ECLI:NL:GHSHE:2026:529

ECLI:NL:GHSHE:2026:529

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 27-02-2026
Datum publicatie 26-02-2026
Zaaknummer 20-001869-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank omdat het niet te verenigen is met de beslissing van het hof. De rechtbank sprak de verdachte vrij van de onder 1 tenlastegelegde doodslag en het onder 2 tenlastegelegde nalaten hulp te verlenen aan een hulpbehoevende die in ogenblikkelijk levensgevaar verkeert, terwijl de dood van die hulpbehoevende is gevolgd. Het hof spreekt opnieuw vrij van het onder 2 tenlastegelegde maar komt - anders dan de rechtbank en hoofdzakelijk op basis van de inhoud van OVC-gesprekken en een EncroChat-gesprek - tot een bewezenverklaring van de onder 1 tenlastegelegde doodslag, en veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren. Volgens het hof kan het niet anders zijn dan dat die gesprekken betrekking hebben gehad op het fatale schietincident waar het in deze zaak om gaat, en blijkt daaruit dat medeverdachte (die in eerste aanleg door de rechtbank is vrijgesproken en in welke zaak het door de officier van justitie ingesteld hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard) de schuld op zich wilde nemen voor de verdachte.

Uitspraak

5. Resultaten

De volledige resultaten van de uit- en inwendige schouwing zijn in bijlage 1 weergegeven; een samenvatting volgt hieronder.

Bij de sectie op het lichaam is het navolgende gebleken:

1. Voorafgaande aan de sectie werd een total body CT-scan verricht in Maastricht UMC; bij de voorlopige beoordeling werd een dens fragment in de rechterbovenarm, meerdere huiddefecten aan de romp, twee huiddefecten in de rechterbovenarm, breuk van het borstbeen, de 4e rib links en 6e rib rechts, vocht en lucht in de borstholten en in het hartzakje/hart gezien: het verslag is bijgesloten.

[FTO-dossier, pagina 454]

2. Er werden in totaal 4 perforaties aan de romp en 2 perforaties aan de rechterarm aangetroffen (zie tevens tabel en tekening)

- Eén doorschot door de borstwand van letsel A (vermoedelijk inschot) naar letsel D (vermoedelijk uitschot), schotkanaal verlopend naar rechts en voetwaarts door de weke delen van de borstwand; in het kader van dit schotkanaal perforatie van de borstwand en beschadiging van het borstbeen en breuk van de 6e rib rechts.

- Eén schotkanaal verlopend van letsel E (vermoedelijk inschot) naar een geelmetalen projectiel aan de achterzijde van de bovenarm rechts, schotkanaal verlopend naar rechts en iets voetwaarts door de borstholte; in het kader van dit schotkanaal perforatie van de borstwand, breuk van de 4e rib links, doorschot door de bovenkwab van de long links, doorschot door de voorwand van de linkerhartkamer, door de rechterhartkamer en de rechterhartboezem (het oortje), doorschot door de middenkwab van de rechterlong en door de borstwand en de weke delen naar het projectiel.

- Eén streepvormige, scherprandige perforatie in de linkerflank, letsel F met naast de perforatie een opschrift (vrijwel zeker passend bij medisch handelen).

- Eén doorschot door de bovenarm rechts van letsel B (vermoedelijk inschot) naar letsel C (vermoedelijk uitschot).

- Er waren bloeduitstortingen rond de perforaties en de schotkanalen.

6. Interpretatie van resultaten

[FTO-dossier, pagina 455]

Bij de sectie werden schotletsels aangetroffen (sub 1 en 2) passend bij 2 of 3 maal geraakt worden; de doorschot door de rechterarm (tussen letsels B en C) kan geplaatst worden over het letsel D in de rechterflank en zodoende in het verlengde van het schotkanaal tussen letsels A en D. De letsels waren bij leven ontstaan en hebben geleid tot bloedverlies (sub 3) en met name het schotletsel door de borstholte (tussen letsel E en het projectiel) heeft geleid tot ernstige letsels aan en verstoring/verlies van de functie van de longen en het hart. De bevindingen sub 4 passen bij bloedverlies dat vermoedelijk relatief beperkt bleef door uitval van de hartfunctie ten gevolge van de letsels aan het hart. (…) Er waren geen aanwijzingen voor ziekelijke orgaanafwijkingen die het intreden van de dood zouden kunnen verklaren of hiervoor van betekenis geweest zouden kunnen zijn.

7. Conclusie

Het overlijden van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] wordt verklaard door verwikkelingen van schotletsels.

Vertrek naar [betrokkene 8] in Lith, weggooien vuurwapen en forensische analyse hulzen

11. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juni 2018 (dossierpagina 462 tot en met 463), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 10] :

[dossierpagina 462]

Op donderdag 14 juni 2018, meldde zich in het politiebureau [getuige 5] , geboren op [geboortedatum getuige 5] te [geboorteplaats getuige 5] .

Ik, verbalisant, deelde aan [getuige 5] mede dat hij binnenkort als getuige gehoord gaat worden door de Rechter Commissaris te ‘s-Hertogenbosch. [getuige 5] verklaarde mij toch graag een korte verklaring af te willen leggen met betrekking tot het schietincident aan de [locatie 2] te Oss. [getuige 5] verklaarde hierop het navolgende:

- Op maandag 4 juni 2018 heb ik [betrokkene 9] gehaald op het politiebureau in Oss. Hij was aangehouden voor het rijden onder invloed.

- Ik bracht hem daarop naar het [locatie 2] in Oss.

- Ik heb [betrokkene 9] afgezet en ben uitgestapt.

- Ik zag dat [medeverdachte] en [slachtoffer] daar aan het vechten waren. Ik zag dat [slachtoffer] klappen kreeg.

- Ik hoorde verschillende malen schieten en zag dat [slachtoffer] weg liep.

- Ik stap meteen in de auto van een vriend omdat ik weg wil. Ik ben gaan rijden. Deze vriend heet [getuige 4] en zijn achternaam weet ik niet.

[dossierpagina 463]

- Ik reed in een Volkswagen Polo. Deze is van mijn vriend [getuige 4] .

- Ik wilde in de richting van Nijmegen rijden maar omdat ik iemand ken in Lith zijn we hierna naar het [locatie 5] te Lith gereden waar ik ene [betrokkene 8] ken.

12. Het proces-verbaal van verhoor getuige door de rechter-commissaris (dossierpagina 464 tot en met 476), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 5] :

[dossierpagina 465]

Wat is jouw telefoonnummer?

[telefoonnummer getuige 5] .

[dossierpagina 468]

[slachtoffer] was best agressief toen hij kwam aanlopen. Ik zag dat hij met gebalde vuisten kwam aanlopen. Als hij gedronken heeft, is hij een agressieve jongen. [medeverdachte] staat midden op de weg. [slachtoffer] loopt op hem af. [slachtoffer] begint gelijk met vechten. [slachtoffer] begint met slaan. [medeverdachte] vecht terug. Hij gaf klappen terug.

Het is allemaal vlug gebeurd. Toen het gebeurde dook ik achter de auto. Het kan secondewerk zijn geweest. Ik weet niet hoe vaak er is geschoten, meerdere knallen.

Wij gingen plankgas weg. Ik heb een keer in de achteruitkijkspiegel gekeken en zag dat [verdachte] ook plankgas weg reed. Wij rijden richting Nijmegen. In de laatste bocht van [locatie 6] roept [getuige 4] dat de pistolen achter in de auto lagen. [getuige 4] zei: “kom we gaan naar Lith, [betrokkene 8] is altijd wakker”. Op een gegeven moment zegt [getuige 4] “Stop, stop”. Ik stop, [getuige 4] stapt uit, pakte de pistolen en gooit ze weg. Daar is een soort bruggetje, dat heb ik ook eerder verklaard op het politiebureau.

[dossierpagina 469]

Ik ben met [getuige 4] naar Lith gereden. We besluiten naar [betrokkene 8] te gaan. Hij is altijd wakker. We komen daar wel eens, [getuige 4] wat vaker. [getuige 4] kwam met dit idee.

Ik weet niet hoe laat we bij [betrokkene 8] aankwamen. [betrokkene 8] woont op het [locatie 5] in Lith. Wij komen daar aan, wilden naar binnen en vertellen wat er is gebeurd.

13. Het proces-verbaal van verhoor getuige door de rechter-commissaris (dossierpagina 477 tot en met 486), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 4] :

[dossierpagina 480]

Uit het niets zie ik [verdachte] richting [slachtoffer] lopen. Die liepen elkaar tegemoet. [verdachte] zei iets, maar [slachtoffer] liep rechtstreeks door naar [medeverdachte] . [slachtoffer] was kwaad. [verdachte] liep erheen. [slachtoffer] liep door naar [medeverdachte] . [medeverdachte] liep ook richting [slachtoffer] . [verdachte] liep iets vooruit. Toen liep [slachtoffer] [verdachte] voorbij. Hij liep meteen op [medeverdachte] af en sloeg hem meteen. Ik zag ze ineens met elkaar vechten. Ik zag dat [slachtoffer] naar [medeverdachte] uithaalde. [slachtoffer] gaf de eerste klap. Toen werd er gevochten. Het ging zo snel. Ik ben een beetje in de richting van de vechtpartij gelopen.

[dossierpagina 481]

Toen vielen er schoten. Er zijn meerdere schoten gelost. Ik heb niet gezien wie er geschoten heeft. We reden richting de snelweg. Voordat we de snelweg opreden zijn we teruggedraaid richting Lith. Daar woont [betrokkene 8] . Onderweg op die weg kwam ik er achter dat er twee vuurwapens achter in de auto lagen. Ik zag ze ineens liggen . Toen ik de wapens zag, zei ik tegen [getuige 5] dat hij moest stoppen. Ik ben uitgestapt en ik heb ze gepakt. De wapens heb ik in het water gegooid.

[dossierpagina 482]

We zijn verder gereden richting Lith. We zijn naar [betrokkene 8] gegaan. [betrokkene 8] is altijd laat wakker. We vertelden hem dat er was geschoten. Het kan 10-15 mintuten geweest zijn na de schietpartij dat wij bij [betrokkene 8] in Lith waren. Mij wordt gevraagd te zeggen wie er allemaal bij waren bij de schietpartij. [medeverdachte] , [slachtoffer] , [verdachte] , [getuige 5] en ik.

14. Het proces-verbaal van verhoor getuige door de rechter-commissaris (dossierpagina 487 tot en met 490), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [verdachte] (verdachte):

[dossierpagina 488]

Ik ben getuige geweest van een schietincident op 04 juni 2018. Ik was ter plekke aanwezig ten tijde van het schietincident. [medeverdachte] en [slachtoffer] begonnen te vechten. Ik hoorde toen knallen. Na de knallen ben ik weggegaan.

U vraagt mij wie bij het schietincident aanwezig waren. [medeverdachte] en [slachtoffer] , ik, [getuige 4] en [getuige 5] . Ik kwam op het [locatie 2] aan en ik was samen met [medeverdachte] .

Ik ging naar [slachtoffer] toe. Ik had gehoord dat ze ruzie hadden, daar bedoel ik [medeverdachte] en [slachtoffer] mee. Ik wil dat niet hebben. [slachtoffer] negeerde mij en liep meteen door naar [medeverdachte] . Ik liep vervolgens ook met [slachtoffer] mee richting [medeverdachte] en toen begonnen [medeverdachte] en [slachtoffer] te vechten. Ik zag dat [slachtoffer] [medeverdachte] met zijn vuist sloeg.

Nadat de knallen voorbij waren en het stil was, ben ik in de auto gestapt en weggereden. Ik heb niet meer gekeken naar anderen of naar [slachtoffer] . [getuige 4] en [getuige 5] heb ik ook niet gezien.

[dossierpagina 489]

Ik heb met niemand meer gesproken. U vraagt mij waar ik naar toe ben gegaan. Op die vraag ga ik geen antwoord geven. Ik geef daar geen antwoord op, omdat ik dat niet belangrijk vind.

15. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 februari 2021 inclusief bijlage: de uitwerking van het gedelegeerd verhoor door de rechter-commissaris van getuige op 18 februari 2021 (dossierpagina 1368 tot en met 1386), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 4] :

[dossierpagina 1381]

V: Waar ben je heengereden na de schietpartij?

A: Volgens mij naar Lith.

V: Wie waren daar nog meer?

A: Ik en ... [getuige 5] hè?

V: Wie nog meer?

A: [betrokkene 8] .

V: Wie nog meer?

A: Weet ik niet meer.

V: Was [verdachte] er ook, uiteindelijk?

A: Ik weet niet meer, ik wil mensen er niet bij betrekken. Ik wil niet allemaal mensen opnoemen.

16. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 maart 2021 inclusief bijlage: de uitwerking van het gedelegeerd verhoor door de rechter-commissaris van getuige op 25 februari 2021 (dossierpagina 1395 tot en met 1447), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 5] :

[dossierpagina 1403]

V1: Wat is jouw bijnaam in de groep?

G: [getuige 5] gewoon, [bijnaam getuige 5] , [getuige 5] .

V1: Ja, en hoe noemen ze [getuige 4] dan?

G: [getuige 4] eh [bijnaam getuige 4] (fon) maar ja, wij. [bijnaam getuige 4] zeggen ze ook wel.

V1: [getuige 4] is ook de [bijnaam getuige 4] . En jou. En jij bent gewoon meer [getuige 5] dan?

G: ja, Ik heb niet echt een

V: Nee

G: bijnaam

[dossierpagina 1406]

V: Wat trok [slachtoffer] dan uit z’n zak?

G: Ja, dat was iets langs.

V: Ja, en wat was dat dan?

G: Nou honderd procent zeker durf ik niet te zeggen.

[dossierpagina 1407]

V: En dan vraag ik wat is dat dan dat langs?

G: Ja, dat weet ik niet.

[dossierpagina 1409]

V: Goed. Jij zegt dan: “Dan zie ik iets langs bij [slachtoffer] uit de zak”.

G: Ja

[dossierpagina 1414]

V: Heb jij nog naar iemand gebeld toen jij van [locatie 2] af reed?

G: Nee.

V: Ben je meteen uit Oss weggegaan?

G: Ja, we zouden naar Lith rijden.

[dossierpagina 1417]

V: Heb jij [verdachte] nog gezien in Lith?

G: Die heb ik volgens mij wel gezien, ja.

V: Bij wie was je in de caravan?

G: Bij [betrokkene 8] .

V: Wie was er allemaal wakker bij [betrokkene 8] ?

G: Poeh, dat weet ik niet meer. Dat weet ik niet.

V: Waar was [betrokkene 8] zelf?

G: Die kwam ook volgens mij net thuis van ‘t feest.

V: Ja?

G: Ja, volgens mij wel.

V: Maar jij ziet [verdachte] bij [betrokkene 8] in de caravan. Je ziet [betrokkene 8] . Heb je [medeverdachte] daar ook gezien?

G: Volgens mij heb ik [medeverdachte] niet gezien. Nee, volgens mij niet.

V: Waar was [medeverdachte] toen dan?

G: Weet ik niet.

V: Oké. Wat is er besproken bij [betrokkene 8] thuis?

G: Weet ik niet.

V: Nee?

G: Ik heb helemaal niks besproken. Weet ik niet.

V: Oké. Ben je al die tijd samen met [getuige 4] geweest?

G: Ja.

V: Dus van ‘t feest uit naar [locatie 2] en van [locatie 2] naar Lith?

G: Ja.

V: En van Lith naar?

G: Ik weet niet meer waar we heen zijn gegaan.

[dossierpagina 1418]

V: Toen was je drie dagen weg.

G: Dat zou goed kunnen, ja.

V: Waar ben je geweest?

G: Weet ik niet meer.

V: Dat weet je niet meer?

G: Nee.

[dossierpagina 1429]

V1: Maar als ik nou aan jou vraag zou dat lange ding dan ook een mes geweest kunnen zijn, wat, wat zeg je dan?

G: Weet ik niet. Dat zou je moeten vragen aan mensen die d’r omheen staan.

[dossierpagina 1432]

M1: Hoe komen jullie erbij om naar Lith te rijden?

