ECLI:NL:GHSHE:2026:3028

ECLI:NL:GHSHE:2026:3028

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 30-10-2026
Datum publicatie 29-10-2026
Zaaknummer 20-002900-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Het gerechtshof veroordeelt de verdachte ter zake van ‘belaging’ tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Het hof verbindt aan de voorwaardelijke gevangenisstraf bijzondere voorwaarden. Daarnaast legt het hof aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende een contact- en locatieverbod voor de duur van vijf jaren, welke maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Daarnaast heeft het hof beslist op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 12 november 2025 in de strafzaak met parketnummer 01-310543-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Bij het vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als ‘belaging’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De politierechter heeft aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf, naast de algemene voorwaarde dat de verdachte zich niet schuldig maakt aan enig strafbaar feit, bijzondere voorwaarden verbonden in de vorm van een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname, een contactverbod met [benadeelde] , een locatieverbod op en rondom het adres waar [benadeelde] woonachtig is en het zich houden aan de richtlijnen middelengebruik van de reclassering. De politierechter heeft deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaard.

Daarnaast heeft de politierechter aan de verdachte vrijheidsbeperkende maatregelen in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna telkens: Sr) opgelegd, telkens voor de duur van vijf jaren, in de vorm van een contactverbod met [benadeelde] en haar zoon [betrokkene] , alsmede een gebiedsverbod voor het adres waar [benadeelde] woonachtig is ( [adres 2] en ingesloten door de straten [straat 1] en [straat 2] ), waarbij telkens is bepaald dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee weken bij de eerste overtreding, drie weken bij de tweede overtreding, oplopend tot maximaal zes maanden in totaal. De politierechter heeft deze vrijheidsbeperkende maatregelen eveneens dadelijk uitvoerbaar verklaard.

Ten slotte heeft de politierechter de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 4.088,99, bestaande uit € 589,99 aan materiële schade en € 3.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij is in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De politierechter heeft de verdachte daarbij veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot de datum van de uitspraak begroot op nihil. Ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] is daarnaast de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Door de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Aan deze voorwaardelijke straf dienen volgens de advocaat-generaal bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals door de reclassering is geadviseerd, met uitzondering van het contact- en locatieverbod. De advocaat-generaal heeft het hof verzocht het contact- en locatieverbod – inhoudende een contactverbod met [benadeelde] en haar zoon [betrokkene] alsmede een locatieverbod op en rondom het adres waar [benadeelde] woonachtig is – enkel in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr aan de verdachte op te leggen voor de duur van vijf jaren, waarbij wordt bepaald dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee weken bij de eerste overtreding, drie weken bij de tweede overtreding en oplopend tot maximaal zes maanden in totaal. De advocaat-generaal heeft tevens gerekwireerd tot dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en de vrijheidsbeperkende maatregel.

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ten aanzien van het tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. Daarnaast heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] heeft de raadsvrouw tegen enkele gevorderde posten verweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis onder aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf, de beslissing op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. Bijgevolg komen de overwegingen van de politierechter ten aanzien van de opgelegde straf, de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel te vervallen en zullen deze worden vervangen door hetgeen hierna zal worden overwogen.

Het hof ziet daarnaast aanleiding de bewijsmiddelen van de politierechter aan te vullen en te verbeteren. Omwille van de leesbaarheid zal het hof de bewijsmiddelen in het geheel vervangen zoals hierna is opgenomen.

Bewijsmiddelen

Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar:

I. het eindproces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, zaakregistratienummer PL2100-2024119432, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdagent, en gesloten d.d. 4 september 2024, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen en met doorgenummerde dossierpagina’s 1-231;

II. het eindproces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, zaakregistratienummer PL2100-2025065581, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 2] , hoofdagent, en gesloten d.d. 4 augustus 2025, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen en met doorgenummerde dossierpagina’s 1-138.

Het hof zal, nu de verdachte heeft bekend dat hij het tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld en zijn raadsvrouw dienaangaande geen vrijspraak heeft bepleit, overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan met de volgende opgave van de bewijsmiddelen:

De bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 16 oktober 2026;

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juli 2024, dossierpagina’s 25-26 van het einddossier onder I, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] ;

Het proces-verbaal van aangifte d.d. 22 april 2024, dossierpagina’s 28-32 van het einddossier onder I, voor zover inhoudende de verklaring van [benadeelde] ;

Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 15 mei 2024, dossierpagina’s 36-40 van het einddossier onder I, voor zover inhoudende de verklaring van [benadeelde] ;

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 juni 2024, dossierpagina’s 50-51 van het einddossier onder I, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 6] ;

