Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 maart 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-071675-21 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van ‘witwassen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank het onder de verdachte inbeslaggenomen geldbedrag van
€ 434.850,00 en de onder de verdachte inbeslaggenomen personenauto verbeurd verklaard.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft – zo begrijpt het hof – gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 10.000,00. Daarnaast heeft de advocaat-generaal de verbeurdverklaring gevorderd van het onder de verdachte inbeslaggenomen geldbedrag van € 434.850,00. Subsidiair, voor zover het hof aan de verdachte geen geldboete zal opleggen, heeft de advocaat-generaal tevens de verbeurdverklaring gevorderd van de onder de verdachte inbeslaggenomen personenauto.
Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Voorts heeft de raadsman bepleit om, anders dan de rechtbank, de onder de verdachte inbeslaggenomen personenauto niet verbeurd te verklaren omdat de verdachte deze auto tegen zekerheidstelling van een bedrag van € 9.000,00 heeft teruggekregen en inmiddels heeft verkocht en overgedragen aan zijn vader, zodat de verdachte bij verbeurdverklaring van de personenauto niet aan zijn verplichting tot uitlevering zal kunnen voldoen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 6 maart 2021, te Cadier en Keer, gemeente Eijsden-Margraten, althans in Nederland, een voorwerp, te weten 434.850 euro, althans een geldbedrag, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet, terwijl hij, verdachte, wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat die 434.850 euro, althans dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 6 maart 2021, te Cadier en Keer, gemeente Eijsden-Margraten een voorwerp, te weten 434.850 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat die 434.850 euro - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Omwille van de leesbaarheid van dit arrest worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.
Bewijsoverwegingen
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat het hof de verdachte dient vrij te spreken van het tenlastegelegde. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman zowel een formeel als een materieel verweer gevoerd.
Als formeel verweer heeft de raadsman naar voren gebracht dat de Nederlandse autoriteiten – zonder tussenkomst van buitenlandse autoriteiten – op 6 maart 2021 op telefoonniveau met telkens opvolgende (nieuwe) gebruikers van [communicatiedienst] live hebben meegekeken. De resultaten daarvan dienen van het bewijs te worden uitgesloten vanwege het algehele gebrek aan transparantie rondom deze ‘meekijkoperatie’ en nu daarvoor geen voorafgaande schriftelijke machtiging door een rechter is afgegeven. Dat de verdachte geen deelnemer is geweest aan de meegelezen [communicatiedienst] communicatie doet hier niet aan af, nu de ‘meekijkoperatie’ van bepalende invloed is geweest op het verloop, de inhoud en het resultaat van het onderzoek Skopje en het onderzoek Skopje in feite gelijk staat aan deze ‘meekijkoperatie’. De raadsman verwijst in dit verband naar het arrest HR 11 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:694. Omdat buiten de resultaten van de ‘meekijkoperatie’ die van het bewijs moeten worden uitgesloten er geen bewijs voorhanden is, dient vrijspraak te volgen.
