Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 9 april 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 01-041166-24, 01-261252-24 en 01-021090-24, tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1957,
thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting (PPC) te Vught.
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als:
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de rechtbank ter zake van het onder parketnummer 01-041166-24 bewezenverklaarde aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opgelegd, alsmede een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.
Voorts heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] integraal toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank heeft de verdachte daarbij veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot de datum van de uitspraak begroot op nihil. Ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] is daarnaast de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Ten slotte heeft de rechtbank het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven op het moment van het onherroepelijk worden van het vonnis.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met aanvulling van de gronden en met uitzondering van de opgelegde gevangenisstraf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, rekening houdende met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4,5 maand met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 01-021090-24 tenlastegelegde bepleit. Daarnaast heeft de raadsman bepleit geen terbeschikkingstelling op te leggen, maar te volstaan met een contactverbod ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht en het hof verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen dan wel te schorsen. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] is door de verdediging niet betwist.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
in de zaak met parketnummer 01-041166-24:
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode tussen 1 november 2023 tot en met 5 februari 2024 te [locatie 1] , gemeente [gemeente] , en/of te [locatie 2] en/of te [locatie 3] en/of te [locatie 4] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde] , door
- veelvuldig, althans een of meermalen berichten te sturen via WhatsApp aan die [benadeelde] ,
- veelvuldig, althans een of meermalen te bellen naar die [benadeelde] ,
- veelvuldig, althans een of meermalen in contact te treden met familieleden van die [benadeelde] (haar zonen),
- een GPS tracker onder de auto van die [benadeelde] te bevestigen,
- zich telkens op te houden in de (directe) nabijheid van die [benadeelde] en/of
- die [benadeelde] telkens op te zoeken en/of langs de verblijfplaats van die [benadeelde] te rijden
met het oogmerk die [benadeelde] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
in de zaak met parketnummer 01-261252-24 (ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegd):
hij op of omstreeks 15 augustus 2024 te [locatie 1] , gemeente [gemeente] , opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 7 juli 2024, gegeven door de officier van justitie te arrondissement Oost-Brabant, door in strijd met die gedragsaanwijzing contact te zoeken met [benadeelde] , door die [benadeelde] bij de woning aan [adres] op te zoeken;
in de zaak met parketnummer 01-021090-24 (ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegd):
hij op of omstreeks 13 december 2023 te [locatie 1] , gemeente Bernheze, in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten het gemeentehuis van Bernheze, wederrechtelijk is binnengedrongen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 01-021090-24 tenlastegelegde
Het hof heeft, in navolging van het standpunt van de verdediging, uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-021090-24 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Het hof stelt voorop dat van ‘binnendringen’ in de zin van artikel 139, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) sprake is als het betreden van een voor de openbare dienst bestemd lokaal plaatsvindt tegen de – door een verklaring van de rechthebbende of op grond van een andere omstandigheid – onmiskenbare wil van de rechthebbende. Door toevoeging van het woord ‘wederrechtelijk’ is buiten twijfel gesteld dat het binnentreden – ook als dit tegen de wil van de rechthebbende is – niet strafbaar is als dit op een andere grond gerechtvaardigd is. Het betreden van een voor de openbare dienst bestemd lokaal nadat de betrokkene schriftelijk de toegang daartoe is ontzegd, levert in beginsel wederrechtelijk binnendringen in de zin van artikel 139, eerste lid, Sr op. Dat kan anders zijn onder bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld als de rechter het aannemelijk acht dat het lokaalverbod onrechtmatig is.
Het antwoord op de vraag of het opleggen van een lokaalverbod onrechtmatig is, wordt beheerst door het burgerlijk recht, in het bijzonder het eigendomsrecht of het met de eigenaar overeengekomen contractuele gebruiksrecht van de rechthebbende. Een uit het eigendomsrecht voortvloeiend gebruiksrecht is op grond van artikel 5:1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in beginsel exclusief. Dit recht vindt echter zijn beperking in de rechten van anderen, alsmede in wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht, waaronder – als de rechthebbende een overheidslichaam is of een overheidstaak uitoefent – eventueel toepasselijke geschreven en ongeschreven regels van publiekrecht, zoals bepaald in artikel 3:14 BW. Tot het publiekrecht behoren de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of de oplegging van een lokaalverbod de uit zijn eigendoms- of gebruiksrecht voortvloeiende vrijheid van de rechthebbende overschrijdt, laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Niet is vereist dat het lokaalverbod zijn grond vindt in een geconstateerd strafbaar feit, ook voldoende ernstige vormen van overlast kunnen daarvoor grond geven. Als het gaat om een voor het publiek toegankelijke ruimte van een openbare dienst zal een in strijd met het discriminatieverbod of een kennelijk willekeurig opgelegd lokaalverbod niet rechtmatig zijn.