G: Dat weet ik niet, dat kwam zomaar in een keer in ons op omdat we daar wel eens vaker hebben gezeten.

[dossierpagina 1435]

V: Ja, maar je belt, ik zie dat je belt naar de telefoon van [verdachte]

G: Ik kan me dat niet herinneren.

V: Nee, oké. Maar die zit dan ook in Lith.

G: Ja.

V: Jullie gaan naar Lith. Wat wilden jullie daar doen?

G: Dat weet ik niet meer.

[dossierpagina 1436]

G: Nee, maar wie heb je gezien, laat ik ‘t zo zeggen?

M1: Pff. Ja, [getuige 4] was bij mij dan. [betrokkene 8] heb ik gezien.

G: Dat is de [betrokkene 8] die daar woont of een andere [betrokkene 8] ?

M1: Ja, de [betrokkene 8] die daar woont [het hof begrijpt: [betrokkene 8]]

[dossierpagina 1436-1437]

V1: Ik hoorde jou straks zeggen dat [verdachte] er ook stond.

[dossierpagina 1437]

G: Ja. Maar dat weet ik niet of ik [verdachte] heb gesproken, of hoe, of wat.

V: Maar heb je die gezien? Je zei dat je die gezien had.

G: Dan heb ik die gezien, ja.

17. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 27 augustus 2018 (dossierpagina 730 tot en met 744), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 3] :

[dossierpagina 733]

Verbalisanten: Wat voor kleding droeg jij de nacht?

Getuige: ik zelf een pyjama van Batman.

[dossierpagina 734]

Verbalisanten: Je verklaarde dat [betrokkene 4] had gezegd dat er trammelant was met [slachtoffer] .

Verbalisanten: Dus dat was hier ongeveer bij de wagen waar de caravan voor stond?

Getuige: Ja

Verbalisanten: dus bij de wagen van [betrokkene 8] en [betrokkene 10]

[dossierpagina 738]

Verbalisanten: had jij verwacht dat er nog iemand naar buiten zou zijn gekomen?

Getuige: nou ik dacht, door mijn geschreeuw. Ik dacht dat iedereen dat wel gehoord zou hebben.

Verbalisanten: er kwam dus geen reactie. Vermoedde je dat die mensen wel thuis waren.

Getuige: Ja want de deur stond open.

Forensisch bewijs

18. Een schriftelijk bescheid, te weten een NFI-rapport ‘Wapen en munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Oss op 4 juni 2018’ d.d. 6 december 2018 (dossierpagina 751 tot en met 759), voor zover inhoudende als bevindingen van NFI-deskundige ing. M.E. Bestebreurtje:

[dossierpagina 758]

Conclusie

Vraag 1

Hulzen

Er zijn aanwijzingen gevonden dat de hulzen [AALI8672NL t/m -76NL] afkomstig zijn uit vuurwapen [AAJC3687NL].

Voor elk van de vijf hulzen [AALI8672NL t/m -76NL], kaliber 7,65mm Browning, en het vuurwapen [AAJC3687NL] zijn de volgende hypothesen beschouwd:

- Hypothese 1: De huls is verschoten met het vuurwapen.

- Hypothese 2: De huls is verschoten met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het vuurwapen.

De bevindingen van het vergelijkend hulsonderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker [het hof: blijkens dossierpagina 758 een bewijskracht van >1.000.000] wanneer hypothese l waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.

[dossierpagina 759]

Patroon

Er zijn aanwijzingen gevonden dat de sporen in de patroon [AALI8677NL] afkomstig zijn van het vuurwapen [AAJC3687NL].

Voor de patroon [AALI8677NL], kaliber 7,65mm Browning, en het vuurwapen

[AAJC3687NL] zijn de volgende hypothesen beschouwd:

- Hypothese 3: De sporen in de patroon zijn afkomstig van het ontvangen vuurwapen.

- Hypothese 4: De sporen in de patroon zijn afkomstig van een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken.

De bevindingen van het vergelijkend patroononderzoek zijn minimaal zeer veel

waarschijnlijker [het hof: blijkens dossierpagina 758 een bewijskracht van 10.000-1.000.000] wanneer hypothese 3 waar is, dan wanneer hypothese 4 waar is.

Kogel

Voor de kogel [AALI8671NL], die het best past bij het kaliber 7,65 mm Browning, en vuurwapen [AAJC3687NL] zijn de volgende hypothesen beschouwd:

- Hypothese 5: De kogel is afgevuurd uit de loop van het vuurwapen.

- Hypothese 6: De kogel is afgevuurd uit een andere loop van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de loop van het vuurwapen.

De bevindingen van het vergelijkend kogel onderzoek zijn ongeveer even

waarschijnlijk [het hof: blijkens dossierpagina 758 een bewijskracht van 1-2] wanneer hypothese 5 waar is als wanneer hypothese 6 waar is.

OVC-gesprekken

19. Het proces-verbaal van bevindingen (inclusief bijlagen) d.d. 26 april 2021 (dossierpagina 944 tot en met 1041), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 1] alsmede de uitgewerkte inhoud van verschillende uitgeluisterde OVC-gesprekken:

[dossierpagina 944]

OVC

Om meer bewijs te vergaren in onderzoek Duyfken werd besloten om op diverse locaties OVC uit te voeren. De locaties/voertuigen waarin OVC werd uitgevoerd betreffen:

- Penitentiaire Inrichting Zuid-Oost, locatie Roermond: het detentieadres van [medeverdachte] .

- BMW met kenteken [kenteken 6] : in gebruik bij [vader verdachte] en [verdachte] (vader en zoon).

- VW Jetta kenteken [kenteken 7] : eveneens in gebruik bij [vader verdachte] en [verdachte] .

- [locatie 2] [huisnummer] te Oss: de woning van [betrokkene 8] en [betrokkene 10] .

- [locatie 7] te [locatie 8] : de woning van [moeder verdachte] en het verblijfadres van [vader verdachte] (moeder en vader van [verdachte] ).

[dossierpagina 957]

Datum: 04-06-2018 7:15:20 [hof begrijpt: 05.15 uur]

Herkomst tap: [locatie 8] , [locatie 7] .

OVC: 04-06-2018 05:15:20

[moeder verdachte] : Ik ga echt naar bed.

[vader verdachte] : Ja, ga maar slapen dan.

[moeder verdachte] : Ja, en jij?

[vader verdachte] : Ja, ik moet nadenken.

[moeder verdachte] : Waar moet je over nadenken?

[vader verdachte] : Ja, wat er gaat gebeuren.

(…)

[vader verdachte] : [medeverdachte] zegt dat ie op zich gaat pakken.

[moeder verdachte] : huh?

[vader verdachte] : Dat [medeverdachte] het op zich gaat pakken.

[moeder verdachte] : Hoezo? Waarom gaat die dat doen?

[vader verdachte] : Die was erbij. Hij is gewoon. Het is gewoon ONV. Het is beter dat hij 15 jaar krijgt dan onze jongen. Ik zeg, ik betaal alles dus maakt oe eigen niet druk. Die mensen zijn al de kiet uitgegaan, die vader en moeder van hem. Die broer van hem is al ondergedoken. (lange stilte)

[dossierpagina 958]

[vader verdachte] : [medeverdachte] zei ook, ONV op zijn iPhone het ie zitten dreigen. Dus die telefoon die hij in zijn zak heeft daar staan die gesprekken gewoon op. Dat ie uh klappen kreeg en uh.

[moeder verdachte] : ja

[vader verdachte] : Ik zeg dus je moet gewoon zeggen, als je dan bij de politie bent dat ie, dat je hem een klap gaf en dat ie een pistool trok en dat ie af g..en ONV bij de worsteling is dat pistool afgegaan, zo moet je dat zeggen. Ik zal hem wel effe bijpraten. Maar dat zeg ik ook, ONV WhatsApp berichten met hem ONV komt toch niet aan, want die telefoon had hij bij. ONV telefoon uit zijn zak gehaald (zucht hard)

[moeder verdachte] : Wat was heel het eier, waarom hadden ze ruzie gehad?

[vader verdachte] : Omdat [medeverdachte] hem naar huis zou brengen en [medeverdachte] was die jongens naar Arnhem naar huis brengen. Zei ie: Kankerbroek je zou mij naar huis brengen, jij krijgt dadelijk klappen van mijn. Kom langs de McDonalds. Hij zo: Ja, is goed kom ik wel. En toen zei, [medeverdachte] zegt van ja uh was ie bij McDonalds en toen had ie gebeld. Zei die: ja, waar Bende? [medeverdachte] zei: ONV kamp ONV. Oh wacht maar dan kom ik daar wel heen. Wacht maar; ik kom eraan. [medeverdachte] zei: “Dus ik gaf hem een klap, toen kreeg ik een klap terug.” Dus [verdachte] ONV en mee trok ie zijn mes. En toen wou die steken mij of ONV [verdachte] . Ja, en toen begon onze [verdachte] ermee ONV en toen heeft ie gewaarschuwd van: leg maar weg maar dat deed ie niet, hij ging gewoon deur. Drie keer pap. “Ik heb drie keer gewaarschuwd dat ie dat niet moest doen en hij kwam gewoon naar mij toe gelopen”. Hij zei: “Ik wacht dat niet af”.

[dossierpagina 963]

Datum: 05-06-2018 23:00:00

Herkomst tap: [locatie 8] , [locatie 7] .

OVC: 05-06-2018 23:00

[vader verdachte] : Echt, mijn hersens zijn zo moe van het denken he.

[moeder verdachte] : (snauwerig) Dan moete maar gewoon niet meer denken ONV.

[vader verdachte] : Nee, ja dat klopt ja toekomst van mijn zoon.

[moeder verdachte] : Nou, ik geloof niet dat je nou vanavond daar iets aan kan doen of wel?

[vader verdachte] : nee, 180 keer terug aan het spoelen of het allemaal wel klopt. ONV wa wa wa ONV één fout en het is voor de rest klaar!

20. Het proces-verbaal uitwerken OVC d.d. 6 september 2018 (dossierpagina 1077 tot en met 1080), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 11] :

[dossierpagina 1077]

[medeverdachte] : Oh, ja ik heb je dinges gegeven. Ze gaan het overmaken naar jouw rekening. Maar euh. De ene zegt dat bestaat niet, dat kan niet. De andere zegt "dat moet wel lukken". De ene zegt ‘ja, dat krijg je als je vrij komt’.

[dossierpagina 1078]

[medeverdachte] : Want iedereen weet, dat de zoon van hem deze zaak heeft klaargespeeld. iedereen weet dat.

[medeverdachte] : Het slaat nergens op wat ze allemaal doen. Ik zit hier en hij zit daar.

[dossierpagina 1079]

[medeverdachte] : Ik voel me eigen verdrietig.

[medeverdachte] : Zijn vader is een goed mens. Zijn vader mag mij ook erg graag. Zijn vader weet ook ze kunnen niet duizend dingen eisen.

21. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 februari 2026 (proces-verbaalnummer OBRAB18009-1772, 4 pagina’s), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 12] :

[pagina 1]

Betreft: Uitwerken OVC [locatie 7] 050618-23-00-00_edit.wav

[pagina 2]

[vader verdachte] Hé (zucht) Mijn hersens zijn zo moe van het denken

[moeder verdachte] Dan moet je maar niet meer denken, dan moet je maar gaan slapen

[vader verdachte] Nee ja... dat klopt ja, dat doe ik ook voor mijn zoon,

[moeder verdachte] nou ik geloof niet dat je er nou vanavond nog er iets aan kan doen, of wel!?

[vader verdachte] Mmm honderdtachtig keer terugspoelen of het allemaal wel klopt, wa wa ONV er moet gebeuren. Eén fout en het is eeh... klaar.

Encro gesprek [EncroChat-account 1] en [EncroChat-account 2]

22. Een schriftelijk bescheid, te weten EncroChat-gesprek d.d. 16 april 2020 tussen de gebruikers ‘ [EncroChat-account 1] ’ en ‘ [EncroChat-account 2] ’ (dossierpagina 1092 tot en met 1159), voor zover inhoudende:

[dossierpagina 1092]

[EncroChat-account 2] : Wie is djt

[EncroChat-account 1] : [bijnaam betrokkene 8]

[dossierpagina 1127]

[EncroChat-account 2] : Die [aanduiding medeverdachte] ook he fijne jongen heb ook tegen [bijnaam 2 vader verdachte] gezegd

[EncroChat-account 2] : Heb de hele afdeling gezegd dat hij ni was

[EncroChat-account 1] : Wie [bijnaam medeverdachte] ?

[EncroChat-account 2] : Zweer ik op alles die jongen heb het me zelf gezegd waar dke mee samen zat

[EncroChat-account 2] : Ja

[EncroChat-account 2] : Maat denk is na jij ben een slimme vent. Als jij bekend.

[EncroChat-account 1] : Ja ik denk die zaak [bijnaam verdachte] aan ze broek ga krijgen zo ik gezien heb maatje

[EncroChat-account 2] : En het hele verhaal klop. Kom jij ni los. Mijn eigen maat zat met hem vast. Heb het me verteld maat.

[dossierpagina 1128]

[EncroChat-account 1] : Ik heb ze toen gezegt hoe het moest en heb er daarna nooit meer over gepraat da zweer drm zei ik al als zaak klaar is zwijgen erover

[EncroChat-account 2] : Als alleen de familie van slachtoffer (denkt) dat jij het ni was. Kom je ni vrjj maat.

[EncroChat-account 1] : Jawel ik weet wel hoe da komt maat en dat is niet [aanduiding medeverdachte] zijn schuld dr is bij iemand afgeluistert 2 uur na dat ie dood wad en die zeg dan hoe en wat dus das kk zo

[EncroChat-account 2] : Ja maar dat was toch gewoon over encro. Ik weet wat je bedoeld maat

[EncroChat-account 1] : Nee maat ik heb papier gezien zweer op alles echt

[EncroChat-account 2] : Oke. Dan krijft hij hem wel aan se broek denk na. Hoop ni man. Fijne piel ook. Moet wel hard gemaakt worden nog he gaat ni zomaar.

[EncroChat-account 1] : [bijnaam getuige 4] mailde mij toen dat er geknalt wad en [bijnaam verdachte] niet bij hem was en heb toen gezegt ga hem zoeken en breng hem bij mij en heb hem verzorgt zodat geen bewijs was en hele verhaal goed gezet zodat klaar was maar ze gaan dan toch stiekum eigenweis dreigen gang en ja dan kan ik niet meer helpen toch

[EncroChat-account 2] : Ja weet ik nog maat Heb je hem gewasse [hof: emoticon lachend gezichtje]

[dossierpagina 1129]

[EncroChat-account 2] : Smiddags zij ik ik ga niet naar dat feest

[EncroChat-account 1] : Ja en da beet flink zei die ik zeg kan nooit zo zeer doen als jaren bajes haha [hof: emoticon knipogend gezichtje]

[EncroChat-account 2] : Ik had toen al afstand. Samen lachen neuken verder niks maat

[EncroChat-account 1] : Ja maar dit lag niet aan hun das eerlijk anders zou ik het ook zeggen

[EncroChat-account 2] : Ja en nee

[EncroChat-account 1] : Hij had nooit na kamp moeten komen da kan je niet maken vind ik en das hem fataal geworden is heel erg maar waar

[EncroChat-account 2] : Is zo

[EncroChat-account 2] : Maar had ni gehoeven

[EncroChat-account 2] : Ni zo

[EncroChat-account 2] : Maar je kent het he wat gezopen.

[EncroChat-account 1] : Hoe ik alles gezegt heb wad dr geen spijker tussen te slaan alleen toen was al bekent hoe het zat en was de kogel al door de kerk maat kk zooi

[EncroChat-account 2] : Ja hij moes dat ni zeggen

[EncroChat-account 1] : Ja lig eraan hoe je bekijkt maat

[EncroChat-account 2] : Hij is ook echt dol.ook maat. Hahahaha. Mooi mens wel. Vaak mee gezeten en gelachen.

