Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 21 oktober 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-159240-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1965,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van het onder feit 1 en feit 2 primair tenlastegelegde. De politierechter heeft het overige tenlastegelegde bewezen verklaard en dat gekwalificeerd als:
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem ten aanzien van het onder feit 2 subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 400,00 subsidiair 8 dagen hechtenis en hem ten aanzien van het onder feit 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 200,00 subsidiair 4 dagen hechtenis.
De politierechter heeft de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Namens de benadeelde partij [benadeelde] is in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van een bedrag van € 1.980,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De politierechter heeft de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
De benadeelde partij [benadeelde] heeft schriftelijk te kennen gegeven de vordering in hoger beroep te handhaven, met dien verstande dat de vordering tot schadevergoeding wordt verlaagd met een bedrag van € 900,00.
De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] is derhalve in hoger beroep tot het bedrag van € 1.080,00 aan het oordeel van het hof onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het onder feit 2 subsidiair en feit 3 tenlastegelegde conform de rechtbank bewezen zal verklaren, met uitzondering van het geen gebruik maken van de radar zoals is opgenomen onder feit 2 subsidiair, en de verdachte ten aanzien van het onder feit 2 subsidiair bewezenverklaarde zal veroordelen tot een geheel voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 400,00 met een proeftijd van 2 jaren en de verdachte ten aanzien van het onder feit 3 bewezenverklaarde zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van € 200,00. De advocaat-generaal heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [benadeelde] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken, dan wel dat hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is door de politierechter vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde, te weten van het op 14 november 2021 te Dinteloord als schipper van het motor(vracht)schip ‘ [scheepsnaam] ’ varen op de Dintel en het gebruiken van het binnenschip, terwijl de toestand en/of het gebruik en de uitrusting niet in overeenstemming waren met hetgeen is vastgelegd in het certificaat van onderzoek, nu het binnenschip een dode hoek had van 610 meter, in ieder geval meer dan de toegestane dode hoek van (niet meer dan) 250 meter.
Het hoger beroep is onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze vrijspraak.
Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat tegen deze beschermde vrijspraak is gericht.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist, heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover nog aan de orde in hoger beroep – tenlastegelegd dat:
2.
Primair
hij op of omstreeks 14 november 2021 te Dinteloord binnen de gemeente Steenbergen, in elk geval in het arrondissement Zeeland-West-Brabant,
als schipper van het motor(vracht)schip “ [scheepsnaam] ”, daarmee varende, op de Dintel, ter hoogte van de Zoombruggen (in de richting van het Volkerak), zijnde een in het Rijk gelegen, voor het scheepvaartverkeer openstaand openbaar water, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig,
terwijl hij, verdachte ter plaatse met die vaarweg (de Dintel) goed bekend was en
terwijl hij, verdachte de Zoombrugge(n) naderde en middels de marifoon om een brugpassage verzocht en/of
een koerslijn aanhield, gelegen aan de bakboordszijde -van het midden- van dat vaarwater (Dintel) en/of
onvoldoende rekening hield met de wind (BB-zijde) en/of eigenschappen van zijn -ledig- schip en/of