Het hof stelt vast dat blijkens het locatieverbod van de gemeente Bernheze d.d. 12 december 2023 aan de verdachte de toegang tot het gemeentehuis en de directe omgeving – binnen een straal van twee meter tot het gemeentehuis – is ontzegd voor de duur van zes maanden. De aanleiding voor het locatieverbod is een incident op 8 december 2023 waarbij de verdachte in de hal van het gemeentehuis heeft gevraagd of de burgemeester met hem in gesprek wilde gaan, waarna door medewerkers van het gemeentehuis aan de verdachte kenbaar is gemaakt dat er geen reden voor de burgemeester bestond om dat op dat moment te doen. Daarop heeft een medewerker aan de verdachte gevraagd en hem vervolgens gevorderd om het gemeentehuis te verlaten, waaraan de verdachte geen gehoor gaf.
Het hof is van oordeel dat de reden voor het locatieverbod door de gemeentesecretaris te summier is gemotiveerd. Immers, uit die motivering is niet gebleken dat de verdachte ernstige overlast heeft veroorzaakt in dan wel in de directe omgeving van het gemeentehuis en ook uit de overige stukken in het politiedossier betrekking hebbende op de zaak met parketnummer 01-021090-24 is van enige ernstige overlast door de verdachte niet gebleken. Het hof acht het dan ook aannemelijk dat wegens het ontbreken van een dergelijke motivering het lokaalverbod onrechtmatig is opgelegd.
Het hof zal de verdachte bij gebreke van wettig en overtuigend bewijs derhalve van het tenlastegelegde vrijspreken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-041166-24 en het in de zaak met parketnummer 01-261252-24 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
in de zaak met parketnummer 01-041166-24:
hij in de periode tussen 1 november 2023 tot en met 20 januari 2024 in Nederland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde] , door
- veelvuldig berichten te sturen via WhatsApp aan die [benadeelde] ,
- veelvuldig te bellen naar die [benadeelde] ,
- veelvuldig in contact te treden met familieleden van die [benadeelde] (haar zonen),
- een GPS tracker onder de auto van die [benadeelde] te bevestigen, en
- die [benadeelde] telkens op te zoeken en langs de verblijfplaats van die [benadeelde] te rijden
met het oogmerk die [benadeelde] te dwingen iets te dulden;
in de zaak met parketnummer 01-261252-24 (ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegd):
hij op 15 augustus 2024 te [locatie 1] , gemeente [gemeente] , opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 7 juli 2024 gegeven door de officier van justitie te arrondissement Oost-Brabant, door in strijd met die gedragsaanwijzing contact te zoeken met [benadeelde] , door die [benadeelde] bij de woning aan [adres] op te zoeken.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 01-041166-24 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
belaging.
Het in de zaak met parketnummer 01-261252-24 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Op grond van de hierna onder het kopje ‘Op te leggen maatregelen in de zaak met parketnummer 01-041166-24’ weergegeven bevindingen en conclusies van de deskundigen [psycholoog] , GZ-psycholoog en drs. [psychiater] , psychiater, is het hof van oordeel dat beide bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Het hof zal hiermee rekening houden bij het bepalen van de op te leggen sanctie.
Er zijn overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte geheel uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sancties
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof, rekening houdende met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4,5 maand met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof, evenals de rechtbank, aan de verdachte de (gemaximeerde) maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal opleggen met daarnaast een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht aan de verdachte geen tbs-maatregel met dwangverplichting op te leggen nu, gelet op de wachttijden voor plaatsing in een tbs-kliniek en de omstandigheid dat de verdachte zich verzet tegen een behandeling, oplegging van deze maatregel enkel zal resulteren in een langere vrijheidsbeneming, hetgeen gelet op de duur van het voorarrest, de ernst van de feiten en het ontbreken van recidive disproportioneel is. De raadsman heeft derhalve het hof verzocht te volstaan met oplegging van een contactverbod met de ex-echtgenote van de verdachte ex artikel 38v Sr. Indien het hof wel overgaat tot oplegging van de tbs-maatregel, heeft de raadsman het hof verzocht in het arrest op te nemen dat sprake is van een gemaximeerde tbs-maatregel, nu de maatregel niet wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
De verdediging refereert zich aan het oordeel van het hof voor wat betreft de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf. Wel verzoekt de raadsman het hof om de voorlopige hechtenis op te heffen dan wel te schorsen.
