ECLI:NL:GHSHE:2026:628

ECLI:NL:GHSHE:2026:628

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 05-03-2026
Datum publicatie 06-03-2026
Zaaknummer 20-002595-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBOBR:2024:4257

Samenvatting

Partiële bevestiging vonnis, behoudens de kwalificaties en strafoplegging. De verdachte heeft zich in de periode van 2006 tot 2013 meermalen schuldig gemaakt aan ontucht met zijn drie toen nog minderjarige en nichtjes. Bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] duurde het seksueel misbruik enkele maanden tot een jaar en hield ook in het seksueel binnendringen van het lichaam. Bij [slachtoffer 3] heeft het misbruik gedurende enkele jaren plaatsgevonden. De drie nichtjes zaten nog op de basisschool toen het seksueel misbruik begon. Het hof acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden en komt hiermee tot een zwaardere straf dan de rechtbank. - Overwegingen ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen. - Schakelbewijs. - Beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 16 september 2024, in de strafzaak met parketnummer 01-297283-22 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1962,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het onder feit 1 tot en met feit 5 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:

feiten 1 en 2 in eendaadse samenloop begaan,

3. met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam en

4. met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen,

feiten 3 en 4 in eendaadse samenloop begaan,

5. met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen,

de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem te dien aanzien veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank heeft tevens beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . De rechtbank heeft deze vorderingen geheel toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is primair integrale vrijspraak bepleit en is subsidiair een straftoemetingsverweer gevoerd.

Tevens is ter terechtzitting in hoger beroep een eerder bij appelschriftuur gedaan en bij voorzittersbeslissing afgewezen verzoek tot het benoemen van prof. dr. [deskundige ] als getuige-deskundige (het hof begrijpt als deskundige), herhaald.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, inclusief de partiële vrijspraak van het telkens onder feit 1, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5 in de tenlastelegging opgenomen strafverzwarende bestanddeel:

“terwijl voornoemde [slachtoffer 1] c.q. [slachtoffer 2] c.q. [slachtoffer 3] een minderjarige was die aan zijn, verdachtes, zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd”,

inclusief de beperking van de pleegperiode bij de bewezenverklaarde feiten 3 en 4,

onder verbetering en aanvulling van de gronden waarop dit berust, en met uitzondering van:

De in hoger beroep door de raadsvrouw primair bepleite niet-ontvankelijkverklaring van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vanwege het verzoek tot vrijspraak, noch het subsidiaire verzoek tot matiging, mede gelet op het tijdsverloop en de bedragen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, leiden het hof tot een ander oordeel dan de rechtbank ter zake van die vorderingen. Daarbij betrekt het hof dat ook ter terechtzitting in hoger beroep voldoende is gebleken dat beide benadeelde partijen onverkort als gevolg van verdachtes onder de feiten 1 en 2 (voor wat betreft [slachtoffer 1] ) en onder de feiten 3 en 4 (voor wat betreft [slachtoffer 2] ) bewezenverklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade is toegebracht en verdachte tot vergoeding van die schade gehouden. De door de rechtbank toegekende bedragen acht het hof billijk en niet bovenmatig.

Verbetering en aanvulling bewijsoverwegingen

I.

Het hof neemt niet over uit het vonnis onder “Nadere bewijsoverwegingen.” en dan concreet op pagina 5 onder “- De verklaring van [slachtoffer 1] .” de zinsnede in de zesde regel: ‘wanneer ze 11 of 12 jaren oud is’, nu deze zinsnede gelet op de verklaringen van [slachtoffer 1] en haar moeder berust op een verkeerde lezing van die verklaringen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer 1] pas jaren later op het betreffende voorval bij haar moeder is teruggekomen en haar verhaal heeft gedaan. Het hof verbetert de bewijsoverweging in zoverre door genoemde zinsnede te schrappen.

II.