met een aanmerkelijk snelheidsverschil, althans met een snelheidsverschil en/of slingerend, met dat door hem, verdachte bestuurde motor(vracht)schip “ [scheepsnaam] ” op dat voor hem, verdachte, -aan de rechteroever- drijvende en/of liggende snelle motorboot (vissersbootje) voorzien van het registratieteken [kenteken] (ten westen van de Zoombruggen ter hoogte van het remmingwerk) naderde en/of op afvoer, en/of
niet bijzonder -blijvend- oplettend is geweest en/of
terwijl hij, met die -hogere- vaarsnelheid is blijven varen, althans niet zijn vaarsnelheid heeft verminderd op die snelle motorboot (vissersbootje) is blijven (af)varen en/of gedurende enige tijd onoplettend is geweest, en/of
geen, althans gedurende enige tijd geen of nauwelijks zicht gehad op dat voor hem bevindende snelle motorboot (vissersbootje)
niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die volgens goede zeemanschap of door de omstandigheden waarin het schip zich bevond was geboden, ten einde te voorkomen dat het leven van personen in gevaar wordt gebracht, als omschreven in artikel 1.04 aanhef onder a. van het Binnenvaartpolitiereglement en/of op die vaarweg (Dintel) met het voorschip van dat motor(vracht)schip “ [scheepsnaam] ” is gevaren tegen, althans in aanvaring en/of in aanraking is gekomen met die snelle motorboot (vissersbootje) en/of waardoor en/of waarbij dat motor(vracht)schip, die snelle motorboot heeft “gekraakt” en/of water werd gemaakt en/of vervolgens -bijna- is overvaren door dat door hem, verdachte bestuurde motor(vracht)schip “ [scheepsnaam] ”, niet direct althans niet tijdig vol met dat door hem, verdachte motor(vracht)schip “ [scheepsnaam] ” achteruit is geslagen en/of heeft afgestopt en/of uitgeweken nadat hij, verdachte die snelle motorboot (vissersbootje) -bijna- had overvaren, en vervolgens tot stilstand is gekomen met de boeg in het riet van de rechteroever,
waardoor het aan zijn, verdachtes schuld te wijten is dat hij met zijn motor(vracht)schip “ [scheepsnaam] ”, met dat motor(vracht)schip in aanvaring en/of aanraking is gekomen met een aldaar varend en/of zich bevindend (drijvend) en/of stilliggende snelle motorboot (vissersbootje) voorzien van het registratieteken [kenteken] en/of die snelle motorboot werd ‘gekraakt’ en/of die snelle motorboot bijna is gezonken, althans water maakte, terwijl daardoor levensgevaar voor de opvarende van die snelle motorboot ontstond;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 november 2021 te Dinteloord binnen de gemeente Steenbergen, in elk geval in het arrondissement Zeeland-West-Brabant, als schipper van het motor(vracht)schip “ [scheepsnaam] ”, daarmede varende op de Dintel, ter hoogte van de Zoombruggen, zijnde een openbaar voor de scheepvaart openstaand water in het Rijk gelegen,
terwijl uitdrukkelijke voorschriften in het Binnenvaartpolitiereglement ontbraken, niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die volgens goede zeemanschap en/of door omstandigheden waarin dat schip of dat samenstel zich bevond in het belang van de veiligheid en/of de goede orde van de scheepvaart waren geboden, teneinde te voorkomen dat het leven van personen in gevaar werd gebracht en/of schade werd veroorzaakt aan een ander schip/andere schepen en/of aan een andere drijvende voorwerpen, aan oevers en/of aan werken en/of inrichtingen die zich in de vaarweg en/of op de oevers daarvan bevonden en/of de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar werd gebracht, immers
heeft hij, verdachte,
bij het naderen van het voor hem -aan de rechter oever- bevindende en/of liggende en/of drijvende snelle motorboot (vissersbootje) voorzien van het registratieteken [kenteken] ,
- geen, althans onvoldoende uitkijk gehouden en/of
- zijn snelheid en/of koers onvoldoende aangepast bij het naderen van de Zoombrugge(n) en/of die snelle motorboot (vissersbootje) en/of
- geen gebruik gemaakt van de radar en/of
- geen gebruik gemaakt van ballast water en/of
