ECLI:NL:GHSHE:2026:421

ECLI:NL:GHSHE:2026:421

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 17-02-2026
Datum publicatie 20-02-2026
Zaaknummer 200.338.261_01 + 200.337.850_01
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Aansprakelijkheid van twee oud-bestuurders van een stichting op grond van artikel 2:9 BW. Omvang schadevergoeding. Beroep op matiging. Onverschuldigde betaling.

Uitspraak

5. Het verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure in de zaak met nummer 200.338.261/01 blijkt uit:

het tussenarrest van 27 augustus 2024;

de memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel, met producties 29 en 30;

de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel;

de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door de vereffenaar overgelegde producties 31 tot en met 34;

de mondelinge behandeling op 16 december 2025, waarbij de advocaat van de vereffenaar spreekaantekeningen heeft overgelegd.

Het verdere verloop van de procedure in de zaak met nummer 200.337.850/01 blijkt uit:

het tussenarrest van 27 augustus 2024;

de memorie van antwoord in incidenteel appel.

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter meegedeeld dat de zaak met nummer 200.338.261/01 en de zaak met nummer 200.337.850/01, die ambtshalve zijn gevoegd, bij één arrest zullen worden afgedaan en daarvoor een uitspraakdatum bepaald. Met instemming van partijen wordt het verhandelde ter zitting in de zaak met nummer 200.338.261/01 als herhaald en ingelast beschouwd in de zaak met nummer 200.337.850/01. Tijdens de zitting zijn [persoon A] en [persoon D] (hierna gezamenlijk ook te noemen: [X c.s.] ) verschenen, vergezeld door mr. Van Biezen. Ook was de vereffenaar aanwezig met zijn advocaat. Allen hebben het woord gevoerd en hebben vragen van het hof beantwoord. Ook de door de vereffenaar overgelegde producties 31 tot en met 34 behoren met instemming van partijen tot de gedingstukken in beide zaken. Mr. Van Biezen heeft desgevraagd verklaard dat de inhoud van deze producties hem geen aanleiding geeft om daarover na de mondelinge behandeling nog een akte te nemen.

Mr. Van Biezen heeft daags voor de zitting een H2-formulier ‘Onttrekken advocaat’ doen toekomen aan het hof. Het hof heeft partijen bericht dat de zitting wel doorgang zal vinden (met toepassing van artikel 7.6 van het Procesreglement). Op de dag van de zitting heeft mr. Van Biezen bij H2-formulier ‘Wijziging advocaat’ laten weten dat de eerdere onttrekking ongedaan wordt gemaakt nu het hof de zitting laat doorgaan. Tijdens de mondelinge behandeling is hij als advocaat van [persoon A] ter zitting verschenen. Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling beslist dat voor zover mr. Van Biezen zich heeft onttrokken, hij zich weer heeft gesteld en dat hij gemachtigd is namens zijn cliënten op te treden. Mr. Van Biezen heeft overigens ook aangegeven dat hij daarvoor opdracht heeft van zijn cliënten. Hij heeft geen aanhouding van de mondelinge behandeling verzocht. De vereffenaar heeft meegedeeld het goed te vinden dat mr. Van Biezen ter zitting optreedt als advocaat van [persoon A]

In het tussenarrest van 27 augustus 2024 is vermeld dat partijen er in de zaak met nummer 200.338.261/01 naar handelen dat [persoon D] het hoger beroep heeft ingetrokken en dat alleen [persoon A] nog als appellant in die zaak overblijft en dat vooralsnog ook het hof hiervan zal uitgaan. Tijdens voormelde mondelinge behandeling heeft mr. Van Biezen bevestigd dat [persoon D] het door hem ingestelde hoger beroep heeft ingetrokken. De vereffenaar heeft desgevraagd verklaard zich hierbij neer te leggen (en heeft ook geen aanspraak gemaakt op proceskosten in verband met het instellen van hoger beroep door [persoon D] ). Het hof gaat er daarom nu definitief van uit dat [persoon A] alleen nog als appellant overblijft. Dit is in de aanhef van dit arrest reeds tot uitdrukking gebracht doordat daarin niet ook [persoon D] als appellant is opgenomen.

6. De verdere beoordeling

Feiten

In rov. 3.1 tot en met 3.27 van het vonnis waarvan beroep van 15 november 2023 heeft de rechtbank feiten vastgesteld. Tegen deze feitenvaststelling zijn de grieven van partijen niet gericht. Naar het oordeel van het hof kunnen die feiten ook het uitgangspunt vormen voor de beoordeling in hoger beroep – in beide zaken. Het hof zal de feitenvaststelling van de rechtbank weergeven (als rov. 6.1.1 tot en met 6.1.27).

Op 20 april 1988 heeft [persoon E] (hierna: [persoon E] ) [X B.V.] opgericht ten behoeve van het beheer van landgoederen die hij na het overlijden van zijn vader in eigendom verkreeg. [persoon E] was bestuurder en enig aandeelhouder van [X B.V.] verpachtte de landgoederen en zij nam het onderhoud voor haar rekening.

[persoon D] was vanaf de jaren ’90 werkzaam voor [persoon E] . [persoon D] gaf advies op bosbouwkundig gebied en oefende het dagelijkse beheer over de landgoederen namens [persoon E] uit.

[persoon E] en [persoon D] hebben een schriftelijke overeenkomst gesloten. De overeenkomst is gedateerd op november 2001. In de overeenkomst is het volgende opgenomen:

‘1. [persoon D] zal ten behoeve van de dagelijkse beheerswerkzaamheden voor [persoon E] een dag in de week vrijmaken om deze werkzaamheden uit te voeren zoals dit door [persoon D] reeds de facto vanaf 1997 reeds werd gedaan, coördinerend en controlerend werkzaam te zijn tegen een uurvergoeding als volgt:

Over het jaar 1998: tegen een uurvergoeding van hfl 64,40

(…)

Over het jaar 2004: tegen een uurvergoeding van hfl 96,90

Over het jaar 2005: nader overeen te komen.

(…)

[persoon D] zal eventuele gelden bestemd voor [persoon E] over laten maken in de toekomst op een derdenrekening, waarbij partijen zijn overeengekomen dat de eerstbinnenkomende bedragen bestemd zullen zijn om de openstaande facturen over de jaren 1998, 1999, 2000 te voldoen en 2001 naar rato van mogelijk nog openstaande rekeningen. Door accordering van deze overeenkomst en voortzetting van de werkzaamheden verklaren partijen zich accoord met de reeds vervallen facturen.

Jaarlijks zullen [persoon E] en [persoon D] in een gesprek de werkzaamheden evalueren, waarna de door [persoon D] ingediende factuur over het afgelopen boekjaar zal worden ingehouden op de ontvangen of te ontvangen gelden via de derdenrekening. (…)

2. Naast de werkzaamheden uit hoofde van beheer van de zaken als voormeld zal [persoon D] voor overige werkzaamheden het navolgende mogen declareren:

a. over ontvangen subsidiebedragen een vergoeding van 10%

b. in geval van verkoop/onteigening van vermogensbestanddelen van de onroerend goed portefeuille 1,2 % over de tegenprestatie

c. bij het effectueren van een aantoonbaar belastingvoordeel als gevolg van uitgevoerde werkzaamheden m.b.t. NSW problematiek, hertaxatie t.b.v. fiscus etc, 1,5% over het aantoonbare belastingvoordeel. (…)’

[persoon F] (hierna: [persoon F] ) heeft de overeenkomst opgesteld. [persoon F] was een vriend van [persoon E] en jurist. [persoon F] heeft de overeenkomst ook mede ondertekend.