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 juni 2024, dossierpagina 55 van het einddossier onder I, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] ;

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 juni 2024, dossierpagina’s 57-58 van het einddossier onder I, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 6] ;

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 augustus 2024, dossierpagina’s 79-86 van het einddossier onder I, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] ;

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 september 2024, dossierpagina’s 141-142 van het einddossier onder I, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] ;

Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 25 juni 2024, dossierpagina’s 149-157 van het einddossier onder I, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte;

Het proces-verbaal van aangifte d.d. 27 maart 2025, dossierpagina’s 7-10 van het einddossier onder II, voor zover inhoudende de verklaring van [benadeelde] ;

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 juli 2025, dossierpagina’s 12-13 van het einddossier onder II, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 7] .

Op te leggen sancties

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd zoals hierboven vermeld.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft een strafmaatverweer gevoerd en heeft het hof verzocht aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar in plaats daarvan te volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd en daarnaast eventueel de oplegging van een taakstraf. Daarbij heeft de raadsvrouw verwezen naar het blanco strafblad van de verdachte, de media-aandacht voor deze strafzaak en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, meer in het bijzonder de begeleiding en behandeling die reeds in gang zijn gezet. De raadsvrouw heeft zich achter het standpunt van de advocaat-generaal geschaard dat oplegging van een contactverbod en een locatieverbod niet dubbel, zowel als bijzondere voorwaarden als in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr, moeten worden opgelegd.

Het oordeel van het hof

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de belaging van zijn ex-vriendin. Ondanks dat zijn ex-vriendin uitdrukkelijk aan hem kenbaar had gemaakt dat zij met rust wilde worden gelaten, heeft de verdachte haar gedurende een periode van zestien maanden stelselmatig lastiggevallen door haar veelvuldig berichten te sturen, haar veelvuldig (anoniem) te bellen, zich meerdere malen (hinderlijk) bij haar woning te begeven en meermalen bij die woning aan te bellen en aan te kloppen. De verdachte heeft daarmee een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. De onmogelijkheid zich te onttrekken aan het door haar niet langer gewenste contact heeft grote indruk op haar gemaakt en haar dagelijks leven diepgaand beïnvloed. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de door het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen slachtofferverklaring blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 6 augustus 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij in Nederland niet eerder onherroepelijk voor een strafbaar feit is veroordeeld.

Daarnaast heeft het hof kennis genomen van de reclasseringsadviezen d.d. 9 oktober 2025 en 2 oktober 2026 van GGZ ERW Novadic-Kentron te ’s-Hertogenbosch. Uit het meest recente reclasseringsadvies komt als conclusie naar voren dat bij de verdachte sprake lijkt te zijn van een samenhang tussen psychische problematiek, middelengebruik en het stalkingsgedrag. Psychische problematiek, zoals mogelijk impulsiviteit vanuit ADHD, ligt mogelijk ten grondslag aan zowel het middelengebruik als het stalkingsgedrag. Uit zowel het proces-verbaal als gesprekken met de verdachte blijkt dat hij tijdens meerdere gedragingen in de stalkingsperiode onder invloed was van drugs en/of alcohol. Onder invloed reageert hij sneller emotioneel en verliest hij remmingen, waardoor de kans op stalking toeneemt. Tegelijkertijd gebruikt hij middelen om emoties te dempen, waardoor zijn gebruik tijdens de stalkingsperiode verder is toegenomen. Hierdoor ontstaat een vicieuze cirkel waarin de verschillende problematieken elkaar in stand houden en versterken. De verdachte heeft eerder vrijwillige behandelingen gevolgd bij [hulpverleningsinstantie 1] en [hulpverleningsinstantie 2] voor zijn stalkingsgedrag en psychische problematiek. Deze zijn echter voortijdig beëindigd. Ook is hij in het verleden, onder andere klinisch, behandeld voor zijn verslavingsproblematiek. Een positieve en mogelijk beschermende factor is dat hij zijn problematiek erkent en opnieuw openstaat voor behandeling, ook binnen een forensisch kader. Gezien de bijzondere voorwaarden binnen het reclasseringstoezicht is de verdachte op 12 december 2025 aangemeld bij [hulpverleningsinstantie 2] voor diagnostiek en behandeling. Op 18 mei 2026 heeft de intake plaatsgevonden en is er gestart met het uitvoeren van diagnostiek. Daarnaast is er op vrijwillige basis ambulante woonbegeleiding door [hulpverleningsinstantie 3] ingezet om de verdachte te ondersteunen op praktisch gebied.

