ECLI:NL:GHSHE:2026:306

ECLI:NL:GHSHE:2026:306

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 11-02-2026
Datum publicatie 11-02-2026
Zaaknummer 20-000995-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBOBR:2024:1196

Samenvatting

De verdachte wordt ter zake van de eendaadse samenloop van feitelijke aanranding van de eerbaarheid en mishandeling (feit 1 primair en 3), mishandeling (feit 4) en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, meermalen gepleegd (feit 5), veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Tevens wordt een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr, in de vorm van een contactverbod, opgelegd en beslist ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 26 maart 2024, in de strafzaak met parketnummer 01-274485-22 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

thans uit anderen hoofde gedetineerd [plaats 1] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte partieel vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde en vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde en ter zake van verkrachting (feit 1 primair), mishandeling (feiten 3 en 4), en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, meermalen gepleegd (feit 5) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De rechtbank heeft voorts een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de vorm van een contactverbod met de slachtoffers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] voor de duur van 5 jaren opgelegd, op straffe van 2 weken hechtenis per overtreding, met een maximum van 6 maanden. Daarbij heeft de rechtbank bevolen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Tevens heeft de rechtbank beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte partieel zal vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde, te weten ten aanzien van het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 1] met de penis, en zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, voor het overige, alsmede onder 2, 3, 4 en 5 ten laste is gelegd, inclusief het onderdeel ‘hoge snelheid’ en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr, in de vorm van een contactverbod ten aanzien van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zal opleggen, gedurende 5 jaren met een vervangende hechtenis van 2 weken per overtreding met een maximum van 6 maanden, welke maatregel dadelijk uitvoerbaar zal worden verklaard.

Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof zal beslissen conform de beslissingen van de rechtbank, met dien verstande dat de advocaat-generaal het aan het hof overlaat om de hoogte van de immateriële schadevergoeding te bepalen, gelet op de vordering tot bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde, met uitzondering van de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] voor wat betreft de kosten eigen risico 2024 en voor deze post een bedrag van € 370,58 zal toewijzen. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de schorsing van de voorlopige hechtenis zal opheffen.

De verdediging heeft partiële nietigheid van de dagvaarding met betrekking tot het onder 1 primair en subsidiair, 3 en 5, tenlastegelegde bepleit. Voorts heeft de verdediging voor het overige integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd. Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft de verdediging primair bepleit dat het hof de vorderingen zal afwijzen, gelet op de bepleite vrijspraak. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de verdediging subsidiair naar voren gebracht dat de gevorderde immateriële schade niet aan de orde is ten aanzien van de mishandeling en derhalve dient te worden afgewezen. Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld, kort gezegd, dat de gevorderde beveiligingskosten niet voor toewijzing in aanmerking komen omdat die kosten niet in rechtstreeks verband staan tot de tenlastegelegde feiten en bepaalde posten niet althans onvoldoende zijn onderbouwd.

Tot slot heeft de verdediging verzocht dat het hof de vordering van de advocaat-generaal tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte zal afwijzen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1. hij op of omstreeks 23 oktober 2022 te Eindhoven en/of elders in Nederland, en/of Brussel en/of Schaarbeek, althans in België, en/of op de route tussen Brussel en Eindhoven (snelweg E19/E34/A67), door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , immers heeft verdachte

- meermalen, in elk geval eenmaal, zijn vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of gehouden en/of (heen en weer) bewogen en/of

- zijn penis in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of gehouden en/of (heen en weer) bewogen en/of

- de borst(en) en/of vagina van die [slachtoffer 1] betast en/of aangeraakt (op en/of onder de kleding) en/of

- die [slachtoffer 1] getongzoend en/of gekust en/of

- (op/aan) het oor en/of de rug en/of de nek/hals, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] gelikt en/of gekust

en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- voornoemde handeling(en) heeft verricht terwijl deze handeling(en) plaatsvond(en) in een (met een hoge snelheid) rijdend voertuig waarin meerdere personen aanwezig waren en/of die [slachtoffer 1] heeft gedwongen op zijn, verdachte, schoot te zitten en/of waarbij die [slachtoffer 1] op de schoot van hem, verdachte, zat, waardoor die [slachtoffer 1] zich niet of in onvoldoende mate kon onttrekken aan de handelingen van verdachte en/of

- meermalen, in elk geval eenmaal, (met kracht) aan de haren van die [slachtoffer 1] heeft getrokken en/of

- (met kracht) (gedurende enige tijd) de keel van die [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen en/of die [slachtoffer 1] heeft verwurgd en/of die [slachtoffer 1] de ademhaling heeft belet en/of belemmerd en/of

- meermalen, in elk geval eenmaal, (met gebalde vuist) (met kracht) op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of de rug en/of de nek en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geslagen /gestompt en/of

- het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en/of meermalen, althans eenmaal, (met kracht) het hoofd van die [slachtoffer 1] tegen het raam van het voertuig heeft geslagen en/of

- (met gebalde vuist) op/tegen het gezicht van een vriendin van die [slachtoffer 1] , te weten [slachtoffer 3] , heeft geslagen/gestompt en/of

- die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en/of naar zich toe heeft getrokken en/of op zijn schoot heeft gehouden en/of

- het lichaam en/of hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geduwd en/of getrokken in een houding/positie die hij, verdachte, wilde en/of

- het (achter)portier heeft geopend en/of (vervolgens) (een deel van het lichaam van) die [slachtoffer 1] buiten het voertuig heeft geduwd en/of gehouden (terwijl het voertuig met hoge snelheid (over een snelweg) reed) en/of

- meermalen, in elk geval eenmaal, die [slachtoffer 1] dreigend de woorden heeft toegevoegd dat als zij zou praten dat hij haar zou laten slapen en/of hen en/of haar iets aan zou doen, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- meermalen, in elk geval eenmaal, tegen die [slachtoffer 1] heeft geschreeuwd en/of

- meermalen, in elk geval eenmaal, tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat ze met hem, verdachte mee zou gaan en/of dat hij haar zou neuken en/of dat ze bij hem zou slapen, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of

- de jurk van die [slachtoffer 1] ter hoogte van haar onderlichaam omhoog heeft geschoven en/of de bovenzijde van de jurk van die [slachtoffer 1] heeft losgemaakt en/of het slipje van die [slachtoffer 1] naar de zijkant heeft getrokken en/of

- (terwijl die [slachtoffer 1] onder meer meermalen “stop” zei en/of dat zij het niet wilde en/of van hem, verdachte, probeerde weg te schuiven en/of haar benen tegen elkaar aanduwde) voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer 1] en/of

- (aldus) voor die [slachtoffer 1] een bedreigende en/of intimiderende situatie heeft doen ontstaan waaraan die [slachtoffer 1] zich niet/onvoldoende kon onttrekken;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 oktober 2022 te Eindhoven en/of elders in Nederland, en/of Brussel en/of Schaarbeek, althans in België, en/of op de route tussen Brussel en Eindhoven (snelweg E19/E34/A67), door geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en), [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte,

- de borst(en) en/of vagina van die [slachtoffer 1] betast en/of aangeraakt (op en/of onder de kleding) en/of

- die [slachtoffer 1] getongzoend en/of gekust en/of

- (op/aan) het oor en/of de rug en/of de nek/hals, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] gelikt en/of gekust

en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- voornoemde handeling(en) heeft verricht terwijl deze handeling(en) plaatsvond(en) in een (met een hoge snelheid) rijdend voertuig waarin meerdere personen aanwezig waren en/of die [slachtoffer 1] heeft gedwongen op zijn, verdachtes, schoot te zitten en/of waarbij die [slachtoffer 1] op de schoot van hem, verdachte, zat, waardoor die [slachtoffer 1] zich niet of in onvoldoende mate kon onttrekken aan de handelingen van verdachte en/of

- meermalen, in elk geval eenmaal, (met kracht) aan de haren van die [slachtoffer 1] heeft getrokken en/of

- (met kracht) (gedurende enige tijd) de keel van die [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen en/of die [slachtoffer 1] heeft verwurgd en/of die [slachtoffer 1] de ademhaling heeft belet en/of belemmerd en/of

- meermalen, in elk geval eenmaal, (met gebalde vuist) (met kracht) op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of de rug en/of de nek en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geslagen /gestompt en/of

- het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en/of meermalen, althans eenmaal, (met kracht) het hoofd van die [slachtoffer 1] tegen het raam van het voertuig heeft geslagen en/of

