2020 werd aangehouden en vast kwam te zitten in voorlopige hechtenis. Ook na zijn aanhouding is het WOD-traject door blijven lopen en werd vooral sociaal contact gelegd en onderhouden met [partner] . Vanaf eind september 2020 is het WOD-traject in onderzoek Lugo overgegaan in onderzoek Pizarro, uitgevoerd door de Dienst Regionale Recherche, in die zin dat tot december 2020 sprake was van een overgangsfase. De in dat onderzoek uitgevoerde inzetten vonden in de periode tot december 2020 in juridische zin nog plaats op grond van de bevelen ex artikel 126i en 126j Sv, afgegeven in het onderzoek Lugo. Het WOD-traject in het onderzoek Pizarro is geëindigd op 14 april 2021 na het overlijden van informant
[informant A] .
Juridisch kader
Het WOD-traject is gebaseerd op artikel 126j Sv, waarin is bepaald dat in geval van verdenking van een misdrijf de officier van justitie in het belang van het onderzoek kan bevelen dat een opsporingsambtenaar, zonder dat hij als zodanig bekend is, stelselmatig informatie kan inwinnen over een verdachte. De Memorie van Toelichting bij de wet van 27 mei 1999 (Stb. 1999, 245), waarbij artikel 126j Sv werd ingevoerd, houdt inzake het stelselmatig inwinnen van informatie op grond van voormeld artikel onder meer het volgende in:
“In artikel 126j wordt voorgesteld te regelen dat de officier van justitie bevoegd is te bevelen dat een opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek stelselmatig informatie inwint over de verdachte, zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar. In de praktijk is het niet ongebruikelijk dat een opsporingsambtenaar onder een andere identiteit, dus undercover, stelselmatig informatie over een verdachte inwint, teneinde informatie of bewijsmateriaal te verzamelen. Een opsporingsambtenaar kan dit doen door stelselmatig in de omgeving van de verdachte te verkeren en aan activiteiten en gesprekken deel te nemen, waaraan ook de verdachte of personen uit de directe omgeving van de verdachte deelnemen.
Bij deze vorm van opsporing kan dus (...) niet alleen de privacy van de betrokken burgers in het geding zijn, maar kan tevens sprake zijn van misleiding: de burger weet niet dat de persoon met wie hij van doen heeft, een vertegenwoordiger van de overheid is. Deze bevoegdheid is alleen toegestaan ter opsporing van misdrijven. (...) De opsporingsambtenaar [heeft] uitdrukkelijk tot opdracht (...) om op zodanige wijze aanwezig te zijn in de omgeving van de verdachte, dat de verdachte of personen uit de directe omgeving van de verdachte, met hem contacten onderhouden zonder dat zij weten dat zij met een opsporingsambtenaar van doen hebben. De opsporingsambtenaar observeert dus niet alleen, maar interfereert actief in het leven van de verdachte. Hij gaat daarbij verder dan alleen waarnemen of luisteren. Gelet op de stelselmatigheid waarmee dit kan gebeuren, kan deze bevoegdheid een inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte.”
Uit het voorgaande volgt dat voor toepassing van artikel 126j Sv op zichzelf geen bijzondere eisen worden gesteld aan de aard en ernst van het misdrijf. Het wetsartikel voorziet in inmenging in het privéleven en inzet van de bevoegdheid brengt met zich dat sprake is van misleiding.
Voor de beoordeling van het verloop van het WOD-traject geldt dat een inzet als deze getoetst dient te worden aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, welke beginselen invulling hebben gekregen door jurisprudentie. Zo geldt als uitgangspunt hierbij dat de bijzondere ernst van het misdrijf het WOD-traject dient te rechtvaardigen en dat andere wijzen van opsporing redelijkerwijs niet voorhanden zijn. Aan de hand van het feitencomplex van deze zaak zal hierna beoordeeld worden of aan deze beginselen is voldaan.