Voor het geval het hof dit rechtmatigheidsverweer verwerpt en het bewijs dat met de ‘meekijkoperatie’ is vergaard niet buiten beschouwing laat, heeft de raadsman bij wege van materieel verweer naar voren gebracht dat de verdachte niet wist dat hij geld vervoerde en dus ook niet wist dat het om crimineel geld ging zodat niet bewezen kan worden dat hij opzet op witwassen heeft gehad. Ook om die reden dient vrijspraak te volgen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het formele verweer Zelfs indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat zich met betrekking tot de verkrijging van de [communicatiedienst] communicatie een onrechtmatigheid heeft voorgedaan, kan dit niet tot bewijsuitsluiting leiden. In de eerste plaats niet omdat de verdachte niet getroffen is in een rechtens te respecteren belang, nu hij geen deelnemer is geweest aan de communicatie die door de autoriteiten is onderschept. Voor zover dat anders zou zijn, kan het tot bewijsuitsluiting strekkende verweer nog altijd niet slagen, omdat het aannemen van de door de verdediging gestelde onrechtmatighe(i)d(en) immers zou betekenen dat de verdachte is geschonden in een belang dat het in artikel 8 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna telkens: EVRM) gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beoogt te beschermen. Een zodanige inbreuk levert echter niet zonder meer ook een inbreuk op de in artikel 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces op. Aan niet gerechtvaardigde inbreuken op artikel 8 EVRM behoeft in de regel niet het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting te worden verbonden, mits het recht van verdachte op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM wordt gewaarborgd. Dat verdachtes recht op een eerlijk proces in deze is geschonden, is niet aan de orde, dus bewijsuitsluiting evenmin. Een andere niet bij art. 359a Sv voorziene grond die tot bewijsuitsluiting zou moeten leiden, bijvoorbeeld omdat door de wijze van verkrijging ernstig aan de betrouwbaarheid van de inhoud van het bewijs moet worden getwijfeld, is het hof op geen enkele wijze gebleken.
Het beroep van de verdediging op – naar het hof begrijpt als kennelijke bedoeling van de verdediging – rechtsoverweging 2.2.2. van de Hoge Raad in zijn arrest van 1 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1889) gaat tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen, daarom ook niet op.
Het verweer wordt dus verworpen.
Het materiële verweer
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang beschouwd. Daaruit komt het volgende naar voren.
Op 6 maart 2021 heeft een observatie plaatsgevonden nadat de politie informatie had ontvangen uit een ander opsporingsonderzoek waarin cryptocommunicatie via de communicatiedienst [communicatiedienst] door de Franse autoriteiten is onderschept (het onderzoek Argus). Uit onderschepte en gedecodeerde [communicatiedienst] -chats kon worden opgemaakt dat er mogelijk een overdracht van een groot geldbedrag zou gaan plaatsvinden bij de parkeerplaats van [bedrijf 1] te Cadier en Keer, op 6 maart 2021, om 17:10 uur.
Ter plaatse werd gezien dat de bestuurder van een BMW een tas in de kofferbak van een auto plaatste die werd bestuurd door de verdachte. In de auto van de verdachte, een grijze Opel Astra, werd kort daarna door de politie in twee tassen in totaal een bedrag van
€ 434.850,00 in contanten aangetroffen en in beslag genomen. De bestuurder van de BMW werd geïdentificeerd als medeverdachte [medeverdachte] .
Deze overdracht past naadloos in de cryptocommunicatie die is onderschept, waarin gesproken werd over een ‘drop off’ van ‘435k’. Na de overdracht werd via het betrokken [communicatiedienst] -account [accountnaam 1] aan de opdrachtgever een foto van een briefje van € 5,- gestuurd en het bericht: “done”. Voorafgaand aan de overdracht was aan de gebruiker van het account [accountnaam 1] een afbeelding gestuurd van een briefje van € 5,- met hetzelfde serienummer. Gebruiker [accountnaam 1] kondigde in het berichtenverkeer aan met een BMW te zullen komen, terwijl de ander met een grijze Astra zou komen, wat wederom overeenkomt met de observaties van de politie. De gebruiker van account [accountnaam 1] kon zo worden geïdentificeerd als medeverdachte [medeverdachte] en de verdachte kan worden aangemerkt als degene die het briefje van € 5,- aan de gebruiker van het account [accountnaam 1] , [medeverdachte] , heeft gegeven na ontvangst van het geld (de ‘435k’).