Door de verdediging is in hoger beroep herhaald dat de verklaringen van de aangeefsters niet als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt vanwege - kort gezegd - het tijdsverloop tussen de tenlastegelegde feiten en het moment dat de aangeefsters met hun verhaal naar buiten zijn gekomen, het onderlinge contact dat er is geweest tussen de aangeefsters en de door ieder van hen gevolgde EMDR-therapie die mogelijk nadelige effecten kan hebben gehad op de accuraatheid van hun herinneringen aan de traumatische incidenten. In dat verband heeft de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep het verzoek tot het benoemen van prof. dr. [deskundige ] als getuige-deskundige (het hof begrijpt als deskundige) herhaald. Zij heeft daartoe aangevoerd dat alleen een onafhankelijk rapporteur over voormelde door haar opgesomde omstandigheden in relatie tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefsters iets zou kunnen zeggen.

Het hof overweegt dat hier als toetsingscriterium heeft te gelden het noodzaakscriterium.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de drie aangeefsters gedetailleerd, uitgebreid en in de kern consistent hebben verklaard over de handelingen die de verdachte bij hen verrichtte. Het hof heeft geen reden om aan deze verklaringen te twijfelen en acht deze betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

De verklaringen zijn naar het oordeel van het hof authentiek. De drie aangeefsters verklaren ieder voor zich over een aantal hele specifieke details, zoals bijvoorbeeld de eeltige handen van de verdachte die schuurden bij het vingeren ( [slachtoffer 1] ), het niet wassen van zijn handen nadat deze in haar onderbroek waren geweest ( [slachtoffer 2] ), dat de verdachte bij het tongzoenen naar rook smaakte ( [slachtoffer 2] ) en het door de verdachte achter haar gaan staan terwijl zij op de bank zat en het vervolgens voelen aan haar borsten terwijl zij die nog niet of nauwelijks had ( [slachtoffer 3] ).

Bovendien heeft [slachtoffer 3] als eerste uit zichzelf naar voren gebracht tijdens een autorit met haar moeder, dat zij door haar oom, de verdachte, seksueel is misbruikt. Deze zogenoemde “disclosure” komt op het hof authentiek over. Vervolgens hebben ook [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hun ervaringen naar buiten gebracht. Dat er sprake zou zijn van een van te voren op elkaar afgestemd verhaal acht het hof niet aannemelijk. Aanknopingspunten daarvoor ontbreken en evenmin is het hof gebleken van enige reden die de aangeefsters aanleiding zou hebben gegeven de verdachte van seksuele handelingen bij en met ieder van hen te beschuldigen. Dat zijn nichtjes valse aangifte tegen de verdachte hebben gedaan om op die wijze zijn moeder, hun oma, een hak te zetten, kan het hof geenszins volgen. In dat verband merkt het hof overigens op dat de aangeefsters niet gezamenlijk naar buiten zijn gekomen met één verhaal tegen de verdachte, maar dat iedere aangeefster op haar eigen moment en op eigen wijze een verklaring heeft afgelegd.

Voorts blijkt uit de verklaringen dat de aangeefsters uit schaamte en loyaliteit naar de familie toe jarenlang niet hebben gesproken, ook niet met elkaar, over wat hun oom met hen deed, over welke handelingen hij met en bij hen verrichtte. Aangeefsters hebben daarnaast verklaard dat, ook toen [slachtoffer 3] met haar verhaal naar buiten kwam, zij niet met elkaar over details hebben gesproken.

Bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is voorts sprake van steunbewijs. Niet alleen vinden de verklaringen steun in elkaar maar deze vinden tevens steun in de verklaring van hun moeder [getuige 1] en - voor wat betreft [slachtoffer 1] - ook nog in de verklaringen van haar ex-vriend [getuige 2] en een basisschoolvriendinnetje [getuige 3] en - voor wat betreft [slachtoffer 2] - in de verklaring van haar toenmalige partner [getuige 4] . Daarbij merkt het hof voor wat betreft het steunbewijs betreffende de emoties bij het delen van de herinneringen, het volgende op. Weliswaar zijn de emoties die bij het delen van de herinneringen met die getuigen eerst waargenomen jaren nadat de seksuele handelingen met de verdachte hebben plaatsgevonden, maar dat maakt niet dat ze geen steun voor de verklaringen van de aangeefsters kunnen opleveren. Integendeel, anders dan door de raadsvrouw is bepleit, doet het tijdsverloop daar niets aan af. Zo zijn deze waarnemingen door de getuigen gedaan voordat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met EMDR therapie zijn gestart. Van enige invloed hiervan op de herinneringen die zij toentertijd hebben gedeeld en waarover de getuigen hebben verklaard, evenals over de daarbij waargenomen emoties, kan mitsdien geen sprake zijn. Het jeugdvriendinnetje van [slachtoffer 1] heeft verklaard over hetgeen zij heeft gehoord van [slachtoffer 1] toen zij 11-12 jaar oud waren. En ook de ex-partner van [slachtoffer 1] wist al van het misbruik voordat [slachtoffer 1] psychologische hulp zocht.