Proportionaliteit en subsidiariteit
Blijkens het proces-verbaal aanvraag bevel stelselmatige informatie-inwinning bestond jegens de verdachte een verdenking van (poging tot) omkoping van een ambtenaar, medeplegen dan wel medeplichtigheid aan het invoeren in Nederland van verdovende middelen en (gewoonte)witwassen. In het onderzoek Lugo werden eerder al andere, minder vergaande, bijzondere opsporingsmethodes ingezet, maar daarmee was nog onvoldoende zicht verkregen op de handelingen van de verdachte, onder meer omdat de verdachte gebruik maakte van cryptotelefoons. De inzet van de stelselmatige informatie inwinning zou, zo blijkt uit dit proces-verbaal, voor het onderzoek noodzakelijk zijn.
De vraag waarvoor het hof zich allereerst gesteld ziet, is of het WOD-traject überhaupt ingezet had mogen worden. Het hof stelt voorop dat het ging om een verdenking ter zake van ernstige strafbare feiten (misdrijven). Met name de verdenking dat de verdachte contacten zou hebben met corrupte politie- en/of douaneambtenaren en de rol die de verdachte zou hebben gespeeld in de haven van Vlissingen bij de invoer van grote partijen harddrugs, zijn naar het oordeel van het hof zeer ernstig. Niet voor niets geldt voor dit laatste een strafmaximum van twaalf jaren gevangenisstraf. Corruptie onder (opsporings-) ambtenaren heeft voorts een grote ontwrichtende werking. Daar staat tegenover dat een intensief WOD-traject als het onderhavige een grote inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte (en zijn gezin) en dat sprake is van een aanzienlijke mate van misleiding teneinde meer informatie te vergaren. Echter, het hof is van oordeel dat het grote maatschappelijke belang dat is gediend bij de opsporing van deze ernstige misdrijven maakt dat de inzet van deze opsporingsbevoegdheid proportioneel is geweest.
Zoals hiervoor reeds overwogen, is het traject tegen de verdachte gestart in december 2019 en heeft dit traject jegens hem geduurd tot 14 september 2020, de dag van zijn aanhouding, in die zin dat er tot die datum ook directe contacten met de verdachte zelf hebben plaatsgevonden. De eerste vier maanden van het traject waren nodig voor de aankoop en inrichting van de woning naast de woning van de verdachte. In die periode was nog geen sprake van intensieve sociale contacten met de verdachte (of zijn gezin). De daadwerkelijke contacten met de verdachte in het kader van het WOD-traject hebben dus gedurende ongeveer 6 maanden plaatsgevonden. Deze termijn acht het hof, gezien de ernst van de feiten waarvan de verdachte werd verdacht, niet buiten proportie. Ook de frequentie en intensiteit van de inzetten in deze periode, zoals blijkt uit het WOD-dossier, acht het hof niet disproportioneel. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat er, naast de eerdere vermoedens, een sterk vermoeden van witwassen door de verdachte (en zijn partner [partner] ) was bijgekomen. Daarnaast geldt dat het creëren van een vertrouwensband met de verdachte, zoals door politie en justitie werd beoogd, de nodige tijd vergt.
Na de aanhouding van de verdachte heeft het WOD-traject nog doorgelopen. Ook tegen [partner] , de partner van de verdachte, is op de voet van artikel 126j Sv op 26 mei 2020 een bevel stelselmatige inwinning van informatie afgegeven en na de aanhouding van de verdachte was het WOD-traject met name op haar gericht. Het WOD-traject in het onderzoek Lugo liep door tot 13 december 2020. Na de aanhouding van de verdachte in september 2020 is dit onderzoek omgezet in het onderzoek Pizarro, althans was sprake van een overgangsfase, en in december 2020 is de juridische dekking ook overgegaan naar het onderzoek Pizarro. Dat onderzoek zag volgens de politie op andere criminele samenwerkingsverbanden waar zicht op was verkregen gedurende het WOD-traject.