Het gebruik van een uniek serienummer van een geldbriefje bij de overdracht van contant geld past bij het geldverkeer in criminele netwerken. Ook het gebruik van de diensten van aanbieders van cryptocommunicatie is gangbaar in die netwerken. Criminele netwerken proberen immers zoveel mogelijk te voorkomen dat hun activiteiten en geldstromen getraceerd kunnen worden en opereren zoveel mogelijk buiten het officiële bank- en geldverkeer om. Zelf moeten de netwerken wel enig zicht houden op hun transacties. Voorafgaand aan een geldoverdracht krijgt daarom de persoon die het geld overdraagt een foto van het serienummer van een bankbiljet. Ieder bankbiljet heeft een uniek serienummer. Alleen aan de persoon die in het bezit is van dit bankbiljet mag het geldbedrag worden overgedragen. Na de daadwerkelijke overdracht krijgt de persoon die het geldbedrag overdraagt het bankbiljet van degene die het geld aanneemt. Dit is het bewijs van afgifte.
De feiten en omstandigheden die aldus vastgesteld kunnen worden uit het dossier in combinatie met de feiten van algemene bekendheid over criminele netwerken brengen mee dat vermoed mag worden dat het aangetroffen geld een criminele herkomst en criminele bestemming had. Dat vermoeden wordt versterkt door de omstandigheid in deze zaak dat zich niemand na de inbeslagname van het geldbedrag gemeld heeft als rechthebbende, wat wel zou mogen worden verwacht bij zo’n groot bedrag als dat een legale herkomst had.
De verdachte heeft met zijn handelen het gerechtvaardigd vermoeden van witwassen op zich geladen. De verdachte noch medeverdachte [medeverdachte] hebben bij de politie een verklaring willen geven voor dit handelen. Bovendien blijkt uit het onderzoek naar de financiën van de verdachte en de medeverdachte dat het grote bedrag aan contanten niet verklaard kan worden uit hun traceerbare legale inkomsten. Bij die stand van zaken mag van een verdachte verwacht worden dat hij alsnog een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geld toch een legale herkomst heeft, opdat het openbaar ministerie daar eventueel nog onderzoek naar kan doen.
Die verklaring is er niet gekomen. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg op 20 juni 2022 slechts verklaard dat hij iets moest vervoeren en dat hij niet wist wat het was. Verder heeft hij zich steeds, ook in hoger beroep, beroepen op zijn zwijgrecht. Er is naar het oordeel van het hof geen andere conclusie mogelijk dan dat het geld onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.
Gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden waaronder het geld werd overgedragen en het gebruik van een token (het bankbiljet met een specifiek serienummer) kan het niet anders dan dat de verdachte wist dat het om crimineel geld ging. Het hof wordt gesterkt in die conclusie nu er aanwijzingen zijn dat het niet de eerste keer is dat de verdachte betrokken is geweest bij een dergelijke overdracht. In de communicatie die op 6 maart 2021 aan de overdracht vooraf is gegaan benoemt gebruiker [accountnaam 1] namelijk, nadat door de contactpersoon is meegedeeld dat de ontvanger van het geld in een grijze Astra zal komen en wat het serienummer van het bankbiljet is, dat [accountnaam 1] denkt dat hij al eens eerder aan die persoon een overdracht heeft gedaan. Na de overdracht communiceert gebruiker [accountnaam 1] ‘Is same guy before’.
Het hof acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld en verwerpt het verweer.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
witwassen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd om aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 10.000,00 op te leggen.
