Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 5 november 2019 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 03-864004-13 tegen:
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 49.778,43 en heeft aan betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor dat bedrag.
Van de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen behoudens de opgelegde betalingsverplichting en aan betrokkene een betalingsverplichting zal opleggen van € 44.800,59.
De verdediging heeft verweer gevoerd tegen de hoogte van het vastgestelde voordeel.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.
Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.
Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeling
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank van 26 juli 2017 in de zaak met parketnummer 03/864004-13 onder meer veroordeeld ter zake dat:
A.
hij op 16 mei 2013 te Geleen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd een hoeveelheid van ongeveer 5 kilogram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,
en
B.
hij op 17 mei 2013 te Geleen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een
ander opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd 6 kilogram hennep, zijnde hennep een middel
als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 11,
Dit hof heeft bij arrest van 9 februari 2023 (parketnummer 20-002560-17) deze veroordeling in stand gelaten.
Wettelijke grondslag
Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de betrokkene door middel van:
A.
het begaan van voormelde feiten; en
B.
andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door betrokkene zijn begaan;
een voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten. Naar het oordeel van het hof staat buiten redelijke twijfel vast dat betrokkene als intermediair in de hennephandel actief is geweest en daaruit voordeel heeft genoten.
Het hof overweegt in dit verband dat in de onderliggende strafzaak is vastgesteld dat de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] aan betrokkene toebehoren en door hem zijn gebruikt. Verder is vastgesteld dat in de onderschepte sms-berichten van en naar genoemde telefoonnummers op een verhullende wijze wordt gesproken over de handel in hennep. Daarmee staat buiten redelijke twijfel vast dat de sms-berichten van en naar deze telefoonnummers door betrokkene zijn ontvangen danwel zijn verzonden en dat voor zover daarin versluierd taalgebruik wordt gebruikt deze sms-berichten zien op de handel in hennep. Het hof gaat daarmee voorbij aan het standpunt van de verdediging dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] ook door medebetrokkene [medebetrokkene] zou zijn gebruikt, nu het hof in het onderliggende strafarrest nogmaals expliciet heeft overwogen dat ook dit telefoonnummer bij betrokkene en niet bij [medebetrokkene] in gebruik was.
Vastgestelde transacties:
In de ontnemingsrapportage zijn aan de hand van de SMS-berichten met versluierd taalgebruik van en naar voormelde telefoonnummers de navolgende transacties vastgesteld:
Zaakdossier 25 Hennephandel [betrokkene] PV 30-442719
| Bladzijde PV | Leverdatum | Verkochte kilo's hennep |
| 9 | 06/11/2012 | 6 |
| 9/10 | 09/11/2012 | 18 |
| 10 | 14/11/2012 | 2 |
| 10/11 | 14/11/2012 | 7 |
| 11 | 20/11/2012 | 15 |
| 11/12 | 21/11/2012 | 7 |
| 12 | 28/11/2012 | 4 |
| 12 | 04/12/2012 | 7 |
| 12/13 | 07/12/2012 | 5 |
| 13 | 14/12/2012 | 6 |
| 13 | 18/12/2012 | 2 |
| 13 | 19/12/2012 | 1 |
| 13 | 02/01/2013 | 2 |
| 13 | 04/01/2013 | 5 |
| 14 | 07/01/2013 | 2 |
| 14 | 07/03/2013 | 5 |
| 14 | 11/03/2013 | 10 |
| 14/15 | 17/05/2013 | 11 |
| 15 | 06/06/2013 | 5 |
| 15 | 10/06/2013 | 5 |
| 15/16/17 | 16/06/2013 | 15 |
| 140 kilo hennep totaal |
Niet alle transacties hebben tot voordeel gestrekt
Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof met de verdediging van oordeel dat voor zover in de sms-gesprekken sprake is van transacties dit niet in alle gevallen tot een daadwerkelijke henneplevering zal hebben geleid. Het hof acht het aannemelijk dat van voormelde hoeveelheid tweederde tot een daadwerkelijke levering van hennep heeft geleid. In totaal derhalve (2/3 x 140 kg=) 90 kg.
Opbrengst
Overeenkomstig het ontnemingsrapport acht het hof het aannemelijk dat betrokkene – als intermediair in de hennephandel – gemiddeld € 150,- per kg verkochte hennep heeft verdiend. Dit heeft een voordeel opgeleverd van (90 kg x € 150,-=) € 13.500,-
Brandstofkosten
Overeenkomstig het ontnemingsrapport brengt het hof aan brandstofkosten in mindering een bedrag van € 40,66.
Samenvattend betekent dit dat betrokkene aan voordeel heeft genoten van (€ 13.500,- -/- € 40,66=) € 13.459,- (afgerond).