- (met gebalde vuist) in het gezicht van een vriendin van die [slachtoffer 1] , te weten [slachtoffer 3] , heeft geslagen/gestompt en/of

- die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en/of naar zich toe heeft getrokken en/of op zijn schoot heeft gehouden en/of

- het lichaam en/of hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geduwd en/of getrokken in een houding/positie die hij, verdachte, wilde en/of

- het (achter)portier heeft geopend en/of (vervolgens) (een deel van het lichaam van) die [slachtoffer 1] buiten het voertuig heeft geduwd en/of gehouden (terwijl het voertuig met hoge snelheid (over een snelweg) reed) en/of

- meermalen, in elk geval eenmaal, die [slachtoffer 1] dreigend de woorden heeft toegevoegd dat als zij zou praten dat hij haar zou laten slapen en/of hen en/of haar iets aan zou doen, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- meermalen, in elk geval eenmaal, tegen die [slachtoffer 1] heeft geschreeuwd en/of

- meermalen, in elk geval eenmaal, tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat ze met hem, verdachte mee zou gaan en/of dat hij haar zou neuken en/of dat ze bij hem zou slapen, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of

- de jurk van die [slachtoffer 1] ter hoogte van haar onderlichaam omhoog heeft geschoven en/of de bovenzijde van de jurk van die [slachtoffer 1] heeft losgemaakt en/of het slipje van die [slachtoffer 1] naar de zijkant heeft getrokken en/of

- (terwijl die [slachtoffer 1] onder meer meermalen “stop” zei en/of dat zij het niet wilde en/of van hem, verdachte, probeerde weg te schuiven en/of haar benen tegen elkaar aanduwde) voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer 1] en/of

- (aldus) voor die [slachtoffer 1] een bedreigende en/of intimiderende situatie heeft doen ontstaan waaraan die [slachtoffer 1] zich niet/onvoldoende kon onttrekken;

2.hij op of omstreeks 23 oktober 2022 te Eindhoven en/of elders in Nederland, en/of Brussel en/of Schaarbeek, althans in België, en/of op de route tussen Brussel en Eindhoven (snelweg E19/E34/A67), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door

- die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] mee te nemen naar een club, althans een uitgaansgelegenheid in Brussel en/of Schaarbeek, althans naar België en/of

- (aldaar) tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] te zeggen dat ze moesten blijven zitten en/of dat zij hun telefoons niet mochten gebruiken en/of dat zij niet weg mochten gaan, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of

- (meermalen) de mobiele telefoon van die [slachtoffer 1] af te nemen en/of

- een persoon met die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] mee te sturen als zij in de club naar het toilet gingen en/of te bepalen dat die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] niet alleen naar het toilet mochten gaan en/of niet te reageren op het verzoek van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] om weg te gaan en/of

- de haren van die [slachtoffer 1] vast te pakken en/of (daarbij) die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen dat zij en haar vriendinnen moesten blijven zitten, anders liep het niet goed af en/of dat als ze zou gaan praten dan liep het niet goed af en/of dat ze dan zou gaan slapen en/of dat ze niet wist wat hij bij zich had (en/of daarbij een vuurwapen, althans een voorwerp, tegen haar lichaam aan hield) en/of dat hij haar ouders en/of familie af zou maken en/of dat hij wist wie haar familie was en/of dat hij wist waar ze woont en/of dat hij geen grapjes maakt, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, en/of

- (op dwingende toon) tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat zij nergens naartoe zou gaan en dat ze naast hem moest blijven zitten en doen wat hij wilde, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of

- die [slachtoffer 1] vast te pakken en/of

- meermalen, in elk geval eenmaal, die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen dat hij hen zou (neer)schieten en/of zou laten slapen en/of zou afmaken en/of iets zou aandoen en/of doodmaken en/of dat hij hun families ging schieten en/of afmaken en/of dat hij, verdachte, een wapen bij zich had, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, en/of

- meermalen, in elk geval eenmaal, die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] uit te schelden en/of tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] te schreeuwen en/of

- die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] te dwingen in een voertuig plaats te nemen en/of (op dwingende wijze) te bepalen op welke plaats zij moest(en) gaan zitten in het voertuig en/of

- (op dwingende wijze) te bepalen dat die [slachtoffer 1] op zijn, verdachtes, schoot moest gaan zitten en/of die [slachtoffer 1] op zijn schoot vast te houden en/of

- meermalen, in elk geval eenmaal, (met kracht) aan de haren van die [slachtoffer 1] te trekken en/of (met kracht) (gedurende enige tijd) de keel van die [slachtoffer 1] dicht te knijpen en/of die [slachtoffer 1] te verwurgen en/of die [slachtoffer 1] de ademhaling te beletten en/of belemmeren en/of meermalen, althans eenmaal, (met gebalde vuist) (met kracht) op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of de rug en/of de nek en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan/stompen en/of het hoofd van die [slachtoffer 1] vast te pakken en/of meermalen, althans eenmaal, (met kracht) het hoofd van die [slachtoffer 1] tegen het raam van een voertuig te slaan en/of een deel van het lichaam van die [slachtoffer 1] uit een geopende deur van een (met een hoge snelheid) rijdend voertuig te duwen en/of houden en/of

- (met gebalde vuist) (met kracht) op/tegen de neus en/of het gezicht, althans het lichaam, van die [slachtoffer 3] te slaan/stompen en/of

- het (deels) laten plaatsvinden van voornoemde handeling(en) in een gedurende enige tijd (met hoge snelheid) rijdend voertuig waarin zich meerdere personen bevonden, waardoor die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] niet weg konden gaan en/of

- een fysiek overwicht te hebben op die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] , omdat verdachte en/of zijn mededader(s) getalsmatig in de meerderheid waren en/of

- voor die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] een bedreigende en/of intimiderende situatie te doen ontstaan en/of

- (aldus) een (psychische) druk uit te oefenen op die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] , waardoor zij niet weg konden gaan;

3.hij op of omstreeks 23 oktober 2022 te Eindhoven en/of elders in Nederland, en/of Brussel en/of Schaarbeek, althans in België, en/of op de route tussen Brussel en Eindhoven (snelweg E19/E34/A67), [slachtoffer 1] heeft mishandeld door

- meermalen, in elk geval eenmaal, (met kracht) aan de haren van die [slachtoffer 1] te trekken en/of

- (met kracht) (gedurende enige tijd) de keel van die [slachtoffer 1] dicht te knijpen en/of die [slachtoffer 1] te verwurgen en/of die [slachtoffer 1] de ademhaling te beletten en/of belemmeren en/of

- meermalen, althans eenmaal, (met gebalde vuist) (met kracht) op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of de rug en/of de nek en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan/stompen en/of

- het hoofd van die [slachtoffer 1] vast te pakken en/of meermalen, althans eenmaal, (met kracht) het hoofd van die [slachtoffer 1] tegen het raam van een voertuig te slaan;

4.hij op of omstreeks 23 oktober 2022 te Eindhoven en/of elders in Nederland, en/of Brussel en/of Schaarbeek, althans in België, en/of op de route tussen Brussel en Eindhoven (snelweg E19/E34/A67), [slachtoffer 3] heeft mishandeld door (met gebalde vuist) (met kracht) op/tegen de neus en/of het gezicht, althans het lichaam, van die [slachtoffer 3] te slaan/stompen;

5.hij op of omstreeks 23 oktober 2022 te Eindhoven en/of elders in Nederland, en/of Brussel en/of Schaarbeek, althans in België, en/of op de route tussen Brussel en Eindhoven (snelweg E19/E34/A67), [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- meermalen, in elk geval eenmaal, die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen dat ze met niemand mocht(en) praten, anders zou hij, verdachte, hen afmaken en/of (neer)schieten en/of laten slapen en/of dat hij, verdachte, hen zou (dood)schieten en/of dat hij hen en/of hun familie iets zou aandoen en/of zou afmaken en/of zou laten slapen en/of zou pakken en/of dat ze het niet in hun hoofd moesten halen om naar de politie te gaan, omdat hij hen en hun ouders zou doodschieten en/of dat ze naar hem moesten luisteren, anders zou hij hen schieten en/of dat hij wist wie de familie van [slachtoffer 1] was en/of waar die [slachtoffer 1] woont en/of dat hij, verdachte, een wapen bij zich had, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- een vuurwapen en/of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, althans een voorwerp, op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te duwen en/of

- van een voertuig waarin verdachte en/of [slachtoffer 1] zat(en) het (achter)portier aan de zijde waar verdachte en/of die [slachtoffer 1] zat(en), te openen en/of (vervolgens) (een deel van het lichaam van) die [slachtoffer 1] buiten het voertuig te duwen en/of houden (terwijl het voertuig met hoge snelheid (over een snelweg) reed).