Het oordeel van het hof
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Op te leggen straf
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de belaging van zijn ex-echtgenote en het overtreden van een gedragsaanwijzing. Ondanks dat zijn ex-echtgenote uitdrukkelijk aan hem kenbaar had gemaakt dat zij met rust wilde worden gelaten, heeft de verdachte haar gedurende een periode van bijna drie maanden stelselmatig lastiggevallen door haar veelvuldig berichten te sturen en haar veelvuldig te bellen, veelvuldig in contact te treden met haar familieleden (haar zonen), een GPS-tracker onder haar auto te bevestigen en haar telkens op te zoeken en langs haar verblijfplaats te rijden. Een in april 2024 opgelegde gedragsaanwijzing – welke in juli 2024 werd verlengd – inhoudende een contactverbod met zijn ex-echtgenote, heeft de verdachte er niet van kunnen weerhouden contact met haar op te blijven nemen, waarmee hij dus handelde in strijd met die gedragsaanwijzing. De verdachte heeft daarmee een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. De onmogelijkheid zich te onttrekken aan het door haar niet langer gewenste contact heeft grote indruk op haar gemaakt en haar dagelijks leven diepgaand beïnvloed. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de namens het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen slachtofferverklaring blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 22 juni 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Uit voornoemd uittreksel blijkt tevens dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. De verdachte heeft zich geobsedeerd getoond door tegen hem (vermeend) begaan onrecht. Hij voert al jarenlang een strijd tegen de gemeente vanwege een in zijn ogen oneerlijk verlopen bouwproject. De verdachte heeft zich hierin vastgebeten en heeft dit ten koste laten gaan van zijn relatie met zijn (inmiddels) ex-echtgenote, zijn kinderen en kleinkinderen.
Daarnaast heeft het hof in aanmerking genomen dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend en dat aan hem tevens de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd.
Het hof is van oordeel dat in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke straf die vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden en twee weken met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend en geboden.
Ten aanzien van de redelijke termijn stelt het hof voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaren nadat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. In gevallen waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeerde, moet de zaak telkens binnen zestien maanden worden afgedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
Het hof stelt vast dat de verdachte gedurende (het grootste deel van) het strafproces in eerste aanleg, alsmede het strafproces in hoger beroep in voorarrest zit. Namens de verdachte is op 23 april 2025 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof heden (op 13 oktober 2026) – en derhalve niet binnen zestien maanden na het instellen van het hoger beroep – arrest wijst. Aldus is de redelijke termijn in hoger beroep met ruim anderhalve maand overschreden. Van bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen, is het hof niet gebleken.
Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de passend en geboden onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal matigen met twee weken. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Op te leggen maatregelen in de zaak met parketnummer 01-041166-24
De maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) kan door de rechter worden opgelegd indien is voldaan aan de in artikel 37a Sr gestelde voorwaarden. Een van die voorwaarden houdt in dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast dient het door de verdachte begane feit een misdrijf te zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld dan wel die behoort tot een van de misdrijven omschreven in artikel 37a, eerste lid, onder 2 Sr, zoals in deze zaak het geval. Voorts dient de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dit eist, kan tevens worden bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd (artikel 37b, eerste lid, Sr). Voor oplegging van de maatregel is voorts vereist dat de rechter beschikt over een advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht (artikel 37a, derde lid, Sr).
Het hof heeft kennisgenomen van de volgende de verdachte betreffende rapportages:
De in 2026 opgestelde Pro Justitia rapporten dienden ter actualisatie van de in 2025 opgestelde rapporten. Uit die rapporten blijkt dat de verdachte moet worden aangemerkt als een weigerende observandus, zodat het toestemmingsvereiste van artikel 37a lid 3 Sr niet van toepassing is.
Het hof overweegt het volgende.
Uit de Pro Justitia rapporten van 2026 blijkt het navolgende, waarbij zowel de psychiater als psycholoog hebben opgemerkt dat die rapporten in samenhang met en in aanvulling op de eerdere rapporten van 2025 dienen te worden gelezen.