De raadsman heeft bepleit om te volstaan met het opleggen van een werkstraf met daarnaast een forse voorwaardelijke gevangenisstraf, mede gelet op de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de ouderdom van het bewezenverklaarde feit en de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Voorts heeft de raadsman bepleit om geen geldboete aan de verdachte op te leggen, nu dat kan leiden tot financiële krapte aan de zijde van de verdachte wat het plegen van vermogensdelicten in de hand zou werken.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen van een groot geldbedrag, hetgeen gericht is op het veiligstellen van uit misdrijf afkomstige opbrengsten. Het witwassen van crimineel geld vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer ernstig aan. Het in omloop zijn van een dergelijk groot witgewassen geldbedrag heeft een sterk corrumperende werking en faciliteert veelal ander strafbaar handelen. De verdachte heeft zich hiervan kennelijk niets aangetrokken. Integendeel, het moet er voor worden gehouden dat eigen financieel gewin de voornaamste drijfveer van zijn strafbare handelen is geweest.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 oktober 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde eerder onherroepelijk is veroordeeld en dat hem eerder een onherroepelijke strafbeschikking is opgelegd, maar beide keren niet voor een soortgelijk strafbaar feit. Het hof ziet geen aanleiding om die eerdere veroordelingen ten nadele van de verdachte mee te wegen bij de strafoplegging.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof is door en namens de verdachte naar voren gebracht dat de verdachte een klusbedrijf heeft, dat hij vrijwilligerswerk doet als gecertificeerd voetbalcoach, dat hij bij zijn ouders woont en dat hij geen schulden heeft.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Al het vorenstaande afwegende acht het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, alsmede een geldboete van € 10.000, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd, passend en geboden.
Bij de vaststelling van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak als volgt.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
In beginsel heeft als redelijke termijn te gelden dat de rechtbank binnen 2 jaren nadat de termijn een aanvang heeft genomen – in dit geval de datum van de inverzekeringstelling van de verdachte op 6 maart 2021 – vonnis wijst. Nu de rechtbank op 13 maart 2024 vonnis heeft gewezen, is de redelijke termijn bij de behandeling in eerste aanleg geschonden met ruim 1 jaar. Van bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen is het hof niet gebleken.
Zoals hiervoor overwogen zou zonder schending van de redelijke termijn een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, alsmede een geldboete van € 10.000 passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn in eerste aanleg is geschonden, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een geldboete van € 10.000 passend is.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Beslag
Het geldbedrag van € 434.850,00
Het onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van
€ 434.850,00, dient naar het oordeel van het hof te worden verbeurd verklaard, nu het een voorwerp is met betrekking tot welke het tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit is begaan. Het geld behoort niet toe aan de verdachte, maar is gelet op artikel 33a, tweede lid onder b, van het Wetboek van Strafrecht wel vatbaar voor verbeurdverklaring, omdat niet vastgesteld kan worden aan wie het geld wel toebehoort.
De personenauto
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat er geen beslag meer rust op de onder de verdachte inbeslaggenomen personenauto, nu dat beslag is geëindigd door de teruggave van de auto aan de verdachte onder zekerheidsstelling.
Ter terechtzitting in hoger beroep is door en namens de verdachte naar voren gebracht dat de auto inmiddels is verkocht en overgedragen aan de nieuwe eigenaar, zodat de verdachte niet langer over de auto beschikt en uitlevering daarvan niet mogelijk is.
Het hof zal tegen deze achtergrond, anders dan de rechtbank, afzien van verbeurdverklaring van de auto.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 33, 33a, 34, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals die luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 juni 2021, dossierpagina 18 tot en met 29, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
7. Het proces-verbaal van de in de zaak gehouden terechtzitting in eerste aanleg d.d. 20 juni 2022, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 10.000,00 (tienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis;
verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 434800 EUR (Omschrijving: G1398609);
- 50 EUR (Omschrijving: G1398609A).
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. R.G.A. Beaujean, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 15 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
BIJLAGE BEWIJSMIDDELEN
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Hierna wordt, tenzij anders vermeld, steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Limburg , registratienummer PL2300-2021034419, onderzoek LB3R021034-SKOPJE, op ambtseed opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier van politie, gesloten d.d. 27 september 2021, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, genummerde dossierpagina’s 1 t/m 291 (totaal aantal digitale pagina’s: 292).