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Geldigheid van de dagvaarding

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging partiële nietigheid van de dagvaarding met betrekking tot het onder 1 primair en subsidiair, 3 en 5, te weten ten aanzien van het onderdeel ‘terwijl het voertuig met hoge snelheid reed’, tenlastegelegde bepleit.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De geldigheid van de dagvaarding wordt onder andere beoordeeld op de duidelijkheid van de tenlastelegging. Op grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) dient de dagvaarding een opgave te behelzen van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse alsmede de omstandigheden waaronder het zou zijn begaan. De tenlastelegging strekt er daarbij toe voor de procesdeelnemers – zowel voor het Openbaar Ministerie en de rechter als voor de verdachte – de inzet van het geding en de te volgen beslissingsstructuur met de vereiste duidelijkheid vast te leggen. Het gaat er uiteindelijk om of de dagvaarding voldoende duidelijk is in die zin dat voldoende inzichtelijk is wat de beschuldiging inhoudt waartegen de verdachte zich aldus heeft te verdedigen.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de tenlastelegging een voldoende feitelijke opgave inhoudt van het strafbare feit dat aan de verdachte wordt verweten. In het licht van het dossier bezien, is het naar het oordeel van het hof voor de verdediging ten aanzien van elk onderdeel van de tenlastelegging voldoende duidelijk waartegen de verdachte zich heeft te verdedigen. Derhalve is het hof van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair, 3 en 5 tenlastegelegde, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en ook overigens, voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld in artikel 261, eerste lid, Sv.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer.

Vrijspraak van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde

Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de verdachte partieel zal vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde, te weten ten aanzien van het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 1] met de penis, en te dier zake tot een bewezenverklaring zal komen conform de rechtbank. De advocaat -generaal acht de verklaring van [slachtoffer 1] op dit punt, mede in het licht van de fysieke beperkingen van de verdachte, zo begrijpt het hof, onvoldoende duidelijk. Voor het overige heeft de advocaat-generaal gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het bewijs wordt gevormd door de verklaringen van de drie aangeefsters, in onderling verband en samenhang bezien, welke verklaringen als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Voorts vormen de DNA-profielen afkomstig uit bemonstering van het gezicht, de voorzijde van de vagina en de onderbroek van [slachtoffer 1] belangrijke ondersteunende bewijsmiddelen. Die DNA profielen komen telkens overeen met het DNA-profiel van de verdachte, aldus de advocaat-generaal.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde. Met betrekking tot de penetratie met de penis door de verdachte van het lichaam van [slachtoffer 1] heeft de verdediging naar voren gebracht dat dit fysiek (praktisch) onmogelijk is, gelet op de dwarslaesie van de verdachte die in de weg staat aan het verrichten van de geslachtsdaad zoals ten laste is gelegd. Voorst wijst de verdediging er op dat [slachtoffer 1] niet duidelijk heeft kunnen verklaren wat zij precies heeft gevoeld en dat die verklaring derhalve niet kan bijdragen tot het bewijs van penetratie met de penis en dat ook geen van de getuigen daarover iets heeft gezien. Ten aanzien van de penetratie met de vingers van het lichaam van [slachtoffer 1] heeft de verdediging zich – kort weergegeven, op gronden zoals verwoord in de pleitnota – in de kern op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [slachtoffer 1] niet betrouwbaar zijn, dat het maar de vraag is of haar gedrag tijdens de gebeurtenissen strookte met hetgeen zij heeft verklaard en er verder evenmin direct ooggetuigenbewijs voorhanden is. Met betrekking tot het van de verdachte aangetroffen DNA op het lichaam en ondergoed van [slachtoffer 1] , heeft de verdediging naar voren gebracht dat er geen onderzoek op activiteitenniveau (hoe en wanneer is het DNA daar terecht gekomen) heeft plaatsgevonden en dat niet kan worden uitgesloten dat dit DNA via secundaire overdracht op de vagina en de slip van [slachtoffer 1] terecht kan zijn gekomen, zoals bijvoorbeeld na een toiletbezoek of eerder intensief (huid)contact. Het aangetroffen DNA kan derhalve niet tot het bewijs worden gebezigd. Bepaalde forensische bevindingen passen bovendien beter bij geen directe penetratie met de vingers door de verdachte, aldus de verdediging.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zijn penis in de vagina en/of tussen de schaamlippen van [slachtoffer 1] heeft geduwd/gebracht en/of gehouden en/of (heen en weer) bewogen. Gelet op de fysieke omstandigheden van de verdachte, die als gevolg van een thoracale dwarslaesie vanaf zijn middel volledig is verlamd en als gevolg daarvan niet meer in staat is om een erectie te krijgen en het ontbreken van voldoende steunbewijs, bestaat er bij het hof gerede twijfel dat de verdachte genoemde [slachtoffer 1] met zijn penis heeft gepenetreerd. Het hof zal de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat evenmin bewezen kan worden verklaard dat de verdachte het lichaam van [slachtoffer 1] seksueel is binnengedrongen met zijn vingers. Uit het dossier volgt dat bij [slachtoffer 1] een zedenkit is afgenomen en dat in de vagina van [slachtoffer 1] geen DNA-sporen van de verdachte zijn aangetroffen, ook niet diep-vaginaal. De verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] vindt derhalve geen steun in een objectief bewijsmiddel, terwijl het hof van oordeel is dat, indien er sprake zou zijn van het binnendringen van het lichaam met de vingers, het wel in de rede zou hebben gelegen dat in de vagina DNA-sporen van de verdachte worden aangetroffen, mede gelet op de omstandigheden waaronder de tenlastegelegde penetratie volgens [slachtoffer 1] zou hebben plaatsgevonden (gedurende de gehele terugweg van Brussel naar Eindhoven). Derhalve is het hof van oordeel dat er onvoldoende bewijs voorhanden is om te concluderen dat de verdachte zich hieraan schuldig heeft gemaakt. Wellicht heeft de verdachte gepoogd met zijn vingers het lichaam van [slachtoffer 1] binnen te dringen, maar dat is niet tenlastegelegd.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof het onder 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren. Hiertoe heeft de advocaat-generaal naar voren gebracht dat de slachtoffers zowel in de club in Brussel als in de auto op de terugweg naar Eindhoven van hun vrijheid zijn beroofd en beroofd gehouden. De door de verdachte gecreëerde sfeer was zodanig dreigend en zijn uitlatingen waren zodanig intimiderend dat de slachtoffers gedwongen zijn om te blijven, althans zich niet konden onttrekken. Daarbij waren er meerdere momenten waarin het voor de slachtoffers absoluut onmogelijk was zich aan de situatie te onttrekken, omdat of ze vastgehouden werden of omdat ze de auto – waarin ze gedwongen hadden plaatsgenomen – niet konden verlaten.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit van het onder 2 tenlastegelegde, nu er onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig is voor (medeplegen van) wederrechtelijke vrijheidsberoving. Hiertoe heeft de verdediging – kort weergegeven, op gronden zoals verwoord in de pleitnota – in de kern aangevoerd dat niet is gebleken van opzet bij de verdachte om de vrouwen van hun vrijheid te beroven en beroofd te houden en dat zij tijdens de terugrit door de verdachte(n) niet fysiek belet zijn om de auto te verlaten. Zij hebben zelf niet gevraagd om uit te stappen of zijn weggelopen, zulks terwijl de auto onderweg nog is gestopt bij een tankstation en hadden kunnen ontsnappen, en uiteindelijk zijn ze in Eindhoven afgezet. Dat de vrouwen bang waren en zich door het beweerdelijke dreigende gedrag van de verdachte en zijn medeverdachten machteloos voelden, levert niet het bewijs van wederrechtelijke vrijheidsberoving op, aldus de verdediging.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Met de rechtbank en de verdediging acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving, zoals onder 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Bij deze beoordeling stelt het hof het navolgende voorop.

Het hof is van oordeel dat het dossier geen aanwijzingen bevat voor wederrechtelijke vrijheidsberoving gedurende de heenweg van Eindhoven naar België. Uit de verklaringen van aangeefsters [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] blijkt dat zij vrijwillig met de verdachte en anderen in de auto naar België zijn gestapt.

