ECLI:NL:GHSHE:2026:626

ECLI:NL:GHSHE:2026:626

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 05-03-2026
Datum publicatie 05-03-2026
Zaaknummer 000257-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Hoger beroep op beschikking op verzoek ex artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering. De standaardvergoedingen, zoals vastgesteld in de LOVS-oriëntatiepunten, zijn vermenigvuldigd met factor 2. Van toekenning van de verzochte vergoedingen, € 25.000,- voor verblijf in een politiecel c.q. beperkingen en € 20.000,- voor verblijf in een huis van bewaring, kan naar oordeel van het hof geen sprake zijn. De verzochte materiële schadevergoeding is deels toegewezen. Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in het aanvullende verzoek, dat voor het eerst ter zitting in raadkamer bij het hof is gedaan.

Uitspraak

Raadkamer

Bijzondere zaak, nummer: 000257-25

Raadkamernummer eerste aanleg: 24-010559

Beschikking in hoger beroep op verzoek schadevergoeding ex artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering

Beschikking op het hoger beroep, ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank

Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 10 december 2024, gegeven op het verzoek van:

[appellant] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

te dezer zake woonplaats kiezende ten kantore van

mr. K.B.H. Welvaart , Wilhelminasingel 92, 6221 BL Maastricht .

Het verzoek strekt tot toekenning van een vergoeding ten laste van de Staat voor de schade die verzoeker stelt te hebben geleden ten gevolge van de ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, alsmede een vergoeding voor materiële schade.

Het hoger beroep

De verzoeker – thans appellant – heeft tegen voornoemde beschikking tijdig hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Het hoger beroep is op 8 december 2025 en 5 februari 2026 door de raadkamer van dit hof in het openbaar behandeld.

Appellant is, tezamen met zijn raadsman, ter zitting in raadkamer verschenen.

Het hof heeft kennisgenomen van de schriftelijke conclusie van de advocaat-generaal en van hetgeen ter zitting in raadkamer naar voren is gebracht door appellant, zijn raadsman en de advocaat-generaal.

De schriftelijke conclusie van de advocaat-generaal strekt primair tot afwijzing van het verzoek en subsidiair tot toewijzing van de vergoeding voor de ondergane voorlopige hechtenis te vermenigvuldigen met factor 2. Daarnaast heeft de advocaat-generaal met betrekking tot de materiële schadevergoeding geconcludeerd dat deze gedeeltelijk kan worden toegewezen. Ter zitting in raadkamer heeft de advocaat-generaal voornoemd standpunt gehandhaafd.

De beoordeling

Appellant heeft een immateriële schadevergoeding verzocht voor de schade die hij stelt te hebben geleden ten gevolge van de ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis. Appellant verzoekt om af te wijken van de standaard forfaitaire bedragen zoals die zijn vastgesteld in de LOVS-oriëntatiepunten. Appellant verzoekt een vergoeding van

€ 25.000,- toe te kennen voor elke dag die hij in een politiecel c.q. beperkingen heeft doorgebracht en een vergoeding van € 20.000,- voor iedere dag die hij in het huis van bewaring heeft doorgebracht. Daartoe is namens appellant aangevoerd dat de detentie meer dan naar evenredigheid van haar duur ontwrichtend is geweest voor appellant en nog lang zeer ernstige gevolgen heeft gehad. Tot slot verzoekt appellant om een vergoeding toe te kennen voor materiële schade die is ontstaan door het inschakelen van een zaakwaarnemer. Appellant heeft de materiële schade in het verzoekschrift begroot op een bedrag van

€ 21.928,98. Ter zitting in raadkamer is het verzoek ten aanzien van de materiële schade verhoogd tot een bedrag € 265.675,19. Subsidiair is de verzochte vergoeding ter hoogte van € 21.928,98 voor de geleden materiële schade gehandhaafd.

Bij beschikking, waarvan beroep, heeft de rechtbank het verzoek gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 9.109,75. De rechtbank heeft voor de ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis een schadevergoeding toegekend tegen de standaard forfaitaire bedragen, vermenigvuldigd met factor 2 in verband met de bijzondere bezwarende omstandigheden van deze zaak. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de detentie van een huisarts die wordt verdacht zijn schoonmoeder van het leven te hebben beroofd, welke detentie aandacht heeft gekregen in de media, de nodige impact op appellant heeft gehad. Daar staat tegenover dat appellant er door zijn handelen zelf de hand in heeft gehad dat er jegens hem een verdenking voor een ernstig feit ontstond. De rechtbank heeft overwogen sterk de indruk te hebben gekregen dat de mogelijke toedracht van de gestelde PTSS gelegen is in de vervolging en niet zozeer in de ondergane hechtenis. Alles in overweging nemende achtte de rechtbank de gevorderde bedragen buitensporig hoog. De rechtbank heeft een vergoeding toegekend van € 7.500,- voor de ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis. De rechtbank heeft daarnaast een vergoeding toegekend van € 541,33 voor de verkoop van de weekenddienst van appellant tijdens de detentieperiode en een vergoeding van € 1.068,42 voor overige kosten van de zaakwaarnemer. De rechtbank heeft de overige verzochte vergoeding afgewezen.

Het hof overweegt als volgt.

Juist ter voorkoming van rechtsongelijkheid en arbitraire beslissingen zijn voor het bepalen van de hoogte van de door de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis geleden immateriële schade, door het LOVS forfaitaire bedragen vastgesteld. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan dan ook sprake zijn van het afwijken hiervan. Een dergelijke situatie dient door verzoeker te worden gesteld en deugdelijk te worden onderbouwd. Hierbij dient een causaal verband te bestaan tussen de geleden schade en het ondergane voorarrest. Geleden schade als gevolg van de verdenking en/of de vervolging, of door derden geleden schade komen volgens vaste jurisprudentie niet voor vergoeding op de voet van artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering in aanmerking.

Gelet op hetgeen door en namens appellant naar voren is gebracht, acht het hof het aannemelijk dat het voorarrest voor appellant bijzonder ingrijpend is geweest en zijn naar verhouding de gevolgen zwaarder geweest dan voor de “gemiddelde” verdachte die in voorarrest zit. Het hof is van oordeel dat de ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis buitengewoon ingrijpend moeten zijn geweest, te meer omdat appellant werd verdacht van moord c.q. doodslag op zijn schoonmoeder, gepleegd in de uitoefening van zijn bekende maatschappelijke functie als huisarts. Het hof is, met appellant, van oordeel dat de onterecht ondergane voorlopige hechtenis meer leed heeft toegevoegd dan de LOVS-uitgangspunten als uitgangspunt nemen. Het hof zal de toe te kennen vergoeding derhalve, evenals de rechtbank, vermenigvuldigen met factor 2.

Het hof ziet geen gronden om de vergoeding zoals verzocht toe te kennen. Het hof is van oordeel dat door appellant buitensporig hoge bedragen zijn verzocht voor de ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis. Daarnaast is het hof met de rechtbank van oordeel dat uit de overgelegde stukken kan worden opgemaakt dat de PTSS vooral het gevolg is van de verdenking en de vervolging en niet zozeer van de ondergane voorlopige hechtenis. Schade als gevolg van de verdenking komt niet op de voet van artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering in aanmerking. Door appellant is onvoldoende onderbouwd dat de psychische schade enkel het gevolg is geweest van de ondergane voorlopige hechtenis en niet het gevolg van de gehele strafzaak en de met die strafzaak samenhangende gevolgen voor de praktijk en het privéleven van appellant. Daarnaast is het hof, met de advocaat-generaal, van oordeel dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden door appellant zijn aangevoerd waardoor de zaak nu anders moet worden beoordeeld dan de rechtbank heeft gedaan. Hetgeen ter zitting in raadkamer naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel.

Het hof zal, gelet op het voorgaande, de volgende vergoeding toekennen voor de ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis:

- 3 dagen in een politiecel x € 130,- € 390,-

- 30 dagen in een huis van bewaring x € 100,- € 3.000,-

- waarvan 13 dagen in beperkingen x € 30,- € 390,- +

Totaal € 3.780,-

De toe te kennen vergoeding zal, zoals hiervoor reeds overwogen, worden vermenigvuldigd met factor 2, als gevolg waarvan er een vergoeding van € 7.560,- zal worden toegekend voor de ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis.

Met betrekking tot de gevorderde materiële schade, overweegt het hof als volgt.

Ter zitting in raadkamer is primair verzocht om een vergoeding van € 265.675,19 toe te kennen voor de door appellant geleden materiële schade. Subsidiair is de oorspronkelijk verzochte schadevergoeding ten bedrage van € 21.928,98 gehandhaafd. Het hof is van oordeel dat appellant niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het primaire verzoek, nu dit verzoek niet tijdig is ingediend. Op grond van artikel 533, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan een verzoek tot schadevergoeding slechts worden ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak. Daarbij bestaat geen mogelijkheid om in hoger beroep te verzoeken om verhoging van het reeds ingediende verzoek tot schadevergoeding. Het hof stelt op basis van de voorhanden zijnde stukken vast dat het primaire verzoek pas ter zitting in raadkamer is gedaan, als gevolg waarvan appellant niet kan worden ontvangen in dat verzoek.

Met betrekking tot het subsidiaire verzoek overweegt het hof als volgt. Het hof zal, evenals de rechtbank, een vergoeding toekennen voor de verkoop van de weekenddiensten tijdens de detentieperiode ten bedrage van € 541,33. Daarnaast zal het hof de rechtbank ook volgen in haar beslissing tot toekenning van een vergoeding ten bedrage van € 1.068,42 voor de overige kosten voor inschakeling van een zaakwaarnemer. Het hof is, op basis van het ter zitting in raadkamer overgelegde deskundigenrapport, van oordeel dat er daarnaast ook een vergoeding kan worden toegekend voor de overige dagen waarop appellant een waarnemer in heeft moeten schakelen tijdens de door hem ondergane detentie. Het hof zal derhalve een vergoeding toekennen voor de ingeschakelde waarneming op 22 februari 2018, 1 maart 2018 en 8 maart 2018. In de bijlagen bij het deskundigenrapport is de schade, per dag van waarneming, begroot op een bedrag van € 531,-. In totaal zal het hof voor de geleden materiële schade een vergoeding toe kennen ten bedrage van € 3.202,75. Voor het overige deel van de subsidiair verzochte schadevergoeding is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat deze schade onvoldoende is onderbouwd en ook geen direct gevolg is van de ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, waardoor de overige verzochte vergoeding wordt afgewezen.

Tot slot heeft de raadsman ter zitting in raadkamer verzocht om een vergoeding toe te kennen voor de kosten van het opstellen, indienen en de behandeling van het verzoekschrift. Het hof stelt op basis van de voorhanden zijnde stukken vast dat er geen hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank op het verzoek ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering, waardoor de verzochte vergoeding voor de kosten van het verzoekschrift niet kan worden toegewezen, nu daar in de onderhavige procedure geen wettelijke grondslag voor is.

Het hof kan zich, gelet op het voorgaande, niet verenigen met de bestreden beschikking en de gronden waarop deze berust. Het hof zal de beschikking derhalve vernietigen en beslissen als hierna te melden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt de beschikking waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart appellant niet-ontvankelijk in het primaire verzoek tot toekenning van een schadevergoeding voor de schade die appellant stelt te hebben geleden in de vorm van materiële schade ten bedrage van € 265.675,19.

Kent aan appellant ten laste van de Staat een vergoeding toe ten bedrage van € 10.762,75

(zegge: tienduizend zevenhonderdtweeënzestig euro en vijfenzeventig eurocent).

Wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus beslist door mr. A.C. van Campen, voorzitter,

mr. A.J. Henzen en O.A.J.M. Lavrijssen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van M. Jousma Santos en M.J.M. van de Pol, griffiers,

en uitgesproken ter openbare raadkamer van dit gerechtshof van 5 maart 2026.

De voorzitter beveelt de tenuitvoerlegging van deze beslissing en gelast de griffier van dit hof binnen zes weken na heden aan verzoeker te betalen een bedrag van € 10.762,75

(zegge: tienduizend zevenhonderdtweeënzestig euro en vijfenzeventig eurocent)

door overmaking daarvan op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [rekeninghouder] , onder vermelding van [betalingskenmerk]

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.C. van Campen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?