De hieronder weergegeven chatgesprekken betreffen de chats tussen [communicatiedienst] -ID [accountnaam 2] en [accountnaam 1] , op 6 maart 2021 tussen 14:21:52 uur en 19:57:31 uur:
2. Het proces-verbaal van observatie, dossierpagina 31 tot en met 33, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten L119 , L115 , L191 en L121 :
Wij hebben op zaterdag 6 maart 2021 tussen de tijdstippen 17:00 uur en 17:54 uur geobserveerd en daarbij hebben wij de volgende waarnemingen, bevindingen gedaan en/of handelingen verricht:
17:14 uur, L121 :
Ik zag dat de BMW [kenteken 1] over de [locatie 1] te Cadier en Keer reed. Ik zag dat [medeverdachte] als bestuurder in de BMW [kenteken 1] zat. Ik zag dat de BMW [kenteken 1] over de parkeerplaats van de [bedrijf 1] gelegen aan de [locatie 1] te Cadier en Keer reed.Ik zag dat [medeverdachte] zijn hoofd naar links en rechts draaide wat bij mij de indruk wekte alsof [medeverdachte] iemand aan het zoeken was. Ik zag dat de BMW [kenteken 1] vervolgens de parkeerplaats van de [bedrijf 1] afreed.
Tussen de tijdstippen 17:15 uur en 17:19 uur, L121 , L119 , L191 en L115 :
Wij verbalisanten zagen dat de BMW [kenteken 1] met [medeverdachte] als bestuurder in de wijk rondom de [bedrijf 1] rond bleef rijden.
17:20 uur, L119 :
Ik zag dat de BMW [kenteken 1] parkeerde op de [locatie 2] te Cadier en Keer voor de kruising [locatie 2] / [locatie 1] te Cadier en Keer. Ik zag dat [medeverdachte] uitstapte en vervolgens de parkeerplaats van de [bedrijf 1] opliep.
17:22 uur, L121 :
Ik zag dat de OPEL [kenteken 2] geparkeerd stond op de parkeerplaats van de [bedrijf 1] . Ik zag dat [medeverdachte] naar de OPEL [kenteken 2] liep en als passagier instapte. Ik zag dat de OPEL [kenteken 2] wegreed in de richting van de [locatie 3] te Cadier en Keer.
17:23 uur, L191 :
Ik zag dat de OPEL [kenteken 2] met [verdachte] als bestuurder en [medeverdachte] als passagier over de [locatie 3] te Cadier en Keer reed.
17:24 uur, L119 :
Ik zag dat de OPEL [kenteken 2] naast de BMW [kenteken 1] stopte. Ik zag dat [verdachte] als bestuurder in de OPEL [kenteken 2] zat. Ik zag dat [medeverdachte] uitstapte en naar de achterzijde van de OPEL [kenteken 2] liep. Ik zag dat [medeverdachte] de achterklep van de OPEL [kenteken 2] opende waardoor de kofferbak toegankelijk werd. Ik zag dat [verdachte] als bestuurder in de OPEL [kenteken 2] bleef zitten. Ik zag dat [medeverdachte] naar de BMW [kenteken 1] liep, ik kon door de geopende achterklep van de OPEL [kenteken 2] niet meer[medeverdachte] zien. Ik zag dat [medeverdachte] weer uit de richting van de BMW [kenteken 1] kwam gelopen.
17:25 uur, L119 :
Ik zag dat [medeverdachte] een zwarte tas van ongeveer 40x40x10 cm in zijn rechterhand had. Ik zag dat [medeverdachte] deze tas in de kofferbak van de OPEL [kenteken 2] legde en vervolgens de klep van de kofferbak dicht maakte. Ik zag dat [medeverdachte] naar de BMW [kenteken 1] liep en als bestuurder instapte.
17:29 uur, L119 :
Ik zag dat de BMW [kenteken 1] en OPEL [kenteken 2] in deze volgorde wegreden in de richting van de [locatie 1] te Cadier en Keer.
17:53 uur:
Op de A2 ter hoogte van het [locatie 4] werd door een opvallende politieauto van de regiopolitie Limburg een stopteken gegeven middels een stoptransparant aan de bestuurder van de OPEL [kenteken 2] .