[slachtoffer 3] is pas op 14/15 jarige leeftijd met EMDR therapie begonnen maar kwam met haar verhaal naar buiten toen ze 12 jaar was. Tot slot stelt het hof vast dat de drie aangeefsters in hoger beroep op verzoek van de verdediging ten overstaan van de raadsheer-commissaris zijn gehoord en zij alle drie bij hun eerdere verklaringen zijn gebleven.

Tot inwilliging van het verzoek tot het laten verrichten van een betrouwbaarheidsonderzoek ter zake van de verklaringen van de drie aangeefsters bestaat gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen noodzaak, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

III.

Voorts vult het hof de bewijsoverweging op pagina 6 in het vonnis onder “- De verklaring van [slachtoffer 3] .” aan als volgt:

Ten aanzien van het bewijs voor feit 5 stelt het hof met de verdediging vast dat de verklaring van [slachtoffer 3] minder steun vindt in overige bewijsmiddelen dan de verklaringen van haar nichtjes [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Deze vaststelling laat evenwel onverlet dat het hof ook de seksuele handelingen die volgens [slachtoffer 3] door de verdachte bij haar zijn verricht, wettig en overtuigend bewezen acht. Op grond van bestendige rechtspraak kan in zedenzaken een geringe mate van steunbewijs, in combinatie met de verklaringen van het slachtoffer, voldoende wettig bewijs opleveren. De verklaring van [slachtoffer 3] moeder, [getuige 5] , biedt steun voor wat betreft de getoonde emoties toen [slachtoffer 3] met haar verhaal over het jarenlange misbruik door haar oom naar buiten kwam. Zij was toen 12 jaar oud.

Maar daarnaast is het hof net als de advocaat-generaal van oordeel dat sprake is van schakelbewijs dat als steunbewijs voor de bewezenverklaring van feit 5 kan worden gebezigd. Uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat schakelbewijs als dergelijk steunbewijs kan dienen. Voor het bewijs van het tenlastegelegde strafbare feit mag de rechter de bewezenverklaring mede doen steunen op één of meer bewijsmiddelen waaruit blijkt van redengevende feiten en omstandigheden van een ander, soortgelijk strafbaar feit dat door de verdachte is begaan; dit wordt ‘schakelbewijs’ genoemd. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt of kenmerkende gelijkenissen vertoont en dat het duidelijk is dat de verdachte bij beide feiten betrokken is geweest.

Voor wat betreft het overeenkomen van essentiële punten tussen de ‘geschakelde’ feiten wordt in de regel in het bijzonder gekeken naar de (werk)wijze waarop de onderscheidene feiten zijn gepleegd, de modus operandi. Daarbij kan ook de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de tenlastegelegde feiten meewegen, waaronder de context waarbinnen die feiten zich hebben afgespeeld, de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven, het desbetreffende handelen van de verdachte, alsmede de verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd. Hieruit zou een herkenbaar en gelijksoortig patroon in het handelen van de verdachte kunnen worden opgemaakt.