- zich onvoldoende midvaarwater bevonden, althans teveel bakboordszijde aangehouden en/of
- onvoldoende rekening hield met de windkracht en/of eigenschappen van zijn -ledig- schip
met onverminderde, in elk geval met een (te) hogere (vaar)snelheid is blijven doorvaren en/of zijn -gestrekte- koers is blijven aanhouden en/of niet heeft gewijzigd, en/of geen direct zicht op dat voor hem, verdachte, bevindende en/of drijvende snelle motorboot (vissersbootje) heeft gehouden, waarna hij in aanvaring en/of in aanraking is gekomen met die snelle motorboot (vissersbootje) en/of levensgevaar voor schipper [benadeelde] is ontstaan;
3.hij op of omstreeks 14 november 2021 te Dinteloord binnen de gemeente Steenbergen, in elk geval in het arrondissement Zeeland-West-Brabant, als schipper van een motor(vracht)schip, genaamd “ [scheepsnaam] ”, daarmede heeft gevaren op het voor de scheepvaart openstaande, openbare vaarwater, de Dintel, ter hoogte van de Zoombruggen,
en toen niet heeft voldaan aan de verplichtingen bedoeld in artikel 785 van het Wetboek van Koophandel, immers heeft hij toen en aldaar, terwijl zijn schip bij een aanvaring betrokken was met een aldaar (af)gemeerd/drijvend snelle motorboot (vissersbootje) voorzien van het registratieteken [kenteken] , aan de schipper ( [benadeelde] ) van die snelle motorboot (vissersbootje)
niet de naam van zijn schip en/of
de plaats waar zijn schip thuis behoort en/of
de plaats waarvan zijn schip kwam en/of
de plaats waarheen het bestemd was, opgegeven en/of
geen inzage verstrekt van het bewijs van inschrijving in het register.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Integrale vrijspraak
Feit 2 primair
Het hof stelt op grond van het politiedossier vast dat er op 14 november 2021 een aanvaring heeft plaatsgevonden tussen het motorvrachtschip genaamd ‘ [scheepsnaam] ’ en de snelle motorboot van het merk Quicksilver met het registratieteken [kenteken] ter hoogte van de Zoombruggen te Dinteloord, de bruggen van de A4 over de rivier de Dintel. De verdachte was de schipper van de ‘ [scheepsnaam] ’ en naderde de Zoombruggen vanaf het zuidoosten richting het noordwesten. De Dintel maakt daar een flauwe bocht naar bakboord. Onder de Zoombruggen lag aangever [benadeelde] met zijn motorboot de Quicksilver te vissen. Toen hij de ‘ [scheepsnaam] ’ op ongeveer 300 meter zag naderen is hij zo veel mogelijk aan de stuurboordzijde (gezien vanaf de [scheepsnaam] ) van het water gaan varen. Nadat [benadeelde] zag dat de ‘ [scheepsnaam] ’ recht op hem af bleef komen is hij naar het remmingwerk aan de noordwestzijde van de Zoombruggen gevaren en heeft hij zijn motorboot aan het remmingwerk vastgemaakt aan de kant van het vaarwater. Omdat de ‘ [scheepsnaam] ’ onvoldoende koers wijzigde heeft aangever nog staan zwaaien en is hij daarna tussen de stalen profielen van het remmingwerk gekropen om in veiligheid te komen (digitale dossierpagina 9). De ‘ [scheepsnaam] ’ kwam vervolgens in de bocht steeds dichterbij het remmingwerk, alwaar de Quicksilver lag, en op een gegeven moment schampte de ‘ [scheepsnaam] ’ met haar stuurboordzijde, de bakboordzijde van de Quicksilver. De Quicksilver kwam daardoor klem te zitten tussen de stuurboordzijde van de ‘ [scheepsnaam] ’ en het remmingwerk, waardoor zij werd gekraakt.
Het hof overweegt dat ingevolge artikel 7.02, eerste lid onder d en e, van het Binnenvaartpolitiereglement (hierna steeds: BPR) een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting geen ligplaats mag nemen onder een brug of een hoogspanningslijn en in een engte in de zin van artikel 6.07 BPR en in de nabijheid daarvan, zomede in een vak van of op een plaats in de vaarweg waar als gevolg van het stilliggen een engte zou ontstaan en in de nabijheid daarvan. Daarnaast stelt artikel 6.07, derde lid, van het BPR dat een schip een engte zonder onnodig oponthoud moet doorvaren. De onderdoorvaart van de Zoombruggen kan als een engte gezien worden als bedoeld in artikel 6.07, eerste lid, van het BPR.