Blijkens het procesdossier is op 16 september 2020 het bevel stelselmatige inwinning tegen de verdachte verlengd tot 19 december 2020. Deze verlenging heeft dus plaatsgevonden na de aanhouding van de verdachte en dit bevel heeft gelopen gedurende de periode dat de verdachte in voorarrest heeft verbleven. Aan de beslissing op de aanvraag verlenging ligt een proces-verbaal ten grondslag met daarin de gronden opgenomen. Deze werden blijkens dat proces-verbaal nog steeds aanwezig geacht, zodat de geldigheidsduur kon worden verlengd. Het hof acht ook de verlenging van deze inzet proportioneel, gelet op het voorgaande en nu hiertoe is beslist slechts twee dagen na de aanhouding van de verdachte en het verdere verloop van de voorlopige hechtenis op dat moment nog ongewis was. Daar komt bij dat het voorstelbaar is dat politie en justitie ook na de aanhouding van de verdachte nog een opsporingsbelang aanwezig achtten, te meer nu de verdachte de dag voor zijn aanhouding een groot contant geldbedrag aan [informant A] overhandigde om bitcoins te kopen en op een buitenlandse bankrekening te zetten. Daarnaast geldt dat er jegens [partner] ook een (verlengd) bevel stelselmatige informatie inwinning was afgegeven wegens de verdenking van witwassen, hetgeen een zelfstandige grond vormde voor het lopende WOD-traject.
Het voorgaande betekent dat het hof van oordeel is dat de duur van de WOD-inzet jegens de verdachte niet onevenredig lang is geweest en voldoet aan de eisen van proportionaliteit. Het hof is voorts van oordeel dat ook aan de eis van subsidiariteit is voldaan, nu niet is gebleken dat er andere, minder verstrekkende opsporingsmiddelen voorhanden waren. Er waren immers al andere opsporingsmiddelen ingezet en die hadden onvoldoende resultaat opgeleverd.
Sturing, waarborgen en normschending
Naar aanleiding van het overlijden van informant [informant A] op [datum] is in opdracht van de Korpschef en de Politiechef van de Landelijke Eenheid een onderzoekscommissie ingesteld: de commissie Brouwer. Deze commissie heeft de feiten en omstandigheden rond het overlijden van informant [informant A] onderzocht en heeft daarnaast de werkwijze van de WOD-organisatie beoordeeld. Het hof merkt daarbij op dat het onderzoek door de commissie Brouwer niet in een strafvorderlijk kader heeft plaatsgevonden en dat het onderzoek zag op het gehele WOD-traject, zowel in onderzoek Lugo als in onderzoek Pizarro. Het hof heeft, met de rechtbank, het Openbaar Ministerie en de verdediging, geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies zoals die zijn opgenomen in het rapport van de commissie Brouwer van 17 november 2021. Samengevat is de commissie Brouwer tot onder meer de volgende naar het oordeel van het hof voor deze strafzaak relevante conclusies gekomen:
- vanaf eind maart 2021 waren er feitelijke waarnemingen dat de mentale toestand van de informant achteruit ging en hij het onderscheid tussen zijn coverrol en zijn echte leven niet meer helder kon maken; dit heeft niet geleid tot adequate interventies;
Naar aanleiding van voornoemd rapport van de commissie Brouwer en in het kader van de waarheidsvinding in deze strafzaak, is in eerste aanleg, op bevel van de rechtbank, door de rechter-commissaris een aantal getuigen gehoord. Het gaat daarbij om [partner] , twee teamleiders van het team WOD, twee teamchefs van het team WOD, de getuige [informant B1] en de getuige [informant B2] . Daarnaast is in opdracht van de rechtbank het WOD-dossier aan het dossier toegevoegd en zijn aanvullende processen-verbaal opgemaakt om het verloop van het traject te reconstrueren.