Voor de wederrechtelijke vrijheidsberoving in de club in België en op de terugweg van België naar Eindhoven ligt dat genuanceerder. Nu het bewijs voor zuiver opzet gelet op de ontkenning door de verdachte ontbreekt is het de vraag of de verdachte en zijn medeverdachten voorwaardelijk opzet hebben gehad op de wederrechtelijke vrijheidsbeneming van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Het antwoord op die vraag is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht.

Uit de bewijsmiddelen vloeit naar het oordeel van het hof onder andere voort dat de intentie van de verdachte en [medeverdachte] – vanaf het moment van hun

aanwezigheid in de club in België – seksueel van aard was. Met de rechtbank leidt het hof dat onder andere af uit de bewoordingen die door de verdachte en zijn medeverdachten zijn gebezigd, zoals: “Ik wil maar 1 ding en dat is dat [medeverdachte] me een kutje geeft vanavond”, “Ik

heb zin om jouw kontje en jouw kutje helemaal nat te likken” en “Jij gaat met mij mee naar

huis, wij gaan neuken”. Ook de gedragingen van de verdachte en zijn medeverdachte duiden daarop. Daarbij wijst het hof op het tongzoenen in de club, het aanraken van de aangeefsters en de seksuele handelingen in de auto. Het gezamenlijke doel was het krijgen van aandacht en daarbij het verrichten van handelingen met een seksuele strekking en niet het beroven van de vrijheid van de drie slachtoffers.

Bovendien is naar het oordeel van het hof op grond van het dossier onvoldoende vast komen vast te staan dat het opzet van de verdachte (en zijn medeverdachte) erop gericht was om [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te dwingen in de auto te stappen en te blijven zitten en zij daardoor die auto feitelijk vervolgens niet konden verlaten. Uit de verklaringen van aangeefsters blijkt dat zij in België vrijwillig in de auto zijn gestapt. Uit de door hen afgelegde verklaringen blijkt voorts niet dat zij tijdens de rit hebben gevraagd of zij de auto mochten verlaten of dit anderszins kenbaar hebben gemaakt. Het hof kent daarbij betekenis toe aan de omstandigheid dat de auto op de terugweg ook nog een stop heeft gemaakt bij een tankstation waarbij geen van aangeefsters getracht heeft om aan de tenlastegelegde vrijheidsberoving te ontkomen of de aandacht van omstanders te trekken terwijl hiertoe naar het oordeel van het hof wel de mogelijkheid bestond. Ook weegt het hof in dit verband mee het feit dat de aangeefsters in de buurt van de woning van één van hen zijn afgezet in Eindhoven. Dat de aangeefsters door de gebeurtenissen in de auto bang waren en het gevoel hadden zich niet tegen de handelingen van met name de verdachte te kunnen verweren, levert nog niet het bewijs van wederrechtelijke vrijheidsberoving op.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er onvoldoende bewijs voorhanden is dat [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] opzettelijk – ook niet in voorwaardelijke zin – van hun vrijheid werden beroofd en beroofd zijn gehouden. Derhalve zal het hof de verdachte vrijspreken van het aan hem onder 2 tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. hij op 23 oktober 2022 in Nederland en/of in België op de route tussen Brussel en Eindhoven (snelweg E19/E34/A67), door geweld en andere feitelijkheden en bedreiging met geweld, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte,

- de borsten en vagina van die [slachtoffer 1] betast en/of aangeraakt (op en onder de kleding) en

- die [slachtoffer 1] getongzoend en

- op/aan het oor en/of de rug en/of de nek/hals van die [slachtoffer 1] gelikt en/of gekust

en bestaande dat geweld en die andere feitelijkheden en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte

- voornoemde handelingen heeft verricht terwijl deze handelingen plaatsvonden in een rijdend voertuig waarin meerdere personen aanwezig waren en die [slachtoffer 1] heeft gedwongen op zijn, verdachtes, schoot te zitten en waarbij die [slachtoffer 1] op de schoot van hem, verdachte, zat, waardoor die [slachtoffer 1] zich niet of in onvoldoende mate kon onttrekken aan de handelingen van verdachte en

- (met kracht) aan de haren van die [slachtoffer 1] heeft getrokken en

- de keel van die [slachtoffer 1] heeft dichtgeknepen en

- meermalen (met gebalde vuist) (met kracht) tegen het gezicht en/of het hoofd en de rug en het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en

- het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en eenmaal het hoofd van die [slachtoffer 1] tegen het raam van het voertuig heeft geslagen en

- die [slachtoffer 1] naar zich toe heeft getrokken en op zijn schoot heeft gehouden en

- het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geduwd in een houding die hij, verdachte, wilde en

- tegen die [slachtoffer 1] heeft geschreeuwd en

- eenmaal, tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat ze met hem, verdachte mee zou gaan en dat hij haar zou neuken en dat ze bij hem zou slapen, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en

- de jurk van die [slachtoffer 1] ter hoogte van haar onderlichaam omhoog heeft geschoven en de bovenzijde van de jurk van die [slachtoffer 1] heeft losgemaakt en het slipje van die [slachtoffer 1] naar de zijkant heeft getrokken en

- (terwijl die [slachtoffer 1] onder meer meermalen “stop” zei en haar benen tegen elkaar aanduwde) voorbij is gegaan aan de verbale en non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer 1] en

- aldus voor die [slachtoffer 1] een bedreigende en intimiderende situatie heeft doen ontstaan waaraan die [slachtoffer 1] zich niet/onvoldoende kon onttrekken;

3.hij op 23 oktober 2022 in Nederland en/of in België op de route tussen Brussel en Eindhoven (snelweg E19/E34/A67), [slachtoffer 1] heeft mishandeld door

- (met kracht) aan de haren van die [slachtoffer 1] te trekken en

- de keel van die [slachtoffer 1] dicht te knijpen en

- meermalen (met gebalde vuist) (met kracht) tegen het gezicht en/of het hoofd en de rug en het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan en

- het hoofd van die [slachtoffer 1] vast te pakken en eenmaal het hoofd van die [slachtoffer 1] tegen het raam van een voertuig te slaan;

4.hij op 23 oktober 2022 in Nederland en/of in België op de route tussen Brussel en Eindhoven (snelweg E19/E34/A67), [slachtoffer 3] heeft mishandeld door met gebalde vuist (met kracht) op/tegen de neus van die [slachtoffer 3] te slaan/stompen;

5.hij op 23 oktober 2022 in Nederland en/of in België op de route tussen Brussel en Eindhoven (snelweg E19/E34/A67), [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- meermalen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen dat ze met niemand mocht(en) praten, anders zou hij, verdachte, hen laten slapen en/of dat hij, verdachte, hun familie iets zou aandoen en/of zou afmaken en/of zou pakken en/of dat ze het niet in hun hoofd moesten halen om naar de politie te gaan, omdat hij hen en hun ouders zou doodschieten en/of dat ze naar hem moesten luisteren, anders zou hij hen schieten en/of dat hij wist wie de familie van [slachtoffer 1] was en/of waar die [slachtoffer 1] woont en/of dat hij, verdachte, een wapen bij zich had, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- van een voertuig waarin verdachte en [slachtoffer 1] zaten het achterportier aan de zijde waar verdachte en die [slachtoffer 1] zaten, te openen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep in zijn algemeenheid op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de aangeefsters [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] niet betrouwbaar zijn, nu deze verklaringen onderlinge tegenstrijdigheden, innerlijke inconsistenties en late aanvullingen bevatten, hetgeen de betrouwbaarheid ondergraaft.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat bij het beoordelen van de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring onder meer kan worden gelet op consistentie, plausibiliteit, accuratesse en volledigheid. Het enkele feit dat een verklaring op onderdelen op één of meer punten tegenstrijdigheden of ongerijmdheden bevat, hoeft een verklaring nog niet onbetrouwbaar te maken.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de door de verdediging benoemde tegenstrijdigheden en inconsistenties in de verklaringen van de aangeefsters niet zodanig van aard zijn dat de verklaringen in hun totaliteit reeds daarom onbetrouwbaar en onbruikbaar voor het bewijs moeten worden geacht. Het hof neemt bij de selectie en waardering van het bewijs in aanmerking hetgeen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] in verschillende opeenvolgende stadia van het onderzoek hebben verklaard. Het is het hof, evenals de rechtbank en de verdediging, opgevallen dat er verschillen in de verklaringen zitten, maar acht deze verschillen van ondergeschikt belang. Met de rechtbank is het hof voorts van oordeel dat de aangeefsters in de kern en op hoofdlijnen consistent zijn geweest in hun verklaringen tijdens het verhoor bij de politie en bij de rechter-commissaris. Daar komt bij dat de verklaringen, die binnen een zeer kort tijdsbestek na de tenlastegelegde gebeurtenissen zijn afgelegd, op hoofdlijnen overeenkomen met de verklaringen die in een later stadium zijn afgelegd en met berichten die zij via hun telefoon hebben gestuurd vrijwel meteen na het tenlastegelegde. Een uur nadat de vrouwen in Eindhoven waren afgezet, wordt bij de politie een melding gedaan waarin al in grote lijnen wordt verteld wat hen is overkomen. Dat de verklaringen op enkele onderdelen niet volledig overeenkomen, doet naar het oordeel van het hof niet af aan de betrouwbaarheid van die verklaringen. De aangeefsters verklaren namelijk ieder voor zich op eigen wijze over wat zij al dan niet hebben waargenomen en zijn bij doorvragen helder in hun verduidelijkende antwoorden. Daar komt nog bij dat de aangeefsters elkaar over en weer inhoudelijk ondersteunen over dezelfde gedetailleerde gebeurtenissen en in welke volgorde deze hebben plaatsgevonden en er bovendien objectief bewijs voorhanden is.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging en derhalve zullen de aangeefsters afgelegde verklaringen worden gebezigd tot het bewijs.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 3 bewezenverklaarde