Extrapolatie
De rechtbank en de advocaat-generaal hebben zich geschaard achter de extrapolatie over een langere periode op de wijze als neergelegd in het ontnemingsrapport. De verdediging heeft deze extrapolatie gemotiveerd betwist.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat het hof bij de berekening van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene in een periode van langere duur gebruikmaakt van vaststellingen over de omvang van het wederrechtelijk voordeel dat de betrokkene gedurende een kortere periode – de zogenoemde referentieperiode – heeft verkregen. Als de betrokkene voldoende gemotiveerd de resultaten van de vaststellingen over de referentieperiode en/of de extrapolatie van die resultaten naar de gehele periode betwist, zal de rechter moeten motiveren waarom hij ondanks wat is aangevoerd de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de gehele periode heeft kunnen ontlenen aan de inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen.
Het hof stelt in het licht van het vorenstaande het volgende vast.
In het ontnemingsrapport zijn de resultaten over de getapte periode van 5 november 2012 tot en met 16 juni 2013 (224 dagen) geëxtrapoleerd naar de gehele onderzoeksperiode van 1 januari 2012 tot en met 16 juni 2013 (532 dagen). Deze extrapolatie is gebaseerd op CIE-informatie dat betrokkene vanaf september 2012 in grote hoeveelheden hennep heeft gehandeld en een Opiumwet antecedent uit 2006. Verder wordt gewezen op een staande houding van betrokkene in 2010 in verband met een twist over vermoedelijk verdovende middelen en dat betrokkene in 2014 in verband is gebracht met de handel in verdovende middelen.
Het hof is met de verdediging van oordeel dat deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien niet het oordeel kunnen dragen dat de resultaten uit de referentieperiode (5 november 2012 tot en met 16 juni 2013) representatief zijn voor de gehele onderzoeksperiode (1 januari 2012 tot en met 16 juni 2013) en daarover kunnen worden geëxtrapoleerd.
Hieruit volgt dat het hof het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel stelt op een bedrag van € 13.459,-
Op te leggen betalingsverplichting
Het hof zal aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden (EVRM) het recht van iedere betrokkene is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de jegens hem aanhangig gemaakte ontnemingsvordering wordt beslist. Deze redelijke termijn bedraagt in beginsel 24 maanden. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan
ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt.
Het hof stelt de aanvang van de redelijke termijn in eerste aanleg op de datum van het eerste verhoor van betrokkene op 18 mei 2013. De behandeling van de onderhavige ontnemingszaak in eerste aanleg is geëindigd op 5 november 2019 met het wijzen van het vonnis waarvan beroep. Daarmee is de redelijke termijn in eerste aanleg overschreden met ongeveer 4 jaar en ruim vijf maanden.
De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 19 november 2019, met het instellen van hoger beroep tegen de uitspraak. De behandeling van de onderhavige ontnemingszaak in hoger beroep eindigt heden, 5 maart 2026, met het wijzen van het onderhavige arrest.
Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden met ongeveer 4 jaren en ruim drie maanden.
In verband met de overschrijding van de redelijk termijn in eerste aanleg overweegt het hof dat de rechtbank heeft volstaan met de constatering van die overschrijding omdat er in de strafzaak bij de straftoemeting voldoende rekening was gehouden met de overschrijding.
Het hof heeft geen reden daaromtrent anders te oordelen en voegt daaraan toe dat in eerste aanleg in overleg met de verdediging met de behandeling van de ontnemingszaak is gewacht tot dat in de strafzaak uitspraak was gedaan.
Met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn in het hoger beroep overweegt het hof het volgende. De ontnemingszaak is kort nadat dit hof arrest had gewezen in de onderhavige strafzaak (9 februari 2023) aangevangen met een regiezitting op 14 september 2023. Verder zijn er in de fase van het hoger beroep nog getuigen gehoord en heeft er een conclusiewisseling plaatsgevonden. Hoewel niet gelijktijdig behandeld, is er in de strafzaak in hoger beroep met de overschrijding van de redelijke termijn in sterk strafmatigende zin rekening gehouden.
Alles overziend ziet het hof in de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding de betalingsverplichting met 10% te matigen en aan betrokkene een betalingsverplichting op te leggen van (€ 13.459,- -/- € 10%=) € 12.113,- (afgerond).
Gijzeling
Met ingang van 1 januari 2020 heeft het nieuwe elfde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kracht van wet gekregen. Het hof zal daarom bij het opleggen van de ontnemingsmaatregel tevens de duur van de gijzeling bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering in de onderhavige zaak ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt.
Het hof hanteert, overeenkomstig de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde uitgangspunten, bij de berekening van de duur van deze gijzeling voor elke volle € 50,00 van de betalingsverplichting één dag. De maximale duur van de gijzeling bedraagt ingevolge artikel 36e, elfde lid, van het Wetboek van Strafrecht 1080 dagen.
Gelet op de hoogte van de op te leggen betalingsverplichting zal het hof mitsdien de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd hierna bepalen op 242 dagen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens geldt.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 13.459,00 (dertienduizend vierhonderdnegenenvijftig euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 12.113,00 (twaalfduizend honderddertien euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 242 dagen.
Aldus gewezen door:
mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,
mr. M.C.C. van de Schepop en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,
en op 5 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.