Op grond van vorenstaande stukken is – samengevat en voor zover (nog) relevant – het volgende vast komen te staan:
Onder verwijzing naar het hiervoor overwogene ligt thans ter beantwoording door het hof de vraag voor of er in de onderhavige zaak sprake is van vormverzuimen in het opsporingsonderzoek die niet voor herstel vatbaar zijn in de zin van artikel 359a Sv, zo ja op welke wijze daaruit voor de verdachte nadeel is voortgevloeid en hoe dat nadeel eventueel moet worden gecompenseerd. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De inzet van een WOD-traject gaat gepaard met inmenging in het leven van een burger. De WOD-informant observeert niet alleen maar interfereert namelijk actief in het leven van de verdachte. Hij gaat daarbij verder dan alleen waarnemen of luisteren. Gelet op de stelselmatigheid waarmee dit kan gebeuren, kan deze bevoegdheid een inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte en de mensen in zijn directe omgeving, in casu zijn partner en zoon. Hoewel een WOD-informant ten behoeve van het welslagen van het traject, maar ook ten behoeve van zijn eigen veiligheid, een grote mate van vrijheid heeft ten aanzien van het door hem uit te voeren traject, is het van essentieel belang dat een dergelijk traject met de grootst mogelijke zorgvuldigheid wordt uitgevoerd en dat de belangen van alle betrokkenen zo goed mogelijk worden gewaarborgd.
Met betrekking tot de affectieve relatie die op enig moment is ontstaan tussen informant
[informant A] en [partner] is het hof van oordeel dat uit de processtukken, waaronder het WOD-dossier en de getuigenverhoren, niet is gebleken dat die affectieve relatie vanuit het WOD team een beoogd onderdeel was van de inzet van informant [informant A] . Getuige [informant B1] heeft ook expliciet verklaard dat hierop niet is gestuurd. Het hof constateert dan ook dat er kennelijk op enig moment tussen informant [informant A] en [partner] gevoelens zijn gaan spelen waar dit vanuit het kennelijke doel waarvoor informant [informant A] actief interfereerde in het leven van [partner] niet beoogd was. Hetzelfde geldt voor de emotionele band die is ontstaan tussen [informant A] en het destijds tienjarige zoontje van de verdachte en [partner] – waarbij het hof er overigens wel vanuit gaat dat dit contact steeds met toestemming van [partner] heeft plaatsgevonden.
Het hof is van oordeel dat op deze ontwikkelingen in het traject – hoewel deels inherent aan de inzet van een WOD-traject en naar moet worden aangenomen ook met de instemming en de toestemming van [partner] – niet adequaat is gereageerd en geacteerd door het team WOD en daarmee ook niet door het Openbaar Ministerie. Naar het oordeel van het hof is hierdoor sprake van een normschending in het voorbereidend onderzoek, die ook van invloed is geweest op het privé- en gezinsleven van de verdachte.
Rechtsgevolgen
De vraag die vervolgens voor het hof voorligt is wat de consequentie zou moeten zijn van de hiervoor geconstateerde normschending in het WOD-traject.
Gezien de aard en ernst van de normschending, is het naar het oordeel van het hof aannemelijk dat de verdachte hierdoor daadwerkelijk enig nadeel heeft ondervonden, nu deze van invloed is geweest op zijn privé- en gezinsleven. Dat nadeel is geschikt voor compensatie door middel van strafvermindering en deze strafvermindering is ook in het licht van de ernst van de normschending gerechtvaardigd. Het hof zal met deze strafvermindering bij de strafoplegging rekening houden.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan het invoeren vanuit Zuid-Amerika van zeer grote hoeveelheden cocaïne binnen het grondgebied van Nederland, via de haven van Vlissingen, te weten een partij van ongeveer 500 kilogram (die vervolgens is uitgevoerd naar Duitsland), een partij van ongeveer 812 kilogram en een partij van ongeveer 100 kilogram. Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor deze drie transporten alsmede voor andere transporten van cocaïne.