Op 20 maart 2002 heeft [persoon D] de Stichting Beheer Derdengelden [persoon C] (hierna: Stichting Beheer Derdengelden) opgericht. Bij de oprichting zijn [persoon D] (als voorzitter) en [persoon F] tot bestuurder van de Stichting Beheer Derdengelden benoemd en als zodanig in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) ingeschreven. [persoon A] , de zoon van [persoon D] , is in het handelsregister ingeschreven als secretaris/penningmeester. [persoon A] is aannemer.

Volgens artikel 2 lid 1 van de statuten heeft de Stichting Beheer Derdengelden ten doel:

‘a. het ontvangen van (derden-)gelden en andere vermogensbestanddelen, ten behoeve van rechthebbenden of degene die zal blijken rechthebbende te zijn, zulks in het kader van het beheer en de exploitatie van bezittingen van [persoon E] (…)

b. het tijdelijk beheren van hetgeen de stichting heeft ontvangen, een en ander voor rekening en risico van de rechthebbenden of degene die zal blijken rechthebbende te zijn; en

c. het betalen of overdragen van hetgeen de stichting heeft ontvangen aan de rechthebbende of degene die zal blijken rechthebbende te zijn (…)’

In artikel 7 van de statuten staat vermeld dat de bevoegdheid tot vertegenwoordiging toekomt aan 2 gezamenlijk handelende bestuursleden.

De Stichting Beheer Derdengelden heeft een rekening geopend bij de Rabobank. Hierop werden onder andere de betalingen van pachters en subsidies die voor [persoon E] bestemd waren, ontvangen.

Op 7 december 2003 is [persoon E] overleden. Volgens zijn uiterste wilsbeschikking zijn zijn landgoederen ondergebracht in de [X stichting] . De [X stichting] is op 20 februari 2004 opgericht. De [X stichting] is enig erfgenaam van [persoon E] . De [X stichting] werd daardoor enig aandeelhouder van [X B.V.] bleef verantwoordelijk voor het beheer en het onderhoud van de landgoederen. Het bestuur van de [X stichting] werd mede gevormd door leden van de familie [persoon E] .

[persoon D] heeft na het overlijden van [persoon E] zijn werkzaamheden voortgezet.

Bij brief van 12 maart 2005 heeft [persoon G] aan [persoon D] geschreven:

‘ (…) Ik heb de overeenkomst welke destijds tussen u en mijn broer werd gesloten en welke ik van u ter info meekreeg bestudeerd en ik kan u meedelen dat de stichting het op prijs zou stellen als u de werkzaamheden tot nader order tegen de met mijn broer overeengekomen vergoedingen zou willen continueren en ik geef u dan ook bij deze opdracht deze werkzaamheden te willen voortzetten.

Uw verzoek om de jaarlijkse prijscompensatie toe te passen lijkt mij alleszins redelijk’.

[persoon G] (hierna: [persoon G] ) is een zus van [persoon E] en zij was op dat moment penningmeester van de [X stichting] .

Op 30 mei 2006 heeft [persoon G] namens de [X stichting] een algemene notariële volmacht verstrekt aan [persoon D] om haar te vertegenwoordigen in de [X stichting] .

Op 12 oktober 2007 heeft de [X stichting] met [rentmeester] een overeenkomst gesloten. Op grond van deze overeenkomst trad [rentmeester] op als rentmeester en verzorgde zij de boekhouding voor de [X stichting] .

Op 15 november 2011 is de Stichting Beheer Derdengelden ontbonden en bij gebrek aan baten opgehouden te bestaan. De ontbinding is bij de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) ingeschreven op 12 december 2011. [persoon D] heeft het KvK-formulier ingevuld en daarin [persoon F] als bewaarder van de boeken en bescheiden genoemd.

Op 25 november 2011 is de Rabobankrekening van de Stichting Beheer Derdengelden opgeheven. Het nog resterende saldo van € 6.518,56 is overgeschreven naar de rekening van Natuurbouw, de eenmanszaak van [persoon D] .

In 2013 heeft de Belastingdienst een onderzoek gedaan naar een mogelijke belastingplicht van de Stichting Beheer Derdengelden in de periode 2008-2011.

In 2013 heeft de Belastingdienst ook een boekenonderzoek bij Natuurbouw gedaan.

Op 6 april 2014 is [persoon F] overleden. De erven van [persoon F] hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard.

Per brief van 13 oktober 2014 heeft Advea Advies, de voormalig accountant van de Stichting Beheer Derdengelden, aan de Belastingdienst in het kader van het boekenonderzoek een overzicht verstrekt met als titel ‘de schuldverhoudingen binnen de Stichting Beheer Derdengelden [persoon C] van de heren [persoon F] en [persoon C] ’. Volgens dit overzicht van Advea Advies is [persoon F] aan Stichting Beheer Derdengelden een bedrag verschuldigd van € 197.935,00 wegens privé-opnamen. Ook heeft Advea Advies een ander overzicht opgesteld waarin staat vermeld dat het saldo per 2011 ten gunste van (de erven van) Mr. [persoon E] € 198.951,58 bedraagt. Dit overzicht is voor akkoord ondertekend door [persoon D] .

[persoon D] is in de periode van 3 mei 2012 tot en met 1 januari 2016 bestuurder geweest van [X B.V.] en in de periodes van 20 februari 2014 tot en met 5 september 2017 en 4 december 2017 tot 15 januari 2019 ook bestuurder van de [X stichting] .

In augustus 2017 zijn naast de leden van [familie naam] nieuwe, onafhankelijke bestuursleden benoemd binnen de [X stichting] en [X B.V.]

Naar aanleiding van een verzoek van de [persoon E] Stichting om toekenning van de zogenaamde ANBI-status, heeft de Belastingdienst van 22 september 2016 tot 24 januari 2017 een boekenonderzoek gedaan bij de [X stichting] en [X B.V.] Op 12 juli 2018 heeft de [X stichting] het rapport ontvangen van de Belastingdienst. Het rapport bevat de bevindingen van het boekenonderzoek. In het rapport is opgenomen:

4.1.5 Debiteuren

Bij de beoordeling van de uitstaande gelden is uit onze gegevens gebleken dat de [X stichting] een vordering heeft op Stg Derdegelden [persoon C] (zie ook 2.2) c.q. Dhr [persoon D] zelf, groot van € 198.951,98 per 31-12-2011. In de jaarstukken is deze vordering niet zichtbaar. Het vermogen zou derhalve € 198.951,98 hoger moeten zijn, tenzij er sprake is van een kwijtschelding of schenking.’