Hoewel de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep zich niet specifiek heeft uitgelaten omtrent het onder 1 subsidiair tenlastegelegde zal het hof hetgeen de verdediging in het kader van het tenlastegelegde onder 1 primair omtrent de aangetroffen DNA-sporen eveneens hier bespreken, gelet op de ontkennende verklaring van de verdachte ten aanzien van de gehele tenlastelegging en de bepleite integrale vrijspraak.

Gelet op de omstandigheid dat de onder 3 bewezenverklaarde geweldshandelingen ook onderdeel zijn van de onder 1 subsidiair bewezenverklaarde geweldshandelingen zullen deze feiten hierna tezamen worden besproken. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit van het onder 3 tenlastegelegde. Hiertoe heeft de verdediging – kort weergegeven, op gronden zoals verwoord in de pleitnota – naar voren gebracht dat het bij [slachtoffer 1] geconstateerde letsel niet correspondeert met haar lezing van de gebeurtenissen en dat het geconstateerde letsel en de bloedsporen in de auto logischerwijs het gevolg zijn van de val van [slachtoffer 1] tijdens het verlaten van de club. Bovendien verzet de biomechanica van een dwarslaesiepatiënt zich tegen de in de tenlastelegging opgenomen geweldshandelingen.

Zoals hiervoor overwogen acht het hof de verklaringen van aangeefsters [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] betrouwbaar en worden deze verklaringen, voor zover redengevend, tot het bewijs gebezigd. Uit deze verklaringen volgt dat de verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd bij [slachtoffer 1] , hetgeen naar het oordeel van het hof steun vindt in de aangetroffen DNA-sporen. Op grond van de NFI-rapporten concludeert het hof, met inachtneming van de overige inhoud van het dossier, dat de verdachte donor is van een relatief groot deel van het celmateriaal op het gezicht van [slachtoffer 1] , van een deel van het celmateriaal op de binnen- en buitenkant van de voorzijde van de onderbroek en van een relatief groot deel van het mannelijke celmateriaal op de voorzijde van de vagina van [slachtoffer 1] . Ook hierbij heeft het hof de overige inhoud van het dossier in acht genomen, waaronder het feit dat er geen aanwijzingen zijn aangetroffen voor betrokkenheid van een man in de vaderlijke lijn van de verdachte.

Daarnaast is het hof van oordeel dat de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] steun vinden in het bij haar geconstateerde letsel. Door een forensisch arts is op 23 oktober 2022 om 17.00 uur onder andere geconstateerd dat bij [slachtoffer 1] sprake was van veel rode plekken op haar rug, een dik ooglid, letsel achter haar oor, roodheid bij haar neus, een aantal krasachtige letsels op het gezicht, op de borst, bij polsen en het onderbeen en een aantal rode plekken op de flanken en bovenbenen. Daarnaast wordt een zwelling in de nek geconstateerd. Met de rechtbank en de verdediging stelt het hof vast dat het bij aangeefster [slachtoffer 1] geconstateerde letsel weliswaar niet past bij de ernst en frequentie van de door haar beschreven geweldshandelingen, te weten ontelbare vuistslagen in het gezicht en tegen het lijf, maar dat dit daarentegen wel past bij haar verklaring dat zij meermalen is geslagen en is vastgepakt bij haar lichaam en haar keel. Daarentegen past het juist niet bij de stelling van de verdediging dat het zou komen door de val bij de club in België aangezien meerdere personen daarover hebben verklaard dat ze op haar achterhoofd is gevallen.

Voorts acht de het hof het van belang dat het bloed dat de politie heeft aangetroffen op het

middenconsole in de desbetreffende Volkswagen Golf, overeenkomt met hetgeen aangeefster en getuigen hierover hebben verklaard. Aan het bewijs van het tenlastegelegde dragen verder bij de camerabeelden van het [tankstation] te Bladel. Op de beelden wordt door de verbalisanten gezien dat [medeverdachte] na het tanken met flesjes water en een stapel witte servetten terug naar de auto is gelopen. Ook dit komt overeen met de verklaring van aangeefsters dat de servetten bedoeld waren om het bloed op het gezicht van [slachtoffer 1] schoon te maken, Het verweer wordt verworpen.

Het hof verwerpt eveneens het verweer van de verdediging dat de biomechanica van een dwarslaesiepatiënt zich tegen de in de tenlastelegging opgenomen geweldshandelingen verzet. Het hof betrekt hierbij dat de verdachte, gelet op het grote aantal personen aanwezig op de achterbank en de omvang van een Volkswagen Golf, als het ware ‘klem’ moet hebben gezeten hetgeen in die situatie het ontbreken van ‘core’ en afzet met de benen met onbalans als gevolg zal hebben ondervangen.

Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario, inhoudende dat de aangeefster na het zoenen met de verdachte haar gezicht heeft aangeraakt, waardoor het DNA van de verdachte op haar handen terecht is gekomen, dan wel verspreiding van DNA via lachgasballonnen, en dit betreffende DNA vervolgens is verspreid op haar ondergoed en haar vagina na een toiletbezoek, schuift het hof terzijde. Het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten dat sprake is geweest van een dergelijke handeling van de aangeefster. Er is voorts geen enkele omstandigheid aangevoerd of anderszins gebleken die een dergelijke verspreiding aannemelijk maakt. Het hof kwalificeert het door de verdediging geschetste alternatieve scenario als een (onvoldoende geconcretiseerde en gedetailleerde) theoretische mogelijkheid die het bij gebrek aan enige feitelijke onderbouwing verwerpt.

Het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging wordt derhalve in al zijn onderdelen verworpen. Ook hetgeen de verdediging voor het overige naar voren heeft gebracht, leidt het hof niet tot een ander oordeel.

Voorwaardelijk verzoek

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging het voorwaardelijk verzoek gedaan, om, indien gebruik wordt gemaakt van de resultaten van de DNA-onderzoeken zoals verricht in het onderzoek van de onderhavige strafzaak, een onderzoek naar de DNA-resultaten te laten verrichten door een deskundige gespecialiseerd in onderzoek van DNA-resultaten op activiteitenniveau.

Het verzoek zoals namens de verdachte gedaan is een voorwaardelijk verzoek tot het doen van nader onderzoek als bedoeld in artikel 315, derde lid Sv jo artikel 328 Sv, welke bepalingen op grond van artikel 415, eerste lid Sv ook op het onderzoek in hoger beroep van toepassing zijn. Gelet op de voorwaardelijke vorm van het verzoek is slechts een uitdrukkelijke beslissing vereist indien de daaraan gestelde voorwaarde – dat het hof gebruikmaakt van de onderzoeksresultaten van de DNA-onderzoeken als bewijsmiddel in de onderhavige strafzaak – is vervuld. In de onderhavige strafzaak wordt daaraan bij dezen voldaan.