[dossierpagina 1130]

[EncroChat-account 1] : Nee is niet helrmaal waar maat en recht is recht maar p had thuis moeten blijven want als jij bij mij ben en dr wil een ander jou komen vervelen bij mij sterf ik daar voor en zo hoor het en [voorletter slachtoffer] had respect moeten hebben want had ook ergens anders gekunt al had die dan ook pak ramnel gehad want die [aanduiding medeverdachte] is niet mis he haha

[EncroChat-account 2] : [voorletter slachtoffer] had ni door moeten gaan mes trekken die brem. Maar ja alcohol maat

[EncroChat-account 1] : Mee die had zoiezo niet moeten komen daar

[EncroChat-account 1] : Ja drank en drugs veranderen mensen maat

[EncroChat-account 2] : En dje moest vervelend zijn als die buis eas. Was.

[EncroChat-account 1] : En is niet erg maar wel beetje blijven nadenken vind ik haha

[EncroChat-account 2] : Ja hahahhaa

[EncroChat-account 2] : Weet je wat het is maat dje kk lijer was al thuis

[EncroChat-account 2] : Hij had ni na kamp moeten rije

[EncroChat-account 1] : Ja rn die eindige meestal waar die nu ligt al vind ik dat jammer plus de elende die we hebben aan nasleep

[EncroChat-account 2] : En [bijnaam medeverdachte] doet geen vlieg kwaad zo hij was gewoon fout

[EncroChat-account 1] : Juist want da ken je niet pikken als ze je op eigen bodem vervelen maat dan maar straf of dood haha

[dossierpagina 1131]

[EncroChat-account 2] : Ja ik ben net zo maat

[EncroChat-account 2] : Niet op me tenen staan

[EncroChat-account 1] : Juist willen geen elende maar gaan geen mm achteruit maat

[EncroChat-account 2] : Als ik met iemand samen ben ga ik ook voor doorvyyr

[EncroChat-account 2] : Vuur

[EncroChat-account 1] : Voor niks if niemand haba

[EncroChat-account 2] : Nee maat nooit geloof me

[EncroChat-account 2] : Vraag die jongens maar dan maar dood

[EncroChat-account 1] : Ja ik ook en zo hoor dat drm had die nooit daar moeten komen vervelen toch

[EncroChat-account 2] : Maat recht is recht. Maar zo zijn weinig mensen maat.

[EncroChat-account 1] : Waren plekken zat waar die elke dag kom dus daar had die ook kenne vechten en ik had zelfde gedaan maat al vind ik jammer wat gebeurt is

[EncroChat-account 1] : Ja da klopt die zijn er weinig haha

[EncroChat-account 2] : Ja nasleep is jammer

[EncroChat-account 2] : En had ni gehoeven als verhaal goed zat

[EncroChat-account 1] : Dubbel elende zie je wel

[EncroChat-account 2] : 1 foutje is ee gemaakg

[EncroChat-account 2] : Had gewoon stil moeten houden maat

[EncroChat-account 2] : Konden ze geen touw aan vast knopen

[EncroChat-account 1] : Maat er is toen ik onderweg wad na linburg die zelfde nacht een opname dat [bijnaam medeverdachte] het op hem ga nemen rn dat wordt de doodsteek maar hou dat voor je eigen [hof: emoticon knipogend gezichtje]

[EncroChat-account 2] : Ja zeker maat

[EncroChat-account 2] : Echt bout he

[EncroChat-account 2] : Tap of microfoon?

[dossierpagina 1132]

[EncroChat-account 1] : Hij wist niet eens hoe die bij mij was gekomen en ik zei als je het ooit niet meer weet kom na mij of mail me en haal je op waar dan ook en help je tot me dood maar probeer aub beetje je verstand erbij te houden neef maar luisteren niet

[EncroChat-account 1] : Microfoon maat

[EncroChat-account 1] : Heb papier al gezien [hof: emoticon huilend gezichtje]

[EncroChat-account 2] : Pfffdd

[EncroChat-account 2] : Dat is echt jammsr man

[EncroChat-account 2] : Kk woute

23. Een schriftelijk bescheid, te weten ‘Onderzoek naar [EncroChat-account 1] ’ d.d. 27 juli 2020 (dossierpagina 1161 tot en met 1163), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 13] :

[dossierpagina 1161]

Inleiding

In dit proces-verbaal wordt er onderzoek gedaan naar de gebruiker van de encrotelefoon met IMEI [IMEI-nummer 1] en de gebruikersnaam [EncroChat-account 1] @encrochat.com.

Vanaf 19 maart 2020 tot en met heden is er contact tussen de gebruiker “ [EncroChat-account 1] ” en meerdere andere gebruikers van EncroChat. Aan de hand van de inhoud van deze chatgesprekken is het aannemelijk dat [betrokkene 8] geboren op [geboortedatum betrokkene 8] te [geboorteplaats betrokkene 8] gebruik maakt van de telefoon met IMEI [IMEI-nummer 1] en de gebruikersnaam “ [EncroChat-account 1] ”.

[dossierpagina 1163]

Identificatie [EncroChat-account 1]

Op basis van bovengenoemde informatie heb ik, verbalisant, onderzoek ingesteld naar de identiteit van [EncroChat-account 1] .

In 2016 is er binnen de politie Eenheid Oost Brabant een grootschalige onderzoek (project Noord) gestart op een aantal leden van de criminele familie [verdachte] , afkomstig van woonwagencentra uit Oss en Lith. Eind 2019 zijn er grootschalige doorzoekingen (operatie Alfa) geweest en verschillende leden aangehouden. [betrokkene 8] is daarbij de dans ontsprongen en zit sindsdien ondergedoken. [betrokkene 8] heeft ook als bijnaam [bijnaam betrokkene 8] .

In het onderzoek werden onder andere de volgende personen aangehouden die nog in detentie zitten:

- [vader verdachte] [geboortedatum vader verdachte] , alias [bijnaam 1 vader verdachte] en [bijnaam 2 vader verdachte] en [bijnaam 3 vader verdachte] , advocaat [advocaat] . Voor wat betreft de bijnaam [bijnaam 3 vader verdachte] zie proces-verbaal van bevindingen OBRAA17008-3745.

Uit de chatberichten blijkt dat een aantal encrocontacten van [EncroChat-account 1] voor [EncroChat-account 1] de bijnaam [bijnaam betrokkene 8] gebruiken. Verder blijkt dat [EncroChat-account 1] over het dossier van [bijnaam 2 vader verdachte] kan beschikken.

Iemand die zich vrouw [bijnaam betrokkene 8] noemt maakt soms gebruik van de telefoon van [EncroChat-account 1] . [betrokkene 8] heeft een partner, genaamd [partner betrokkene 8] .

Ook zegt [EncroChat-account 1] dat zijn vader een advocaat uit Utrecht heeft. De vader van [betrokkene 8] , [vader betrokkene 8] blijkt inderdaad een advocaat uit Utrecht te hebben.

[EncroChat-account 1] schrijft op 30-03-2020: Me zuster zit in Frankrijk met d’r hond om te bestralen en kan wel terug met reis papieren. Die heb zo de duurste chihuahua die er is denk ik pfff. Uit het bedrijfsprocessensysteem blijkt dat [zus betrokkene 8] , de zus van [betrokkene 8] een chihuahua heeft.

Historische verkeersgegevens

24. Het rapport tijdlijn historische verkeersgegevens en tap d.d. 22 april 2021 (dossierpagina 1164 tot en met 1168), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 14] :

[dossierpagina 1164]

In dit rapport wordt per persoon de relevante informatie afkomstig uit de verkregen historische verkeersgegevens verwoord.

De gegevens, die in deze rapportage gebruikt worden, zijn afkomstig van de bevraagde historische verkeersgegevens van de volgende telefoonnummers.

- [telefoonnummer slachtoffer] in gebruik bij [slachtoffer]

- [telefoonnummer getuige 5] in gebruik bij [getuige 5]

- [telefoonnummer getuige 5] waarschijnlijk in gebruik bij [getuige 5]

- [telefoonnummer getuige 4] in gebruik bij [getuige 4] (bron: tap Hollandia)

- [telefoonnummer medeverdachte] in gebruik bij [medeverdachte]

- [telefoonnummer verdachte] waarschijnlijk in gebruik bij [verdachte]

- [telefoonnummer vriendin verdachte] in gebruik bij [betrokkene 2]

- [telefoonnummer betrokkenen 5 en 10] in gebruik bij [betrokkene 5] en [betrokkene 10]

De bevindingen starten bij het vertrek van [medeverdachte] , [verdachte] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 11] op 4 juni 2018 rond 00.40 uur uit zaal “ [locatie 1] ” te [locatie 9] . Ze eindigen op 4 juni 2018 in de vroege ochtend.

[telefoonnummer slachtoffer] ( [slachtoffer] )

Op 4 juni 2018 om 01.00 uur belt [telefoonnummer slachtoffer] naar [telefoonnummer medeverdachte] . (in gebruik bij [medeverdachte] ) [telefoonnummer slachtoffer] bevindt zich dan binnen het bereik van Cell-1 D 54162 ( [adres 1] [locatie 9] ). Deze Cell-ID heeft bereik op de [adres 2] [locatie 9] , alwaar [locatie 1] ligt.

Om 01.53 uur krijgt [telefoonnummer slachtoffer] een inkomende oproep van [telefoonnummer 1] (zijn vriendin [getuige 1] ). [telefoonnummer slachtoffer] wordt doorgeschakeld naar de voicemail.

[dossierpagina 1166]

[telefoonnummer getuige 5] en [telefoonnummer getuige 5] ( [getuige 5] )

Om 02.03.14 uur maakt [telefoonnummer getuige 5] gebruik van dataverkeer binnen het bereik van Cell-ID 13830 ( [adres 3] by Maasbommel)

[telefoonnummer getuige 5] .wordt om 02.03.32 uur gebeld door [telefoonnummer verdachte] (verm. in gebruik bij [verdachte] ).

Om 02.11 uur bevindt [telefoonnummer getuige 5] zich binnen het bereik van Cell-ID 01498 ( [adres 4] Heerewaarden). [telefoonnummer getuige 5] bevindt zich op hetzelfde moment binnen bereik van Cell ID 342052886 ( [adres 4] Heerewaarden) en Cell-ID 19136269 ( [adres 5] Lith). Cell-ID 01498 en 342052886 hebben beide bereik op de [straat 1] Lith, alwaar het woonwagenkamp ligt.

[telefoonnummer getuige 4] ( [getuige 4] )

Op 4 juni 2018 uur om 00.44 uur wordt [telefoonnummer getuige 4] gebeld door [telefoonnummer 2] (vermoedelijk in gebruik bij de vriendin van [getuige 4] ). [telefoonnummer getuige 4] bevindt zich binnen het bereik van Cell-ID 39434 ( [adres 1] te [locatie 9] ).

Om 01.12 uur bevindt [telefoonnummer getuige 4] zich binnen het bereik van Cell-ID 12427 ( [adres 1] te [locatie 9] ). Deze Cell-ID’s hebben bereik op de [adres 2] [locatie 9] , alwaar [locatie 1] ligt.

[telefoonnummer getuige 4] bevindt zich om 02.20 uur binnen het bereik van Cell-ID 12847 ( [adres 6] Lith).

[telefoonnummer getuige 4] bevindt zich om 02.38 uur binnen het bereik van Cell-ID 49316 ( [straat 2] te Heerewaarden).

[telefoonnummer medeverdachte] ( [medeverdachte] )

[dossierpagina 1167]

Om 01.49 uur maakt [telefoonnummer medeverdachte] gebruik van dataverkeer en bevindt zich binnen het bereik van Cell-ID 110144338 ( [adres 7] Oss).

Om 02.01 uur wordt [telefoonnummer medeverdachte] gebeld door belt [telefoonnummer vriendin verdachte] (in gebruik bij [betrokkene 2] ). [telefoonnummer medeverdachte] bevindt zich dan binnen het bereik van Cell-ID 107000659 ( [adres 8] Oijen).

[telefoonnummer verdachte] ( [verdachte] )

Om 01.55.58 uur belt [telefoonnummer verdachte] naar [telefoonnummer vriendin verdachte] . (in gebruik bij zijn vriendin [betrokkene 2] )

Om 02.00.44 uur wordt [telefoonnummer verdachte] gebeld door [telefoonnummer vriendin verdachte] . (in gebruik bij zijn vriendin [betrokkene 2] )

Om 02.03.05 uur bevindt [telefoonnummer verdachte] zich binnen het bereik van Cell-ID 15309 ( [adres 5] Lith).

[telefoonnummer verdachte] belt om 02.03.32 uur naar [telefoonnummer getuige 5] . (in gebruik bij [getuige 5] ) [telefoonnummer verdachte] bevindt zich dan binnen het bereik van Cell-ID 15309 ( [adres 5] Lith). Om 02.03.36 uur bevindt [telefoonnummer verdachte] zich binnen het bereik van Cell-ID 26208003 ( [adres 5] Lith) (dataverkeer). Om 02.23 uur bevindt [telefoonnummer verdachte] zich binnen het bereik van Cell-ID 22642 ( [adres 9] Alphen GLD)

Om 02.27 uur bevindt [telefoonnummer verdachte] zich met dataverkeer binnen bereik van Cell-ID 26208003 ( [adres 5] Lith). Cell-ID’s 26208003 en 22642 hebben alle twee bereik op het woonwagenkamp aan de [straat 1] in Lith.

[telefoonnummer vriendin verdachte] ( [betrokkene 2] )

Om 01.55 uur wordt [telefoonnummer vriendin verdachte] gebeld door [telefoonnummer verdachte] (verm. in gebruik bij haar vriend [verdachte] ). Om 02.00.44 uur belt [telefoonnummer vriendin verdachte] naar [telefoonnummer verdachte] (verm. in gebruik bij haar vriend [verdachte] ). Om 02.01.03 uur belt [telefoonnummer vriendin verdachte] naar [telefoonnummer medeverdachte] (in gebruik bij [medeverdachte] ). Om 02.03.02 uur belt [telefoonnummer vriendin verdachte] naar [telefoonnummer 9] (in gebruik bij [broer medeverdachte] ). Om 02.25 uur belt [telefoonnummer vriendin verdachte] naar [telefoonnummer 3] (in gebruik bij [betrokkene 4] )

[telefoonnummer betrokkenen 5 en 10] ( [betrokkene 5] en/of zijn vrouw [betrokkene 10]

Op 4 juni 2018 uur om 01.53 uur wordt [telefoonnummer betrokkenen 5 en 10] gebeld door [telefoonnummer 4] (CIOT: [betrokkene 12] , [adres 11] Oss). [telefoonnummer betrokkenen 5 en 10] bevindt zich binnen het bereik van Cell-ID 20285728 ( [adres 10] Oss). [telefoonnummer betrokkenen 5 en 10] krijgt om 01.59.39 uur een inkomende oproep van [telefoonnummer 5] (CIOT: [moeder verdachte] , [locatie 7] [locatie 8] ) ( [moeder verdachte] ).

Om 02:03:15 wordt [telefoonnummer betrokkenen 5 en 10] gebeld door [telefoonnummer 6] (CIOT: [vader verdachte] , [adres 12] 's-Hertogenbosch). [telefoonnummer betrokkenen 5 en 10] bevindt zich dan binnen het bereik van Cell-ID 20285728 ( [adres 10] Oss)

25. Het proces-verbaal van bevindingen ‘vaststelling vermoedelijke gebruiker [telefoonnummer verdachte] (dossierpagina 1228 tot en met 1229), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 14] :

[dossierpagina 1228]

Uit het politiesysteem ten behoeve van integrale bevraging is bekend geworden dat [verdachte] geboren op [geboortedag] 1993 te Oss, verblijfadres [adres 13] Oss op 30-5-2018 werd aangehouden in het kader van een witwasonderzoek. In het onderzoek werden onder [verdachte] , 4 telefoons in beslag genomen. Op 31-5-2018 om 15.19 uur werd [verdachte] in vrijheid gesteld.

Om achter een nieuw telefoonnummer van [verdachte] te komen, zijn de historische verkeersgegevens van zowel [medeverdachte] als [betrokkene 4] bekeken. Slechts één telefoonnummer heeft vanaf 01-06-2018 contact met het telefoonnummer van zowel [medeverdachte] als [betrokkene 4] , te weten [telefoonnummer verdachte] . Voor die datum komt het telefoonnummer niet op de printlijsten voor.

