Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 16 oktober 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-078300-24 tegen:
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [woonplaats] , [woonplaats] .
Hoger beroep
Bij voormeld vonnis is de verdachte ter zake van:
veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden. Daarnaast heeft de eerste rechter aan de verdachte de maatregel kostenverhaal opgelegd voor een bedrag van € 10.000,00 en daarbij de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd bepaald op 200 dagen.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis integraal zal bevestigen.
De verdediging heeft:
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop het berust, onder aanvulling van de hierna opgenomen bewijsoverweging en met uitzondering van de opgelegde maatregel.
Bewijsoverweging
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van beide ten laste gelegde feiten.
Het hof sluit zich aan bij de bewijsoverwegingen van de rechtbank, maar ziet op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aanleiding om in aanvulling op de op pagina 3 van het beroepen vonnis opgenomen overweging ten aanzien van het ‘medeplegen’ het volgende te overwegen.
De verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep over het gebeuren op de ten laste gelegde dag heeft afgelegd, komt -zakelijk weergegeven- op het volgende neer:
De verdachte is op enig moment voorafgaand aan 5 maart 2024 benaderd door een man, van wie hij de naam niet wil noemen, om werkzaamheden uit te voeren in een loods, bestaande uit een reparatie aan onderdelen van elektromotoren. Hij is volgens afspraak daarvoor, met achterlating van zijn mobiele telefoon, in de vroege ochtend van 5 maart 2024 vanuit zijn woonplaats [woonplaats] naar [plaats] gereden waar hij had afgesproken met die man. Hij trof vervolgens op de afgesproken plaats in [plaats] tot zijn verrassing niet de bedoelde man, maar een voor hem onbekende man aan, die later de medeverdachte [voorletters] [medeverdachte] bleek te zijn. [medeverdachte] bevond zich wel in de voor de verdachte bekende zwarte personenauto van het merk [automerk] met het kenteken [kenteken] , waarmee hij vervolgens, opnieuw tot zijn verrassing en niet volgens afspraak, door [medeverdachte] naar de loods aan de [adres] te [plaats] is gebracht.
Het was nog vóór de middag dat de verdachte samen met [medeverdachte] bij voormelde loods aankwam en toen hij daar binnenkwam, rook hij meteen een vreemde en sterke chemische geur. Op het moment dat de verdachte die geur rook, dacht hij al dat er iets niet klopte en dat hij daar niets mee te maken wilde hebben. In de loods waren, buiten de verdachte, ook de twee later aangehouden medeverdachten aanwezig, waarvan hij stelt dat hij beiden niet kende. Hij zag dat in de loods een hoge wand was opgetrokken, waar hij niet achter kon kijken, en dat vóór die wand een ruimte was waarin drie grote elektromotoren op de grond lagen waarvan hij de pakkingen moest vervangen. Omdat hij daarvoor niet het juiste gereedschap had, is hij vervolgens met [medeverdachte] naar een bouwzaak in [plaats] gereden om een bepaalde tang te gaan kopen. Na terugkomst heeft hij de afgesproken werkzaamheden verricht en heeft hij de elektromotoren achtergelaten op de grond waar hij ze had aangetroffen. Nadien is hij door de medeverdachten (het hof begrijpt: [medeverdachte] en [medeverdachte] ) naar een andere ruimte in de loods gebracht, zijnde een soort kantine / slaapplaats, waar hij heeft getracht te slapen omdat het erg lang duurde voordat hij weer kon worden teruggebracht naar [plaats] . Op het moment dat hij naar bedoelde slaapplaats werd gebracht, zag hij voor het eerst dat zich achter voormelde wand een laboratoriumopstelling bevond.
Op basis van de bewijsmiddelen kunnen de volgende feiten worden vastgesteld.
De [automerk] waarover de verdachte spreekt is op de ochtend van 5 maart 2024 een aantal keren bij een observatie door de politie waargenomen bij de onderhavige loods, met daarin als enige inzittende de medeverdachte [medeverdachte] als bestuurder. De eerste keer op die dag dat zich naast [medeverdachte] een passagier in de auto bevond was omstreeks 12.47 uur toen de [automerk] vanuit de loods wegreed.
Op 5 maart 2024 omstreeks 14.48 uur is de politie voormelde loods binnengetreden en heeft daarin vervolgens de verdachten [medeverdachte] , [medeverdachte] en [verdachte] aangehouden.
In het voorste gedeelte van het linker gedeelte van de loods trof men een zogenaamde opslag van chemische grondstoffen en afval in IBC-vaten aan. Ongeveer halverwege de loods was met grote houten op elkaar gestapelde kisten een wand gemaakt. Achter deze wand bevond zich een in werking zijnd amfetaminelaboratorium met daarin onder andere een aantal ketels waarmee de amfetamine werd geproduceerd. Onder een van deze ketels waarin het productieproces van amfetaminebase plaatsvond, brandde ten tijde van de aanhouding van de verdachten nog een brander met open vuur. De door de verdachte beschreven elektromotoren werden bij binnenkomst door de politie te 14.48 uur niet aangetroffen in de door hem beschreven ruimte vóór de wand, maar waren gemonteerd aan vaten van het werkende laboratorium achter de wand. Alle drie de verdachten werden door de politie in dit gedeelte van de loods aangetroffen.
