ECLI:NL:GHSHE:2026:296

ECLI:NL:GHSHE:2026:296

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 28-01-2026
Datum publicatie 10-02-2026
Zaaknummer 20-000030-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

[verdachte] ,

BESLISSING

Parketnummer : 20-000030-25

Uitspraak : 28 januari 2026

TEGENSPRAAK

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 20 december 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-061913-24 tegen:

geboren [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is een straftoemetingsverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, met aanvulling van de gronden waarop dit berust. Hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht, heeft het hof niet tot andere afwegingen en beslissingen gebracht dan de rechtbank, in het bijzonder niet ten aanzien van de aan de verdachte op te leggen straf. Hoewel de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep heeft gevorderd dat het hof de door de eerste rechter opgelegde straf, mede in verband met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zal matigen tot vier jaar gevangenisstraf, en ook de verdediging heeft bepleit dat aan de verdachte een lagere straf zal worden opgelegd dan de rechtbank heeft gedaan, ziet het hof daartoe onvoldoende grond, gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd.

Het hof zal het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen nu het hof daartoe termen aanwezig acht.

Aanvulling bewijsmiddelen

De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, aanvulling.

Naast de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen komt de bewezenverklaring mede te berusten op het navolgende bewijsmiddel.

Het proces-verbaal d.d. 5 juli 2024 (los document), voor zover inhoudende als verklaring van verbalisant [verbalisant 2] , opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee, Brigade Recherche, Forensische Opsporing:

Dit proces-verbaal betreft een rectificatie naar aanleiding van een foutief ingevoerde gewichtsbepaling naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).

Verbalisant [verbalisant 1] , welke op 28 februari 2024 belast is geweest met het NFiDENT-proces, heeft ten tijde van het invoeren van de gewichtsbepaling abusievelijk het verkeerde gewicht ingevoerd in de computersystemen naar het NFI, te weten: 7000 gram. Ten tijde van het vooronderzoek verdovende middelen, welke is uitgevoerd door de Forensische Opsporing Koninklijke Marechaussee, is een gewicht geconstateerd van 119.691,60 gram.

Conclusie:

=======

In de "Omschrijving FO", zoals in het NFI-rapport omschreven, moet de 7000 gram dus 119.691,60 gram zijn. Hierbij dient de nieuwe "Omschrijving FO" als volgt te worden gelezen:

"poeder en brokjes, wit, uit 119.691,60 gram; aantal bemonsteringen in onderzoek: dertien"

Opheffing van het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis

De voorlopige hechtenis van de verdachte is bij bevel van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 maart 2024 met ingang van 7 maart 2024 te 16:00 uur geschorst onder de daarin genoemde voorwaarden.

Het hof acht thans termen aanwezig het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis bij gebrek aan actuele gronden op te heffen.

Het hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het vorenoverwogene;

heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,

mr. R. Lonterman en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,

en op 28 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?