(…)

5.2

Bijzondere baten en lasten

(…) Een boeking Vordering Natuurbouw (grootboek 1483) “Ntb kosten Natuurbouw 07-09 31-12-2013” € 96.499,00 wordt als Overige bijzondere baten geboekt. De reden en de juistheid is tijdens het onderzoek niet gebleken. (…)’

Naar aanleiding van het rapport van de Belastingdienst heeft het bestuur van de [X stichting] onderzoek verricht naar de vordering van € 198.951,98. [persoon D] heeft schriftelijk antwoord gegeven op de vragen van de [X stichting] . [persoon D] heeft in zijn brief van 1 februari 2019 het volgende aangegeven:

‘In de 90-er jaren ben ik een samenwerking aangegaan met [persoon E] . Geheel volgens zijn levensvisie en wens is er afgesproken dat ondergetekende werkzaamheden zou verrichten ten behoeve van het beheer van het [familie naam] bezit, maar dat deze werkzaamheden niet rechtstreeks zouden worden betaald. De betalingen zijnde, mijn arbeidsvergoedingen e.d. moesten door mij worden gedeclareerd ten laste van een zogenaamde “derdengelden-rekening”. Deze derdengelden rekening is opgesteld ten behoeve van de inning van overheidssubsidies, welke verkregen werden van het toenmalige ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Om controle te blijven houden over de inkomende en uitgaande gelden van deze rekening, is op verzoek van [persoon E] [persoon F] , woonachtig te [woonplaats] aangesteld. Ikzelf had geen zelfstandige bevoegdheid om gelden te onttrekken van deze rekening, zonder hiervan verantwoording af te leggen bij de heer [persoon F] . In 2011 is deze derdengeldenrekening opgeheven, waarbij tijdens administratieve controle is gebleken dat er een bedrag van € 198.951,98 onrechtmatig van de rekening was afgeboekt. Deze handeling is zelfstandig verricht door de heer [persoon F] en kan derhalve als diefstal worden beschouwd. Ik heb uiteraard [persoon G] en [persoon H ] hiervan direct op de hoogte gesteld. Ook heb ik de heer [persoon F] schriftelijk hieromtrent bericht. Tijdens overleg met [persoon G] heeft [persoon G] begrip getoond voor het gegeven dat de heer [persoon F] in financiële problemen verkeerde, maar zij was wel van mening dat de heer [persoon F] het door hem vervreemde bedrag diende terug te betalen. De heer [persoon F] is in 2013 overleden alvorens hij kon voldoen aan zijn financiële verplichtingen jegens [X stichting] .’

[X B.V.] en de [persoon E] Stichting hebben bij verzoekschrift van 13 juni 2019 deze rechtbank verzocht om de vereffening van de ontbonden Stichting Beheer Derdengelden te heropenen. [X B.V.] en de [X stichting] menen een vordering te hebben op de Stichting Beheer Derdengelden. Ook voeren zij aan dat zij als erfgenaam van [persoon E] rechthebbende zijn op de gelden van de Stichting Beheer Derdengelden. Volgens [X B.V.] en de [X stichting] is gebleken dat de ontbonden Stichting Beheer Derdengelden nog meerdere baten had. De Stichting Beheer Derdengelden is daarom ten onrechte ontbonden. Het gaat om een vordering van de Stichting Beheer Derdengelden op:

1) (de erven van) [persoon F] wegens onrechtmatige onttrekkingen van € 198.951,98,

2) de bestuurders van de Stichting Beheer Derdengelden wegens onbehoorlijk bestuur en

3) [persoon D] uit onrechtmatige daad of onverschuldigde betaling wegens betalingen/arbeidsvergoedingen aan hem.

Bij beschikking van 23 december 2019 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant dit verzoek afgewezen. [X B.V.] en de [X stichting] zijn in hoger beroep gegaan.

Dit hof heeft bij beschikking van 26 november 2020 het verzoek tot heropening van de vereffening wel toegestaan. Het hof heeft, samengevat, geoordeeld dat het voldoende aannemelijk is dat de Stichting Beheer Derdengelden over baten beschikt, waaronder de vordering van de Stichting Beheer Derdengelden op [persoon D] en [persoon A] wegens onbehoorlijke taakvervulling. Het hof overweegt in rov. 3.6.1. dat [persoon D] en [persoon A] in beginsel beiden verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor de door het bestuur van de Stichting Beheer Derdengelden genomen besluiten. Daaronder valt het besluit van het bestuur om de Stichting Beheer Derdengelden te ontbinden terwijl er nog wel een baat bestond in de vorm van de vordering op [persoon F] . Het is mogelijk dat [persoon D] en [persoon A] niet wisten van de onttrekkingen van [persoon F] , maar door raadpleging van de boeken en bankafschriften hadden zij daarvan op de hoogte kunnen en moeten zijn.

Bij exploot van 25 januari 2021 heeft de vereffenaar de verjaring van de vorderingen van de Stichting Beheer Derdengelden op [persoon D] en [persoon A] gestuit.

Na verleend verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 september 2022 heeft de vereffenaar conservatoir beslag gelegd op meerdere onroerende zaken van [persoon D] en [persoon A] .

Geschil in eerste aanleg

In eerste aanleg vorderde de vereffenaar in conventie – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [persoon A] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 361.533,56, vermeerderd met rente en kosten.

[persoon A] voerden gemotiveerd verweer. Zij concludeerden tot niet-ontvankelijkheid van de vereffenaar, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vereffenaar, met veroordeling van de vereffenaar in de werkelijke kosten van deze procedure, uitvoerbaar bij voorraad.

In eerste aanleg hebben [persoon A] tegenvorderingen ingesteld. Zij vorderden – kort samengevat – dat de rechtbank het gelegde conservatoire beslag geheel of gedeeltelijk opheft onder verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van de vereffenaar in de werkelijke kosten van deze procedure.

De vereffenaar voerde gemotiveerd verweer. De vereffenaar concludeerde tot niet-ontvankelijkheid van [persoon A] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van hen in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

Bij het vonnis waarvan beroep van 29 maart 2023 heeft de rechtbank een incidentele vordering van [persoon A] afgewezen, met veroordeling van hen in de kosten van het incident.

Bij het vonnis waarvan beroep van 15 november 2023 heeft de rechtbank in conventie, [persoon A] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan de vereffenaar van een schadevergoeding van € 120.000,00, te vermeerderen met wettelijke rente. Voorts heeft de rechtbank [persoon A] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan de vereffenaar van een schadevergoeding van € 6.518,56, te vermeerderen met wettelijke rente. Tot slot heeft de rechtbank [persoon A] hoofdelijk veroordeeld in de beslagkosten en de proceskosten waaronder de nakosten. Dit alles te vermeerderen met wettelijke rente. Het meer of anders gevorderde in conventie heeft de rechtbank afgewezen.

In reconventie heeft de rechtbank de vorderingen van [persoon A] afgewezen, met veroordeling van hen in de proceskosten.

Geschil in hoger beroep

In (principaal) hoger beroep – in de zaak met nummer 200.338.261/01 – heeft [persoon A] negen grieven (de door hem als ‘grief 0’ aangeduide grief meegerekend) aangevoerd. [persoon A] heeft in het petitum van zijn memorie van grieven geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep van 15 november 2023 en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van de vereffenaar, met veroordeling van de vereffenaar in de proceskosten.

In voorwaardelijk incidenteel hoger beroep heeft de vereffenaar drie grieven aangevoerd en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep van 15 november 2023 zal vernietigen voor zover zijn vorderingen daarbij zijn afgewezen en zijn vorderingen volledig althans tot een groter bedrag zal toewijzen, met veroordeling van [persoon A] in de proceskosten.

De vereffenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat grief 0 van [persoon A] niet slaagt. Aan die voorwaarde is voldaan, zoals hierna zal blijken. Daarom dient het hof ook te beslissen op het incidenteel hoger beroep van de vereffenaar.

In (principaal) hoger beroep – in de zaak met nummer 200.337.850/01 – heeft de vereffenaar drie grieven aangevoerd. De vereffenaar heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep van 15 november 2023 zal vernietigen voor zover zijn vorderingen daarbij zijn afgewezen en zijn vorderingen volledig althans tot een groter bedrag zal toewijzen, met veroordeling van [persoon D] in de proceskosten.

In incidenteel hoger beroep heeft [persoon D] acht grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep van 15 november 2023 en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van de vereffenaar, met veroordeling van de vereffenaar in de proceskosten.

[persoon A] heeft geen grief gericht tegen het vonnis waarvan beroep van 29 maart 2023. Dit betekent dat hij in zijn hoger beroep tegen dat vonnis niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Beoordeling

[persoon A] bestuurder

Het hof zal eerst de als grief 0 aangeduide grief in de zaak met nummer 200.338.261/01 behandelen. Deze grief houdt in dat [persoon A] nooit bestuurder is geweest van de Stichting Beheer Derdengelden. In dit verband heeft [persoon A] naar voren gebracht dat hij van het bestaan van de Stichting Beheer Derdengelden niets afwist en dat hij nooit naar de notaris is geweest, nooit bij de Kamer van Koophandel is geweest en nooit bij de Rabobank is geweest. Bij de hele oprichting van deze stichting is hij geen partij geweest. Omdat hij geen bestuurder was, is hij ook bij de ontbinding van Stichting Beheer Derdengelden nooit betrokken geweest, aldus – steeds – [persoon A] .

Naar het oordeel van het hof faalt deze grief. In de oprichtingsakte van de Stichting Beheer Derdengelden van 20 maart 2002 (productie 3 bij de inleidende dagvaarding) is [persoon A] benoemd als secretaris/penningmeester. Vervolgens is [persoon A] op 21 maart 2002 in het handelsregister ingeschreven als bestuurder (productie 26 bij de conclusie van antwoord in reconventie). Het ontbindingsbesluit van 1 november 2014 is tot slot mede door de secretaris van de Stichting Beheer Derdengelden, dus [persoon A] , ondertekend (productie 6 bij de inleidende dagvaarding). Hieruit leidt het hof af dat [persoon A] bestuurder was van de Stichting Beheer Derdengelden.

Voor zover [persoon A] ingang wil doen vinden dat buiten zijn medeweten zijn vader, [persoon D] , hem op papier bestuurder heeft gemaakt van de Stichting Beheer Derdengelden door onder meer zijn naam te vermelden in de oprichtingsakte, heeft hij dit onvoldoende concreet onderbouwd. Dit betoog verdraagt zich ook niet met uitlatingen van [persoon A] tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg waaruit volgt dat hij zich er bewust van was dat hij bestuurder was geworden (zie bijvoorbeeld blz. 8 van het proces-verbaal, rechterkolom onderaan).

Het hof zal er in het navolgende dus van uitgaan dat [persoon A] bestuurder was van de Stichting Beheer Derdengelden in de periode tussen 20 maart 2002 en 1 november 2014.

Vordering ex artikel 843a Rv

Grief 1 van zowel [persoon A] als [persoon D] ziet op de afwijzing van de vordering ex artikel 843a Rv door de rechtbank (zie rov. 5.4 tot en met 5.6 van het vonnis waarvan beroep van 15 november 2023). [persoon A] hebben in hoger beroep opnieuw een vordering ex artikel 843a Rv ingesteld. Daarop heeft het hof reeds beslist bij het tussenarrest van 27 augustus 2024. Verder hebben [persoon A] bij deze grief geen belang.

Bestuurdersaansprakelijkheid

De rechtbank heeft geoordeeld dat [persoon A] jegens de Stichting Beheer Derdengelden hoofdelijk aansprakelijk zijn op grond van artikel 2:9 BW wegens onbehoorlijk bestuur (zie rov. 5.15 e.v. van het vonnis waarvan beroep van 15 november 2023). De grieven 1 en 2 van [persoon A] en [persoon D] hebben betrekking op dat oordeel.

[persoon A] hebben onder meer aangevoerd dat de rechtbank een verkeerde juridische maatstaf voor aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW heeft aangelegd. De rechtbank heeft de bestuurdersaansprakelijkheid getoetst aan de redactie anno 2023 van artikel 2:9 BW. Volgens [persoon A] had echter aangesloten moeten worden bij de oude redactie van 2:9 BW.

Het hof overweegt dat de huidige redactie van artikel 2:9 BW in werking is getreden per 1 januari 2013. Artikel 2:9 lid 1 BW luidt sindsdien als volgt: Elke bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Tot de taak van de bestuurder behoren alle bestuurstaken die niet bij of krachtens de wet of de statuten aan een of meer andere bestuurders zijn toebedeeld. Lid 2 bepaalt het volgende: Elke bestuurder draagt verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken. Hij is voor het geheel aansprakelijk terzake van onbehoorlijk bestuur, tenzij hem mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden.

In de oude redactie hield artikel 2:9 BW in dat elke bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak en dat indien het een aangelegenheid betreft die tot de werkkring van twee of meer bestuurders behoort, ieder van hen hoofdelijk aansprakelijk is voor de tekortkoming, tenzij deze niet aan hem is te wijten, en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.

Naar het oordeel van het hof maakt de redactie van artikel 2:9 BW geen verschil voor de uitkomst van deze zaak. Ongeacht welke redactie van toepassing is, zijn [persoon A] – hoofdelijk – aansprakelijk jegens de Stichting Beheer Derdengelden op grond van artikel 2:9 BW wegens onbehoorlijk bestuur. Het hof motiveert dit oordeel als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat in de periode 2002 tot en met 2008 een bedrag van tenminste € 197.935,- van de rekening van de Stichting Beheer Derdengelden is onttrokken. Ook als wordt aangenomen dat, naar [persoon A] stellen maar de vereffenaar gemotiveerd betwist zodat dit niet vast staat, alléén [persoon F] dit bedrag heeft onttrokken, geldt dat [persoon A] in ernstige mate is te verwijten (a) dat zij dat hebben toegelaten en (b) dat zij niet althans niet tijdig genoeg verhaalsmaatregelen tegen [persoon F] hebben getroffen. Daarbij is van belang dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, het gelet op de doelen van de Stichting Beheer Derdengelden en daarmee de aard van de activiteiten van de Stichting Beheer Derdengelden tot de algemene taak van het bestuur behoorde om op een zorgvuldige wijze met de gelden van [persoon E] om te gaan. De gelden behoren toe aan [persoon E] en mochten alleen worden gebruikt om te voldoen aan de betalingsverplichtingen van de Stichting Beheer Derdengelden. In elk geval kan worden vastgesteld, gelet op de onttrekkingen, dat [persoon A] tekortgeschoten zijn in de behoorlijk vervulling van hun algemene bestuurstaak. Daaronder valt ook het voeren van een deugdelijk financieel en administratief beleid. Dit hebben [persoon A] niet althans onvoldoende gedaan. Het hof wordt gesterkt in dit oordeel door de beschikking van de Ondernemingskamer van 24 oktober 2024 (productie 31 zijdens de vereffenaar), waarop de vereffenaar ook een beroep heeft gedaan (zie de spreekaantekeningen in hoger beroep, in het bijzonder onder 2).

Voor zover zij betogen dat het financieel beheer aan [persoon F] was toebedeeld en dat de onttrekkingen niet aan hen te wijten zijn, volgt het hof [persoon A] niet in dat betoog. Zo de door hen gestelde taakverdeling al toegelaten was, hebben zij die onvoldoende concreet onderbouwd. In de statuten van de Stichting Beheer Derdengelden is geen taakverdeling vastgelegd. De vereffenaar heeft gemotiveerd betwist dat alleen [persoon F] zich bezighield met financieel beheer. Uit de producties waarop de vereffenaar zich beroept, blijkt dat ook [persoon D] zich daarmee bezighield, terwijl [persoon A] secretaris/penningmeester van de stichting was. Naar het oordeel van het hof kan aan [persoon A] wel degelijk persoonlijk een ernstig verwijt van de onttrekkingen worden gemaakt. Daarbij is in aanmerking genomen dat het gaat om een aanzienlijk bedrag dat over meerdere jaren van de derdengeldenrekening is afgehaald. Zoals hiervoor is overwogen, staat niet vast dat [persoon A] niet betrokken waren bij (ook) deze onttrekkingen. Hoe dit verder ook zij, staan blijft dat [persoon A] tekortgeschoten zijn in de behoorlijk vervulling van hun algemene bestuurstaak. Aan hen komt dus geen beroep toe op de disculpatiegrond van artikel 2:9 BW (in de huidige, noch de oude redactie).

De grieven 2 en 3 falen dus. In het navolgende zal het hof ervan uitgaan dat [persoon A] hoofdelijk aansprakelijk zijn op grond van artikel 2:9 BW wegens onbehoorlijk bestuur voor de onttrekking van een bedrag van tenminste € 197.935,- van de rekening van de Stichting Beheer Derdengelden.

Kwijtschelding, verjaring en rechtsverwerking

De grieven 4 en 5 van [persoon A] en [persoon D] hebben betrekking op de onderwerpen verjaring, rechtsverwerking en kwijtschelding. Volgens [persoon A] heeft de rechtbank ten onrechte het beroep op verjaring afgewezen. In hoger beroep hebben [persoon A] hun gronden aangevuld en een beroep op rechtsverwerking gedaan. Voorts zijn [persoon A] , anders dan de rechtbank, van mening dat er wel sprake is van kwijtschelding.

Het hof ziet aanleiding eerst de stelling van [persoon A] te bespreken dat er sprake is van kwijtschelding. [persoon A] stellen in dit verband dat [persoon G] namens de [persoon E] Stichting afstand heeft gedaan van enig recht tot schadeverhaal op [persoon D] wegens de onttrekkingen door [persoon F] . [persoon A] beroepen zich daarbij op een gesprek dat tussen [persoon D] en [persoon G] heeft plaatsgevonden nadat hij had ontdekt dat [persoon F] gelden had onttrokken. Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft [persoon D] over dit gesprek verklaard hij op een gegeven moment naar [persoon G] is gegaan en heeft gezegd dat je van een kale kip geen veren kunt plukken en dat zij hem heeft gezegd dat ze het kwijtschold, maar als hij weer geld zou krijgen het dan wel fatsoenlijk was dat [persoon F] het terugbetaalde. Naar het oordeel van het hof kan op basis van dit gesprek niet worden aangenomen dat [persoon G] namens de [X stichting] afstand heeft gedaan van enig recht tot schadeverhaal op [persoon D] wegens de onttrekkingen door [persoon F] . Ook anderszins zijn er geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit dat kan worden afgeleid. In elk geval heeft de Stichting Beheer Derdengelden de onderhavige schuld niet – al dan niet voorwaardelijk – kwijtgescholden of afstand gedaan van de onderhavige vordering jegens [persoon A] in hun hoedanigheid van bestuurders van de stichting. Er is ook geen grond om de [X stichting] en de Stichting Beheer Derdengelden te vereenzelvigen.

De rechtbank heeft het beroep op verjaring afgewezen op grond van artikel 2:23c lid 2 jo artikel 3:320 BW. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank dit terecht en op goede gronden gedaan. Niet in geschil tussen partijen is dat de vereffening van het vermogen van de Stichting Derdengelden is heropend op 26 november 2020. Hierdoor herleeft de Stichting Beheer Derdengelden. Onomstreden is voorts dat de vereffenaar de verjaring van de vorderingen van de Stichting Beheer Derdengelden op [persoon D] en [persoon A] heeft gestuit op 25 januari 2021. Daarmee is de verjaring tijdig gestuit. Dit leidt tot de conclusie dat de onderhavige vordering jegens [persoon A] niet is verjaard. Het hof verwijst verder naar rov. 5.20 van het vonnis waarvan beroep van 15 november 2023. [persoon A] hebben in hoger beroep niets (nieuws) aangevoerd dat tot een ander oordeel leidt. Het hof verenigt zich met de beslissing van de rechtbank en de daartoe gegeven overwegingen en maakt die tot de zijne.

Tot slot overweegt het hof naar aanleiding van het beroep van [persoon A] op rechtsverwerking het volgende. Volgens [persoon A] is die rechtsverwerking ontstaan door handelen en nalaten van de [X stichting] . Zoals hiervoor is overwogen, is van kwijtschelding of afstand door de [X stichting] geen sprake, daargelaten dat de [X stichting] niet vereenzelvigd kan worden met de Stichting Beheer Derdengelden. Ook heeft de vereffenaar de verjaring van de onderhavige vordering tijdig gestuit. In de gegeven omstandigheden acht het hof niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de vereffenaar overgaat tot inning van de onderhavige vordering. Dit behoort ook tot de wettelijke taak van de vereffenaar.

Het vorenstaande brengt mee dat de grieven 4 en 5 falen. Bij gebrek aan voldoende feitelijke onderbouwing komt het hof niet toe aan bewijslevering ten aanzien van de stellingen van [persoon A] in de toelichting bij deze grieven.

Beroep op matiging

De rechtbank heeft geoordeeld dat het in dit geval onaanvaardbaar is om [persoon D] en [persoon A] voor de vordering van € 197.935,- volledig aansprakelijk te houden. De rechtbank heeft dit bedrag gematigd tot een bedrag van € 120.000,-. Het hof verwijst naar hetgeen de rechtbank daartoe heeft overwogen in rov. 5.24 tot en met 5.26.6 van het vonnis waarvan beroep van 15 november 2023. Voorts heeft de rechtbank het redelijk geacht dat [persoon D] en [persoon A] de wettelijke rente over het bedrag van € 120.000,- zijn verschuldigd vanaf het moment waarop het verzoekschrift voor de heropening van de vereffening is ingediend (13 juni 2019), in plaats van – zoals door de vereffenaar gevorderd – vanaf 15 november 2011 – zie rov. 5.27 van het vonnis waarvan beroep van 15 november 2023.

De grieven 1 en 2 van de vereffenaar, in zowel de zaak met nummer 200.338.261/01 als de zaak met nummer 200.337.850/01, zijn gericht tegen deze overwegingen en beslissingen van de rechtbank. Het betoog van de vereffenaar komt erop neer dat zijn vordering van € 197.935,- volledig dient te worden toegewezen, en wel vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 november 2011 (de datum waarop Stichting Beheer Derdengelden is ontbonden).

Ook [persoon A] en [persoon D] hebben gegriefd op het punt van de matiging. Dit betreft hun grieven 6 en 7. Zij vorderen in hoger beroep dat schade wordt gematigd naar nihil. Wat de wettelijke rente betreft vorderen zij primair afwijzing van de wettelijke rente en subsidiair een ingangsdatum op het moment dat een uitspraak tot vergoeding in kracht van gewijsde gaat.

In de toelichting bij de eerste grief heeft de vereffenaar onder meer aangevoerd dat de rechtbank niet bevoegd was ambtshalve te matigen. In het midden kan blijven of de rechtbank ambtshalve tot matiging is overgegaan. Zoals hiervoor is vermeld, doen [persoon A] in elk geval in hoger beroep een beroep op een matiging. Dit beroep moet dus door het hof worden beoordeeld.

Bij die beoordeling stelt het hof voorop dat op grond van artikel 6:109 BW schadevergoeding kan worden gematigd indien toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden.

Voorts geldt dat de stelplicht (en bewijslast) terzake een beroep op matiging volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op de schuldenaar, in dit geval [persoon A] Het hof ziet in dit geval geen aanleiding voor een andere bewijslastverdeling.

Met inachtneming van de in acht te nemen terughoudendheid bij de toepassing van artikel 6:109 BW (zie HR 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1384, rov. 4.2), overweegt het hof het volgende. [persoon A] hebben aangevoerd dat, indien de vorderingen van de vereffenaar worden toegewezen, er voor hen een noodtoestand zal ontstaan. Naar het oordeel van het hof hebben [persoon A] hun beroep op noodtoestand onvoldoende concreet onderbouwd. Zij hebben gesteld dat zij de vordering niet kunnen betalen, dat zij niet kunnen lenen en dat dus hun huizen executoriaal moeten worden verkocht. Ook hebben zij gesteld dat zij aanzienlijke kosten hebben moeten maken om zich te verweren en financieel zijn uitgekleed. De vereffenaar heeft er in zijn memories op gewezen dat door [persoon A] geen enkel concreet inzicht in de vermogensposities wordt gegeven. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep hadden zij dit alsnog kunnen doen, maar zij hebben dit niet gedaan. Voor zover zij schriftelijk bewijs hebben aangeboden, hadden zij dit bewijs eigener beweging kunnen en moeten overleggen. Bij deze stand van zaken kan het hof niet aannemen dat, als zij de onderhavige vordering van de vereffenaar moeten betalen, [persoon A] en [persoon D] op straat zullen komen te staan en de voedselbank zich aandient, zoals in hun memories is vermeld. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat [persoon A] niet althans niet voldoende hebben weersproken dat zij aanzienlijke bedragen hebben verkregen van aan [persoon E] gelieerde ondernemingen (naast de Stichting Beheer Derdengelden ook van [X stichting] en [X B.V.] ), zoals ook blijkt uit de beschikking van de Ondernemingskamer van 24 oktober 2024 (zie ook de daaraan voorafgaande beschikking van de Ondernemingskamer van 16 januari 2020 alsmede de beschikking van dit hof van 26 november 2020). Het hof gaat daarom voorbij aan het beroep op noodtoestand van [persoon A]

In het kader van de beoordeling van het beroep op matiging van [persoon A] neemt het hof de aard van de bestuurdersaansprakelijkheid in dit concrete geval alsmede de ernst van het handelen en nalaten van [persoon A] in aanmerking. Zoals hiervoor is overwogen in rov. 6.6, zijn [persoon A] tekortgeschoten in de behoorlijk vervulling van hun algemene bestuurstaak. Aan hen persoonlijk is een ernstig verwijt te maken van de onttrekking van in totaal een bedrag van tenminste € 197.935,- van de rekening van de Stichting Beheer Derdengelden. Voor zover zij stellen dat alléén [persoon F] dit bedrag heeft onttrokken, heeft de vereffenaar dit gemotiveerd betwist zodat dit niet vast staat. Maar ook als alléén [persoon F] dit bedrag heeft onttrokken dan is [persoon A] in ernstige mate te verwijten (a) dat zij dat hebben toegelaten en (b) dat zij niet althans niet tijdig genoeg verhaalsmaatregelen tegen [persoon F] hebben getroffen. Het hof overweegt dat als vuistregel geldt dat naarmate de schuldenaar van het ontstaan van de schade een ernstiger verwijt kan worden gemaakt, minder snel aanleiding tot matiging bestaat. In de gegeven omstandigheden is er naar het oordeel van het hof geen ruimte tot matiging. Het vorenstaande geldt zowel voor [persoon A] als [persoon D] . Uiteindelijk is het daarom niet doorslaggevend wat de rol van [persoon A] en [persoon D] precies is geweest bij de Stichting Beheer Derdengelden en welk aandeel zij hebben gehad bij de onttrekkingen. [persoon A] heeft ook in dit verband aangevoerd dat hij geen bestuurder was van de Stichting Beheer Derdengelden. Hiervoor, in rov. 6.4, heeft het hof dit standpunt al verworpen.

Een relevante omstandigheid acht het hof ook de ernst van de schade voor Stichting Beheer Derdengelden. In totaal is een bedrag van tenminste € 197.935,- van de rekening van de Stichting Beheer Derdengelden onttrokken. Het gaat dus om een aanzienlijk bedrag. Dat, naar [persoon A] stellen, de [X stichting] rechthebbende is op een batig saldo van de Stichting Beheer Derdengelden en puissant rijk is, maakt dat niet anders. Ook het feit dat het inmiddels (meer dan) vijftien jaar geleden is dat de bedragen aan de Stichting Beheer Derdengelden zijn onttrokken, legt geen of weinig gewicht in de schaal. Zoals hiervoor in rov. 6.7 is geoordeeld, is de onderhavige vordering niet verjaard en is er geen sprake van rechtsverwerking. [persoon A] kunnen voor deze schuld dan ook (volledig) worden aangesproken.

Hiertegenover zijn verder geen feiten en omstandigheden ten gunste van [persoon A] gebleken. [persoon A] hebben aangevoerd dat de [X stichting] allang bekend was met de Stichting Beheer Derdengelden en dat ook [rentmeester] als opdrachtnemer van de [X stichting] wist van het bestaan van de stichting en van de onttrekkingen, welke wetenschap is toe te rekenen aan de [X stichting] . Na ontdekking van de onttrekkingen, heeft de [persoon E] onverminderd het vertrouwen uitgesproken in [persoon D] . Voorts heeft [persoon A] niets verdiend met het besturen van de Stichting Beheer Derdengelden. Daarnaast beroepen [persoon A] zich op het tijdsverloop. Het hof overweegt dat, wat van het voorgaande ook zij, dit geen omstandigheden zijn die – gegeven de bestuurdersaansprakelijkheid in dit concrete geval die een ernstig schuldverwijt impliceert – dusdanig zwaar wegen dat toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Het hof merkt ook op dat niet vastgesteld kan worden dat het onttrokken bedrag niet (mede) ten goede is gekomen aan [persoon A] Zoals hiervoor is overwogen, heeft de vereffenaar dit gemotiveerd betwist.

De belangen aan de zijde van beide partijen afwegend – betreffende de draagkracht van [persoon A] , de aard van de van de bestuurdersaansprakelijkheid in dit concrete geval, de ernst van het handelen/nalaten van [persoon A] , de ernst van de schade voor Stichting Beheer Derdengelden en de overige omstandigheden – voor zover het hof die heeft kunnen vaststellen op grond van het partijdebat en de overgelegde producties, komt het hof tot de conclusie dat er geen althans onvoldoende aanleiding is voor matiging van de schadevergoeding. Toetsing aan de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid leidt niet tot een ander oordeel.

Het vorenstaande geldt ook voor de gevorderde rente. De rechtbank heeft beslist dat [persoon A] de wettelijke rente verschuldigd zijn vanaf 13 juni 2019, het moment waarop het verzoekschrift tot heropening van de vereffening is ingediend. De vereffenaar grieft daar terecht tegen. Op grond van de wet – artikel 6:83 onder b jo artikel 6:85 BW – is wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW zoals gevorderd vanaf 15 november 2011 toewijsbaar. Het hof heeft onder ogen gezien dat door het tijdsverloop de rente relatief hoog is opgelopen. Dat de vereffenaar onnodig lang heeft stilgezeten in die zin dat dit tot matiging aanleiding geeft, is niet gebleken. Het tijdsverloop is eerder te wijten aan [persoon A] , die tot ontbinding van de Stichting Beheer Derdengelden zijn overgegaan en toen de vereffenaar hen aansprak wegens de onttrekkingen, zich – naar uit de uitkomst van deze procedure blijkt: ten onrechte – hebben verweerd.

De onderhavige grieven van de vereffenaar slagen dus, en die van [persoon A] falen.

Op dit punt dient het vonnis waarvan beroep van 15 november 2023 dan ook te worden vernietigd en dienen [persoon A] alsnog worden veroordeeld om het volledige bedrag (€ 197.935,-) te betalen aan de vereffenaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 november 2011.