Gelet op bovengenoemde informatie, is het vermoeden ontstaan dat het telefoonnummer [telefoonnummer verdachte] in gebruik is bij [verdachte] .

De historische verkeersgegevens van [telefoonnummer verdachte] zijn bevraagd van 13-1-2018 tot 13-6-2018. Het nummer is op 31-5-2018 om 20.14 uur in gebruik genomen. Laatste gebruik is op 04-06-2018 om 02.56 uur. Gedurende deze periode werd het nummer gebruikt in een toestel met IMEI [IMEI-nummer 2] . Dit betreft een Apple iPhone 7 Plus.

Top 5 contacten:

[telefoonnummer vriendin verdachte] [betrokkene 2] , adres: [adres 13] , [postcode 1] OSS (bron: CIOT)

[telefoonnummer 3] [betrokkene 4] , adres: [locatie 7] , [postcode 2] [locatie 8] (bron: CIOT)

[telefoonnummer 7] [betrokkene 14] adres: [adres 14] , [postcode 3] 'S-HERTOGENBOSCH (bron: CIOT)

[telefoonnummer medeverdachte] [medeverdachte] , adres: [adres 15] , [postcode 4] OSS (bron: CIOT)

[telefoonnummer 8] [betrokkene 13] , adres: [adres 16] , [postcode 5] BOVEN-LEEUWEN

(bron: CIOT)

[telefoonnummer vriendin verdachte] is in gebruik bij [betrokkene 2] , de vriendin van [verdachte] .

[telefoonnummer 3] is in gebruik bij [betrokkene 4] , de zus van [verdachte] .

Top 5 mastlocaties:

64281 [adres 17] , [postcode 6] Oss

26254082 [adres 18] , [postcode 7] Oss

[dossierpagina 1229]

10922 [adres 19] , [postcode 8] Oss

12305 [adres 20] , [postcode 9] Oss

26714113 [adres 21] , [postcode 10] Oss

Cell-ID's 64281 ( [adres 17] , [postcode 6] Oss) en 26254082 ( [adres 18] , [postcode 7] Oss) liggen in de directe omgeving van de woning van [verdachte] , [adres 13] Oss.

Gezien de telefonische contacten en de gebruikte mastlocaties, bestaat het vermoeden dat [verdachte] de gebruiker van dit telefoonnummer is geweest.

Bewijsoverwegingen

1. Inleiding

Op 4 juni 2018, vanaf omstreeks 02.17 uur, kwamen er bij de gemeenschappelijke meldkamer van de politie eenheid Oost-Brabant meerdere telefonische meldingen binnen dat er op de [locatie 2] in Oss iemand zou zijn neergeschoten. Eenmaal ter plaatse troffen de surveillance-eenheden het slachtoffer aan op een grasveldje bij het aldaar gelegen woonwagenkamp. Het ambulancepersoneel was al aanwezig en heeft geprobeerd het slachtoffer te reanimeren, maar tevergeefs. Omstreeks 03.15 uur stopte het ambulancepersoneel de reanimatie. Het slachtoffer bleek te zijn overleden.

Onder de omstanders bevonden zich bewoners van het woonwagenkamp en familieleden en kennissen van het slachtoffer, onder andere zijn vader, moeder, zus, zwager en zijn vriendin. Door de familieleden werd verklaard dat het slachtoffer [slachtoffer] was.

Uit de onderzoeksbevindingen van de politie werd – kort gezegd – duidelijk dat zowel het slachtoffer als de beide later als verdachten aangemerkte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] , tenzij uitdrukkelijk anders aangegeven) en [verdachte] (hierna: [verdachte] , tenzij uitdrukkelijk anders aangegeven) in de avond en nacht van 3 op 4 juni 2018 aanwezig waren geweest op een verjaardagsfeest bij zalencentrum ‘ [locatie 1] ’ in [locatie 9] . Het slachtoffer zou kort voordat hij vertrok van het zalencentrum telefonisch ruzie hebben gehad met [medeverdachte] , omdat [medeverdachte] hem naar zijn zeggen naar huis zou brengen. [medeverdachte] was op dat moment echter, samen met [verdachte] en diens vriendin, onderweg naar Gendt om daar twee vrienden af te zetten die ook op het feest aanwezig waren. [slachtoffer] is uiteindelijk door zijn ouders thuisgebracht waarna hij, eenmaal thuis aangekomen, de sleutels van zijn auto pakte en weer vertrok. Niet veel later werd de vriendin van [slachtoffer] , [getuige 1] , gebeld door [getuige 3] . Zij vertelde [getuige 1] dat [slachtoffer] was doodgeschoten op het woonwagenkamp aan de [locatie 2] in Oss.

Drie dagen na de dood van het slachtoffer meldde [medeverdachte] zich op het politiebureau van Roermond. Uit het proces-verbaal van bevindingen dat over die melding is opgemaakt blijkt dat het gesprek met [medeverdachte] moeizaam verliep. Uiteindelijk bevestigde hij met een hoofdknik dat hij geschoten had. Dit moeizame gesprek kan als een voorbode beschouwd worden van een zeer moeizaam onderzoek, waarin later ook [verdachte] als verdachte is aangemerkt en – na een tussenvonnis van de rechtbank – pas na zes jaren vonnis is gewezen. Heden, 27 februari 2026, en weer bijna twee jaren later, wijst het hof arrest.

2 De verweren van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde – kort weergegeven – het volgende aangevoerd.

I. Uit het dossier blijkt van een overdaad aan bewijsmiddelen waaruit moet worden afgeleid dat medeverdachte [medeverdachte] het slachtoffer [slachtoffer] heeft doodgeschoten. Dit volgt in de eerste plaats uit de bekennende verklaring van [medeverdachte] zelf. Bovendien vindt die bekennende verklaring verankering in andere bewijsmiddelen.

a. In de eerste plaats voor wat betreft de aanleiding en ruzie met [slachtoffer] , hetgeen blijkt uit WhatsApp-berichten en verklaringen van getuigen.

b. Maar ook voor wat betreft het schietincident zelf, nu daarover verklaringen zijn afgelegd door ooggetuigen [getuige 5] en [getuige 4] , hetgeen bovendien steun vindt in het forensisch-technische bewijs waaruit blijkt van kruitsporen op de kleding die [medeverdachte] die avond droeg.

II. Het feit dat het hof niet overtuigd zou zijn van het scenario waarin [medeverdachte] de schutter is geweest, levert nog geen bewijs op voor het scenario waarin [verdachte] de schutter is geweest. Er moet immers niet worden beantwoord de vraag welk scenario het meest waarschijnlijk is, maar of er voor een van beide scenario’s voldoende wettig én overtuigend bewijs aanwezig is.

III. De overtuiging van het Openbaar Ministerie is gestoeld op niet-bestaande (gewiste) beelden, uitgewerkte OVC-gesprekken en EncroChat-berichten.

a. Niet is gebleken dat er beelden zijn gewist. Op de opgenomen OVC’s is niet te horen wat er schriftelijk is uitgewerkt, waardoor die uitwerking niet bruikbaar is voor het bewijs. De opnames zijn van te slechte kwaliteit om daaruit letterlijke uitlatingen te destilleren en er moet grote terughoudendheid worden betracht bij de interpretatie ervan. Zelfs wanneer op de opgenomen OVC’s wél te horen zou zijn dat er camerabeelden zouden zijn gewist, dan kan niet worden vastgesteld welke camerabeelden daarmee werden bedoeld. Het enkele afwezig zijn van camerabeelden kan niet als belastend bewijsmiddel dienen voor de verdachte.

b. Uitgewerkte OVC-gesprekken;

i. De audiokwaliteit van de opgenomen OVC-gesprekken is te slecht om te kunnen controleren of de schriftelijke uitwerking van die OVC-gesprekken klopt.

ii. Uit de nieuwe uitwerking van een deel van de opgenomen OVC-gesprekken blijkt dat de oorspronkelijke uitwerking van diezelfde gesprekken niet betrouwbaar is. In de nieuwe uitwerking zijn namelijk veel passages anders weergegeven en in de oorspronkelijke uitwerking zijn veel gesprekken uitgewerkt door een rechercheur die te nauw bij het onderzoek betrokken was.

iii. Nu gelet op het vorenstaande de bewijswaarde beperkt is, moet behoedzaam worden omgegaan met interpretatie van de tekst en moet aansluiting worden gezocht bij de verklaringen van de bron, namelijk de verklaring van [vader verdachte] bij de rechter-commissaris hieromtrent, waarvoor bovendien geen reden is om die als ongeloofwaardig terzijde te schuiven.

iv. Bij de interpretatie van de tekst kan idiosyncrasie optreden, waarbij men – kort gezegd – zoekt naar bestaande of logische woorden terwijl die niet altijd daadwerkelijk te horen zijn, hetgeen bovendien wordt versterkt wanneer audio-opnamen worden geluisterd met – zoals in dit dossier – een mogelijke uitwerking van de tekst ernaast.

v. Ten slotte blijkt uit de het opgenomen OVC-gesprek tussen [vader verdachte] en de verdachte dat [vader verdachte] hem coachte voor zijn verhoor bij de rechter-commissaris en geen instructies gaf hoe en wat te verklaren.

c. Ook voor de EncroChat-berichten geldt dat ze behoedzaam moeten worden geïnterpreteerd. Het zijn uitlatingen gedaan door derden die niet met zekerheid kunnen worden geïdentificeerd en bovendien worden daarin bijnamen gebruikt, terwijl niet blijkt op wie deze bijnamen betrekking hebben. Verder kan niet worden vastgesteld dat de verdachte bij [betrokkene 8] in Lith is geweest en evenmin dat sprake is geweest van het wassen van de handen van de verdachte met een bijtend middel.

3 Onbetwiste feiten en omstandigheden

Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen de volgende onbetwiste feiten en omstandigheden voorop.

Die avond en nacht van 3 op 4 juni 2018 waren [slachtoffer] , [medeverdachte] en [verdachte] allemaal aanwezig bij een feest dat in zalencentrum ‘ [locatie 1] ’ in [locatie 9] werd gegeven wegens de verjaardag van een oom van [slachtoffer] . [slachtoffer] verkeerde – terecht of onterecht – in de veronderstelling dat [medeverdachte] hem thuis zou brengen na dit feest. [medeverdachte] was inmiddels echter – samen met onder meer [verdachte] – al vertrokken om anderen thuis te brengen. [slachtoffer] heeft het feest uiteindelijk rond 01.10 uur verlaten en is thuisgebracht door zijn ouders. Kort daarvoor – maar ook daarna – heeft er nog telefonisch contact plaatsgevonden tussen [medeverdachte] en [slachtoffer] .

Rond 01.30 uur kwam [slachtoffer] thuis. Hij liet hij zijn partner [getuige 1] weten dat [medeverdachte] hem uiteindelijk niet heeft thuisgebracht, en gaf aan dat hij zijn autosleutels zocht en naar [medeverdachte] zou gaan. Kort daarna is hij in zijn Audi gestapt en vertrokken richting [medeverdachte] , die bij het woonwagenkamp aan de [locatie 2] in Oss zou slapen in een caravan die voor de woning aan nummer [huisnummer] stond.

Eenmaal daar aangekomen heeft er een confrontatie plaatsgevonden tussen [slachtoffer] en [medeverdachte] . Vaststaat dat daarbij – naast [slachtoffer] en [medeverdachte] – ook aanwezig zijn geweest [verdachte] , [getuige 4] en [getuige 5] . Deze confrontatie ontaardde in een vuistgevecht tussen [medeverdachte] en [slachtoffer] , waarbij in ieder geval [slachtoffer] een of meer klappen van [medeverdachte] heeft gehad. In korte tijd escaleerde de situatie doordat [slachtoffer] een wapen – een mes of een pistool – trok. Kort daarop zijn er enkele schoten gelost als gevolg waarvan – ondanks inspanningen van enkele later gearriveerde getuigen en hulpdiensten – [slachtoffer] is overleden.

Ten aanzien van het tijdsbestek waarin het incident heeft plaatsgevonden stelt het hof op basis van de camerabeelden en de verklaringen van [verdachte] , [medeverdachte] , [getuige 4] en [getuige 5] vast dat voor het schietincident drie auto’s in de richting van het woonwagencentrum zijn gereden. Dit betreft de auto van het slachtoffer die om 01:47:54 uur tot stilstand komt tussen het woonwagencentrum en de nabijgelegen tennisvereniging, de auto van de [verdachte] en [medeverdachte] en de auto van [getuige 5] en [getuige 4] die vlak na elkaar vanaf 01:48:34 uur het woonwagencentrum op komen rijden. Voorts is te zien dat drie personen zich in de richting begeven van de plaats waar het slachtoffer zijn auto heeft geparkeerd en waar hij later is aangetroffen. Binnen ongeveer een minuut komen er twee personen met versnelde pas weer terug in beeld komen. Daarna is op de camerabeelden te zien dat er vanaf 01:52:32 uur drie auto’s van het woonwagencentrum vertrekken. De laatste auto rijdt om 01:54:42 uit beeld. Om 02:07:26 uur is op de camerabeelden een auto te zien die het woonwagencentrum oprijdt en waarvan op basis van verklaringen is komen vaststaan dat dit de auto betreft van getuigen [getuige 3] en [betrokkene 7] die het slachtoffer [slachtoffer] hebben aangetroffen.

Het hof ziet zich – met deze feiten en omstandigheden vooropgesteld – voor de volgende vraag gesteld die in feite de kern vormt van de onderhavige strafzaak: Wie heeft [slachtoffer] doodgeschoten?

4 Scenario’s

Ter beantwoording van die vraag heeft het Openbaar Ministerie een viertal mogelijke scenario’s onderscheiden. Voor elk van deze scenario’s geldt dat daarvoor een of meer aanknopingspunten/aanwijzingen te vinden zijn in het dossier. De volgende scenario’s worden door het Openbaar Ministerie onderscheiden:

Scenario’s 3 en 4

Het hof is – met de advocaten-generaal en hoofdzakelijk op de gronden zoals verwoord bij requisitoir – van oordeel dat de laatste twee scenario’s (3 en 4) geen aannemelijke scenario’s zijn. Gelet op de hierna te melden feiten en omstandigheden schuift het hof deze scenario’s dan ook als onaannemelijk terzijde.

Beoordeling van scenario 3 (vuurwapengeweld om 02.15 uur)

Het hof acht scenario 3 niet aannemelijk omdat voor dat scenario in het dossier – anders dan de verklaring van [betrokkene 15] zelf – in het geheel geen steun te vinden is, terwijl onaannemelijk is dat hij (als zijn verklaring inderdaad klopt) de eerdere schoten rond 01.50 uur niet zou hebben gehoord. Daarnaast beschouwde [betrokkene 15] zichzelf bepaald niet als uitgebalanceerd. Naar eigen zeggen was hij een beetje doorgedraaid, had hij veel stress en sliep hij al een paar dagen niet, zodat voorzichtigheid is geboden bij de beoordeling van zijn melding.

Bovendien heeft – zo blijkt uit het dossier – de zus van [slachtoffer] (met de telefoon van haar moeder) al om 02.13 uur naar de telefoon van haar vader gebeld met de boodschap: “Mama gas erop, naar het [locatie 2] , ze hebben onze [slachtoffer] geschoten!”. Dit telefoongesprek sluit in tijd aan op de volgorde van gebeurtenissen zoals die naar voren komt uit de beschreven camerabeelden en getuigenverklaringen waaruit blijkt dat de auto van getuigen [getuige 3] en [betrokkene 7] , die het slachtoffer hebben aangetroffen en al rond 02:07:26 uur is gearriveerd.

Beoordeling van scenario 4 (vuurwapengeweld om 02.17 uur)

Het hof acht ook scenario 4 niet aannemelijk. Niet duidelijk is geworden waar deze flitsen door zijn veroorzaakt maar Getuige [betrokkene 7] is geconfronteerd met de camerabeelden waarop deze lichtflitsen te zien zijn en heeft desgevraagd verklaard dat hij – toen hij ten tijde van die flitsen ter plaatse aanwezig was – geen lichtflitsen heeft gezien en evenmin schoten heeft gehoord.