Uit het psychologisch onderzoek Pro Justitia d.d. 14 april 2026, komt – voor zover hier relevant – als conclusie het volgende naar voren:
“Ten aanzien van vorig rapport blijven de differentiaal diagnostische overwegingen ongewijzigd. Alles omvattend blijft wederom de autismespectrumstoornis van kracht, zowel in huidige en eerder contact, als in de verkregen informatie en eerder verricht psychodiagnostisch onderzoek. Er blijven duidelijke signalen naar voren komen met betrekking tot rigiditeit, starheid en volhardendheid. Hierbij heeft betrokkene onvoldoende inlevingsvermogen in wat zijn gedrag en overtuigingen met de mensen om hem heen doen. Er is voor betrokkene momenteel geen alternatieve coping aanwezig. Hij is gekend met doorzetten en de extremiteiten opzoeken van hongerstaking tot zelfmoorduitingen. Op basis van de verkregen informatie en hetgeen ondergetekende heeft gezien, is er onvoldoende bekend om de bipolaire I stoornis over te kunnen nemen. Er wordt namelijk gezien dat er vanaf 2016 sprake lijkt van bepaald waandenken. Dit kan zowel aan een hypomane episode worden toegeschreven als aan een realiteitsstoring vanuit een psychotische stoornis of een waanstoornis. Een psychotische stoornis lijkt uitgesloten aangezien betrokkene op het inhoudelijk denken onvoldoende reageert op medicatie en niet geheel voldoet aan criteria A. Het waandenken is reeds vanaf 2016 aanwezig en lijkt niet te fluctueren. Er is een duidelijk patroon van momenten waarop betrokkene decompenseert en wordt opgenomen. Echter is het retroperspectief moeilijk de duiden of de geobserveerde klachten niet (ook gedeeltelijk) voortkwamen uit de gestelde autismespectrumstoornis. Luxerend lijken situaties waar betrokkene geen grip op heeft en in zijn recht blijft staan. Momenteel is er geen sprake van een hypomane episode. Ondergetekende schat in dat het huidige beeld samenhangt met de gestelde autismespectrumstoornis. Hierin blijft betrokkene volhardend, maar verliest niet de realiteit of slaat hierin door. Hij kan de rem toepassen. Er is daarnaast onvoldoende informatie om uitspraken te doen over zijn persoonlijkheid of een eventuele psychotische stoornis, waaronder een waanstoornis.
(…)
Betrokkene vertoont kenmerken van autismespectrumproblematiek, wat kan verklaren waarom hij zich rigide fixeert op zijn ervaren onrecht en het in contact komen met zijn ex-vrouw. Deze fixatie gaat gepaard met een beperkte empathie, waardoor hij zich moeilijk kan verplaatsen in de emoties van anderen. Daarnaast is er sprake van verminderde impulscontrole en stoornissen in oordeels- en kritiekvermogen. Deze factoren kunnen de fixatie op instanties en gedrag naar aangeefster en hun kinderen verergeren doordat zijn aanhoudend gedrag geen voldoening voor betrokkene oplevert. Dit gedrag heeft geleid tot significante verstoringen in de relaties van betrokkene, met name met zijn familie. Dit heeft geleid tot stalking c.q. belaging van zijn ex-vrouw, indien bewezen. Hierbij is wel een verschil te zien om de momenten dat hij medicatie heeft. De impulsen lijken dat meer onder controle en emoties zijn dan meer gestabiliseerd. Echter geeft betrokkene ook aan het niet eens te zijn met deze medicatie. De overtuiging dat hij recht heeft om zijn jeugdliefde, het slachtoffer, zijn liefde te blijven verklaren en haar kansen te blijven bieden het contact met hem weer op te pakken, is toe te rekenen aan de persisterende deficiënties passende van zijn autismespectrumstoornis.
Er kan worden gesteld dat het ten laste gelegde voortvloeit uit de autismespectrumstoornis. De autismespectrumstoornis heeft zijn oordeels- en kritiekvermogen aangetast. Het eerder gegeven advies om het ten laste gelegde verminderd toe te rekenen wordt dan ook overgenomen in onderhavig rapport.
(…)
Alles overziend wordt het risico op toekomstig delict gedrag ingeschat als zeer hoog. Er is sprake van een ontbrekend ziektebesef en -inzicht wat maakt dat hij niet vrijwillig interventies zal accepteren om zijn autismespectrumstoornis en zijn eventuele bipolaire- of waanstoornis te laten behandelen. Dit geeft een verhoogd risico dat hij medicatie zal blijven weigeren als er vanuit vrijwillige basis zorg wordt aangeboden en de rigide denkpatronen zullen blijven voortbestaan. Betrokkene blijft kenbaar maken dat hij niet achter elke vorm van behandeling dan ook staat en heeft dit in het verleden meermaals laten zien. Ook blijft hij aangeven aangeefster te zullen blijven bezoeken. Dit samen vergroot de kans op een nieuwe decompensatie en delictgedrag, waarbij inmiddels bekend is dat betrokkene standvastig vasthoudt aan zijn eigen overtuigingen en hiernaar handelt.