Het hof stelt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen vast dat het handelen van de verdachte in de zaak van aangeefster [slachtoffer 3] op essentiële punten overeenkomt dan wel kenmerkende gelijkenissen vertoont met het handelen van de verdachte in de zaken van aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Voor de feitelijke gang van zaken en de omstandigheden waaronder de drie aangeefsters de door de verdachte verrichte seksuele handelingen hebben moeten ondergaan, heeft het hof acht geslagen op de processen-verbaal van aangifte. Met betrekking tot de overeenkomsten op essentiële punten dan wel kenmerkende gelijkenissen in vorenbedoelde zaken, wijst het hof op het volgende:

Het hof is van oordeel dat de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden de conclusie wettigen dat de handelwijze van de verdachte op essentiële punten overeenkomt dan wel kenmerkende gelijkenissen vertoont. De modus operandi van de verdachte en de feitelijke gang van zaken rondom het bewezenverklaarde is ten aanzien van alle drie de aangeefsters steeds soortgelijk geweest. Het hof stelt aldus vast dat een herkenbaar en gelijksoortig patroon uit het handelen van de verdachte kan worden opgemaakt. Dit schakelbewijs levert naar het oordeel van het hof voldoende steunbewijs op voor de verdenking dat de verdachte ook de door [slachtoffer 3] beschreven seksuele handelingen bij haar heeft verricht.

De door de raadsvrouw van de verdachte ten verwere aangevoerde omstandigheid dat er een groot tijdsverloop bestaat tussen de tenlastegelegde feiten en het doen van aangifte door aangeefsters, alsmede de – naar het oordeel van het hof ondergeschikte – verschillen waarop zij heeft gewezen, kunnen aan het voorgaande mede gelet op de aard van de tenlastegelegde feiten en de context waarbinnen deze zich hebben afgespeeld, niet afdoen.

De overige bewijsverweren vinden hun weerlegging in de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen die het hof met de bevestiging tot de zijne maakt, waarbij het hof nog wenst op te merken dat vingeren reeds seksueel binnendringen oplevert. Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Navolgende kwalificaties vervangen de kwalificaties ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten als vermeld op pagina 14 in het beroepen vonnis van de rechtbank.

Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

de eendaadse samenloop van:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd,

en

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Het onder 3 en 4 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

de eendaadse samenloop van:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd,

en

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Het onder 5 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Op te leggen sanctie

De rechtbank heeft de verdachte ter zake van het seksueel misbruik van zijn drie toen nog minderjarige nichtjes veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd om, conform de eis van de officier van justitie in eerste aanleg, de verdachte daarvoor te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is bepleit om geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan die ene dag die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts is gesteld dat de verdachte ondanks al zijn beperkingen in staat is om een taakstraf uit te voeren. Er dient rekening gehouden te worden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met andere omstandigheden die van belang zijn. Zo lijdt de verdachte aan de ziekte van Parkinson en gaat hij hard achteruit. Nadat de rechtbank vonnis heeft gewezen, is bij de verdachte bovendien PTSS en een depressiestoornis vastgesteld. De verdachte is gelet op zijn zwakke fysieke gesteldheid afhankelijk van een rollator, is moeilijk te verstaan en heeft last van hallucinaties.

De feiten dateren van lang geleden en de verdachte heeft geen herinnering meer aan die jaren. De verdachte is first offender en van een recidiverisico is geen sprake.

De verdachte is reeds hard getroffen door de feiten, omdat hij zijn baan is kwijtgeraakt wat zijn lust en zijn leven was. Bovendien zal de moeder van de verdachte door een detentie van de verdachte eveneens worden getroffen. Zij wonen immers samen in een door de verdachte gehuurde woning en zorgen voor elkaar. Zijn moeder zal dan de woning moeten verlaten omdat zij de woon- en vaste lasten niet kan betalen van haar AOW-uitkering. De verdachte heeft nu nog een zeer ruime aanvullende zorgverzekering maar zal zich na het uitzitten van een gevangenisstraf opnieuw moeten verzekeren waarbij, gelet op zijn fysieke toestand, de kans gering is dat hij dezelfde aanvullende verzekering zal kunnen afsluiten.