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 maart 2021, dossierpagina 36 en 37, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :
Op zaterdag 6 maart 2021, omstreeks 17.50 uur, zagen wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 3] , het voertuig voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 2] rijden.
Wij zagen dat het dienstvoertuig van collega's [verbalisant 5] en [verbalisant 6] het volgteken weergaf.
Op zaterdag 6 maart 2021, omstreeks 17.52 uur, stopte het voertuig op de afrit [locatie 4] ter hoogte van hectometerpaal 220,1. Wij zagen dat er een persoon, namelijk de bestuurder, in het voertuig zat. Deze bleek later [verdachte] (het hof begrijpt hier en hierna telkens: verdachte [verdachte] ) te zijn. Collega's [verbalisant 5] en [verbalisant 6] hielden [verdachte] aan ter zake witwassen.
Uit informatie bleek dat er in de achterbak van het voertuig voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 2] een grote hoeveelheid geld zou liggen.
Ik, verbalisant [verbalisant 3] , opende de achterbak van het voertuig en zag twee tassen liggen. Ik zag dat een tas zwartkleurig was en een tas beigekleurig was. Ik keek, zonder de tas te openen, in de opening van de zwartkleurige tas. Ik zag dat er in de zwartkleurige tas een lichtdoorschijnende zak zat. Ik zag doordat deze zak lichtdoorschijnend was, er biljetten van zowel 50,00 euro als 20,00 euro inzaten.
Vervolgens opende ik de beigekleurige tas. Ik zag dat er zes pakketjes briefgeld in de beigekleurige tas zaten. Ik zag dat dit briefgeld bestond uit 100,00 euro, 50,00 euro, 20,00 euro en 10,00 euro biljetten.
Ik opende de lichtdoorschijnende zak en zag dat er ongeveer 15 stapeltjes briefgeld in de tas zaten. Tevens zag ik dat er twee gesealde pakken met daarin briefgeld in de tas zaten. Ik zag dat er in de gesealde pakken voornamelijk 100,00 euro biljetten zaten.
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 maart 2021, dossierpagina 50 tot en met 54, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 7] :
Het totaalbedrag van het door ons verbalisanten inbeslaggenomen en afgestorte geldbedrag
betreft: 434.850,00 euro.
5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 juli 2021, dossierpagina 131 en 132, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Teneinde de eventuele herkomst van (een deel van) de aangetroffen € 434.850,- uit de bekende legale inkomsten en het vermogen van de verdachte [medeverdachte] te kunnen onderzoeken, is door de officier van justitie bij de infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen (hierna: iCOV) een rapportage van de aldaar bekende gegevens (Rapportage Vermogen en Inkomen, hierna: RVI) opgevraagd.
Uit de op 8 maart 2021 door iCOV verstrekte gegevens blijkt, kort en zakelijk samengevat, het volgende:■ (2.2) verdachte [medeverdachte] is per 01-01-2017 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel(hierna: KVK) als bestuurder/algemeen directeur van de firma [bedrijf 2] .;■ (2.2) verdachte [medeverdachte] is per 17-10-2016 ingeschreven bij de KVK alsbestuurder/secretaris van de [vereniging] (hierna: [vereniging] );■ (3.1) de belastingconsulent over de jaren 2016 tot en met 2019 betreft [bedrijf 3][bedrijf 3] ;■ (3.2) het inkomen van verdachte [medeverdachte] , inclusief fiscaal partner, bedroeg over de jaren2016 tot en met 2019:2016 € 11.400,-2017 € 36.129,-2018 € 57.172,-2019 € 34.564,-■ (3.4) de bezittingen en schulden van verdachte [medeverdachte] bedroegen over de jaren 2016 tot en met 2019:2016 € 32.113,-2017 € 44.801,-2018 € 85.233,-2019 €133.779,-■ (8.1) verdachte [medeverdachte] ontving op 23-12-2015 van [betrokkene] , zijnde zijn moeder, een schenking van € 25.322 netto;■ (9.1.1) de banksaldi van verdachte [medeverdachte] bedroegen € 14.975,- per ultimo 2016,€ 50.087,- per ultimo 2017, € 93.270,- per ultimo 2018, € 74.113,- per ultimo 2019 en€ 62.764,- per ultimo 2020;■ (10) over het jaar 2016 werd geen loonaangifte door derden bij de Belastingdienst ingediend;■ (10) over de jaren 2017 tot en met 2020 werd een loonaangifte bij de Belastingdienst ingediend afkomstig van werkgever [bedrijf 2] , met de volgende bruto- en nettolonen:2017 € 21.847,- bruto en € 15.329,- netto2018 € 48.849,- bruto en € 33.372,- netto2019 € 49.841,- bruto en € 34.564,- netto2020 € 1.997,- bruto en € 1.017,- netto [=t/m november]■ (11.4.1) over het jaar 2016 ontving verdachte [medeverdachte] € 998,- aan zorgtoeslag, over dejaren 2017 tot en met 2019 was dit € 0,-■ (12.1) op 24-12-2020 werd op naam van verdachte [medeverdachte] een Nissan Qashqai+2, voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 3] en met bouwjaar 2010, geregistreerd.Op 11-09-2019 werd op naam van verdachte [medeverdachte] een BMW 120D Xdrive, voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 1] en met bouwjaar 2017, geregistreerd.■ (13.1) verdachte [medeverdachte] heeft volgens het Kadaster 100% eigendom van het object [nummer] , gelegen op [adres 3] .Dit object staat sinds 20-07-2020 op naam van verdachte [medeverdachte] , waarbij de koopsom
€ 19.900,- bedroeg.
Over het jaar 2020 zijn geen inkomsten of vermogen van verdachte [medeverdachte] bekend.
6. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 juli 2021, dossierpagina 143 en 144, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Ten einde de eventuele herkomst van (een deel van) de aangetroffen € 434.850,- uit de bekende legale inkomsten en het vermogen van de verdachte [verdachte] te kunnen onderzoeken, is door de officier van justitie bij de infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen (hierna: iCOV) een rapportage van de aldaar bekende gegevens (Rapportage Vermogen en Inkomen, hierna: iRVI) opgevraagd.
Uit de op 8 maart 2021 door iCOV verstrekte gegevens blijkt, kort en zakelijk samengevat, het volgende:
■ (3.2) het inkomen van verdachte [verdachte] , inclusief fiscaal partner, bedroeg over de jaren 2016 tot en met 2019:
2016 € 12.884,
2017 € 22.808,
2018 € 22.318,
2019 € 27.491,
■ (9.1.1) de banksaldi van verdachte [verdachte] bedroegen € 5.005,- per ultimo 2016, € 3.505,- per ultimo 2017, € 92,- per ultimo 2018, € 200,- per ultimo 2019 en € 7.965,- per ultimo 2020;
■ (10) over de jaren 2016 tot en met 2020 werden voor verdachte [verdachte] loonaangiftes bij de Belastingdienst ingediend, met de volgende bruto- en nettolonen:
2016 € 16.071,- bruto en € 12.884,- netto
2017 € 29.450,- bruto en € 22.807,- netto
2018 € 29.798,- bruto en € 22.318,- netto
2019 € 37.599,- bruto en € 27.754,- netto
2020 € 2.416,- bruto en € 2.012,- netto
■ (11.4.1) over het jaar 2016 ontving verdachte [verdachte] € 915,- aan zorgtoeslag, over de jaren 2017 tot en met 2018 was dit € 0,-.
■ (12.1) op 03-02-2021 werd op naam van verdachte [verdachte] een Opel Astra Sports Tourer+, voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 2] en met bouwjaar 2017, geregistreerd.
Over het jaar 2020 zijn geen inkomsten of vermogen van verdachte [verdachte] bekend.
Ik moest die dag iets vervoeren. Ik reed in een grijze Opel Astra.