Gelet op het vorenstaande heeft aangever [benadeelde] in strijd met het Binnenvaartpolitiereglement gehandeld door zich onder de Zoombruggen op te houden voor het vissen en vervolgens, nadat hij zag dat de ‘ [scheepsnaam] ’ richting de Zoombruggen voer, de engte niet heeft verlaten maar zijn boot heeft vastgemaakt aan het remmingwerk aan stuurboord aan de noordwestzijde van de Zoombruggen. Het hof overweegt in dat kader dat het remmingwerk dat voor en na een brug ligt, bedoeld is om schepen af te remmen dan wel tegen te houden, wanneer zij tegen de brug aan dreigen te varen. Door zijn boot aan dit remmingwerk vast te maken heeft aangever [benadeelde] dan ook gevaarzettend gehandeld.
Het hof overweegt voorts dat aangever [benadeelde] eveneens geen rekening heeft gehouden met de grote dode hoek van het motorvrachtschip en de omstandigheid dat zijn kleine motorboot moeilijk zichtbaar is. Uit de reconstructie blijkt dat [benadeelde] in de dode hoek zat, in de dode hoek bleef en zich uiteindelijk in de dode hoek aan het remmingwerk heeft vastgemaakt.
[benadeelde] heeft weliswaar verklaard dat hij in zijn boot is gaan staan en dat hij is gaan zwaaien met beide armen om de schipper van de ‘ [scheepsnaam] ’ te waarschuwen, doch heeft hij daarbij geen rekening gehouden met het feit dat de schipper van de ‘ [scheepsnaam] ’ door de grote dode hoek van het schip hem niet kon zien. Aangever [benadeelde] had ingevolge artikel 4.02, tweede lid, van het BPR het attentiesein en het noodsein moeten geven ter voorkoming van aanvaring, hetgeen aangever eveneens heeft nagelaten.
Het voorgaande komt er op neer dat aangever [benadeelde] aan het vissen was op een plaats waar dat verboden is. Het betreft een plaats onder een viaduct waardoor een klein schip als het zijne minder goed zichtbaar is dan op open water. Daarnaast moet hij zich hebben gerealiseerd dat hij zich mogelijk in de dode hoek bevond van het vrachtschip dat hij al vanaf 300 meter aan zag komen. [benadeelde] is niet uit de dode hoek weggevaren maar heeft vervolgens in die dode hoek in de engte in strijd met de regelgeving aangemeerd.
Het hof neemt hierbij als feit van algemene bekendheid in aanmerking dat er in publicaties van en voor de recreatievaart veelvuldig wordt gewaarschuwd voor de dode hoek van de beroepsvaart (zie bijvoorbeeld de website www.varendoejesamen.nl van o.a. Rijkswaterstaat, de provincies, HISWA, het Watersportverbond, Koninklijke Schuttevaer, de ANWB en Waterrecreatie Nederland. Dit breed gedragen project beoogt onder meer het aantal ongevallen tussen beroeps- en recreatievaart te verminderen).
De verdachte had camera’s aan boord – hetgeen geen wettelijke verplichting is – waarmee hij de Quiksilver, zij het in een zeer laat stadium, heeft kunnen waarnemen. Het hof heeft op grond van de veiliggestelde camerabeelden aan bakboordzijde kunnen vaststellen dat [benadeelde] met zijn kleine motorboot op die beelden niet dan wel met zeer veel moeite waar te nemen was. Daarnaast was de verdachte verplicht stuurboordwal aan te houden, hetgeen hij heeft gedaan. Het hof slaat ook acht op de omstandigheid dat de verdachte tijdens het nemen van de bocht naar bakboord onder de Zoombruggen scherp diende te letten op eventuele tegenliggers in die bocht.
Gelet op de vorengenoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de aanvaring tussen de ‘ [scheepsnaam] ’ en de Quiksilver van aangever [benadeelde] niet aan de schuld van de verdachte is te wijten. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 2 primair tenlastegelegde.