Het recidiverisico wordt door de reclassering ingeschat als hoog. Bij een veroordeling adviseert de reclassering oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname, een contactverbod met [benadeelde] , een locatieverbod op en rondom het adres waar [benadeelde] woonachtig is, het zich houden aan de richtlijn middelengebruik van de reclassering en meewerken aan forensische ambulante (woon) begeleiding. Daarbij adviseert de reclassering dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht. Daarnaast wordt het opleggen van een contactverbod met [benadeelde] als vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr voor de duur van vijf jaren geadviseerd, met eveneens dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel.

Ten slotte heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Het hof is van oordeel dat in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een lichtere sanctie dan een deels onvoorwaardelijke straf die vrijheidsbeneming met zich brengt. In de ernst van het bewezenverklaarde ziet het hof geen redenen om te volstaan met oplegging van een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de raadsvrouw is verzocht.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met proeftijd van drie jaren, passend en geboden. Met oplegging van deze deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Het hof ziet voorts aanleiding aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden, met uitzondering van het contactverbod en het locatieverbod. Het hof zal het contactverbod met [benadeelde] en haar zoon [betrokkene] , alsmede het locatieverbod voor het adres waar [benadeelde] woonachtig is ( [adres 2] en ingesloten door de straten [straat 1] en [straat 2] ) enkel in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr opleggen voor de duur van vijf jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde maatregelen ex artikel 38v Sr. Het hof zal bepalen dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van twee weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden.

Het hof zal tevens de dadelijk uitvoerbaarheid van de opgelegde maatregel ex artikel 38v Sr bevelen. Naar het oordeel van het hof dient er ernstig rekening mee te worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens het slachtoffer. Het hof verwijst hierbij naar het feit dat de reclassering het recidiverisico inschat als hoog.

Voor de door de advocaat-generaal gevorderde dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden is ingevolge artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht vereist dat sprake is van een veroordeling ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Nu aan die voorwaarde niet wordt voldaan, zal het hof een bevel als bedoeld in artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht achterwege laten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 6.372,27, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende posten:

€ 89,99 aan de aanschaf van een Ring deurbel;

€ 2.203,03 aan kosten opleiding accupunctuur;

€ 579,25 aan reiskosten opleiding accupunctuur;

€ 3.500,00 aan immateriële schade.

De politierechter heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 4.088,99, bestaande uit € 589,99 aan materiële schade en € 3.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij is in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De politierechter heeft de verdachte daarbij veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot de datum van de uitspraak begroot op nihil.

De benadeelde partij heeft schriftelijk te kennen gegeven de gehele vordering tot schadevergoeding in hoger beroep te handhaven.

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft de gevorderde posten onder i. en iii. Daarnaast is er volgens de raadsvrouw onvoldoende rechtstreeks verband tussen de belaging en de kosten aan de opleiding accupunctuur (post ii.). Ten aanzien van de immateriële schade (post iv.) heeft de raadsvrouw bepleit dat het toe te wijzen bedrag gematigd dient te worden.

Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden.

Materiële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van de belaging een Ring deurbel aangeschaft, omdat zij zich niet meer veilig voelde in haar eigen woning. Het hof is van oordeel dat deze schadepost voldoende is onderbouwd en stelt vast dat de schade door de verdediging niet inhoudelijk is betwist. Derhalve zal het hof deze materiële schade voor een bedrag van € 89,99 toewijzen.

Met betrekking tot de gevorderde kosten van de opleiding accupunctuur en de reiskosten voor die opleiding overweegt het hof als volgt. Uit de toelichting bij de vordering volgt dat de benadeelde door de belaging en de gevolgen die zij daarvan ervaarde zich niet meer kon concentreren op haar studie, waardoor zij is gestopt in haar examenjaar. De benadeelde vordert daarom kosten voor een basisjaar van de opleiding en de gemaakte reiskosten naar haar opleiding in de voornoemde periode. Uit de toelichting bij de vordering blijkt echter dat de studie voor de benadeelde ook om andere redenen zwaar was, zoals vanwege haar visuele beperking en de zorg voor haar moeder. Naar het oordeel van het hof is onvoldoende komen vast te staan dat deze schade rechtstreeks het gevolg is van verdachtes bewezenverklaarde handelen. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Immateriële schade

Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat (hierna ook te noemen: immateriële schade) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. De benadeelde partij heeft niet, althans onvoldoende, onderbouwd dat hiervan sprake is.

Indien, zoals in het onderhavige geval, het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in haar persoon ‘op andere wijze’ sprake is.