De kleding van alle drie de verdachten bevatte een zeer chemische lucht afkomstig uit het amfetaminelaboratorium waar zij zich bevonden en wel dusdanig dat door de politie aan de verdachten werd verzocht om zich uit te kleden, waarna zij een overall kregen aangereikt om verdere besmetting met de chemicaliën te voorkomen.
Op de tot het bewijs gebezigde foto die is opgenomen op pagina 380 van het politiedossier, is duidelijk te zien dat de schoenen die de verdachte ten tijde van zijn aanhouding droeg zijn besmeurd met een lichtkleurige poederachtige substantie.
Op grond van het vorenstaande acht het hof de door de verdachte ter verklaring van zijn aanwezigheid in de onderhavige loods afgelegde verklaring onaannemelijk. Zijn verklaring dat hij door de medeverdachte [medeverdachte] in de [automerk] naar de loods is gebracht, vindt immers geen ondersteuning in de tot het bewijs gebezigde observaties van de politie, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de verdachte zich al eerder in die loods heeft bevonden dan hij beweert.
Voorts volgt uit het vorenstaande dat de verdachte, nadat hij had gezien dat zich in de loods een drugslaboratorium bevond, zich niet aan het gebeuren in de loods heeft onttrokken, maar, sterker nog, daarna in de loods is gaan slapen en zich vervolgens heeft begeven naar de ruimte waarin zich het laboratorium bevond. De omstandigheden dat de verdachte zijn mobiele telefoon thuis in [woonplaats] had laten liggen en nota bene tezamen met de medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte] in het in werking zijnd amfetaminelaboratorium is aangetroffen met op zijn schoenen een lichtkleurige poederachtige substantie, doen verder afbreuk aan het alternatieve scenario zoals door de verdachte geschetst.
Bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen op het moment dat hem door de leden van het hof naar de naam van zijn opdrachtgever werd gevraagd.
Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Verder kan van belang zijn in hoeverre de concrete omstandigheden van het geval door de rechter kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen (Vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316 en ECLI:NL:HR:2016:1323).
Wat betreft die proceshouding houdt de rechtspraak van de Hoge Raad onder meer in dat de weigering om een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf, mede gelet op artikel 29 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 6 lid 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, niet tot het bewijs kan bijdragen. De rechter mag echter bij zijn bewijsoordeel wel in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven (Vgl. onder meer HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97).
Gelet op al het vorenstaande heeft de verdachte aldus voor voormelde omstandigheden die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd als redengevend moeten worden geacht voor het bewijs van het aan hem ten laste gelegde, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring gegeven, hetgeen het hof meeweegt bij zijn oordeel dat hij de onderhavige feiten opzettelijk en tezamen en in vereniging met anderen heeft begaan zoals in de bewezenverklaring vermeld waarbij het medeplegen in de kern heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering.
Het andersluidende standpunt van de verdediging wordt bijgevolg verworpen
Op te leggen maatregel
De maatregel ex artikel 13d van de Opiumwet maakt het mogelijk dat de kosten die ten laste
van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar
opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid, worden verhaald op degene
die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp.
Bij de stukken van de zaak bevindt zich een berekening van de politie voor het ontmantelen van het onderhavige drugslaboratorium, inclusief de afvoer van chemicaliën, het restafval en de hardware ter vernietiging. De gemaakte kosten zijn vastgesteld op € 102.901,03. De in beslag genomen voorwerpen moesten worden vernietigd, omdat zij ernstig gevaar opleverden voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid.
Het hof overweegt dat vast is komen te staan dat in de loods gevaarlijke goederen
aanwezig waren. Eveneens is vast komen te staan dat er kosten zijn gemaakt om de loods te
ontmantelen, inclusief de btw. Ten aanzien van de hoogte van het gevorderde totaalbedrag
overweegt het hof dat hem deze kosten niet irreëel voorkomen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts komen vast te staan dat een machtiging tot vernietiging als bedoeld in artikel 117, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, is verleend ten aanzien van de onderhavige voorwerpen die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
Het hof acht het aangewezen om aan de verdachte de maatregel kostenverhaal ex artikel 13d van de Opiumwet op te leggen ter hoogte van voormeld schadebedrag.
Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor maximaal na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
Aangezien vast is komen te staan dat naast verdachte ook voornoemde mededaders betrokken zijn geweest bij de bewezen verklaarde feiten en dat zowel de verdachte als zijn mededaders aansprakelijk zijn voor voormelde kosten, zal het hof voorts bepalen dat, indien en voor zover zijn mededaders voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling daarvan aan de Staat.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 10, 10a en 13d van de Opiumwet en de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde maatregel en doet in zoverre opnieuw recht.
Legt op de maatregel kostenverhaal voor een bedrag van € 102.901,03 (zegge: honderdtweeduizend negenhonderdéén euro en drie eurocent).
Bepaalt dat gijzeling van maximaal 3 jaren kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de Staat.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. van Campen, voorzitter,
mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. A.J. Henzen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van R.H. Boekelman, griffier,
en op 12 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.