Feit 2 subsidiair
De vraag die hier voorligt is of de verdachte niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die volgens goed zeemanschap waren geboden om het ongeval te voorkomen. Het hof bespreekt hierna de in de tenlastelegging genoemde feiten.
geen, althans onvoldoende uitkijk gehouden
In de overwegingen ten aanzien van het onder feit 2 primair tenlastegelegde ligt besloten dat de verdachte niet kan worden verweten dat hij geen, althans onvoldoende uitkijk heeft gehouden.
zijn snelheid en/of koers onvoldoende aangepast bij het naderen van de Zoombrugge(n) en/of die snelle motorboot (vissersbootje)
Uit het verhandelde ter terechtzitting is hiervan niet gebleken.
geen gebruik gemaakt van de radar
De verdachte maakte inderdaad geen gebruik van de radar. Hiermee had de Quicksilver, zowel vanwege haar geringe omvang, de plaats waar zij lag (voor een metalen remmingwerk) en het niet hebben van een radarreflector aan boord ook nooit waargenomen kunnen worden. Het niet gebruik maken van een radar is daarom van geen enkele invloed geweest op het ongeval.
geen gebruik gemaakt van ballastwater
Uit het verhandelde ter terechtzitting is voldoende gebleken dat dat voor het vrachtschip de ‘ [scheepsnaam] ’ niet mogelijk was.
zich onvoldoende midvaarwater bevonden, althans teveel bakboordzijde aangehouden
Het hof acht dit verwijt innerlijk tegenstrijdig dan wel onbegrijpelijk omdat het ongeval aan stuurboordzijde heeft plaatsgevonden.
onvoldoende rekening hield met de windkracht en/of eigenschappen van zijn -ledig- schip
Hiervoor zijn geen bewijsmiddelen aangevoerd en door het hof evenmin aangetroffen.
De verdachte zal gelet op het bovenstaande ook van het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde worden vrijgesproken.
Feit 3
Het hof heeft voorts uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij ook daarvan zal worden vrijgesproken.
De verdachte heeft verklaard dat hij na de aanvaring terug is gevaren naar aangever [benadeelde] en hem de mogelijkheid heeft gegeven om zijn personalia te noteren. De verdachte zou tegen aangever hebben gezegd dat hij mee kon varen en dat hij zelf met de ‘ [scheepsnaam] ’ op die plaats niet kon blijven liggen. Hij zou een Roemeense matroos naar aangever hebben gestuurd om een touw te gooien, zodat hij aangever op sleeptouw kon nemen en verderop kon aanmeren. De emoties bij aangever zouden echter volgens de verdachte hoog zijn opgelopen. Aangever had de politie al gebeld en wilde daarom dat de verdachte bij de Zoombruggen zou blijven liggen.
Het hof overweegt dat de verklaring van de verdachte steun vindt in de camerabeelden behorend bij het dossier, omdat daaruit blijkt dat de ‘ [scheepsnaam] ’ achteruit richting de Zoombruggen voer en dat een persoon de stuurhut verliet. Dat de verdachte nabij de Zoombruggen niet veilig kon blijven stilliggen is in de gegeven omstandigheden niet onbegrijpelijk en gelet op de regelgeving ook niet toegestaan. De verklaring van de verdachte dat hij wel zijn gegevens aan aangever [benadeelde] kenbaar wilde maken, komt het hof dan ook geloofwaardig over. Het hof neemt ook in aanmerking dat de naam van het schip, de plaats van herkomst en het zogenaamde Europanummer met grote letters achter op het schip stonden. Daarom zal het hof de verdachte ook vrijspreken van het onder feit 3 tenlastegelegde.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van een bedrag van € 1.980,00 aan zogenoemde immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in een bedrag van € 1.600,00 aan verlofdagen en € 380,00 aan eigen risico.
De politierechter heeft de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
Zoals hiervoor vermeld onder het kopje ‘Omvang van het hoger beroep’ heeft de benadeelde partij [benadeelde] schriftelijk te kennen gegeven de vordering in hoger beroep opnieuw te voegen en heeft hij daarbij de vordering tot schadevergoeding verlaagd tot een bedrag van € 1.080,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Nu aan de verdachte ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [benadeelde] in de vordering niet worden ontvangen.
De benadeelde partij zal daarbij als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, op de wijze als in het dictum van dit arrest is bepaald.
BESLISSING
Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder feit 1 tenlastegelegde;
vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 2 primair en subsidiair tenlastegelegde en het onder feit 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde] in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Aldus gewezen door:
mr. J.C. Gillesse, voorzitter,
mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen en mr. B.J.M. van de Luijtgaarden, griffiers,
en op 12 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.