Het hof beoordeelt het onderhavige verzoek aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium. Dit criterium houdt verband met de taak en de verantwoordelijkheid van de strafrechter voor de volledigheid van het onderzoek van de zaak. In de afweging of het doen van het onderzoek op activiteitenniveau noodzakelijk wordt geacht, heeft het hof het verzoek gewogen tegen de achtergrond van hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en in het licht van alle omstandigheden van het geval. Het hof is van oordeel dat het door de verdediging geschetste alternatieve scenario geen enkele verankering vindt in het dossier. Het hof gaat tegen de achtergrond van de voorliggende feiten en omstandigheden uit van een andere selectie en waardering van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen dan de verdediging. In die andere lezing van de feiten acht het hof zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht en is de noodzakelijkheid van het gevraagde onderzoek niet gebleken. Het hof wijst op grond van het bovenstaande dan ook het voorwaardelijke verzoek tot het laten verrichten van een onderzoek naar de DNA-resultaten door een deskundige op activiteitenniveau af.

Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde

Met betrekking tot het onder 4 tenlastegelegde heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Hiertoe is naar voren gebracht, zakelijk weergegeven, dat de verdachte zich niet kan herinneren dat hij aangeefster [slachtoffer 3] heeft geslagen en dat hij ontkent zulks bewust te hebben gedaan. Gelet op de chaos in de auto, kan niet geheel worden uitgesloten dat [slachtoffer 3] per ongeluk door een beweging is geraakt, mogelijk zelfs door de hand van de medeverdachte of één van de andere inzittende, aldus de verdediging.

Zoals hiervoor is overwogen, acht het hof de opeenvolgende verklaringen van aangeefster ter zake van de tenlastegelegde mishandeling betrouwbaar, waarbij het hof betrekt dat de aangifte van aangeefster steun vindt in ander objectief bewijs waaronder een doktersverslag, en in de verklaringen van getuigen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , en zal het hof die verklaringen van de aangeefsters bezigen tot het bewijs. Gelet hierop vindt het verweer van de verdediging zijn weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, en derhalve behoeft dit verweer geen verdere bespreking.

Het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen.

Ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging eveneens ten aanzien van het tenlastegelegde onder 5 vrijspraak bepleit. Hiertoe is – kort weergegeven – aangevoerd dat indien het hof de verklaringen van de aangeefsters niet betrouwbaar acht vrijspraak dient te volgen met betrekking tot de woordelijke bedreigingen. Met betrekking tot het vuurwapen heeft de verdediging naar voren gebracht dat de verklaringen hieromtrent hopeloos tegenstrijdig zijn. Voor wat betreft het openen van het portier heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het feitelijk gezien onmogelijk is om een portier te openen onder de geschetste omstandigheden, gelet op de luchtdruk op het portier.

Zoals hiervoor is overwogen, acht het hof de opeenvolgende verklaringen van de aangeefsters betrouwbaar en zal die tot het bewijs bezigen, te meer nu die verklaringen steun vinden in overig bewijs zoals de verklaringen, op onderdelen, van de andere aangeefsters. Gelet daarop vindt het verweer van de verdediging met betrekking tot de woordelijke bedreigingen zijn weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, en derhalve behoeft dit verweer geen verdere bespreking. Hetgeen de verdediging ten aanzien van de aanwezigheid van een vuurwapen heeft betoogd behoeft eveneens geen bespreking, nu het hof dit onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen heeft verklaard.

Het hof acht enkel het openen van het achterportier door de verdachte wel bewezen op grond van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat het hof het niet feitelijk onmogelijk acht om een autoportier te openen onder de geschetste omstandigheden.

Het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen.

Resumerend acht het hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde onder 1 subsidiair, 3, 4 en 5 heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair en 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

de eendaadse samenloop van feitelijke aanranding van de eerbaarheid en mishandeling.

Het onder 4 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

mishandeling.

Het onder 5 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het hof zal volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Daartoe heeft de verdediging het hof verzocht om bij de strafoplegging in strafmatigende zin rekening te houden met artikel 63 Sr en met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, nu de verdachte wegens zijn slechte gezondheidssituatie feitelijk en anders dan door de medisch adviseur Dienst Justitiële Inrichtingen in zijn advies d.d. 26 november 2025 wordt gesteld, niet detentiegeschikt is. Voorts stelt de verdediging dat de voortduring van de detentie onder omstandigheden waartoe ook die van de verdachte kunnen worden gerekend, kan leiden tot schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Hierbij heeft de verdediging bovendien gewezen op uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarin duidelijk naar voren komt dat artikel 3 de autoriteiten ertoe kan verplichten om, in uitzonderlijke gevallen, namelijk wanneer de gezondheidstoestand van de gedetineerde echt onverenigbaar is met de detentie, hem in vrijheid te stellen onder bepaalde voorwaarden. De verdachte zit al geruime tijd uit anderen hoofde gedetineerd en zijn medische toestand is erg verslechterd door die detentieperiode. Volgens de verdediging zijn er onvoldoende mogelijkheden in detentie om de verdachte de medische zorg te bieden die hij nodig heeft.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

De ernst van het bewezenverklaarde

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich, in het bijzin van vijf anderen, schuldig heeft gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid van een jonge vrouw die bij hem op schoot zat in een rijdende auto waardoor het slachtoffer zich niet of in onvoldoende mate kon onttrekken aan de handelingen van de verdachte, en waarbij hij onder meer haar bosten heeft betast en haar vagina heeft aangeraakt en haar heeft geslagen. Daarnaast heeft de verdachte zich in deze auto schuldig gemaakt aan mishandeling van deze vrouw en haar vriendin en heeft hij hen en nog een derde vrouw in de auto bedreigd. De verdachte heeft een uiterst bedreigende en intimiderende setting gecreëerd waarbij hij – naar het zich laat aanzien – zijn macht wilde vertonen. De verdachte heeft de in acht te nemen grenzen ver overschreden, waarbij hij zich door zijn eigen (lust)gevoelens heeft laten leiden. Door aldus te handelen heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de (lichamelijke) integriteit van de slachtoffers. Bovendien is het handelen van de verdachte voor de slachtoffers beangstigend geweest en heeft het grote impact op hen (gehad), zoals ook volgt uit de in het dossier voorhanden zijnde slachtofferverklaringen en de namens [slachtoffer 3] voorgedragen slachtofferverklaring ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof neemt de verdachte dat ernstig kwalijk. In het nadeel van de verdachte laat het hof ook meewegen dat hij er op geen enkel moment blijk van heeft gegeven het strafwaardige van zijn handelen in te zien.

De persoon van de verdachte

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie, d.d. 10 november 2025, betrekking hebbend op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van mishandeling, doch dat deze veroordeling dateert van 16 februari 2010. Recente veroordelingen waarvoor de verdachte thans is gedetineerd zien op Opiumwet gerelateerde feiten.

Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij in een rolstoel zit wegens een dwarslaesie en momenteel niet de benodigde zorg krijgt in detentie. De verdachte heeft na zijn eerste detentie in [plaats 2] al een operatie gehad waarbij zijn eigen huid is gebruikt om de doorligplekken te verhelpen, die door de detentie te groot waren geworden. Inmiddels is er zich een nieuwe doorligplek aan het ontwikkelen, maar de verdachte heeft geen huid meer over om nog een operatie uit te voeren. Daarnaast was hij recentelijk met spoed opgenomen in het ziekenhuis met hoge koorts en andere medische klachten, alwaar hij te horen had gekregen dat zijn benen mogelijk geamputeerd moeten worden indien de antibiotica niet zou aanslaan. Volgens de verdachte is zijn detentie de oorzaak van zijn verslechterde medische gesteldheid.

In dit verband heeft het hof acht geslagen op andere stukken omtrent de persoonlijke en medische situatie van de verdachte, waaronder een aanvullend rapport ter beoordeling van de detentie(on)geschiktheid van de verdachte, opgemaakt door de aan de Dienst Justitiële Inrichtingen verbonden arts en [medisch adviseur] d.d. 26 november 2025.

De verdachte is al geruime tijd uit hoofde van een andere strafzaak van zijn vrijheid beroofd. Voornoemde [medisch adviseur] heeft op 26 november 2025 aanvullend gerapporteerd en gereageerd op de door de verdediging verstrekte medische stukken. In zijn rapport concludeert [medisch adviseur] dat er bij de verdachte nog altijd sprake is van een complexe gezondheidssituatie en dat de medische dienst van [naam] , waar de verdachte thans is gedetineerd, uitgebreid betrokken is bij de behandeling en in nauw contact staat met de ziekenhuisspecialisten en dat er door de medische dienst diverse aanvullende acties zijn ondernomen, waarbij hij naar verschillende specialisten is verwezen, hij opgenomen is geweest in een ziekenhuis en er aanvullende hulpmiddelen voor hem zijn geregeld welke door het ziekenhuis werden geadviseerd. Sinds zijn terugkeer in [naam] op 15 november 2025 is de medische dienst dagelijks betrokken geweest bij wondzorg, in nauw overleg met de specialisten van het ziekenhuis. Er speelt op dit moment geen zorgvraag welke niet in- of vanuit detentie geboden kan worden. Om die reden acht de medisch adviseur de verdachte detentiegeschikt. Indien er in de toekomst zorgen zijn over de geboden zorg, kan overplaatsing naar het Justitieel Centrum voor Somatische Zorg worden overwogen. Ook kan er laagdrempelig worden overlegd met de medisch adviseur indien er vragen zijn over de te regelen zorg, of bijvoorbeeld een strafonderbreking indien de benodigde zorg niet vanuit detentie geboden kan worden.

