Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 28 juni 2024, in de strafzaak met parketnummer 01-845318-18 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboortedag] op [geboortedag] 1995,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Vught.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van:
De rechtbank heeft de verdachte vervolgens ter zake van ‘mishandeling’ (1 subsidiair) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 dagen met aftrek.
Voorts heeft de rechtbank de onttrekking aan het verkeer bevolen van twee onder de verdachte in beslag genomen vuurwapens.
De officier van justitie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met aanvulling van de gronden waarop dit berust.
De verdediging heeft primair bepleit dat het hof (alsnog) het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren nu het Openbaar Ministerie geen grieven tegen het vonnis heeft opgegeven, geen rechtens te respecteren belang heeft bij het hoger beroep en dit hoger beroep bovendien in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde nu het oneigenlijk wordt gebruikt.
De verdediging heeft subsidiair integrale vrijspraak bepleit.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Ter zitting d.d. 13 februari 2026
Het hof stelt vast dat hetgeen primair is bepleit, eerder – en op de gronden zoals verwoord in de bijbehorende pleitaantekeningen – als preliminair verweer naar voren is gebracht op de inhoudelijke behandeling van de onderhavige zaak d.d. 13 februari 2026.
De advocaten-generaal hebben daarop naar voren gebracht dat de verdediging een te beperkte uitleg geeft aan de term ‘grief’ en dat gelet op de onderlinge verwevenheid tussen de onderhavige zaak en de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] sprake is van een grief, er een rechtens te beschermen belang – namelijk waarheidsvinding – is gediend met het hoger beroep en er gelet op het vorenstaande geen sprake is van een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde.
Het hof heeft ter zitting beslist dat het Openbaar Ministerie in het hoger beroep kan worden ontvangen en bijgevolg het preliminaire verweer van de verdediging op dit punt verworpen. Aan die beslissing heeft het hof als motivering ten grondslag gelegd dat:
Herhaald verzoek verdediging
De verdediging heeft voormeld (aanvankelijk preliminair gevoerde) verweer vervolgens in de kern herhaald bij pleidooi, inhoudende dat – aangezien na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting het belang van de waarheidsvinding geen opgeld meer doet – het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep alsnog niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daarbij is aan de advocaten-generaal verzocht om – mocht het Openbaar Ministerie hier anders over denken – zich bij repliek uit te laten over de vraag welke bezwaren in dat geval van de zijde van het Openbaar Ministerie tegen het vonnis waarvan beroep bestaan.
De advocaten-generaal hebben daarop bij repliek te kennen gegeven dat het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep wel degelijk ontvankelijk moet blijven, nu een extra bewijsmiddel is benoemd waarmee de gronden waarop vonnis berust, zouden kunnen worden aangevuld en het hof bovendien het hoger beroep reeds ontvankelijk heeft verklaard.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er nog steeds reden is om af te zien van het niet-ontvankelijk verklaren van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt hieromtrent als volgt.
De advocaten-generaal hebben gerekwireerd tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank, met tot gevolg dat alle daarin vermelde beslissingen – in de visie van het Openbaar Ministerie – in stand kunnen blijven. Daarbij zijn geen onderdelen van het vonnis aangeduid die onjuist zouden zijn. De advocaten-generaal hebben bij requisitoir naar voren gebracht dat er ‘eventueel (…) nog een extra bewijsmiddel beschikbaar [is]’, namelijk de resultaten van het DNA-onderzoek aan de polsen van het slachtoffer. Daarbij is echter niet gesteld dat – zonder opneming van dat bewijsmiddel – de bewijsvoering van de rechtbank tekort zou schieten en deze de beslissingen van de rechtbank daardoor niet zou kunnen dragen.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt verder dat een beslissing als bedoeld in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, ook kan worden gegeven nadat – zoals in de onderhavige zaak – een onderzoek van de zaak zelf heeft plaatsgevonden. Bovendien verzet geen rechtsregel zich ertegen om alsnog aan deze bevoegdheid toepassing te geven wanneer daarvan op een eerder moment tijdens het onderzoek ter terechtzitting is afgezien.
Het hof stelt vast dat de inhoudelijke behandeling van de onderhavige zaak in hoger beroep geen nieuwe gezichtspunten heeft opgeleverd en in zoverre het belang van de waarheidsvinding inderdaad geen opgeld meer doet. Dit geldt evenzeer voor de onderlinge verwevenheid van de zaken, nu het hof ter zitting van heden, 27 februari 2026, in de zaak van verdachte en in de zaak tegen medeverdachte uitspraak zal doen.
Het hof stelt verder vast dat er van de zijde van het Openbaar Ministerie weliswaar een appelschriftuur is ingediend, maar dat daarin slechts ‘strategische’ grieven betreffende het vonnis zijn opgenomen en het Openbaar Ministerie bij de behandeling in hoger beroep ten aanzien van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering geen andere beslissingen heeft gevorderd dan in het vonnis van de rechtbank zijn opgenomen.
Het hof ziet bij die stand van zaken na de inhoudelijke behandeling geen redenen (meer) om ambtshalve af te zien van het niet-ontvankelijk verklaren van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep.
Alles overziend zal het hof dan ook toepassing geven aan het in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalde en (alsnog) het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.
BESLISSING
Het hof:
verklaart het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. M. van der Horst en mr. C.C.H.T. Coert, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier,
en op 27 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.