De vordering van de vereffenaar van € 6.518,56

Grief 8 van [persoon A] en [persoon D] betreft het slotsaldo van € 6.518,56 van Stichting Beheer Derdengelden. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering van de vereffenaar op dit punt toewijsbaar is. Het hof verwijst naar de overwegingen in rov. 5.28 tot en met 5.34 en de beslissing in het dictum in rov. 6.2 van het vonnis waarvan beroep van 15 november 2023. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank. [persoon D] heeft dit bedrag – in strijd met de statuten van Stichting Beheer Derdengelden en het ontbindingsbesluit – overgeschreven naar de rekening van zijn eenmanszaak Natuurbouw. Niet gebleken is dat daarvoor een rechtvaardiging bestond. Ook hiervan is zowel [persoon D] als [persoon A] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid persoonlijk een ernstig verwijt te maken. [persoon A] hebben – ook in hoger beroep – onvoldoende onderbouwd betwist dat zij dit bedrag moeten (terug)betalen. Grief 8 faalt derhalve.

Onverschuldigde betaling

Grief 3 van de vereffenaar houdt in dat de rechtbank de vorderingen van de vereffenaar tot terugbetaling van € 96.499,-, € 33.000,- en € 27.581,- op de grond dat ze in het licht van het verweer van [persoon D] onvoldoende zijn onderbouwd, afgewezen.

De vereffenaar heeft gesteld dat de Stichting Beheer Derdengelden zonder rechtsgrond € 96.499,- aan [persoon D] heeft betaald. Ook heeft [persoon D] bedragen van € 33.000,- en € 27.581,- ten onrechte ontvangen en behouden, aldus de vereffenaar.

Naar het oordeel van het hof heeft de vereffenaar ter onderbouwing van deze vorderingen tot terugbetaling voldoende gesteld. Daartegenover acht het hof de betwisting door [persoon D] onvoldoende gemotiveerd. Ter motivering van dit oordeel dient het volgende.

In het rapport van de belastingdienst (inleidende dagvaarding, producties 11 en 12) staat dat er voor de boeking van € 96.499,- ten laste van [persoon D] geen verklaring kon worden gevonden. Het is niet uitgesloten dat dit bedrag betrekking heeft op werkzaamheden die door de Stichting Beheer Derdengelden vergoed moeten worden. Maar concrete aanwijzingen zijn daarvoor niet voorhanden. Voor zover [persoon D] zich op het standpunt stelt dat het bedrag ten laste van de [X stichting] komt, kan hem dit niet baten. Zoals hiervoor is overwogen, kunnen de [X stichting] en de Stichting Beheer Derdengelden niet worden vereenzelvigd. Indien [persoon D] niet meer beschikt over financiële stukken waarmee hij zijn betwisting kan motiveren, wat het hof niet zonder meer kan aannemen, dan komt dit voor zijn rekening en risico. De enkele verklaringen van [persoon I] en [persoon J] (zie producties 26 en 32 bij de conclusie van antwoord) acht het hof onvoldoende. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat [persoon D] nog altijd geen (rekenkundige) verantwoording heeft afgelegd (vgl. rov. 3.5.2 van de beschikking van dit hof van 26 november 2020). Het hof volgt de vereffenaar daarom in zijn stelling dat de Stichting Beheer Derdengelden zonder rechtsgrond € 96.499,- aan [persoon D] heeft betaald.

Het bedrag van € 33.000,- is in 2007 en 2008 betaald door Stichting Beheer Derdengelden. Het is denkbaar dat [persoon D] aanspraak kon maken op dit bedrag wegens verrichte werkzaamheden (of (terug)betaling van door hem gemaakte kosten). Voor deze visiebestaan echter geen concrete aanknopingspunten. Hoe de betaalde bedragen zich verhouden met werkzaamheden/kosten van [persoon D] , is onduidelijk gebleven. Het lag op zijn weg om hiervoor een verklaring te geven, hetgeen hij niet heeft gedaan. Voor zover hij dit niet meer kan omdat hij niet (meer) beschikt over financiële stukken daaromtrent, komt dit voor zijn rekening en risico. De onderhavige betaling is deels gedaan door contante opnames: € 5.000,- op 9 januari 2007, € 2.000,- op 26 januari 2007, € 1.500,- op 10 april 2007 en € 1.000,- op 7 november 2007. [persoon D] heeft aangevoerd dat [persoon F] heeft erkend deze bedragen te hebben opgenomen. De vereffenaar heeft dit voldoende weersproken op basis van verkregen informatie van de Rabobank (zie de inleidende dagvaarding, randnummer 11). Het hof houdt het er daarom voor dat [persoon D] het gehele bedrag van in totaal € 33.000,- ten onrechte heeft ontvangen en behouden.

Hetzelfde geldt voor het bedrag van € 27.581,-. Volgens het overzicht van Advea Advies (inleidende dagvaarding, productie 16) – dat [persoon D] voor akkoord heeft getekend – moet de schuld van de Stichting Beheer Derdengelden aan de [X stichting] à € 323.031,58 ten gunste van (de eenmanszaak van) [persoon D] worden verminderd met € 27.581,-. Ook voor deze betaling van € 27.581,- is geen rechtsgrond gebleken. Dat [persoon J] meent dat dit bedrag terecht in mindering is gebracht, zoals [persoon D] naar voren heeft gebracht, is daarvoor niet toereikend. Een inhoudelijke verklaring ontbreekt namelijk.

Voor een vordering tot terugbetaling geldt een verjaringstermijn van vijf jaar (artikel 3:309 BW). Bij beschikking van 26 november 2020 is de vereffening van de Stichting Beheer Derdengelden heropend, en is de vereffenaar benoemd tot zodanig. De vereffenaar heeft de verjaring van de vorderingen van de Stichting Beheer Derdengelden op [persoon D] gestuit bij exploot van 25 januari 2021. De onderhavige rechtsvorderingen zijn ingesteld bij de inleidende dagvaarding van deze procedure die dateert van 23 september 2022. Het door [persoon D] in dit verband gedane beroep op verjaring faalt derhalve.

Op grond van het voorgaande zijn de vorderingen van de vereffenaar tot terugbetaling van € 96.499,-, € 33.000,- en € 27.581,- door [persoon D] toewijsbaar op grond van onverschuldigde betaling. De vereffenaar heeft zich bij grief 3 gebaseerd op de rechtsgrond ‘onverschuldigde betaling’. Het hof wijst op de formulering van deze grief waarbij gesproken wordt over terugbetaling. In de toelichting van de grief heeft de vereffenaar expliciet verwezen naar artikel 6:203 BW. Gesteld noch gebleken is dat [persoon A] de bedragen in kwestie (gedeeltelijk) heeft ontvangen. Mede gelet op het vorenstaande, heeft de vereffenaar niet voldoende kenbaar aan het hof de vraag voorgelegd of [persoon A] als bestuurder aansprakelijk en schadeplichtig is wegens de betalingen van Stichting Beheer Derdengelden aan [persoon D] . De vereffenaar heeft ook onvoldoende concreet onderbouwd dat [persoon A] van deze betalingen een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dat betekent dat grief 3 alleen jegens [persoon D] doel treft.

Slotsom en afwikkeling

De slotsom is dat zowel het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep in de zaak met nummer 200.338.261/01 als het principaal hoger beroep in de zaak met nummer 200.337.850/01 van de vereffenaar slaagt. Het principaal hoger beroep van [persoon A] in de zaak met nummer 200.338.261/01 faalt, evenals het incidenteel hoger beroep van [persoon D] in de zaak met nummer 200.337.850/01.

Aan bewijslevering komt het hof niet toe. Het hof acht het door [persoon A] gedane bewijsaanbod ook niet ter zake dienend, althans niet voldoende geconcretiseerd en gespecificeerd. Het hof merkt op dat door hun advocaat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is meegedeeld dat [persoon G] [persoon E] , de getuige die [persoon A] wilden doen horen in het voorlopig getuigenverhoor, inmiddels is overleden.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep van 15 november 2023 voor zover in conventie gewezen gedeeltelijk dient te worden vernietigd. Het hof zal [persoon D] en [persoon A] alsnog veroordelen om op grond van bestuurdersaansprakelijkheid het volledige bedrag (€ 197.935,-) te betalen aan de vereffenaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 november 2011. Voorts zal het hof [persoon D] veroordelen tot terugbetaling van € 96.499,-, € 33.000,- en € 27.581,- op grond van artikel 6:203 BW, vermeerderd met de wettelijke rente van de dag van de respectievelijke betalingen.

Aangezien grief 8 faalt, kan de veroordeling in rov. 6.2 in het vonnis waarvan beroep van 15 november 2023 in stand blijven. Dit geldt ook voor de veroordeling in rov. 6.3, nu geen grief is gericht tegen de toewijzing van de gevorderde beslagkosten. Gelet op de uitkomst van de procedure zijn [persoon A] terecht in eerste aanleg veroordeeld in de proceskosten en nakosten in conventie. Hieruit volgt dat de veroordelingen in rov. 6.4 en 6.5 eveneens blijven staan. In zoverre (dat wil zeggen, wat de veroordelingen in rov. 6.2 tot en met 6.5 betreft) zal het hof het vonnis waarvan beroep van 15 november 2023 daarom bekrachtigen.

[persoon A] hebben niet – althans niet voor het hof en de vereffenaar voldoende kenbaar – grieven gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van de vorderingen in reconventie. In zoverre is het vonnis waarvan beroep van 15 november 2023 dus niet aan het oordeel van het hof onderworpen. Voor zover [persoon A] wel hebben beoogd hoger beroep in te stellen tegen het vonnis waarvan beroep van 15 november 2023 voor zover gewezen in reconventie, faalt dit hoger beroep gelet op de beoordeling van de (wel kenbare) grieven. Over het betoog van de vereffenaar over gezag van gewijsde van het vonnis in reconventie (zie de memories van antwoord alsmede de spreekaantekeningen in hoger beroep van de vereffenaar onder 5) hoeft het hof niet te oordelen, mede in aanmerking genomen dat dit arrest voordeliger is voor de vereffenaar dan het vonnis van waarvan beroep van 15 november 2023.

Als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij zal [persoon A] worden veroordeeld in de proceskosten in zowel het principaal als het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep in de zaak met nummer 200.338.261/01. In de grote overlap tussen de processtukken van de vereffenaar in de zaak met nummer 200.337.850/01 ziet het hof reden om het salaris advocaat dat per zaak volgt uit het liquidatarief te halveren in de beide zaken als hierna wordt weergegeven.

In het tussenarrest van 27 augustus 2024 heeft het hof de beslissing over de proceskosten in de incidenten aangehouden tot aan de einduitspraak in de hoofdzaak. Gelet op de uitkomst van de hoofdzaak komen de proceskosten in de incidenten (tot afgifte van stukken en tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor) gevallen aan de zijde van de vereffenaar in de zaak met nummer 200.338.261/01 voor rekening [persoon A] . Het hof zal deze kosten begroten op in totaal 1 punt van tarief II, dat wil zeggen € 1.290,-.

Aldus begroot het hof de proceskosten in de zaak met nummer 200.338.261/01 gevallen aan de zijde van de vereffenaar op:

Griffierechten € 2.053,-

Salaris advocaat incidenten € 1.290,-

Salaris advocaat hoofdzaak € 5.883,75 (2½ punten x tarief VI van € 4.707,- per punt = € 11.767,50, gehalveerd)

Nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 9.415,75

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in het dictum van dit arrest.

Als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij zal [persoon D] worden veroordeeld in de proceskosten in zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep in de zaak met nummer 200.337.850/01. In de grote overlap tussen de processtukken van de vereffenaar in de zaak met nummer 200.338.261/01 ziet het hof reden om het salaris advocaat dat per zaak volgt uit het liquidatarief te halveren in de beide zaken als hierna wordt weergegeven.

In het tussenarrest van 27 augustus 2024 heeft het hof de beslissing over de proceskosten in de incidenten aangehouden tot aan de einduitspraak in de hoofdzaak. Gelet op de uitkomst van de hoofdzaak komen de proceskosten in de incidenten (tot afgifte van stukken en tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor) gevallen aan de zijde van de vereffenaar in de zaak met nummer 200.337.850/01 voor rekening [persoon D] . Het hof zal deze kosten begroten op in totaal 1 punt van tarief II, dat wil zeggen € 1.290,-.

Aldus begroot het hof de proceskosten in de zaak met nummer 200.337.850/01 gevallen aan de zijde van de vereffenaar op:

Explootkosten € 136,72

Salaris advocaat incidenten € 1.290,-

Griffierechten € 2.053,-

Salaris advocaat € 5.883,75 (2½ punten x tarief VI van € 4.707,- per punt; van € 4.707,- per punt = € 11.767,50, gehalveerd)

Nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 9.552,47

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in het dictum van dit arrest.

Het hof zal de veroordelingen die hierna worden vermeld in het dictum van dit arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaren. In eerste aanleg hebben [persoon A] verzocht om een veroordelend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en heeft de vereffenaar aangegeven daartegen geen bezwaar te hebben. De rechtbank heeft de veroordelingen in het vonnis waarvan beroep van 15 november 2023 ook niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. In hoger beroep ligt niet een dergelijk verzoek van [persoon A] voor. De vereffenaar heeft gezien zijn petita in hoger beroep uitvoerbaarverklaring bij voorraad gevorderd. Het hof ziet geen aanleiding om die achterwege te laten. Aangenomen moet worden dat hij belang daarbij heeft. Niet gebleken is dat de belangen van [persoon A] daartegen opwegen.

Het hof zal, tot slot, het meer of anders gevorderde afwijzen. Gelet op het voorgaande is er geen grond om een verklaring voor recht uit te spreken als vermeld in de dagvaarding in hoger beroep in de zaak met nummer 200.338.261/01, onder 6.

7. De uitspraak

Het hof:

verklaart [persoon A] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis waarvan beroep van 29 maart 2023;

vernietigt het vonnis waarvan beroep van 15 november 2023 voor zover in conventie gewezen;

veroordeelt [persoon D] en [persoon A] hoofdelijk tot betaling aan de vereffenaar van een schadevergoeding van € 197.935,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over dit bedrag vanaf 15 november 2011 tot de dag van volledige voldoening.

veroordeelt [persoon D] tot terugbetaling op grond van artikel 6:203 BW van € 96.499,-, € 33.000,- en € 27.581,-, vermeerderd met de wettelijke rente van de dag van de respectievelijke betalingen;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep van 15 november 2023 voor het overige, voor zover aan de orde in hoger beroep;

veroordeelt [persoon A] in de proceskosten van het hoger beroep van € 9.415,75, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als hij niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet hij € 98,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening; en veroordeelt [persoon A] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;

veroordeelt [persoon D] in de proceskosten van het hoger beroep van € 9.552,47, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als hij niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet hij € 98,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening; en veroordeelt [persoon D] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;

verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. de Haan, M. van der Schoor en H.R. Quint en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 februari 2026.

griffier rolraadsheer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?