(…)
Het interventieadvies en de daarbij horende voorwaarden blijven ongewijzigd.”
Het betreffende interventieadvies en strafrechtelijke (juridische) kader(s), zoals opgenomen in het psychologisch onderzoek Pro Justitia d.d. 14 januari 2025, vermeldt onder meer het volgende:
“Om het hoge recidiverisico te verminderen, dient de autismespectrumstoornis te worden behandeld. Cognitieve gedragstherapie kan hierbij helpen om obsessieve gedachten en gedragingen te verminderen. Gedragsinterventies gericht op het verbeteren van sociale vaardigheden en het verminderen van obsessief gedrag kunnen hierbij ook nuttig zijn. Er kan eventueel ook gedacht worden aan medicatie. Ook dient de psychiatrische problematiek beter in kaart te worden gebracht. Daarnaast dienen de persoonlijkheidsstructuur en copingvaardigheden in kaart te worden gebracht. Er dient ook rekening te worden gehouden met het gegeven dat betrokkene aangeeft niet te zullen stoppen met het stalkgedrag. Om in de eerste fase voornamelijk stil te kunnen staan bij contactname, motivatie, inzicht en behandeling en controle te kunnen blijven houden op het actuele stalkgedrag, wordt geadviseerd dit op een FPK/FPC te doen, waarbij er een mogelijkheid bestaat betrokkene geen toegang te geven tot communicatiemiddelen om aangeefster te bereiken. Daarnaast kunnen de symptomen die voortkomen vanuit de onderliggende autismespectrumproblematiek (o.a. rigide fixatie op ervaren onrecht en beperkte afstemming in belangen/emoties van anderen) minder tot niet (medicamenteus) behandeld worden.
Omdat een dwingend kader dus noodzakelijk is voor gedragsverandering, is een TBS met dwangverpleging aangewezen. Betrokkene zou dan langdurig gedwongen opgenomen kunnen worden. Zo zou er ruim de tijd zijn om de behandeling zoals hierboven beschreven stapsgewijs aan te pakken. Ook zou hij vrijwel geen mogelijkheden meer hebben om aangeefster te benaderen. Gezien de eerdere pogingen om het gedrag van betrokkene te laten stoppen en hij zich hier niet aan kon houden, samen met zijn uitspraken dat hij niet zal stoppen, wordt een TBS met voorwaarden niet haalbaar geacht. Gezien het terugkerend delictpatroon en het weigeren van interventies, wordt daarnaast een Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende Maatregel (GVM) geadviseerd. Hierbij is gelet op de duur van de gedragingen, de impact voor het slachtoffer, het aantal verschillende slachtoffers (fixatie op gemeente, ex-vrouw, kinderen, kleinkinderen), de hardnekkigheid van het geconstateerde gedrag bij betrokkene en het hoge recidiverisico. Om de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen te beschermen, dient betrokkene langdurig onder toezicht te staan.”
Blijkens het psychiatrisch onderzoek Pro Justitia d.d. 13 april 2026 is de rapporteur, drs. [psychiater] , evenmin tot nieuwe inzichten gekomen. Wel is door de psychiater opgemerkt dat uit de dossierstukken er meer zicht is gekomen op verdachtes overtuigingen, de hardnekkigheid en rigiditeit van zijn houding en gedrag, maar ook dat hij in de periode van en na het overlijden van zijn broer en het gebruik van dwangmedicatie in maart 2025 tijdens de zitting een rustiger en meer meewerkend beeld liet zien. In de latere zitting van september 2025 is echter eenzelfde houding en gedrag te lezen als dat hij tot aan eind 2024 liet zien.
Het eerder door drs. [psychiater] opgemaakte psychiatrisch onderzoek Pro Justitia d.d. 14 januari 2025, houdt – eveneens voor zover hier relevant – het volgende in:
“Er is bij betrokkene sprake van een autismespectrumstoornis. De diagnoses bipolaire-I-stoornis en waanstoornis zijn uitgesteld. De bij betrokkene vastgestelde psychische problematiek, namelijk zijn autismespectrumstoornis, is al geruime tijd aanwezig, is chronisch van aard, en dus ook gelijktijdig met de periode waarin het tenlastegelegde feit heeft plaatsgevonden. De psychische stoornis beïnvloedde de gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde. Indien het tenlastegelegde bewezen wordt geacht, wordt daarom geadviseerd om dit betrokkene in verminderde mate toe te rekenen. Ondanks de aanwezigheid van de kwetsbaarheid vanuit zijn autismespectrumstoornis mag er worden aangenomen dat betrokkene de keuzes voor zijn gedrag op de langere termijn wel kon overzien en hierin andere beslissingen kon nemen. Hij weet wat de consequenties voor zichzelf zijn van het voortzetten van contact zoeken maar kiest ervoor om dit wel te blijven doen. Hij houdt star vast aan zijn eigen overtuigingen.
Met gebruikmaking van het geëigende instrument voor stalking/belaging en na klinische weging kan worden gesteld dat het risico op volharding bij aangeefster als ‘hoog’ wordt ingeschat. Het risico op een gewelddadige escalatie wordt als ‘laag’ ingeschat. Het risico op psychosociale schade voor betrokkene zelf is ‘hoog’. Er worden op dit moment geen beschermende functies gezien. Betrokkene laat een hardnekkig en consistent beeld zien waarbij hij strijdt tegen onder andere de gemeente en hij zijn gelijk wil halen voor het onrecht die hij ervaart. Vanuit de ggz is er in het verleden behandeling en begeleiding geweest maar dit is gestopt omdat betrokkene hier niet achter stond en er voor gedwongen zorg geen doelmatigheid in de behandeling werd gezien. Op dit moment heeft betrokkene vrijwel geen sociaal netwerk, er is momenteel geen woning waar hij zou kunnen verblijven en er is geen zicht op financiën. Bovengenoemde risicofactoren en afwezige beschermende factoren maken dat er een hoog risico is op volharding als betrokkene geen behandeling ondergaat.
Ter reductie van het risico is het belangrijk dat betrokkene behandeling krijgt die zich richt op zijn gedragingen en welke gevolgen dit teweeg brengt voor anderen. Betrokkene is slecht in staat tot het herkennen van de emoties van anderen of om hier (voldoende) rekening mee te houden. Gelet op zijn stoornis en leeftijd is de vraag in hoeverre hier nog enig leerbaarheid in is. Een behandeling specifiek gericht voor stalkers is aangewezen. Medicatie zou effectief kunnen zijn om het rigide denken enigszins te verminderen, dit zal tijdens een behandeling moeten blijken of hier indicatie voor is en zo ja, of dit effectief is. Betrokkene geeft echter duidelijk te kennen dat er niks met hem aan de hand is. Er zal een langdurige behandeling, waarschijnlijk jarenlang, noodzakelijk zijn. Gelet op zijn houding lijkt een behandeling in een ambulante setting momenteel niet haalbaar en zal hij zich niet aan gestelde voorwaarden gaan houden. Het gedrag en volharding van de stalking behoeft een strakke externe structuur daar het betrokkene zelf op dit moment niet lukt. Anderzijds is er een laag risico op geweld wat maakt dat er geen hoog beveiligingsniveau nodig wordt geacht. De interventies kunnen geëffectueerd worden binnen een tbs met dwangverpleging. Daarbij valt eveneens te overwegen om een Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende Maatregel op te leggen.”