Bewezen is verklaard dat de verdachte de benadeelde partij, zijn ex-vriendin, gedurende een periode van zestien maanden stelselmatig heeft lastiggevallen door haar veelvuldig berichten te sturen, haar veelvuldig (anoniem) te bellen, zich meerdere malen (hinderlijk) bij haar woning te begeven en meermalen bij die woning aan te bellen en aan te kloppen.

Uit de door en namens de benadeelde partij gegeven toelichting op de vordering en de door de benadeelde ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen slachtofferverklaring leidt het hof af dat dat de benadeelde psychisch heeft geleden naar aanleiding van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en dat dit handelen heeft geleid tot een ernstige aantasting van haar persoonlijke levenssfeer en persoonlijke vrijheid. De benadeelde partij beschrijft dat zij leeft in voortdurende angst, dat zij zich onveilig voelt in haar eigen woning, dat zij continu alert is en last heeft van een verstoorde nachtrust. Bij de benadeelde partij is een conversiestoornis gediagnosticeerd, hetgeen volgens de huisarts is uitgelokt door de belaging van de verachte. Door de zeer stressvolle situatie heeft zij onder meer last van uitval in haar benen, uitval van spraak en ademhalingsklachten. Het dagelijks leven van de benadeelde wordt overheerst door angst- en paniekaanvallen. Zij toont vermijdingsgedrag, is prikkelbaar, heeft concentratieproblemen en is schrikachtig en wantrouwend naar anderen.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de hier bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. Het hof acht in de onderhavige situatie, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, te weten de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, zoals hiervoor omschreven, en gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, een immateriële schadevergoeding van € 3.500,00 zelfs aan de lage kant. Er is evenwel geen hoger bedrag gevorderd, dus zal het hof de gevorderde immateriële schade toewijzen.

Conclusie

Aldus is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een totaalbedrag van € 3.589,99, bestaande uit € 89,99 aan materiële schade en € 3.500,00 aan immateriële schade. De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden, zodat de vordering tot voornoemd totaalbedrag toewijsbaar is.

Wettelijke rente

Hoewel de materiële en immateriële schade op verschillende tijdstippen is ingetreden, zal het hof bij de wijze van moderatie bepalen dat de wettelijke rente over zowel de materiële schade als de immateriële schade aanvangt op 25 juli 2025, zijnde de laatste dag van de bewezenverklaarde periode. De schade wordt geacht op die datum te zijn geleden.

Proceskosten

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 3.589,99. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf, de beslissing op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, en doet in zoverre opnieuw recht:

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij de reclassering van Novadic-Kentron op het adres: [adres 3] ( [telefoonnummer] ) en dat de verdachte zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich laat diagnosticeren en behandelen door een forensisch psychiatrische polikliniek zoals [hulpverleningsinstantie 2] en, indien nodig blijkt, forensische verslavingszorg of soortgelijke zorgverleners te bepalen door de reclassering, waarbij de behandeling zo spoedig mogelijk start na ingang van de proeftijd en de behandeling de gehele proeftijd duurt of zoveel korter als de reclassering nodig vindt; de verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling en gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen als de zorgverlener dat nodig vindt; bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek; als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert zal de verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt; de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt; de verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling en gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen als de zorginstelling dat nodig vindt;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs); deze controles kunnen bestaan uit urine- en ademonderzoek en de reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte meewerkt aan forensische ambulante (woon)begeleiding door [hulpverleningsinstantie 3] of een soortgelijke zorgverlener te bepalen door de reclassering, waarbij de ambulante begeleiding zich richt op het creëren van stabiliteit, structuur en overzicht op verschillende leefgebieden;

van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;

geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt;

heft op het door de politierechter gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de politierechter gestelde bijzondere voorwaarden en het daarop uit te oefenen toezicht;

legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de verdachte:

beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan; de duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden;

toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;

beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de politierechter opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht;

beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht;

heft op het door de politierechter gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de politierechter opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht;

wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.589,99 (drieduizend vijfhonderdnegenentachtig euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 89,99 (negenentachtig euro en negenennegentig cent) als vergoeding van materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de verdachte in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.589,99 (drieduizend vijfhonderdnegenentachtig euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 89,99 (negenentachtig euro en negenennegentig cent) aan materiële schadevergoeding en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere in zoverre vervalt;

bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.

Aldus gewezen door:

mr. A.C. van Campen, voorzitter,

mr. S.V. Pelsser en mr. J.J. Peters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen, griffier,

en op 30 oktober 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.J. Peters is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A.C. van Campen
  • mr. S.V. Pelsser
  • mr. J.J. Peters

Griffier

  • mr. N. van Abeelen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand