Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 5 november 2019 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 03-864002-12 tegen:
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 1.844.240,29 en heeft aan betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor dat bedrag.
Van de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen, het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op
€ 1.530.645,32 en aan betrokkene een betalingsverplichting zal opleggen van
€ 1.377.580,79.
De verdediging heeft verweer gevoerd betreffende de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de ontnemingsvordering en de hoogte van het vastgestelde voordeel
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de ontnemingsvordering
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de ontnemingsvordering omdat deze niet binnen de in artikel 511b, lid 1 Sv genoemde termijn van twee jaren aanhangig is gemaakt. Het hof verwerpt dit verweer omdat het feitelijke grondslag mist. De rechtbank heeft immers op 26 juli 2017 in de onderliggende strafzaak uitspraak gedaan en de ontnemingsvordering is reeds daaraan voorafgaand aangebracht door betekening ervan op 2 juli 2015 aan betrokkene in persoon ten behoeve van de zitting op 3 september 2015.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.
Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.
Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeling
De betrokkene is bij arrest van dit hof van 9 februari 2023 in de zaak met parketnummer 20-002559-17 onder meer veroordeeld ter zake dat:
1.
A.
hij op 16 mei 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft
verkocht en afgeleverd en vervoerd een hoeveelheid van ongeveer 5 kilogram hennep,
zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II
en
hij op 17 mei 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft
vervoerd een hoeveelheid van 6 kilogram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in
de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.
hij in de periode van 22 februari 2013 tot en met 23 februari 2013 in Nederland, tezamen en
in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd een
hoeveelheid van ongeveer 10 kilogram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de
bij de Opiumwet behorende lijst II;
3.
hij op 10 december 2012 te Sittard opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd een hoeveelheid
van ongeveer 2,5 kilogram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst II;
4.
hij op 18 juni 2013 te Sittard en/of Geleen opzettelijk heeft vervoerd een hoeveelheid van
ongeveer 920 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet
behorende lijst II;
5.
hij op 13 juni 2013 in Nederland opzettelijk heeft vervoerd en afgeleverd een hoeveelheid
van ongeveer 2,5 kilogram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst II;
De wettelijke grondslag
Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de betrokkene door middel van:
A.
het begaan van voormelde feiten; en
B.
andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door betrokkene zijn begaan;
een voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten. Naar het oordeel van het hof staat buiten redelijke twijfel vast dat betrokkene als intermediair in de hennephandel actief is geweest en daaruit voordeel heeft genoten.
Het hof overweegt in dit verband dat in de onderliggende strafzaak is vastgesteld dat de telefoonnummers:
TT020-> [telefoonnummer 1]
TT041-> [telefoonnummer 2]
TT064-> [telefoonnummer 3]
TT067-> [telefoonnummer 4]
aan betrokkene toebehoren en door hem zijn gebruikt. Verder is vastgesteld dat in de onderschepte sms-berichten van en naar genoemde telefoonnummers op een verhullende wijze wordt gesproken over de handel in hennep. Daarmee staat buiten redelijke twijfel vast dat de sms-berichten van en naar deze telefoonnummers door betrokkene zijn ontvangen danwel zijn verzonden en dat voor zover daarin versluierd taalgebruik wordt gebruikt deze sms-berichten zien op de handel in hennep.
Voordeel uit hennepteelt
Anders dan in het ontnemingsrapport (pagina 15) is het hof met de verdediging van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat betrokkene ook voordeel uit hennepteelt heeft gehad. De omstandigheid dat door betrokkene in natte hennep wordt gehandeld, dat er knippers geregeld moesten worden, dat er een elektriciteitsrekening betaald moest worden en dat er gesproken werd over een mislukte oogst (ontnemingsrapport, pagina 15) zijn daartoe niet voldoende.
Het hof zal dit voordeel uit hennepteelt dan ook niet als ander strafbaar feit als bedoeld in artikel 36e, lid 2, Sr in de voordeelsberekening betrekken.
Vastgestelde transacties
In de ontnemingsrapportage zijn aan de hand van de SMS-berichten met versluierd taalgebruik van en naar voormelde telefoonnummers de navolgende transacties vastgesteld
Zaak 19 hennephandel [betrokkene] PV-nummer 30-553882
| § | Blz. | Inkoop stekken (st) | Verkoop stekken (st) | Inkoop hennep droog (kg) | Verkoop hennep nat (kg) | Verkoop hennep droog (kg) |
| 7.1 | 10 | 1500 | 7150 | 6 | 0 | 86 |
| 7.2 | 11 | 8980 | 4084 | 54 | 130 | 133,5 |
| 7.3 | 11-12 | 3195 | 3235 | 74 | 0 | 59 |
| 7.4 | 12 | 2035 | 1010 | 31 | 0 | 78 |
| 7.5 | 12-13 | 0 | 1300 | 374 | 0 | 631,5 |
| 7.6 | 13 | 2120 | 700 | 145 | 120 | 562,5 |
| 7.7 | 13-14 | 0 | 2835 | 265 | 0 | 276 |
| 7.8 | 14 | 4320 | 220 | 758 | 0 | 826 |
| 7.9 | 14-15 | 0 | 0 | 266 | 0 | 348 |
| 7.10 | 15 | 0 | 1400 | 452 | 0 | 298 |
| 7.11 | 15-16 | 0 | 0 | 225 | 0 | 434,5 |
| 7.12 | 16 | 0 | 250 | 51,5 | 0 | 493 |
| 7.13 | 16-17 | 0 | 0 | 92 | 0 | 173 |
| 7.14 | 17 | 0 | 0 | 6 | 0 | 6 |
| 7.15 | 17 | 0 | 0 | 10 | 0 | 82 |
| 7.16 | 17-18 | 0 | 140 | 79 | 0 | 219 |
| 22.1 50 | 22.324 | 2.888,5 | 250 | 4.709 |
Niet alle transacties hebben tot voordeel gestrekt
Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof met de verdediging van oordeel dat voor zover in de sms-gesprekken sprake is van transacties dit niet in alle gevallen tot een daadwerkelijke henneplevering zal hebben geleid. Het hof acht het aannemelijk dat van voormelde aantallen tweederde tot een daadwerkelijke levering van hennep heeft geleid.
Dit betekent dat het hof de navolgende hoeveelheden in aanmerking neemt.
Verkoop hennepstekken
In totaal zijn er (22.324 x 2/3=) 14.882 stekken verkocht.
Overeenkomstig het ontnemingsrapport acht het hof het aannemelijk dat betrokkene – als intermediair in de hennephandel – gemiddeld € 0,375 per hennepstek verdiende, in totaal derhalve (14.882 x € 0,375=) € 5.580,75.
Verkoop droge hennep
In zijn totaal is er (4.709 x 2/3=) 3.139 kg droge hennep verkocht.
Overeenkomstig het ontnemingsrapport acht het hof het aannemelijk dat betrokkene – als intermediair in de hennephandel – gemiddeld € 150,- per kilo gedroogde hennep verdiende, in totaal derhalve (3.139 x € 150,=) € 470.850.
Verkochte natte hennep
In totaal is er (250 x 2/3=) 166 kilo natte hennep verkocht
Overeenkomstig het ontnemingsrapport acht het hof het aannemelijk dat betrokkene – als intermediair in de hennephandel – gemiddeld € 25,- per kilo natte hennep verdiende, in totaal derhalve (166 x € 25,-=) € 4.150,-
Aan inkomsten heeft betrokkene genoten (€ 5.580,75 + € 470.850 +€ 4.150,- =)
€ 480.580,75.
Brandstofkosten
Overeenkomstig het ontnemingsrapport brengt het hof aan brandstofkosten in mindering een bedrag van € 3.132,65.
Telefoonkosten
Overeenkomstig het ontnemingsrapport brengt het hof aan telefoonkosten in mindering een bedrag van € 1.244,60.
Samenvattend betekent dit dat betrokkene een voordeel heeft genoten van (€ 480.580,75 -/- € 3.132,65 -/- € 1.244,60=) € 476.203,- (afgerond).
Extrapolatie
De rechtbank en de advocaat-generaal hebben zich geschaard achter de extrapolatie over een langere periode op de wijze als neergelegd in het ontnemingsrapport. De verdediging heeft deze extrapolatie gemotiveerd betwist.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat het hof bij de berekening van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene in een periode van langere duur gebruikmaakt van vaststellingen over de omvang van het wederrechtelijk voordeel dat de betrokkene gedurende een kortere periode – de zogenoemde referentieperiode – heeft verkregen. Als de betrokkene voldoende gemotiveerd de resultaten van de vaststellingen over de referentieperiode en/of de extrapolatie van die resultaten naar de gehele periode betwist, zal de rechter moeten motiveren waarom hij ondanks wat is aangevoerd de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de gehele periode heeft kunnen ontlenen aan de inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen.
Het hof stelt in het licht van het vorenstaande het volgende vast.
In het ontnemingsrapport zijn de resultaten over de getapte periode van 11 oktober 2012 tot en met 18 juni 2013 (250 dagen) geëxtrapoleerd naar de gehele onderzoeksperiode van 1 januari 2012 tot en met 18 juni 2013 (534 dagen). Deze extrapolatie is gebaseerd op CIE-informatie dat betrokkene vanaf 2011 in grote hoeveelheden hennep heeft gehandeld en hennep heeft geëxporteerd en over grote hoeveelheden geld heeft beschikt om deze hennep te kopen.
Het hof is met de verdediging van oordeel dat deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien niet het oordeel kunnen dragen dat de resultaten uit de referentieperiode (11 oktober 2012 tot en met 16 juni 2013) representatief zijn voor de gehele onderzoeksperiode (1 januari 2012 tot en met 16 juni 2013) en daarover kunnen worden geëxtrapoleerd.
Hieruit volgt dat het hof het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel stelt op een bedrag van € 476.203,- (afgerond).
Op te leggen betalingsverplichting
Het hof zal aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden (EVRM) het recht van iedere betrokkene is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de jegens hem aanhangig gemaakte ontnemingsvordering wordt beslist. Deze redelijke termijn bedraagt in beginsel 24 maanden. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan
ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt.
Het hof stelt de aanvang van de redelijke termijn in eerste aanleg op de datum van het eerste verhoor van betrokkene op 18 juni 2013. De behandeling van de onderhavige ontnemingszaak in eerste aanleg is geëindigd op 5 november 2019 met het wijzen van het vonnis waarvan beroep. Daarmee is de redelijke termijn in eerste aanleg overschreden met ongeveer 4 jaar en ruim 4 maanden.
De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 19 november 2019, met het instellen van hoger beroep tegen de uitspraak. De behandeling van de onderhavige ontnemingszaak in hoger beroep eindigt heden, 5 maart 2026, met het wijzen van het onderhavige arrest.
Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden met ongeveer 4 jaren en ruim drie maanden.
In verband met de overschrijding van de redelijk termijn in eerste aanleg overweegt het hof dat de rechtbank heeft volstaan met de constatering van die overschrijding omdat er in de strafzaak bij de straftoemeting voldoende rekening was gehouden met de overschrijding.
Het hof heeft geen reden daaromtrent anders te oordelen en voegt daaraan toe dat in eerste aanleg in overleg met de verdediging met de behandeling van de ontnemingszaak is gewacht tot dat in de strafzaak uitspraak was gedaan.
Met betrekking tot overschrijding van de redelijke termijn in de hoger beroepsfase overweegt het hof het volgende. De ontnemingszaak is kort nadat dit hof arrest had gewezen in de onderhavige strafzaak (9 februari 2023) aangevangen met een regiezitting op 14 september 2023. Verder zijn er in de fase van het hoger beroep nog getuigen gehoord en heeft er een conclusiewisseling plaatsgevonden. Hoewel niet gelijktijdig behandeld, is in de strafzaak in hoger beroep met de overschrijding van de redelijke termijn in sterk strafmatigende zin rekening gehouden.
Alles overziend ziet het hof in de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding de betalingsverplichting met 10% te matigen en aan betrokkene een betalingsverplichting op te leggen van (€ 476.203,- -/- € 10%=) € 428.582,- (afgerond).
Gijzeling
Met ingang van 1 januari 2020 heeft het nieuwe elfde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kracht van wet gekregen. Het hof zal daarom bij het opleggen van de ontnemingsmaatregel tevens de duur van de gijzeling bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering in de onderhavige zaak ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt.
Het hof hanteert, overeenkomstig de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde uitgangspunten, bij de berekening van de duur van deze gijzeling voor elke volle € 50,00 van de betalingsverplichting één dag. De maximale duur van de gijzeling bedraagt ingevolge artikel 36e, elfde lid, van het Wetboek van Strafrecht 1080 dagen.
Gelet op de hoogte van de op te leggen betalingsverplichting zal het hof mitsdien de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd hierna bepalen op 1080 dagen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens geldt.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 476.203,00 (vierhonderdzesenzeventigduizend tweehonderddrie euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 428.582,00 (vierhonderdachtentwintigduizend vijfhonderdtweeëntachtig euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Aldus gewezen door:
mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,
mr. M.C.C. van de Schepop en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,
en op 5 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.