Uit het reclasseringsadvies d.d. 7 september 2026 volgt dat de reclassering gelet op de langdurigheid en vasthoudendheid van de huidig tenlastegelegde feiten een gedragspatroon aangaande belaging ziet. De verdachte blijft uitspreken na een invrijheidstelling opnieuw contact te zoeken met de gemeente totdat de (in zijn optiek) bouwfraude is opgelost. Hij hoopt en gaat er vanuit dat zijn ex-partner dan weer bij hem terugkomt. De reclassering ziet als risicofactoren de (verbroken) relatie met zijn ex-partner en zijn kinderen en het psychosociaal functioneren. Indirect is de houding van betrokkene risicoverhogend, ingegeven door de autismespectrumproblematiek, zoals in 2025 gesteld door de gedragsdeskundigen en nu, in 2026, ondanks zijn niet meewerkende houding, bevestigd. Er zijn geen steunende bronnen en beschermende factoren in het leven van de verdachte (behoudens de thans geboden beveiligde en controlerende omgeving en dwangmedicatie). Hoewel de verdachte nu, vanwege de dwangmedicatie en de controlerende beveiligde omgeving rustiger oogt, is er nog altijd geen sprake van ziektebesef en -inzicht. Zodra de dwangmedicatie wegvalt zal de verdachte snel ontregelen, zo is de verwachting. In een situatie buiten de beveiligde controlerende omgeving zal de verdachte geen medicatie innemen; hij persisteert thans nog bij weigering ervan. Medicatieverplichting in welk voorwaardelijk justitieel kader dan ook is niet mogelijk. Bovendien wil de verdachte geenszins meewerken aan een klinische opname, die in de optiek van de reclassering en gedragsdeskundigen wel noodzakelijk is. De reclassering schat het risico op herhaling van de tenlastegelegde feiten onverminderd (zeer) hoog in. De kans op onttrekken aan eventuele voorwaarden schatten zij eveneens hoog in. Dermate hoog dat zij nog steeds geen enkel aanknopingspunt zien voor een gunstig verloop van welk voorwaardelijk kader dan ook. De reclassering adviseert dan ook negatief over tbs met voorwaarden. Zij zien geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. Vrijwillig innemen van medicatie blijft verdachte weigeren. Tegen de depotmedicatie is betrokkene in beroep. Hij zegt dat hij vrijwillig geen medicatie zal innemen en klinische behandeling wil hij absoluut niet. Bij een veroordeling tot tbs of een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf adviseert de reclassering een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de tbs of gevangenisstraf.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte er blijk van gegeven dat hij geen enkel ziektebesef heeft en aan geen enkele behandeling zal meewerken dan wel vrijwillig medicatie zal innemen. Naar eigen zeggen is hij om politieke redenen voor gek verklaard.
Conclusie
Het hof komt gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en in onderlinge samenhang bezien tot de conclusie dat het ziektebeeld waarmee de verdachte in 2025 is gediagnostiseerd nog immer bij hem aanwezig is en dit ook het geval was ten tijde van het bewezenverklaarde feit. Het hof is voorts van oordeel dat het gevaar op herhaling hoog is, indien de verdachte onbehandeld blijft en dat die behandeling slechts in het kader van een tbs met verpleging van overheidswege kan plaatsvinden.
Concluderend stelt het hof vast dat aan de wettelijke eisen als genoemd in de artikelen 37a en b, eerste lid, Sr is voldaan. Bij de verdachte was ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde sprake van een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, de verdachte wordt veroordeeld voor een feit waarvoor de tbs-maatregel kan worden opgelegd en naar het oordeel van het hof eist de algemene veiligheid van personen en goederen oplegging van de maatregel van tbs en het bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd.
Duur tbs-maatregel: gemaximeerd
Artikel 359, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat als de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, het vonnis (zo ook het arrest) dit onder opgave van redenen aangeeft. Dit motiveringsvoorschrift in samenhang met artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht heeft het hof aanleiding gegeven zich een oordeel te vormen over de vraag of in de onderhavige zaak sprake is van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Het hof overweegt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging van zijn ex-echtgenote. Die belaging bestond uit het veelvuldig berichten sturen naar zijn ex-echtgenote en haar veelvuldig te bellen, veelvuldig in contact te treden met haar familieleden (haar zonen), een GPS-tracker onder haar auto te bevestigen en haar telkens op te zoeken en langs haar verblijfplaats te rijden. Het hof stelt vast dat de belaging niet is voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal agressief gedrag. Er is derhalve geen sprake van een misdrijf gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit brengt op grond van artikel 38e, eerste lid, Sr mee dat de totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege de periode van vier jaar niet te boven mag gaan.
Maatregel ex artikel 38z Sr
Naast het opleggen van de tbs-maatregel met dwangverpleging hebben de gedragsdeskundigen en de reclassering geadviseerd om aan de verdachte tevens een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr op te leggen, vanwege de vermoedelijke lange behandelduur door de complexiteit van de problematiek. Deze maatregel in combinatie met een tbs-maatregel is bedoeld om de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen te beschermen in aansluiting op een in duur gemaximeerde tbs-maatregel.