Bovendien is de 112-melding door getuige [getuige 3] al om 02.17 uur gedaan – en uit een onderzoek naar de historische verkeersgegevens van haar telefoonnummer zelfs om 02.16 uur – terwijl de flitsen op de camerabeelden pas om 02.17.35 uur te zien zijn en tegelijkertijd is vastgesteld dat de camerabeelden de werkelijke tijd weergeven. Ook hier is van belang dat uit voornoemde camerabeelden en getuigenverklaringen naar voren komt dat de auto van getuigen [getuige 3] en [betrokkene 7] die het slachtoffer hebben aangetroffen om 02:07:26 uur is gearriveerd.

Scenario’s 1 en 2

Het hof beschouwt gelet op het vorenstaande alleen de eerder genoemde scenario’s 1 (hierna: het ‘ [medeverdachte] -scenario’) en 2 (hierna: het ‘ [verdachte] -scenario’) als reële mogelijkheden en zal die scenario’s dan ook bespreken en beoordelen. Het hof stelt daarbij vast dat voor elk van deze scenario’s voldoende wettig bewijs voorhanden is. Dit is voor het [medeverdachte] -scenario in het requisitoir van de advocaat-generaal uitvoerig aan de orde gekomen en blijkt voor het [verdachte] -scenario reeds uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen.

5 Scenario 1 (het ‘ [medeverdachte] -scenario’)

Het eerste scenario dat resteert is het [medeverdachte] -scenario. Dit scenario vloeit in de kern voort uit de zelfmelding door [medeverdachte] en zijn daaropvolgende verklaringen op 7 en 9 juni 2018.

Het wettig bewijs voor het [medeverdachte] -scenario

Voor het [medeverdachte] -scenario vallen uit het dossier – kort weergegeven – de volgende feiten en omstandigheden af te leiden die daarvoor als wettig bewijs kunnen dienen.

Op 7 juni 2018 meldde [medeverdachte] zich, nadat hij dit telefonisch had aangekondigd, bij het politiebureau in Roermond. Hij gaf aan dat hij zich kwam melden naar aanleiding van een op 4 juni 2018 plaatsgevonden schietincident op het woonwagenkamp in Oss. [medeverdachte] gaf schoorvoetend en non-verbaal aan dat hij toen de schutter was, waarna hij werd aangehouden.

[medeverdachte] is gedurende het opsporingsonderzoek herhaaldelijk gehoord. In zijn verhoren heeft hij verklaard over het feest bij zalencentrum ‘ [locatie 1] ’. Na het feest – volgens de camerabeelden vertrok hij omstreeks 00.37 uur – zou hij, samen met [verdachte] en zijn vriendin, twee vrienden naar huis hebben gebracht.

Onderweg zou [medeverdachte] telefonisch ruzie hebben gehad met [slachtoffer] , omdat laatstgenoemde dacht dat [medeverdachte] hem naar huis zou brengen. Nadat [medeverdachte] voornoemde vrienden naar huis had gebracht, reed hij samen met [verdachte] naar het woonwagenkamp aan de [locatie 2] in Oss, waar [medeverdachte] zou slapen in een caravan voor de woning van nummer [huisnummer] .

Blijkens de camerabeelden in de omgeving van de [locatie 2] kwamen [verdachte] en [medeverdachte] om 01:48:34 uur aan op het woonwagenkamp. Daar zagen zij – volgens de lezing van [medeverdachte] – vervolgens [slachtoffer] staan die daar – volgens de camerabeelden – twee minuten eerder al was aangekomen, namelijk om 01:46:26 uur.

[medeverdachte] zou vervolgens met [slachtoffer] in gevecht zijn geraakt waarbij [medeverdachte] rake klappen heeft uitgedeeld aan het slachtoffer. Het slachtoffer zou vervolgens een vuurwapen hebben getrokken. Daarop trok ook [medeverdachte] een vuurwapen, waarna hij op [slachtoffer] schoot. [medeverdachte] verklaarde dat hij [slachtoffer] , nadat hij op hem had geschoten, nog zag weglopen. Vervolgens zou hij het wapen van [slachtoffer] , dat deze zou hebben weggegooid, alsook zijn eigen vuurwapen in de auto van (naar later bleek) [getuige 5] en [getuige 4] hebben gegooid.

Deze twee personen waren, blijkens de afgelegde verklaringen en voornoemde camerabeelden, vrijwel gelijktijdig met [medeverdachte] en [verdachte] op het woonwagenkamp aangekomen. Terwijl [verdachte] (01:52:32 uur) én [getuige 5] en [getuige 4] (01:51:46 uur) na het schietincident in hun auto’s wegreden, werd [medeverdachte] door een bewoner van het woonwagenkamp (naar later bleek) [betrokkene 5] weggebracht naar de woning van [verdachte] en zijn vriendin.

Bij het verhoor van 11 juni 2018 beriep [medeverdachte] zich integraal op zijn zwijgrecht, omdat zijn advocaat niet aanwezig was bij het politieverhoor. Op 25 juli 2018 wenste [medeverdachte] , hoewel zijn advocaat daarbij wél aanwezig was, niet te verklaren en beriep hij zich wederom op zijn zwijgrecht. Op 30 juli 2018 vernam de politie van de advocaat van [medeverdachte] dat deze voldoende heeft verklaard en pas bij het verschijnen van het einddossier, of in ieder geval een substantieel deel daarvan, een verklaring zou gaan afleggen.

Door de veronderstelde relevantie van de getuigenverklaringen van [verdachte] én [getuige 5] en [getuige 4] werd besloten hen door de rechter-commissaris te doen horen. Zij verklaarden in 2018 bij de politie dat zij niet hadden gezien wie er geschoten had. In 2021 verklaarden getuigen [getuige 5] en [getuige 4] dat [medeverdachte] op het slachtoffer had geschoten. Aanvullend verklaarden zij nog dat zij de door [medeverdachte] in hun auto gegooide vuurwapens in de waterloop van de Hertogswetering hebben gegooid. Op 19 juni 2018 werd op diezelfde locatie, door het duikteam van de politie, een zwart pistool van het merk Beretta gevonden. Dit vuurwapen kwam qua uiterlijke kenmerken overeen met het vuurwapen dat door [medeverdachte] werd omschreven. In dit vuurwapen zat een patroon van het merk GECO 7,65 Browning. Uit onderzoek bleek dat de op de plaats delict aangetroffen hulzen zeer waarschijnlijk (met een bewijskracht van > 1.000.000) zijn afgevuurd met dit vuurwapen. Op het wapen zijn geen sporen aangetroffen die kunnen worden gekoppeld aan [medeverdachte] of andere betrokkenen.

Op 13 augustus 2018 werd bij een tweede zoekactie op dezelfde locatie ook een chroomkleurige revolver van het merk Amadeo Rossi aangetroffen. In dit wapen waren vier patronen aanwezig. Dit wapen kon in het geheel niet in verband worden gebracht met het onderhavige schietincident.

De rechter-commissaris heeft ook een aantal overige getuigen, zijnde familieleden van [verdachte] , en hun partners gehoord. De door hen afgelegde verklaringen bevestigen de door [medeverdachte] afgelegde verklaringen en vinden weerklank bij de overige getuigenverklaringen. De vriendin van [verdachte] , mevrouw [betrokkene 2] , verklaarde bovendien dat [medeverdachte] in de nacht na het feest bij zalencentrum ‘ [locatie 1] ’ plotseling bij haar aan de deur stond. Naar haar zeggen was [medeverdachte] in de war en vertelde hij dat het ‘uit de hand was gelopen’. Hij had ook in zijn broek geplast, waarna zij hem schone kleren zou hebben gegeven. De bevuilde kleding van [medeverdachte] had zij vervolgens in een tasje in de schuur gezet. Op 15 november 2018 werd deze kleding in de schuur van mevrouw [betrokkene 2] aangetroffen en inbeslaggenomen. NFI-onderzoek wees uit dat de op de desbetreffende kleding aangetroffen deeltjes zeer waarschijnlijk schotresten waren en dat deze afkomstig konden zijn van

hetzelfde type als munitie van de hulzen die op de plaats delict (aan de [locatie 2] ) waren aangetroffen. Naast deze deeltjes bevonden zich op de kleding ook DNA-sporen waarvan het DNA-profiel overeenkwam met dat van [medeverdachte] , en een behoorlijke hoeveelheid urinesporen.

De rechterlijke overtuiging in relatie tot het [medeverdachte] -scenario

Ten aanzien van de verklaringen van [medeverdachte]

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of voormeld scenario ook overtuigend is. Die overtuiging wordt mede beïnvloed door de beoordeling van het hierna te bespreken [verdachte] -scenario. Niettemin zal het hof ook aan het [medeverdachte] -scenario sec al enkele overwegingen wijden, die maken dat het hof het [medeverdachte] -scenario onaannemelijk en/of ongeloofwaardig voorkomt.

[medeverdachte] meldt zich pas na drie dagen bij de politie. In de tussenliggende periode is hij van de radar verdwenen geweest. In het scenario waarin [medeverdachte] uit noodweer zou hebben geschoten ligt dit niet in de rede.

Het contact met [medeverdachte] bij zijn zelfmelding verloopt zeer moeizaam en er blijft voor de betrokkenen op het politiebureau enige tijd onduidelijk waar zijn betrokkenheid precies op ziet en of hij zich als getuige of verdachte komt melden. Bovendien wilde [medeverdachte] uitsluitend praten in het bijzijn van zijn advocaat en heeft hij uiteindelijk slechts non-verbaal (door te knikken) bevestigd dat hij degene was die zou hebben geschoten op [slachtoffer] .

Ook de verklaringen die [medeverdachte] op 7 en 9 juni 2018 bij de politie heeft afgelegd roepen op onderdelen meer vragen op dan ze beantwoorden.

Zo heeft [medeverdachte] verklaard dat hij niet wist waar hij schoot, hoe hij schoot, hoe vaak hij schoot, met welk kaliber hij schoot en evenmin hoeveel patronen er in zijn pistool zaten. Over het vuurwapen waarmee hij schoot heeft hij verklaard dat hij het bij een kaartavond ‘Toepen’ van een niet nader genoemde man zou hebben gekregen als onderpand. [medeverdachte] had namelijk € 1.100,00 gewonnen, maar de man had dit geld niet. [medeverdachte] zou het wapen hebben meegenomen naar het feest in [locatie 1] , omdat hij dacht dat hij die (nog steeds niet nader genoemde) man daar mogelijk zou treffen en het wapen dan kon teruggeven en in ruil daarvoor alsnog zijn geld van de man kon krijgen.

Het vuurwapen zou [medeverdachte] die avond naar eigen zeggen de gehele avond (behalve bij toiletbezoeken, dan droeg hij het in zijn schoudertasje) in de achterzijde van zijn broek, achter zijn broeksband, gedragen hebben. Het hof acht dit echter – gelet op de zich in het dossier bevindende analyse van de camerabeelden van [locatie 1] – buitengewoon onaannemelijk. Op die camerabeelden is namelijk geen enkele aanwijzing te vinden voor een dergelijk voorwerp, terwijl [medeverdachte] een wit overhemd droeg, waarbij een overwegend zwart vuurwapen scherp tegen zou moeten contrasteren.

[medeverdachte] heeft verder aanvankelijk geen namen willen noemen van overige betrokkenen of getuigen die ten tijde van het schietincident aanwezig waren.

Na het schietincident zou hij in zijn broek hebben geplast en zich hebben omgekleed bij een vrouw (later is gebleken dat dit [betrokkene 2] was), waarbij hij desgevraagd te kennen gaf dat hij nog wilde overleggen met zijn advocaat en een nachtje wilde slapen over het antwoord op de vraag of hij die kleding zou afstaan. Deze kleding is uiteindelijk pas op 15 november 2018 in beslag genomen.

Op het vuurwapen waarvan (met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid) de op de plaats delict aangetroffen hulzen afkomstig zijn – ondanks het feit dat dit ongeveer 2 weken later (weliswaar in het water) is aangetroffen – geen DNA- of dactyloscopische sporen aangetroffen.

Ten slotte stelt het hof vast dat [medeverdachte] verder niet heeft willen verklaren over zijn verblijfplaats, handel en wandel in de dagen tussen het schietincident en zijn zelfmelding op het politiebureau in Roermond. Ook na zijn eerste verklaringen op 7 en 9 juni 2018 heeft hij niet meer inhoudelijk willen verklaren. Ondanks een mededeling van zijn advocaat op dat punt, inhoudende dat [medeverdachte] verder zou verklaren bij (een substantieel deel van) het einddossier heeft [medeverdachte] uiteindelijk niet meer verklaard. Niet bij de politie, niet bij de rechter-commissaris, niet bij de rechtbank en niet bij het hof. Dit alles is, voor iemand die stelt verantwoordelijkheid te willen nemen, hoogst ongebruikelijk.

Ten aanzien van overige feiten en omstandigheden

Het klopt – zoals de verdediging naar voren heeft gebracht – dat de verklaring van [medeverdachte] verankering vindt in de aanloop naar het schietincident, namelijk de ruzie tussen [slachtoffer] en [medeverdachte] . Dat is echter geen onderscheidend aspect van het [medeverdachte] -scenario nu die aanleiding onbetwist is en voor het hof vaststaat dat [slachtoffer] en [medeverdachte] ruzie hadden.

Hetzelfde geldt voor de schotresten die op de kleding van [medeverdachte] zijn aangetroffen. In de eerste plaats kan niet met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid worden geconcludeerd dat die schotresten zijn veroorzaakt door verschieting van de op de plaats delict aangetroffen hulzen. Bovendien is ook hiervan niet gebleken dat dit onderscheidend bewijs betreft, omdat deze resten ook zouden kunnen zijn veroorzaakt door het zich in de onmiddellijke nabijheid bevinden van een ander die schiet.

Ook klopt het dat [getuige 4] en [getuige 5] in beginsel steun bieden aan de inhoud van de verklaringen van [medeverdachte] , maar hun beider verklaringen zijn op onderdelen strijdig met bevindingen in het politieonderzoek en blinken niet uit in scherpte als het gaat om de waarnemingen van het schieten. Zo verklaart [getuige 5] bij de politie op 14 juni 2018 dat hij en [getuige 4] ter plaatse waren omdat zij [betrokkene 9] hadden opgehaald bij de politie in Oss [hij was aangehouden voor het rijden onder invloed] en dat ze hem vervolgens naar het woonwagencentrum hadden gebracht. Uit de bevindingen van de politie en getuigenverklaringen komt echter naar voren dat [betrokkene 9] door zijn vader is opgehaald en naar het woonwagencentrum is gebracht. Nadien wordt door [getuige 5] en [getuige 4] op respectievelijk 26 juni 2018 en 29 juni 2018 bij de rechter-commissaris verklaard dat zij nog zouden gaan stappen met [betrokkene 9] en dat zij hem niet hebben opgehaald, maar hem bij het kamp hebben opgewacht. Ten aanzien van het schieten verklaarde [getuige 5] dat hij achter de auto was gedoken en dat hij niet weet hoe vaak er geschoten is. [getuige 4] verklaarde dat hij niet gezien heeft wie er geschoten heeft en kon evenmin verklaren hoe vaak er geschoten was.

Daarnaast verklaren [getuige 5] en [getuige 4] weliswaar naar [betrokkene 8] in Lith te zijn doorgereden na het schietincident, maar blijven zij onduidelijk over waarom zij naar hem toe gingen. Desgevraagd verklaart [getuige 5] in zijn eerste verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 14 juni 2018 niet te hebben geweten waarom ze daarheen gingen en [getuige 4] verklaart slechts dat [betrokkene 8] altijd wakker is.

Hetzelfde geldt in de kern voor de verklaring van [verdachte] . Ook zijn verklaring biedt in theorie steun voor het scenario dat [medeverdachte] zou hebben geschoten, maar die verklaring is zodanig vaag dat het hof daaraan geen waarde toekent.