Het hof acht zich op basis van de thans voorhanden zijnde stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep voldoende ingelicht over de gezondheidstoestand van de verdachte en de zorg die in detentie aan hem geboden kan worden. Anders dan de verdediging, heeft het hof momenteel geen reden om te twijfelen aan het door de DJI opgestelde rapport omtrent de detentiegeschiktheid van de verdachte. Naar het oordeel van het hof is dit rapport op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en is de conclusie van het rapport voldoende gemotiveerd en navolgbaar. Het hof merkt daarbij op dat de medisch adviseur in het rapport ook de door de verdediging naar voren gebrachte gewijzigde medische situatie in zijn conclusie heeft meegewogen. Het hof neemt deze conclusie over en is van oordeel dat de verdachte detentiegeschikt is. Hetgeen de verdediging in dit verband heeft aangevoerd leidt het hof niet tot een ander oordeel en het hof is van oordeel dat de gezondheidstoestand van de verdachte niet dusdanig is dat deze echt onverenigbaar is met de detentie. Gelet hierop, is van een schending van artikel 3 van het EVRM, voor zover door de verdediging bepleit, geen sprake.

Op te leggen straf

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof ziet daarbij geen grond om te volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, omdat een dergelijke strafoplegging onvoldoende recht doet aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde.

Anderzijds houdt het hof er rekening mee dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf door de verdachte, gelet op zijn medische situatie, als zwaarder zal worden ervaren dan door een gemiddelde andere verdachte. Het hof houdt ten gunste van de verdachte met die omstandigheid rekening bij de strafoplegging.

Met betrekking tot het procesverloop en de duur daarvan, overweegt het hof het navolgende.

Het hof stelt voorop dat iedere verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, lid 1 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarbij in eerste aanleg sprake is van een gedetineerde verdachte, naar vaste rechtspraak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Bovendien heeft in onderhavige zaak als uitgangspunt te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen 2 jaren nadat hoger beroep in ingesteld, nu de voorlopige hechtenis destijds is geschorst.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in de aangehaalde verdragsbepaling in eerste aanleg is overschreden met 1 maand, nu de verdachte op 23 oktober 2022 in verzekering is gesteld en het vonnis van 26 maart 2024 dateert. De redelijke termijn in hoger beroep is niet overschreden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden hebben kunnen of moeten leiden, zijn gesteld noch aannemelijk geworden.

Gelet op de geringe termijnoverschrijding in eerste aanleg volstaat het hof met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Alles overziend is het hof van oordeel dat de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is.

Op te leggen maatregel

Voorts zal het hof, ter voorkoming van strafbare feiten, overgaan tot oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 5 jaren, inhoudende een contactverbod - direct en/of indirect - met de slachtoffers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Het hof zal bepalen dat indien deze maatregel wordt overtreden, per overtreding 2 weken vervangende hechtenis, met een maximum van 6 maanden, zal worden toegepast. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de maatregel niet op.

Het hof zal voorts – net als de rechtbank – bepalen dat voornoemde maatregel dadelijk uitvoerbaar is, nu er – gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder het is begaan – ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen.

Het hof zal bevelen dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit arrest onderworpen is geweest aan de door de rechtbank dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de door het hof opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering dient te worden gebracht.

Voorlopige hechtenis

Gelet op de bewezenverklaring is het hof van oordeel dat er thans geen gronden meer zijn die een bevel voorlopige hechtenis kunnen rechtvaardigen en derhalve zal het hof het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 9.739,69, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering bestaat uit de volgende posten:

1. Materiële schade: € 1.239,69

eigen risico 2024 € 385,00;

kosten toekomstige behandeling € 750,00;

kosten verslaglegging € 104,69;

2. Immateriële schade: € 8.500,00.

Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van

€ 4.604,69, bestaande uit € 104,69 aan materiële schade (kosten verslaglegging) en

€ 4.500,00 aan immateriële schade en is benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering voor het overige en hierbij heeft de rechtbank bepaald dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Daarnaast is de verdachte veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot aan de datum van het vonnis begroot nihil.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep (deels) inhoudelijk betwist.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair, 3 en 5 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 104,69 (kosten verslaglegging). De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Ten aanzien van de gevorderde kosten met betrekking tot de eigen bijdrage over 2024 en kosten toekomstige behandeling is het hof van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Bij gebreke van een nadere onderbouwing kan het hof de gevorderde schade derhalve niet beoordelen. Naar het oordeel van het hof zou het een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren indien het hof de zaak aan dient te houden in verband met de nadere onderbouwing van deze kosten. De benadeelde partij kan daarom thans in het overige gedeelte van de vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

Het hof stelt voorop dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Indien het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is.

Het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon reeds kan worden aangenomen indien het bestaan van geestelijk letsel als hiervoor bedoeld niet zou kunnen worden vastgesteld. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat seksuele delicten een ernstige inbreuk op de integriteit en persoonlijke levenssfeer van slachtoffers kunnen opleveren en dat slachtoffers nog geruime tijd met de psychische gevolgen daarvan te kampen kunnen hebben, waardoor reeds op die grond kan worden gesproken van schending van een persoonlijkheidsrecht. Bovendien heeft de benadeelde partij lichamelijk letsel opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde onder 3, waardoor de gevorderde immateriële schadevergoeding ook in die zin onder het bereik van artikel 6:106 BW valt.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het toe te wijzen bedrag wel dient te worden gematigd. Ook het hof heeft de wederrechtelijke vrijheidsberoving niet bewezen geacht. Het hof begroot de immateriële schade gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, naar billijkheid op een bedrag van € 4.500,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade te worden afgewezen.

Wettelijke rente

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente. Het hof zal ten aanzien van de immateriële schade bepalen dat de wettelijke rente zal aanvangen op 23 oktober 2022, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening. Met betrekking tot de post kosten verslaglegging zal het hof bepalen dat de wettelijke rente zal aanvangen op 13 februari 2024 (datum factuur), zijnde het moment waarop de schade is ontstaan.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 14.639,87, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering bestaat uit de volgende posten:

1. Materiële schade: € 9.139,87

niet vergoede ziektekosten € 36,87;

eigen risico 2023 € 375,00;

eigen risico 2024 € 385,00;

kosten toekomstige behandeling € 750,00;

kleding en schoenen € 250,00;

rolluiken € 6.795,00;

video deurbel € 548,00;

2. Immateriële schade: € 5.500,00.

Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van

€ 911,85, bestaande uit € 411,85 aan materiële schade (niet vergoede ziektekosten en eigen risico 2023) en € 500,00 aan immateriële schade en is benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering voor het overige en hierbij heeft de rechtbank bepaald dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Daarnaast is de verdachte veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot aan de datum van het vonnis begroot nihil.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocate van de benadeelde partij te kennen gegeven dat het gevorderde bedrag ten aanzien van de toekomstige behandeling ter hoogte van € 750,00 is komen te vervallen en in die zin wordt de vordering verminderd met dit bedrag.

De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep deels inhoudelijk betwist.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Materiële schade

Ten aanzien van de gevorderde niet vergoede ziektekosten en eigen risico 2023 is het hof van oordeel dat deze kosten rechtstreeks het gevolg zijn van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte onder 5, zodat de verdachte tot vergoeding van deze schade is gehouden en dit gedeelte van de vordering toewijsbaar is.