Het hof gaat er, gezien de adviezen van de deskundigen en de reclassering, van uit dat de klinische behandeling van de verdachte langere tijd in beslag zal nemen mede gelet op het terugkerend delictpatroon en het eerdere weigeren van interventies. Gelet op de maximering van de op te leggen tbs-maatregel, afgezet tegen de rapportages van de deskundigen en de reclassering, de stoornissen van de verdachte en het hoge recidivegevaar, acht het hof het noodzakelijk om naast de tbs met dwangverpleging ook de maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen. Aan de voorwaarden voor het opleggen van een dergelijke maatregel is voldaan, nu de verdachte ter beschikking gesteld wordt én de veiligheid van anderen de oplegging van een dergelijke maatregel eist. Het hof zal daarom tot de oplegging van deze maatregel overgaan.
Voorlopige hechtenis
Nu het hof aan de verdachte naast een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden ook de maatregel tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging oplegt, zal het hof ingevolge het bepaalde in artikel 72, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering – anders dan door de raadsman is verzocht – niet overgaan tot opheffing van de voorlopige hechtenis. Ook voor schorsing van de voorlopige hechtenis ziet het hof geen aanleiding. De strafvorderlijke belangen bij voortzetting van de voorlopige hechtenis prevaleren boven de persoonlijke belangen van de verdachte bij schorsing daarvan.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] integraal toegewezen voor het bedrag van € 1.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank heeft de verdachte daarbij veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot de datum van de uitspraak begroot op nihil.
De benadeelde partij [benadeelde] heeft schriftelijk te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] is door de verdediging niet betwist.
Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van het in de zaak met parketnummer 01-041166-24 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade heeft geleden.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat (hierna ook te noemen: immateriële schade) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. De benadeelde partij heeft niet, althans onvoldoende, onderbouwd dat hiervan sprake is.
Indien, zoals in het onderhavige geval, het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in haar persoon ‘op andere wijze’ sprake is.
Bewezen is verklaard dat de verdachte de benadeelde partij, zijn ex-echtgenote, gedurende bijna drie maanden stelselmatig heeft lastiggevallen door haar veelvuldig berichten te sturen en haar veelvuldig te bellen, veelvuldig in contact te treden met haar familieleden (haar zonen), een GPS-tracker onder haar auto te bevestigen en haar telkens op te zoeken en langs haar verblijfplaats te rijden.
Uit de door en namens de benadeelde partij gegeven toelichting leidt het hof af dat de benadeelde psychisch heeft geleden naar aanleiding van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en dat dit handelen heeft geleid tot een ernstige aantasting van haar persoonlijke levenssfeer en de persoonlijke vrijheid. De benadeelde partij beschrijft dat het gedrag van de verdachte een grote impact op haar leven heeft gehad, dat het haar bang en verdrietig maakte, dat het haar nachtrust ernstig verstoorde en dat dit leidde tot constante stress overdag. De benadeelde was voortdurend bezig met haar veiligheid en leefde in angst voor wat de volgende stap van de verdachte zou zijn. Veilig Thuis heeft vanuit veiligheidsoverwegingen dan ook een Aware-knop bij de benadeelde geplaatst. De aanhoudende stress begon zich ook fysiek bij de benadeelde te uiten; ze voelde zich ziek en kreeg last van hoofdpijn en spierpijn. De benadeelde heeft hierdoor besloten vervroegd met pensioen te gaan. Ten slotte is de benadeelde bij een praktijkondersteuner geweest om haar verhaal te kunnen doen.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de hier bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. Het hof acht in de onderhavige situatie, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, te weten de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, zoals hiervoor omschreven, en gelet op de bedragen die door Nederlandse rechter in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, een immateriële schadevergoeding van € 1.500,00 billijk en zal de gevorderde schade aldus toewijzen.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente. De onderhavige belaging heeft plaatsgevonden in de periode tussen 1 november 2023 tot en met 20 januari 2024. De ingangsdatum van de wettelijke rente zal daarom worden gesteld op de laatste dag van de bewezenverklaarde periode, te weten op 20 januari 2024, zijnde de dag waarop de schade wordt geacht te zijn geleden.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het in de zaak met parketnummer 01-041166-24 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 1.500,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38z, 57, 63, 184a en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-021090-24 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-041166-24 en het in de zaak met parketnummer 01-261252-24 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het in de zaak met parketnummer 01-041166-24 en het in de zaak met parketnummer 01-261252-24 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
en ten aanzien van parketnummer 01-041166-24:
gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld voor de duur van maximaal 4 (vier) jaren en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;
legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking;
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 15 (vijftien) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere in zoverre vervalt.
Aldus gewezen door:
mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,
mr. J. Platschorre en mr. S. Riemens, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen, griffier,
en op 13 oktober 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.