Tussenconclusie ten aanzien van het [medeverdachte] -scenario

Zoals hiervoor overwogen stelt het hof vast dat – hoewel er voldoende wettig bewijs is voor het [medeverdachte] -scenario – er desondanks de nodige feiten en omstandigheden zijn die maken dat dat scenario onaannemelijk of ongeloofwaardig is. Het hof schuift dit scenario dan ook terzijde. Ook hierna zal – bij de bespreking van het [verdachte] -scenario – blijken van feiten en omstandigheden die contra-indicaties opleveren voor het daderschap van [medeverdachte] .

6 Scenario 2 (het ‘ [verdachte] -scenario’)

In het [verdachte] -scenario gaat het hof ervan uit dat de verdachte de schutter is. Dit scenario is gebaseerd op informatie die is vergaard door de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen, meer specifiek Opnemen Vertrouwelijke Communicatie (OVC) gesprekken en informatie uit het door een ander onderzoek verkregen EncroChat-gesprek tussen de gebruiker van het EncroChat-account ‘ [EncroChat-account 1] ’ en de gebruiker van het EncroChat-account ‘ [EncroChat-account 2] ’.

De van belang zijnde locaties en voertuigen waarin voormelde OVC werd uitgevoerd betreffen:

het detentieadres van [medeverdachte] (Penitentiaire Inrichting Zuid-Oost, locatie Roermond);

de bij [verdachte] en zijn vader, [vader verdachte] , in gebruik zijnde BMW;

de (eveneens) bij [verdachte] en zijn vader, [vader verdachte] , in gebruik zijnde Volkswagen Jetta;

de aan de [locatie 2] [huisnummer] in Oss gelegen schuur en woning van [betrokkene 5] en [betrokkene 10] en

de aan de [locatie 7] in [locatie 8] gelegen woning van [moeder verdachte] en het verblijfadres van [vader verdachte] (moeder en vader van [verdachte] ).

Vooropstelling interpretatie van OVC- en EncroChat-gesprekken

Het hof stelt vast dat het zwaartepunt van de bewijsvoering is gelegen in enkele OVC-gesprekken en het EncroChat-gesprek dat tussen ‘ [EncroChat-account 1] ’ en ‘ [EncroChat-account 2] ’ heeft plaatsgevonden. Over de interpretatie van deze specifieke gesprekken – en in meer algemene zin: dit type gesprekken – is veel te doen geweest in relatie tot de onderhavige zaak.

Ook ter zitting in hoger beroep heeft de verdediging hierop (wederom) verweer gevoerd en het hof ziet (mede daarin) dan ook aanleiding om enkele overwegingen te wijden aan de interpretatie van deze gesprekken.

Het hof erkent – zoals door de verdediging is bepleit en waarbij ook de rechtbank uitgebreid heeft stilgestaan – dat met de interpretatie van dergelijk materiaal behoedzaam moet worden omgegaan. De context van de gesprekken ontbreekt vaak en niet zelden is van een of meer gespreksdeelnemers onbekend wie ze zijn of ‘bij wie ze horen’. Met betrekking tot in het bijzonder de OVC-gesprekken is bovendien de audiokwaliteit niet altijd perfect waardoor soms woorden of passages niet goed kunnen worden verstaan. Voor zover de kwaliteit van de opnamen wel adequaat is, kunnen bepaalde onderdelen van de tekst soms alsnog multi-interpretabel zijn, zowel op woordniveau (vanwege vergelijkbare klanken) als in relatie tot de rest van een zin, het gesprek of iets anders. Het hof heeft oog voor deze beperkingen en heeft – op voorzet van het Openbaar Ministerie – van een aantal gesprekken voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting en in de raadkamer de verbeterde opname beluisterd. Op basis daarvan heeft het hof de uitwerking van de gesprekken door de verbalisanten kunnen toetsen, de intonatie van het gezegde kunnen horen en vast kunnen stellen hoeveel tijd er tussen bepaalde zinnen heeft gezeten.

Tegelijkertijd vindt de opvatting dat dergelijke gesprekken slechts geïsoleerd van al het andere in het dossier moeten worden beschouwd, geen steun in het recht. Het enkele gegeven dat passages op meerdere manieren kunnen worden geïnterpreteerd of gehoord, neemt niet weg dat er – bezien tegen de achtergrond van de overige inhoud van het dossier – logische maar ook minder logische alternatieven denkbaar zijn. Zelfs in perfect verstaanbare gesprekken waarin geen afzonderlijk woord ter discussie staat, is de algehele strekking van die gesprekken vaak evengoed voor velerlei uitleg vatbaar.

Dit is tot op zekere hoogte inherent aan uitlatingen die worden gedaan en verschilt in zoverre ook niet van de waardering van de inhoud van getuigenverklaringen. Het hof ontkomt er dan ook niet aan om tot op zekere hoogte de hierna genoemde gesprekken te interpreteren, maar is daarbij niettemin van oordeel dat de lezing van het hof voldoende verankering vindt in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Sterker nog, het hof is van oordeel dat, gelet daarop, deze gesprekken zich bezwaarlijk ánders laten uitleggen dan op de wijze als hierna te melden.

Dat daarbij de audiokwaliteit niet altijd geschikt is om alle letterlijke bewoordingen daaruit te destilleren, hoeft niet problematisch te zijn om de algehele strekking van het gesprek te doorgronden. Toch acht het hof het – in het licht van het vorenstaande – van belang om zo duidelijk mogelijk uit te leggen en toe te lichten waarom de na te melden uitleg ook de juiste uitleg is. Het hof probeert dat hierna zo precies en uitgebreid mogelijk te doen maar hecht er – ook hier – aan om alvast te benadrukken dat veel vaststellingen in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd en elkaar over en weer ondersteunen.

Het wettig bewijs voor het [verdachte] -scenario

Het gesprek van 4 juni 2018 aan de [locatie 7] te [locatie 8]

Het eerste bewijsmiddel dat in de richting van het [verdachte] -scenario wijst, is een gesprek dat in de nacht of vroege ochtend van 4 juni 2018 (omstreeks 05.15 uur) werd gevoerd tussen [vader verdachte] en [moeder verdachte] (respectievelijk de vader en moeder van [verdachte] ) en waarin het volgende wordt gezegd:

[vader verdachte] : [medeverdachte] zegt dat ie op zich gaat pakken.

[moeder verdachte] : huh?

[vader verdachte] : Dat [medeverdachte] het op zich gaat pakken.

[moeder verdachte] : Hoezo? Waarom gaat die dat doen?

[vader verdachte] : Die was erbij. Hij is gewoon. Het is gewoon ONV. Het is beter dat hij 15 jaar krijgt dan onze jongen. Ik zeg, ik betaal alles dus maakt oe eigen niet druk. Die mensen zijn al de kiet uitgegaan, die vader en moeder van hem. Die broer van hem is al ondergedoken. (lange stilte)

[dossierpagina 958]

[vader verdachte] : [medeverdachte] zei ook, ONV op zijn iPhone het ie zitten dreigen. Dus die telefoon die hij in zijn zak heeft daar staan die gesprekken gewoon op. Dat ie uh klappen kreeg en uh.

[moeder verdachte] : ja

[vader verdachte] : Ik zeg dus je moet gewoon zeggen, als je dan bij de politie bent dat ie, dat je hem een klap gaf en dat ie een pistool trok en dat ie af g..en ONV bij de worsteling is dat pistool afgegaan, zo moet je dat zeggen. Ik zal hem wel effe bijpraten. Maar dat zeg ik ook, ONV WhatsApp berichten met hem ONV komt toch niet aan, want die telefoon had hij bij. ONV telefoon uit zijn zak gehaald (zucht hard)

[moeder verdachte] : Wat was heel het eier, waarom hadden ze ruzie gehad?

[vader verdachte] : Omdat [medeverdachte] hem naar huis zou brengen en [medeverdachte] was die jongens naar Arnhem naar huis brengen. Zei ie: Kankerbroek je zou mij naar huis brengen, jij krijgt dadelijk klappen van mijn. Kom langs de McDonalds. Hij zo: Ja, is goed kom ik wel. En toen zei, [medeverdachte] zegt van ja uh was ie bij McDonalds en toen had ie gebeld. Zei die: ja, waar Bende? [medeverdachte] zei: ONV kamp ONV. Oh wacht maar dan kom ik daar wel heen. Wacht maar; ik kom eraan. [medeverdachte] zei: “Dus ik gaf hem een klap, toen kreeg ik een klap terug. Dus [verdachte] ONV en mee trok ie zijn mes. En toen wou die steken mij of ONV [verdachte] ”. Ja, en toen begon onze [verdachte] ermee ONV en toen heeft ie gewaarschuwd van: “Leg maar weg maar dat deed ie niet, hij ging gewoon deur. Drie keer pap. Ik heb drie keer gewaarschuwd dat ie dat niet moest doen en hij kwam gewoon naar mij toe gelopen”. Hij zei: “Ik wacht dat niet af”.

Uit de inhoud van dit gesprek leidt het hof af dat:

[medeverdachte] ‘het’ op zich gaat pakken omdat hij ‘erbij’ was;

het beter is dat [medeverdachte] 15 jaar krijgt dan ‘onze jongen’;

[vader verdachte] heeft gezegd alles te zullen betalen en dat [medeverdachte] zich niet druk moet maken;

[vader verdachte] tegen [medeverdachte] heeft gezegd dat hij moest zeggen dat ‘ie’ een pistool trok en in de worsteling het pistool is afgegaan en dat [vader verdachte] [medeverdachte] wel zal bijpraten;

Omdat [medeverdachte] ‘hem’ naar huis zou brengen terwijl hij anderen naar Arnhem had gebracht;

[medeverdachte] iemand een klap gaf en een klap terugkreeg;

‘ie’ zijn mes stak en ‘mij’ of [verdachte] wilde steken;

[verdachte] drie keer heeft gewaarschuwd dat hij dat mes weg moest leggen, hij dit niet deed en op [verdachte] afkwam;

‘hij’ tegen [vader verdachte] heeft gezegd: “ik wacht dat niet af”.

Het hof ziet zich ten eerste voor de vraag gesteld waar dit gesprek op ziet. Naar het oordeel van het hof staat vast dat in dit gesprek wordt gerefereerd aan het schietincident van diezelfde nacht rond 01.50 uur. Het hof leidt dit in het bijzonder af uit de volgende feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien:

Het gesprek vond plaats rond 05.15 uur en daarmee nog geen 3,5 uur na het schietincident;

De gespreksdeelnemers [vader verdachte] en [moeder verdachte] kwamen als één van de eerste getuigen (na het schietincident) ter plaatse en [vader verdachte] heeft [slachtoffer] nog geprobeerd te reanimeren;

Er wordt gezegd dat ‘ [medeverdachte] ’ erbij was en [medeverdachte] (wiens voornaam ‘ [medeverdachte] ’ is) was bij dat schietincident aanwezig;

Er wordt gezegd dat hij [ [medeverdachte] ] ruzie had met iemand anders over het naar huis brengen en [medeverdachte] had daarover daadwerkelijk ruzie met [slachtoffer] (of vice versa);

Er wordt gezegd dat er over en weer een klap is gevallen en ook dit heeft daadwerkelijk plaatsgevonden tussen [slachtoffer] en [medeverdachte] , waarvan de klap(pen) van [medeverdachte] richting [slachtoffer] ook steun vind(t)(en) in forensisch bewijs,

Er wordt gesproken over 15 jaar krijgen, hetgeen zich (gelet op de hiervoor genoemde punten) bezwaarlijk anders laat lezen dan ‘15 jaar gevangenisstraf’.

Het hof ziet dan ook niet in hoe dit gesprek op iets ánders betrekking zou moeten hebben dan op het fatale schietincident van enkele uren eerder aan de [locatie 2] te Oss.

Een volgende vraag is op wie er wordt gedoeld met ‘onze jongen’. Gelet op de aanwezigen bij het fatale schietincident ( [verdachte] , [medeverdachte] , [slachtoffer] , [getuige 4] en [getuige 5] ), het feit dat ‘onze jongen’ in een tegenstelling wordt gebruikt (‘beter dat hij [ [medeverdachte] ] 15 jaar krijgt dan onze jongen’), kan het hof niet anders dan concluderen dat gedoeld wordt op [verdachte] . De ouders van [verdachte] zullen immers [slachtoffer] , [getuige 4] of [getuige 5] niet aanduiden als ‘onze jongen’, en zeker niet éérder dan zij hun eigen zoon als zodanig zouden aanduiden.

Vervolgens ziet het hof zich voor de vraag gesteld wie er heeft geschoten en onder welke omstandigheden? De tegenstelling ‘beter dat hij [ [medeverdachte] ] 15 jaar krijgt dan onze jongen [ [verdachte] ]’ wekt de indruk dat het twee mogelijkheden zijn die elkaar uitsluiten. Daarmee hoeft overigens nog niet vast te staan dat [verdachte] ook daadwerkelijk heeft geschoten. De verdediging heeft immers bepleit dat de naam [verdachte] op de politie werkt als een rode lap op een stier. In theorie zou het daardoor ook zo kunnen zijn dat iemand anders het fatale schot heeft gelost, maar [vader verdachte] verwacht dat zijn zoon daarvan zal worden beschuldigd omdat hij erbij aanwezig was.

Het hof herhaalt in dit verband echter nogmaals de volgende passage die van [vader verdachte] afkomstig is (plaatsing aanhalingstekens door het hof):

[medeverdachte] zei: “Dus ik gaf hem een klap, toen kreeg ik een klap terug. Dus ONV en mee trok ie zijn mes. En toen wou die steken mij of ONV [verdachte] ”. Ja, en toen begon onze ONV ermee ONV en toen heeft ie gewaarschuwd van: “Leg maar weg maar dat deed ie niet, hij ging gewoon deur. Drie keer pap. Ik heb drie keer gewaarschuwd dat ie dat niet moest doen en hij kwam gewoon naar mij toe gelopen”. Hij zei: “Ik wacht dat niet af”.

Ook de laatste twee zinnen heeft het hof op de verbeterde opname van het gesprek kunnen horen. Het hof stelt op basis van dit gesprek vast dat [vader verdachte] eerst in algemene bewoordingen beschrijft aan [moeder verdachte] wat er kort aan de schietpartij vooraf is gegaan. Vervolgens leidt het hof uit de bewoordingen ‘drie keer pap [vader], ik heb drie keer gewaarschuwd’ af dat [vader verdachte] in dit gesprek vertelt wat zijn zoon tegen hem gezegd heeft, namelijk dat deze [slachtoffer] drie keer heeft gewaarschuwd, maar dat [slachtoffer] gewoon doorging en naar hem toe kwam lopen.

Dan komt het neer op wie er wordt bedoeld met ‘Hij’ in de laatste zin (“Hij zei: ‘Ik wacht dat niet af’”). Uit de wijze waarop deze zinnen door [vader verdachte] worden uitgesproken op de verbeterde opname blijkt naar het oordeel van het hof – gelet op intonatie en pauze tussen de laatste en voorlaatste zin – dat ook hier verdachte [verdachte] wordt bedoeld. De zin “Hij zei: ‘Ik wacht dat niet af’” volgt direct na het voorgaande. Daarmee staat naar het oordeel van het hof vast dat [vader verdachte] zijn zoon [verdachte] aanhaalt en dat ‘hij’ ziet op [verdachte] die ‘dat’ niet ging afwachten. Bovendien wordt na ‘Drie keer pap (…)’ geen andere persoon meer geïntroduceerd waardoor het ook taalkundig logisch is dat ‘hij’ (in die laatste zin) verwijst naar zijn zoon [verdachte] .

Concluderend stelt het hof op grond van dit gesprek ook vast dat het volgende is voorgevallen: [medeverdachte] gaf [slachtoffer] een klap en kreeg ook een klap terug van [slachtoffer] . Vervolgens pakte [slachtoffer] een mes. [verdachte] heeft vervolgens [slachtoffer] gewaarschuwd dat hij het mes moest wegleggen maar dat wilde [slachtoffer] niet; hij ging door. [verdachte] heeft [slachtoffer] daarop driemaal gewaarschuwd dat hij dat niet moest doen maar hij liep door (kennelijk in de richting van [verdachte] ). [verdachte] wachtte dat niet af en – zo concludeert het hof – schoot.

Het EncroChat-gesprek tussen ‘ [EncroChat-account 1] ’ en ‘ [EncroChat-account 2] ’ op 16 april 2020

Voorgaande conclusies ten aanzien van het OVC gesprek op 4 juni 2018 tussen [vader verdachte] en [moeder verdachte] worden bevestigd door een EncroChat-gesprek dat op 16 april 2020 wordt gevoerd tussen twee EncroChat-accounts, namelijk ‘ [EncroChat-account 1] ’ en ‘ [EncroChat-account 2] ’. Voordat het hof aan de inhoud van dit gesprek toekomt, staat het hof stil bij de vaststellingen van de gebruikers van de EncroChat-accounts tussen wie het gesprek plaatsvindt en de namen van personen die daarin genoemd worden.

6.2.2.1 Identificatie ‘ [EncroChat-account 1] ’

De gebruiker van het EncroChat-account ‘ [EncroChat-account 2] ’ is niet geïdentificeerd. Wel is onderzoek gedaan naar de gebruiker het EncroChat-account ‘ [EncroChat-account 1] ’. Uit verschillende EncroChat-berichten tussen ‘ [EncroChat-account 1] ’ en andere accounts, is aannemelijk geworden dat de gebruiker van dat account [betrokkene 8] (geboren op [geboortedatum betrokkene 8] ) is, ook wel [betrokkene 8] genoemd. Uit onderzoek Noord/Alfa blijkt dat hij ook als bijnaam ‘ [bijnaam betrokkene 8] ’ heeft en zo stelt ‘ [EncroChat-account 1] ’ zich in onderstaande passage ook voor aan ‘ [EncroChat-account 2] ’ in hun EncroChat-gesprek.

[EncroChat-account 2] : Wie is djt [dit]

[EncroChat-account 1] : [bijnaam betrokkene 8]

6.2.2.2 Gebruikte bijnamen in het gesprek

In het EncroChat-gesprek wordt een aantal bijnamen gebruikt. In de appelschriftuur van het Openbaar Ministerie staat vermeld dat [bijnaam medeverdachte] een bijnaam is van [medeverdachte] , [bijnaam verdachte] een bijnaam is van [verdachte] en dat [bijnaam getuige 4] een bijnaam is van [getuige 4] .

Ter zitting in hoger beroep is door de verdediging naar voren gebracht dat dit niet volgt uit het dossier. Het hof is daarentegen van oordeel dat dit voldoende duidelijk is geworden. Daarbij weegt het hof telkens mee dat – zoals het hierna uiteen zal zetten – dit gesprek niet anders kan worden begrepen dan betrekking hebbend op het schietincident van 4 juni 2018 aan de [locatie 2] in Oss.

Tegen die achtergrond stelt het hof eerst vast dat [bijnaam medeverdachte] een bijnaam is voor [medeverdachte] . In het gesprek wordt gesproken over ‘Die [aanduiding medeverdachte] ’. Daarop wordt ter verduidelijking gevraagd: ‘Wie, [bijnaam medeverdachte] ?’, welke vraag ten slotte bevestigend wordt beantwoord. Aangezien het gesprek gaat over het schietincident en bovendien niet is gebleken van anderen die direct bij die schietpartij betrokken waren en van [aanduiding medeverdachte] komaf zijn of een [aanduiding medeverdachte] naam hebben, staat naar het oordeel van het hof vast dat met ‘Die [aanduiding medeverdachte] ’ en ‘ [bijnaam medeverdachte] ’ wordt gedoeld op [medeverdachte] .

Het hof stelt verder vast dat [bijnaam getuige 4] een bijnaam is voor [getuige 4] . Dit volgt reeds uit de inhoud van een door [getuige 5] afgelegde verklaring.

Het hof stelt ten slotte vast dat [bijnaam verdachte] een bijnaam is voor [verdachte] . Wederom benadrukt het hof dat dit gesprek betrekking heeft het schietincident van 4 juni 2018. Tegen die achtergrond acht het hof ook de volgende passage van betekenis:

[EncroChat-account 1] : [bijnaam getuige 4] [ [getuige 4] ] mailde mij toen dat er geknalt [geschoten] wad [was] en [bijnaam verdachte] niet bij hem was en heb toen gezegt ga hem zoeken en breng hem bij mij en heb hem verzorgt zodat geen bewijs was en hele verhaal goed gezet zodat klaar was maar ze gaan dan toch stiekum eigenweis dreigen gang en ja dan kan ik niet meer helpen toch

Uit het feit dat deze ‘ [bijnaam verdachte] ’ zo verzorgd moest worden dat er geen bewijs was leidt het hof af dat ‘ [bijnaam verdachte] ’ iemand was die rechtstreeks bij het schietincident betrokken was. Niet aannemelijk is dat [bijnaam verdachte] verwijst naar [medeverdachte] (die immers al als [bijnaam medeverdachte] wordt aangeduid) of [slachtoffer] (die was overleden). [bijnaam verdachte] kan evenmin betrekking hebben op [getuige 5] . [getuige 5] was immers juist wél bij [getuige 4] in de buurt terwijl uit voormelde passage blijkt dat [bijnaam verdachte] níet bij [getuige 4] was. Gelet hierop is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat ‘ [bijnaam verdachte] ’ een bijnaam is voor [verdachte] . Dit wordt nog eens bevestigd door onderste passage waarin [betrokkene 8] verwijst naar zijn neef die hij zou helpen tot in zijn dood.

[EncroChat-account 1] : Hij wist niet eens hoe die bij mij was gekomen en ik zei [tegen hem] als je het ooit niet meer weet kom na mij of mail me en haal je op waar dan ook en help je tot me dood maar probeer aub beetje je verstand erbij te houden neef maar luisteren niet

6.2.2.3 Onderwerp van het gesprek

De inhoud van voormeld gesprek luidt – voor zover relevant – als volgt:

[EncroChat-account 2] : Die [aanduiding medeverdachte] [het hof begrijpt: [medeverdachte] ] ook he fijne jongen heb ook tegen [bijnaam 2 vader verdachte] [het hof begrijpt: [vader verdachte] ] gezegd

[EncroChat-account 2] : Heb de hele afdeling gezegd dat hij ni was

[EncroChat-account 1] : Wie [bijnaam medeverdachte] [het hof begrijpt: [medeverdachte] ]?

[EncroChat-account 2] : Ja

[EncroChat-account 2] : Maat denk is na jij ben een slimme vent. Als jij bekend.

[EncroChat-account 1] : Ja ik denk die zaak [bijnaam verdachte] [het hof begrijpt: [verdachte] ] aan ze broek ga krijgen zo ik gezien heb maatje

[EncroChat-account 2] : En het hele verhaal klop. Kom jij ni los. Mijn eigen maat zat met hem vast. Heb het me verteld maat.

[EncroChat-account 1] : Ik heb ze toen gezegt hoe het moest en heb er daarna nooit meer over gepraat da zweer drm zei ik al als zaak klaar is zwijgen erover

[EncroChat-account 2] : Als alleen de familie van slachtoffer (denkt) dat jij het ni was. Kom je ni vrjj maat.

[EncroChat-account 1] : Jawel ik weet wel hoe da komt maat en dat is niet [aanduiding medeverdachte] [het hof begrijpt: [medeverdachte] ] zijn schuld dr is bij iemand afgeluistert 2 uur na dat ie [het hof begrijpt: [slachtoffer] ] dood wad [het hof begrijpt: was] en die zeg dan hoe en wat dus das kk zo.”

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer] is beschoten rond 01.50 uur, dat de reanimatie omstreeks 03.15 uur is gestopt en hij om 03.19 uur dood is verklaard. Het OVC-gesprek aan de [locatie 7] te [locatie 8] is rond 05.15 uur op diezelfde dag opgenomen en aldus ongeveer ‘2 uur nadat hij dood was’. Het hof maakt uit de conversatie op dat [EncroChat-account 2] gesproken heeft met een vriend van hem die vastzit met [medeverdachte] en dat erover gesproken wordt dat ‘hij het niet was’, maar dat als [medeverdachte] gaat bekennen en buiten de familie van het slachtoffer niemand denkt dat hij het niet was [de schutter] hij niet vrijkomt. [betrokkene 8] geeft op zijn beurt aan dat hij denkt dat [verdachte] de zaak aan zijn broek krijgt hangen en dat dit niet de schuld is van die [aanduiding medeverdachte] [ [medeverdachte] ], maar dat dit komt doordat er is afgeluisterd.

Het gesprek vervolgt:

[EncroChat-account 2] : Ja maar dat was toch gewoon over encro. Ik weet wat je bedoeld maat

[EncroChat-account 1] : Nee maat ik heb papier gezien zweer op alles echt

[EncroChat-account 2] : Oke. Dan krijft hij hem wel aan se broek denk na. Hoop ni man. Fijne piel ook. Moet wel hard gemaakt worden nog he gaat ni zomaar.”

[betrokkene 8] stelt in deze passage dat hij alles op papier heeft gezien. Uit het onderzoek naar de andere chatberichten van ‘ [EncroChat-account 1] ’ blijkt dat hij kan beschikken over het dossier van ‘ [bijnaam 2 vader verdachte] ’, de bijnaam die voor [vader verdachte] werd gebruikt. In dat dossier zal zich ook het gesprek van 4 juni 2018 aan de [locatie 7] te [locatie 8] hebben bevonden. Uit een latere passage in hetzelfde gesprek wordt zelfs gerefereerd aan de inhoud van dat gesprek (‘dat [bijnaam medeverdachte] [ [medeverdachte] ] het op zich gaat nemen en dat dat de doodsteek wordt’) en de wijze waarop dat gesprek is opgenomen (‘microfoon’):

[EncroChat-account 1] : Maat er is diezelfde nacht een opname dat [bijnaam medeverdachte] het op hem ga nemen rn dat wordt de doodsteek maar hou dat voor je eigen [hof: emoticon knipogend gezichtje]

[EncroChat-account 2] : Tap of microfoon?

[EncroChat-account 1] : Microfoon maat

[EncroChat-account 1] : Heb papier al gezien [hof: emoticon huilend gezichtje]

Reeds gelet op hetgeen hiervoor is overwogen staat daarom voor het hof vast dat dit EncroChat-gesprek ziet op het schietincident op 4 juni 2018, dat er wordt verwezen naar het opgenomen gesprek tussen [vader verdachte] en [moeder verdachte] van 4 juni 2018 waarin zij de toedracht en te volgen strategie bespreken en dat dit gesprek wel eens de doodsteek kan worden.

Het gesprek vervolgt:

[EncroChat-account 1] : [bijnaam getuige 4] [ [getuige 4] ] mailde mij toen dat er geknalt [geschoten] wad [was] en [bijnaam verdachte] niet bij hem was en heb toen gezegt ga hem zoeken en breng hem bij mij en heb hem verzorgt zodat geen bewijs was en hele verhaal goed gezet zodat klaar was maar ze gaan dan toch stiekum eigenweis dreigen gang en ja dan kan ik niet meer helpen toch

[EncroChat-account 2] : Ja weet ik nog maat Heb je hem gewasse [hof: emoticon lachend gezichtje]

[EncroChat-account 2] : Smiddags zij ik ik ga niet naar dat feest

[EncroChat-account 1] : Ja en da beet flink zei die ik zeg kan nooit zo zeer doen als jaren bajes haha [hof: emoticon knipogend gezichtje]”

Gelet op alle eerdere vaststellingen (de betekenis van de gebruikte bijnamen, het feit dat ‘ [EncroChat-account 1] ’ gebruikt werd door [betrokkene 8] , en het feit dat het gesprek gaat om het schietincident op 4 juni 2018) concludeert het hof op basis van dit gesprek dat [betrokkene 8] opdracht heeft gegeven aan [getuige 4] om de verdachte [verdachte] op te halen en dat hij de verdachte [verdachte] heeft gewassen met een bijtend middel, kennelijk om sporen [vermoedelijk kruitsporen] van hem af te wassen. Het hof vindt daarvoor bovendien steun in de opmerking dat het ‘flink beet maar nooit zo’n zeer kan doen als jaren naar de gevangenis’. Daarnaast leest het hof in dit gesprek dat [betrokkene 8] het verhaal heeft doorgenomen met de verdachte en mogelijk ook met de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] .

Deze lezing vindt verder verankering in het feit dat [getuige 4] , [getuige 5] en [verdachte] bij [betrokkene 8] zijn geweest die bewuste avond. [getuige 4] en [getuige 5] verklaren dit over zichzelf en dit vindt steun in de mastgegevens van hun telefoon. Bovendien verklaart [getuige 5] dat ze daar ook [verdachte] hebben gezien. [getuige 4] verklaarde het niet meer te weten en er mensen niet bij te willen betrekken. Ten slotte vindt dit steun in het feit dat de telefoon die vermoedelijk bij [verdachte] in gebruik was, rond die tijd aanstraalde in Lith terwijl hij zelf niets heeft willen verklaren over waar hij is geweest na het schietincident ‘omdat hij dat niet belangrijk vond’.

Het gesprek vervolgt even verderop:

[EncroChat-account 1] : Hoe ik alles gezegt heb wad dr geen spijker tussen te slaan alleen toen was al bekent hoe het zat en was de kogel al door de kerk maat kk zooi

Hieruit maakt het hof op dat nogmaals bevestigd wordt dat [betrokkene 8] het verhaal met betrokkenen heeft doorgenomen, dat er geen spijker tussen te slaan was maar dat dit werd doorkruist door het opgenomen gesprek tussen [vader verdachte] en [moeder verdachte] van 4 juni 2018.

Hierna gaan de gesprekken voort over het schietincident op 4 juni 2018 en wordt door beide [EncroChat-account 2] en [betrokkene 8] aangegeven hoe zij over de gebeurtenis denken.

[EncroChat-account 1] : Hij had nooit na kamp moeten komen da kan je niet maken vind ik en das hem fataal geworden is heel erg maar waar

(…)

[EncroChat-account 2] : Maar je kent het he wat gezopen.

[EncroChat-account 2] : Ja hij moes dat ni zeggen

[EncroChat-account 1] : Ja lig eraan hoe je bekijkt maat

(…)

[EncroChat-account 1] : Nee is niet helrmaal waar maat en recht is recht maar [voorletter slachtoffer] had thuis moeten blijven (…) en [voorletter slachtoffer] had respect moeten hebben want had ook ergens anders gekunt al had die dan ook pak ramnel gehad want die [aanduiding medeverdachte] is niet mis he haha

[EncroChat-account 2] : [voorletter slachtoffer] had ni door moeten gaan mes trekken (…). Maar ja alcohol maat

[EncroChat-account 1] : Mee die had zoiezo niet moeten komen daar

[EncroChat-account 1] : Ja drank en drugs veranderen mensen maat

[EncroChat-account 2] : En dje moest vervelend zijn als die buis eas. Was.

(…)

[EncroChat-account 2] : Weet je wat het is maat dje kk lijer was al thuis

[EncroChat-account 2] : Hij had ni na kamp moeten rije

[EncroChat-account 1] : Ja rn die eindige meestal waar die nu ligt al vind ik dat jammer plus de elende die we hebben aan nasleep

[EncroChat-account 2] : En [bijnaam medeverdachte] doet geen vlieg kwaad zo hij was gewoon fout

[EncroChat-account 1] : Juist want da ken je niet pikken als ze je op eigen bodem vervelen maat dan maar straf of dood haha

[EncroChat-account 1] : Ja ik ook en zo hoor dat drm had die nooit daar moeten komen vervelen toch

[EncroChat-account 2] : Ja nasleep is jammer

[EncroChat-account 2] : En had ni gehoeven als verhaal goed zat

[EncroChat-account 1] : Dubbel elende zie je wel

Hieruit volgt dat:

‘Hij’ nooit naar het kamp had moeten komen en dat hem dat fataal geworden is;

‘Hij’ gezopen had;

‘Hij’ thuis had moeten blijven en daar sowieso niet had moeten komen;

‘Het’ ook ergens anders had gekund al had hij dan ook een pak rammel gehad want die [aanduiding medeverdachte] is niet mis;

‘Hij’ al thuis was en niet naar het kamp had moeten rijden.

‘Hij’ gewoon fout was.

De nasleep jammer is en dat dat niet nodig zou zijn geweest als het verhaal goed zat.