Met betrekking tot de gevorderde kosten eigen risico 2024 is het hof van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Bij gebreke van een nadere onderbouwing kan het hof de gevorderde schade niet beoordelen. Naar het oordeel van het hof zou het een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren indien het hof de zaak aan dient te houden in verband met de nadere onderbouwing van deze kosten. De benadeelde partij kan daarom thans in het overige gedeelte van de vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de kosten kleding en schoenen ziet het hof zich niet in staat de daadwerkelijke omvang van de geleden schade nauwkeurig vast te stellen en derhalve zal het hof voor de begroting van deze kosten op grond van artikel 6:97 BW gebruikmaken van zijn schattingsbevoegdheid. Het hof begroot de geleden schade op een bedrag van € 200,00. Het hof zal de benadeelde partij in het meer gevorderde bedrag niet-ontvankelijk verklaren.

Tot slot overweegt het hof met betrekking tot de gevorderde kosten van de rolluiken en de video deurbel als volgt. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat niet is vast komen te staan dat deze schadeposten rechtstreekse schade betreft en dus zijn aangeschaft vanwege de bewezenverklaarde bedreiging. Gelet daarop zal het hof de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

Immateriële schade

Het hof stelt voorop dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Uit het in het dossier voorhanden zijnde behandelplan d.d. november 2022 volgt dat sprake is van PTSS bij de benadeelde partij. Gelet hierop is het hof van oordeel dat gevorderde immateriële schadevergoeding onder het bereik van artikel 6:106 BW valt.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het toe te wijzen bedrag wel dient te worden gematigd. Ook het hof acht de wederrechtelijke vrijheidsberoving niet bewezen. Het hof begroot de immateriële schade gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, naar billijkheid op een bedrag van € 500,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade te worden afgewezen.

Wettelijke rente

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente. Wat betreft de materiële schade merkt het hof op dat deze schade op verschillende tijdstippen is ontstaan. Het hof zal derhalve bij wijze van moderatie bepalen dat de wettelijke rente ter zake van de materiële schade zal aanvangen op 16 februari 2024, zijnde de dag waarop de vordering is ingediend, tot aan de dag der algehele voldoening. Ten aanzien van de immateriële schade zal het hof bepalen dat de wettelijke rente zal aanvangen op 23 oktober 2022, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 6.394,47, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering bestaat uit de volgende posten:

1. Materiële schade: € 1.894,47

eigen risico 2023 € 14,12

eigen risico 2024 € 385,00;

kosten toekomstige behandeling € 750,00;

reiskosten € 7,35;

kleding en schoenen € 200,00;

beveiligingscamera’s en deurbel € 538,00;

2. Immateriële schade: € 4.500,00.

Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van

€ 965,60, bestaande uit € 215,60 aan materiële schade (kosten eigen risico 2023, gemaakte kosten behandeling en reiskosten) en € 750,00 aan immateriële schade en is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering voor het overige en hierbij heeft de rechtbank bepaald dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Daarnaast is de verdachte veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot aan de datum van het vonnis begroot nihil.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocate van de benadeelde partij te kennen gegeven dat het gevorderde bedrag ten aanzien van de toekomstige behandeling ter hoogte van € 750,00 is komen te vervallen en dat het gevorderde bedrag ten aanzien van het eigen risico 2024 wordt verminderd naar € 370,58 en in die zin de vordering wordt verminderd.

De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep deels inhoudelijk betwist.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Materiële schade

Ten aanzien van de gevorderde kosten eigen risico 2023 en 2024 en de reiskosten is het hof van oordeel dat deze kosten rechtstreeks het gevolg zijn van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte onder 4 en 5, zodat de verdachte tot vergoeding van deze schade is gehouden en dit gedeelte van de vordering toewijsbaar is.

Ten aanzien van de kosten kleding en schoenen ziet het hof zich niet in staat de daadwerkelijke omvang van de geleden schade nauwkeurig vast te stellen en derhalve zal het hof voor de begroting van deze kosten op grond van artikel 6:97 BW gebruikmaken van zijn schattingsbevoegdheid. Het hof begroot de geleden schade op een bedrag van € 200,00.

Tot slot overweegt het hof met betrekking tot de gevorderde kosten van de beveiligingscamera’s en de deurbel als volgt. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat niet is vast komen te staan dat deze schadeposten rechtstreekse schade betreft en dus zijn aangeschaft vanwege de bewezenverklaarde mishandeling en bedreiging. Gelet daarop zal het hof de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

Immateriële schade

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 4 en 5 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Door het handelen van de verdachte heeft de benadeelde partij letsel aan haar hoofd opgelopen. Bovendien volgt uit de in het dossier voorhanden zijnde brief d.d. 23 januari 2024 van [GZ-psycholoog] dat sprake is van PTSS bij de benadeelde partij. Gelet op het voorgaande, mede onder verwijzing naar hetgeen ten aanzien hiervoor is overwogen ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , is het hof van oordeel dat de gevorderde immateriële schadevergoeding onder het bereik van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW valt.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het toe te wijzen bedrag wel dient te worden gematigd. Ook het hof heeft de wederrechtelijke vrijheidsberoving niet bewezen heeft geacht. Het hof begroot de immateriële schade gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, naar billijkheid op een bedrag van € 750,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade te worden afgewezen.

Wettelijke rente

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente. Wat betreft de materiële schade merkt het hof op dat deze schade op verschillende tijdstippen is ontstaan. Het hof zal derhalve bij wijze van moderatie bepalen dat de wettelijke rente ter zake van de materiële schade zal aanvangen op 16 februari 2024, zijnde de dag waarop de vordering is ingediend, tot aan de dag der algehele voldoening. Ten aanzien van de immateriële schade zal het hof bepalen dat de wettelijke rente zal aanvangen op 23 oktober 2022, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Aanvullende overwegingen ten aanzien van alle benadeelde partijen

Veroordeling kosten

Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partijen gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken). Deze kostenveroordeling is tevens telkens nader vermeld in het dictum en niet bij de besprekingen van de vorderingen van de benadeelde partijen aan de orde gesteld.

Schadevergoedingsmaatregel en gijzeling

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan de benadeelde partijen is toegebracht. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat gijzeling zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft. Bij de behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen is niet telkens de schadevergoedingsmaatregel opgenomen, maar de schadevergoedingsmaatregel en het aantal dagen gijzeling zullen nader worden genoemd in het dictum.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 38v, 38w, 55, 57, 63, 246, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct en/of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:

- [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] ;

- [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] ;

- [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum] .

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 subsidiair, 3 en 5 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.604,69 (vierduizend zeshonderdvier euro en negenenzestig cent) bestaande uit € 104,69 (honderdvier euro en negenenzestig cent) als vergoeding van materiële schade en

€ 4.500,00 (vierduizend vijfhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 4.000,00 (vierduizend euro) aan immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 subsidiair, 3 en 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.604,69 (vierduizend zeshonderdvier euro en negenenzestig cent) bestaande uit € 104,69 (honderdvier euro en negenenzestig cent) materiële schadevergoeding en € 4.500,00 (vierduizend vijfhonderd euro) immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 46 (zesenveertig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 13 februari 2024 en van de immateriële schade op 23 oktober 2022.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 5 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.111,87 (duizend honderdelf euro en zevenentachtig cent) bestaande uit € 611,87 (zeshonderdelf euro en zevenentachtig cent) als vergoeding van materiële schade en

€ 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 5.000,00 (vijfduizend euro) aan immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij ten aanzien van een bedrag van € 435,00 (kleding (gedeeltelijk) en eigen risico 2024) niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verklaart de benadeelde partij ten aanzien van een bedrag van € 7.343,00 (rolluiken en videodeurbel) niet-ontvankelijk.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.111,87 (duizend honderdelf euro en zevenentachtig cent) bestaande uit € 611,87 (zeshonderd elf euro en zevenentachtig cent) materiële schadevergoeding en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 11 (elf) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 16 februari 2024 over een bedrag van € 611,87 en van de immateriële schade op 23 oktober 2022.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 4 en 5 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.342,05 (duizend driehonderdtweeënveertig euro en vijf cent) bestaande uit € 592,05 (vijfhonderdtweeënnegentig euro en vijf cent) als vergoeding van materiële schade en

€ 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 3.750,00 (drieduizend zevenhonderdvijftig euro) aan immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 4 en 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.342,05 (duizend driehonderdtweeënveertig euro en vijf cent) bestaande uit € 592,05 (vijfhonderdtweeënnegentig euro en vijf cent) materiële schadevergoeding en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 13 (dertien) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 16 februari 2024 en van de immateriële schade op 23 oktober 2022.

Aldus gewezen door:

mr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,

mr. R.A.T.M. Dekkers en mr. R. Lonterman, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer en mr. A.D. van Zaalen, griffier,

en op 11 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. R.A.T.M. Dekkers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?