De verdachte heeft bij al deze feiten een essentiële rol gehad; hij speelde een belangrijke rol in de logistiek rond de invoer van de cocaïne in de haven van Vlissingen. Hij was een onmisbare schakel door contacten te onderhouden met personen die zich bezighielden met de invoer en handel in cocaïne, door anderen te voorzien van informatie over die transporten en door ervoor zorg te dragen dat de cocaïne traceerbaar was en uiteindelijk vanuit de haven van Vlissingen op de juiste plek terecht zou komen.
Dat de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan ernstige feiten is evident. Door het medeplegen van de invoer van dergelijke grote hoeveelheden cocaïne met een straatwaarde van vele miljoenen euro’s, heeft de verdachte zich begeven op het terrein van de internationale handel in harddrugs en een bijdrage geleverd aan het criminele drugscircuit. De handel in cocaïne gaat gepaard met vele vormen van criminaliteit en heeft een ontwrichtende werking op de samenleving. In de drugshandel gaat veel geld om, waardoor de financiële belangen van daders vaak groot zijn. Om die belangen te beschermen wordt (extreem) geweld niet geschuwd. Veel liquidaties die in het criminele circuit worden gepleegd, zijn direct of indirect het gevolg van conflicten in de onderwereld met betrekking tot deze handel in verdovende middelen. Daarnaast gaat er van de georganiseerde drugshandel in toenemende mate een ondermijnend en corrumperend effect uit. Boven- en onderwereld raken steeds meer met elkaar vermengd. Niet alleen worden grote sommen crimineel geld geïnvesteerd in legale activiteiten maar worden ook medewerkers van bijvoorbeeld op zichzelf bonafide bedrijven omgekocht en ingezet voor de handel in drugs. Dit tast het onderlinge vertrouwen binnen de samenleving in hoge mate aan en ondermijnt daarmee onze democratische rechtsstaat. De verdachte heeft geen oog gehad voor deze ongewenste effecten op de samenleving en was enkel uit op zijn eigen financiële gewin.
Naast voornoemde feiten, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen door contante stortingen te doen tot een totaalbedrag van € 526.730,00, door een contant geldbedrag van € 182.000,00 voorhanden te hebben en door een boot te kopen ten bedrage van € 37.500,00 en deze contant af te rekenen, terwijl de verdachte wist dat al deze geldbedragen van enig misdrijf afkomstig waren.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, het georganiseerde verband en de enorme hoeveelheden cocaïne, alsmede het hoge geldbedrag dat is witgewassen, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor aanzienlijke duur met zich brengt.
Het hof heeft daarbij ook acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Hieruit volgt dat doorgaans voor de invoer van meer dan 20 kilogram harddrugs (de hoogste trede van het oriëntatiepunt) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van minimaal 60 maanden als uitgangspunt wordt genomen en in georganiseerd verband een gevangenisstraf voor de duur van minimaal 72 maanden. In de onderhavige zaak is telkens sprake van een veelvoud van die 20 kilogram. Voorts is bij deze uitgangspunten nog geen rekening gehouden met de onder 5 bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen en evenmin met de omstandigheid dat de verdachte zich tevens schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen tot een bedrag van
€ 746.230,00. Uit de oriëntatiepunten volgt dat het plegen van fraude (waaronder door het hof ook witwassen wordt geschaard) met een benadelingsbedrag tussen € 500.000,00 en
€ 1.000.000,00 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 tot 24 maanden als uitgangpunt wordt genomen.
Voorts heeft het hof, net als de rechtbank, rekening gehouden met de omstandigheid dat ter zake van feit 5 (gedeeltelijk) sprake is van eendaadse samenloop met de feiten 1, 2 en 4.