Het hof slaat verder in het bijzonder acht op de zinsnede dat ‘ [voorletter slachtoffer] ’ [ [slachtoffer] ] niet door had moeten gaan met het trekken van een mes. Ook dit sluit aan op het OVC gesprek tussen [vader verdachte] en [moeder verdachte] waarin verteld wordt dat [slachtoffer] een mes zou hebben gehad in plaats van een pistool of revolver.

Het OVC-gesprek tussen [medeverdachte] en ‘ [betrokkene 16] ’ op 6 september 2018

Tot slot heeft het hof acht geslagen op opgenomen gesprekken op het detentieadres van [medeverdachte] waarin hij samen met ene ‘ [betrokkene 16] ’ een gesprek voert:

[dossierpagina 1077]

[medeverdachte] : Oh, ja ik heb je dinges gegeven. Ze gaan het overmaken naar jouw rekening. Maar euh. De ene zegt dat bestaat niet, dat kan niet. De andere zegt: ‘dat moet wel lukken’. De ene zegt: ‘ja, dat krijg je als je vrij komt’.

[dossierpagina 1078]

[medeverdachte] : Want iedereen weet, dat de zoon van hem deze zaak heeft klaargespeeld. iedereen weet dat.

[medeverdachte] : Het slaat nergens op wat ze allemaal doen. Ik zit hier en hij zit daar.

[dossierpagina 1079]

[medeverdachte] : Ik voel me eigen verdrietig.

[medeverdachte] : Zijn vader is een goed mens. Zijn vader mag mij ook erg graag. Zijn vader weet ook ze kunnen niet duizend dingen eisen.

[dossierpagina 1080]

[medeverdachte] : Ze willen echt gewoon dat er iets gebeurt. En het had helemaal niet

moeten gebeuren. En iedereen weet dat het gewoon een domme ruzie was.

Echt een echt domme ruzie. Dat weten hun ook. Dit is niet een actie of euuh.

Dit is niet gepland of in elkaar gezet. Dit is gewoon uit de hand gelopen.

Het hof beoordeelt dit gesprek in samenhang met het OVC-gesprek tussen [vader verdachte] en [moeder verdachte] , waarin eerstgenoemde zegt dat [medeverdachte] [ [medeverdachte] ] het op zich gaat nemen en dat hij tegen [medeverdachte] heeft gezegd dat hij zich geen zorgen hoeft te maken omdat hij alles betaalt. Het gesprek over het overmaken van geld op een rekening van ‘ [betrokkene 16] ’ en de uitspraak ‘ja, dat krijg je als je vrij komt’ duidt er naar het oordeel van het hof op dat er wordt gesproken over een manier waarop [medeverdachte] geld kan ontvangen als hij vrij komt. De uitspraak ‘Zijn vader weet ook ze kunnen niet duizend dingen eisen’ impliceert vervolgens dat bij [vader verdachte] bekend is dat er grenzen zijn aan wat in ruil voor ‘het op zich nemen’ van [medeverdachte] verwacht kan worden. Vervolgens kan naar het oordeel van het hof op basis van dit gesprek worden vastgesteld dat [medeverdachte] aan [betrokkene 16] vertelt dat het kennelijk bij iedereen bekend is dat de zoon van [vader verdachte] zijn zaken heeft klaargespeeld [goed voor elkaar heeft] en dat het nergens op slaat dat hij [ [medeverdachte] ] vast zit en niet hij [ [verdachte] ].

7 Aanwijzingen voor inmenging in het onderzoek

Het hof stelt tot slot vast dat uit het dossier blijkt van verschillende aanwijzingen voor het dwarsbomen van de vrije bewijsgaring door de politie en het beïnvloeden van (de verklaringsvrijheid van) getuigen.

Dit blijkt in de eerste plaats al uit de uitlatingen die een vrouw in kleding met Batman-logo’s deed bij het arriveren van hulpdiensten, en waaruit zou blijken dat er (vlak) na het incident door iemand van het woonwagencentrum met telefoons op de grond werd geschenen en er hulzen werden opgeraapt. Die vrouw is later geïdentificeerd als [getuige 3] . Zij is later in zoverre teruggekomen op die uitlatingen dat ze niet heeft gezien dat er hulzen werden geraapt maar wel dat ze [zoon betrokkene 8] (die samen met zijn ouders op nummer [huisnummer] woonde) met zijn telefoon op de grond had zien schijnen, tweemaal ‘iets’ had zien oprapen en dit in zijn zak stopte. Ze zou hem daarna de hele avond niet meer gezien hebben.

In dit verband is het nog opmerkelijk dat de vader van [verdachte] , blijkens de inhoud van de OVC-gesprekken, heeft gezegd dat hij, nadat getuige [getuige 3] een mogelijk belastende verklaring had afgelegd, hij bij haar langs zou gaan. Wat vervolgens opvalt is dat mevrouw [getuige 3] bij de rechter-commissaris de inhoud van de door haar eerder afgelegde verklaring op cruciale punten betwist, ontkent of, al of niet bewust, verdraait.

Het hof wijst er verder op dat [vader verdachte] [medeverdachte] heeft geïnstrueerd hoe hij zou moeten verklaren. Uit het OVC-gesprek van 4 juni 2018 blijkt immers dat [vader verdachte] tegen [medeverdachte] zei: “Ik zeg dus je moet gewoon zeggen, als je dan bij de politie bent dat ie, dat je hem een klap gaf en dat ie een pistool trok en dat ie af g..en ONV bij de worsteling is dat pistool afgegaan, zo moet je dat zeggen. Ik zal hem wel effe bijpraten. .” Ook hieruit blijkt van (minst genomen) een poging om de verklaring van [medeverdachte] (die op dat moment nog niet had verklaard) te beïnvloeden. Hoewel [medeverdachte] nadien niet heeft verklaard dat het pistool in de worsteling is afgegaan, heeft hij wel degelijk verklaard dat [slachtoffer] een pistool trok, terwijl uit voormeld OVC-gesprek ook is gebleken dat [slachtoffer] in feite ‘slechts’ een mes trok.

Ook heeft [vader verdachte] zijn zoon instructies heeft gegeven over hoe deze bij de rechter-commissaris zou moeten verklaren. Dit blijkt uit het OVC-gesprek d.d. 13 september 2018, opgenomen in de BMW waarin zij samen naar het verhoor bij de rechter-commissaris reden. Daaruit blijkt dat [verdachte] van zijn vader moest verklaren:

Dat [verdachte] degene was die eerder wegreed;

Dat [verdachte] een knal hoorde dus niet wist wie er geschoten had;

Dat [verdachte] op vragen over wat voor wapens niet moest zeggen dat hij daar geen verstand van had, maar gewoon moest zeggen dat hij het niet wist en dat hij het daarmee moet laten;

Dat [verdachte] moest zeggen dat hij er niet over wil verklaren om er niet meer mensen bij te betrekken;

Dat [verdachte] – als ze moeilijk lopen doen over wie, waar, wie dan – moet vragen of ze zelf weleens in die situatie zijn belang.

De verdediging heeft ter zitting in hoger beroep nog opgeworpen dat dit gesprek moet worden bezien in het licht van een vader die zijn zoon coacht voor een verhoor bij de rechter-commissaris maar het hof verwerpt dit verweer. Gelet op de hierboven genoemde punten instrueerde [vader verdachte] (op onderdelen) overduidelijk hoe [verdachte] moest verklaren.

Ten slotte biedt een van de OVC-gesprekken aanknopingspunten voor het bestaan van camerabeelden waarop – zo begrijpt het hof – [slachtoffer] te zien was in ieder geval kort nadat hij was beschoten:

[vader verdachte] : nee die waren erbij, iedereen heeft het zien gebeuren. Er waren vier, drie jongens bij, die hebben ook gewoon een verklaring afgelegd.

NNMan : [verdachte] ook?

[vader verdachte] : ons, alleen, die heeft alleen gezegd, kijk ik heb het al gezegd, ik zeg jongens luister ze wisten niet eens dat die dood was. (…) Ze wisten het niet eens want hij zegt ik zie hem gewoon weglopen

NNman : Het zal toch op de camera staan?

[vader verdachte] : Alles staat op de camera. Je ziet hem een beetje strompelend weglopen en dan in een keer valt die om.

Het politieonderzoek heeft in ieder geval niet geleid tot het boven water komen van dergelijke camerabeelden en uit het dossier rijzen ook aanwijzingen dat (hoewel niet met zekerheid kan worden gesteld of het om voormelde camerabeelden gaat) er op 7 juni 2018, en dus kort na de schietpartij, camerabeelden moesten worden gewist:

NNM : die camerabeelden ... die moeten weg

NNM : moeten ze allebei weg?

NNM : daar staan die camerabeelden op, die moet ie op gaan halen

NNM :ONP

NNM : Is standaard

NNM : alles kan weg?

NNM : ja, ja goed eh.

Ten slotte zijn er – zoals hiervoor al door het hof is overwogen bij de bespreking van het [medeverdachte] - en [verdachte] -scenario – kruitsporen weggewassen bij [verdachte] , en is het vuurwapen waarmee hoogstwaarschijnlijk is geschoten in het water van de Hertogswetering gegooid en werden daarop geen sporen aangetroffen, hetgeen wederom duidt op pogingen tot bemoeilijking van het politieonderzoek.

Niet alleen acht het hof het zeer kwalijk dat hiermee de waarheidsvinding belemmerd is, ook acht het hof al deze vaststellingen – in onderlinge samenhang bezien – des te meer bijdragen aan de overtuiging dat [verdachte] [slachtoffer] heeft doodgeschoten.

8 Resumé

Op basis van voorgaande feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien komt het hof tot de volgende conclusie.

Op 4 juni 2018 wordt [slachtoffer] tussen 01.49 en 01.52 uur doodgeschoten op het woonwagencentrum in Oss. Naast het slachtoffer waren daarbij aanwezig de verdachte, [medeverdachte] en de getuigen [getuige 5] en [getuige 4] . Vrijwel direct nadat er geschoten is verlaten voornoemde personen in verschillende auto’s het woonwagencentrum. [medeverdachte] wordt weggebracht door de oom [betrokkene 8] naar de (ex)partner van de verdachte. [getuige 5] en [getuige 4] rijden samen en gaan naar een andere oom van de verdachte, [betrokkene 8] . Daar aangekomen vertellen zij wat er is gebeurd waarna [betrokkene 8] hen de opdracht geeft om de verdachte te zoeken en naar hem toe te brengen. Vervolgens wordt de verdachte aldaar verzorgd en gewassen om sporen te wissen en wordt het hele verhaal goed gezet. Tijdens het wassen wordt nog een grap gemaakt dat het bijt, maar dat dat beter is dan zitten in de bajes. Het verhaal zat volgens [betrokkene 8] goed in elkaar, er was geen spijker tussen te slaan, totdat er een opgenomen gesprek boven water komt waardoor bekend werd hoe het zat en de kogel door de kerk was.

Hiermee verwijst [betrokkene 8] volgens het hof naar het opgenomen gesprek tussen de vader, [vader verdachte] , en de moeder van de verdachte, [moeder verdachte] , waaruit volgt dat [vader verdachte] kort na het incident heeft gesproken met zowel [medeverdachte] als de verdachte, dat ‘ [medeverdachte] ’ het op zich gaat nemen en dat hij alles zal betalen. In dat gesprek worden door [vader verdachte] aan zowel [medeverdachte] als de verdachte instructies gegeven over wat zij moeten gaan vertellen. Daarnaast vertelt [vader verdachte] dat de verdachte tegen hem heeft gezegd dat [slachtoffer] een mes had en dreigend op de verdachte af kwam lopen, waarna de verdachte [slachtoffer] drie keer heeft gewaarschuwd, maar [slachtoffer] niet stopte. Waarop de verdachte zei ‘Ik wacht dat niet af’ en – zo concludeert het hof – schoot.

Naar het oordeel van het hof staat hiermee buiten redelijke twijfel vast dat de verdachte degene is die op 4 juni 2018 [slachtoffer] heeft doodgeschoten en dat daarmee wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder feit 1 primair tenlastegelegde. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt daarmee verworpen.

Hoewel uit het dossier blijkt dat er ten tijde van het schietincident meerdere personen aanwezig waren, heeft het hof in het dossier geen aanwijzingen (forensisch of anderszins) aangetroffen die erop wijzen dat sprake is geweest van medeplegen. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van de hierna bewezen te verklaren doodslag.

Al hetgeen overigens door de verdediging naar voren is gebracht vindt weerlegging in de bewijsmiddelen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het doden van [slachtoffer] door meermalen op hem te schieten met een pistool. Daarmee is aan [slachtoffer] , destijds 30 jaar oud, het (meest fundamentele) recht op leven ontnomen.

Verdachte heeft daarmee onherstelbaar leed en verdriet toegebracht aan de nabestaanden van [slachtoffer] . Niet alleen hebben zijn partner, ouders en zus hem moeten zien vechten voor zijn leven en uiteindelijk zien overlijden. Ook zullen zijn kinderen zonder hun vader opgroeien. Ook anderen hebben gezien hoe [slachtoffer] – ondanks de inspanningen van enkele omstanders en de hulpdiensten – uiteindelijk het leven liet, hetgeen ook op hen ongetwijfeld diepe indruk zal hebben gemaakt. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.

Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 november 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een soortgelijk strafbaar feit.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting gebleken.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof heeft daarbij – los van de aard en ernst van het feit – ook gelet op de mate waarin het bewezenverklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht en op het gewelddadige karakter van het bewezenverklaarde handelen en de maatschappelijke onrust die dergelijke feiten tot gevolg hebben.

Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht

Het hof stelt verder vast dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Dit artikel luidt als volgt:

“Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing.”

Aan de verdachte is bij (inmiddels onherroepelijk) arrest van dit hof d.d. 9 november 2023 een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren opgelegd. Hij wordt heden, 27 februari 2026, met het wijzen van het onderhavige arrest, schuldig verklaard aan een misdrijf dat vóór die strafoplegging van 9 november 2023 is gepleegd.

Daarom zal het hof – op grond van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht – rekening houden met hetgeen in artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht is bepaald. Dit houdt in dat als maximumstraf geldt het totaal van de hoogste straffen die op de feiten zijn gesteld, voor zover die totale straf niet hoger is dan een derde boven het hoogste strafmaximum.

Kort samengevat leidt dit ertoe dat de maximumstraf die aan de verdachte kon worden opgelegd wanneer alle feiten (inclusief het onderhavige) gelijktijdig zouden zijn behandeld – een straf is van ten hoogste 20 jaren, gebaseerd op het destijds toepasselijke strafmaximum voor doodslag (15 jaren) en vermeerderd met een derde (5 jaren).

Nu aan de verdachte reeds een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren is opgelegd bij voormeld arrest d.d. 9 november 2023, is in de onderhavige zaak niet meer ruimte dan om een gevangenisstraf voor de duur van (20 jaren minus 10 jaren =) 10 jaren aan de verdachte op te leggen.

Redelijke termijn

Ten slotte heeft het hof geconstateerd dat de redelijke termijn is overschreden.

De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 25 oktober 2021 met de betekening aan de verdachte in persoon van de inleidende dagvaarding, en geëindigd op 28 juni 2024 met het vonnis van de rechtbank. De redelijke termijn van 24 maanden is in eerste aanleg derhalve met ongeveer 8 maanden overschreden.

De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 12 juli 2024 met het instellen van hoger beroep door de officier van justitie, en eindigt heden, 27 februari 2026, met het uitspreken van het onderhavige arrest. De redelijke termijn van 24 maanden is in hoger beroep derhalve niet overschreden.

Aldus is sprake van een totale overschrijding van 8 maanden. Van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen is niet gebleken.

Resumé

Alles afwegende zou het hof – zonder overschrijding van de redelijke termijn – oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren passend en geboden hebben geacht. Gelet echter op voormelde overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg zal het hof de verdachte in plaats daarvan veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren.

Aldus gewezen door:

mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,

mr. M. van der Horst en mr. C.C.H.T. Coert, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier,

en op 27 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. W.E.C.A. Valkenburg
  • mr. M. van der Horst
  • mr. C.C.H.T. Coert

Griffier

  • mr. J.A.A. Vulto

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?