Het hof heeft tevens rekening gehouden met de inhoud van het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 juni 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van overtreding van de Opiumwet, doch niet ter zake van harddrugs (het betrof tweemaal softdrugs). Voorts volgt uit voornoemd uittreksel dat artikel 63 Sr van toepassing is.
Ten slotte heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. In dat kader is door de verdediging naar voren gebracht dat de verdachte in detentie de nodige medische problemen heeft gekregen: zowel van psychische als van lichamelijke aard. Ondanks de vele consulten, onderzoeken en behandelingen, bleef de verdachte pijn houden aan zijn rug, buik en rechterarm, hetgeen zijn fysieke en mentale gezondheid verder verslechterde. Verkeerd en langdurig oxycodon-gebruik in detentie heeft bovendien geleid tot een opiatenafhankelijkheid/-verslaving. Inmiddels wordt dat gebruik afgebouwd en heeft de verdachte een operatie ondergaan, waardoor hij voor het eerst het gevoel heeft dat sprake is van verbeteringen, aldus de raadsman.
Alles afwegende, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest, als uitgangspunt dient te worden genomen. Zoals hiervoor reeds overwogen, zal het hof daarop nog strafvermindering toepassen vanwege het nadeel dat de verdachte door het WOD-traject heeft ondervonden. Het hof acht een compensatie van 6 maanden gerechtvaardigd. Dit betekent dat het hof thans een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden acht. De door de verdediging bepleitte strafafdoening – een straf die gelijk is aan de duur van het door de verdachte ondergane voorarrest (hof: circa 4 jaren en 6 maanden) – doet onvoldoende recht aan de aard en ernst van de feiten, zodat het hof aan dat verzoek voorbij gaat.
Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Gelet op de tot op heden voortdurende voorlopige hechtenis van de verdachte (behoudens een schorsing van 28 oktober 2021 tot 26 april 2023 in eerste aanleg), bedraagt die termijn in een geval als dit 16 maanden per instantie. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van strafvervolging zou moeten leven.
In de onderhavige zaak kan worden vastgesteld dat de redelijke termijn voor berechting zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is overschreden. Immers, de redelijke termijn is in eerste aanleg aangevangen op 14 september 2020, de dag waarop de verdachte is aangehouden en in verzekering is gesteld, en de rechtbank heeft vonnis gewezen op 26 april 2023. De behandeling in eerste aanleg is derhalve niet afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. In eerste aanleg is aldus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met 1 jaar en ruim 3 maanden. Namens de verdachte is vervolgens op 10 mei 2023 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 13 oktober 2026 arrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is daarmee met 2 jaar en ruim een maand overschreden.
Het hof acht geen (zodanig) bijzondere omstandigheden aanwezig die voornoemde overschrijdingen rechtvaardigen. Er is dan ook in twee instanties sprake van een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Het hof is van oordeel dat dit dient te worden verdisconteerd in de aan de verdachte op te leggen straf.
Zonder schending van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep zou, zoals hiervoor overwogen, een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest, passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn fors is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Voorlopige hechtenis
Gelet op voornoemde strafoplegging, ziet het hof geen aanleiding tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Beslag
De in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te een geldbedrag van
€ 182.000,00 en een boot, merk Cobalt, met kenteken [kenteken] , volgens opgave van de verdachte aan hem toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met betrekking tot welke het onder 6 tenlastegelegde en bewezenverklaarde gewoontewitwassen is begaan. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 55, 57, 63 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 tenlastegelegde feit en ter zake van het onder 4 tenlastegelegde feit, voor zover ziende op de tenlastegelegde invoer van 350 kilogram cocaïne.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 4, 5 en 6 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren en 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
een geldbedrag van € 182.000,00 en een boot, merk Cobalt, met kenteken [kenteken] .
Aldus gewezen door:
mr. S.V. Pelsser, voorzitter,
mr. M.C.C. van de Schepop en mr. J.J. Peters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 13 oktober 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.