Al met al zal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de verdachte op vele gebieden funest zijn. Een gevangenisstraf is een ultimum remedium en er zijn andere mogelijkheden om de verdachte in deze zaak te bestraffen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich in de periode van 2006 tot 2013 jarenlang schuldig gemaakt aan ontucht met zijn drie toen nog minderjarige nichtjes. Bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] duurde het seksueel misbruik enkele maanden tot een jaar en hield ook in het seksueel binnendringen van het lichaam. Bij [slachtoffer 3] heeft het misbruik gedurende enkele jaren plaatsgevonden. De drie nichtjes zaten nog op de basisschool toen het seksueel misbruik begon en waren dus nog heel jong. Het hof merkt op dat, toen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , de dochters van de oudere zus van de verdachte, niet meer bereikbaar waren omdat het contact was verbroken, de verdachte zich heeft gericht op [slachtoffer 3] , de dochter van zijn jongste zus, die toen pas 5 jaar oud was. Dat de verdachte zich bij herhaling aan zijn nichtjes heeft vergrepen om zijn eigen seksuele lusten op hen te botvieren, neemt het hof de verdachte zeer kwalijk.

Daarnaast beschouwt het hof als strafverzwarend het feit dat de verdachte de seksuele handelingen heeft gepleegd in de woning waar ook de oma van de aangeefsters woonde en ingeval van [slachtoffer 3] met name in haar eigen woning, plekken waar de aangeefsters zich bij uitstek veilig moesten kunnen voelen als zij bij oma op bezoek waren of zich thuis bevonden. De slachtoffers en hun ouders mochten en moesten erop kunnen vertrouwen dat de slachtoffers veilig waren bij de verdachte, hun oom. Dit vertrouwen heeft de verdachte op grove wijze, en in het geval van [slachtoffer 3] ook langdurig en stelselmatig, beschaamd.

Het is een feit van algemene bekendheid dat seksueel misbruik, zoals ook in het onderhavige geval aan de orde is, een ernstige inbreuk kan maken op de integriteit en persoonlijke levenssfeer van slachtoffers, de seksuele ontwikkeling van slachtoffers kan doorkruisen en dat slachtoffers nog geruime tijd met de psychische gevolgen ervan te kampen kunnen hebben. In dit verband volgt uit de schriftelijke slachtofferverklaringen die ter terechtzitting in hoger beroep zijn voorgedragen door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 2] die zich in het dossier bevindt, dat zij nog steeds te kampen hebben met het ernstig trauma dat hen in hun kinderjaren is aangedaan door hun oom. Zo maken zij melding van spanningen en gevoelens van boosheid, angst, pijn en verdriet en de therapieën en medicatie die benodigd zijn (geweest) om te komen tot een vorm van traumaverwerking.

Het hof acht het kwalijk dat de verdachte zijn eigen behoeften voorop heeft gesteld en daarbij niet heeft gedacht aan de gevolgen voor zijn minderjarige nichtjes. Zijn nichtjes hebben daarvan de gevolgen ondervonden en zullen die altijd bij zich dragen.

Vanwege de omstandigheid dat de aangeefsters door zowel de verdachte als hun oma worden weggezet als leugenaars en gezegd wordt dat het verhaal over het seksueel misbruik is verzonnen door hun moeders om via de verdachte hun oma een hak te kunnen zetten, zal de door de verdachte toegebrachte schade nog zijn vergroot. De verdachte heeft stelselmatig het hem verwetene ontkend en iedere vorm van verantwoordelijkheid voor zijn gedrag van de hand gewezen. Ook dat is een omstandigheid die het hof ten nadele van de verdachte meeweegt bij het bepalen van de op te leggen straf.

Daarnaast veroorzaken feiten als de onderhavige sterke gevoelens van afschuw en verontwaardiging in de samenleving en kan er zelden tot niet worden volstaan met een taakstraf als door de raadsvrouw is bepleit. Tijdsverloop en/of gewijzigde persoonlijke omstandigheden waardoor de recidivekans zou zijn beperkt maakt/maken dat bij zedendelicten als de onderhavige in beginsel niet anders.

Het hof heeft in het kader van de straftoemeting tevens acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 november 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij samen met zijn moeder woonachtig is in een huurhuis, dat zijn dagelijkse bezigheden bestaan uit het werken in de tuin, ook in die van anderen in de buurt en het uitlaten van zijn hond evenals de hond van de buurman. Verder doet hij nog wat taken in het huishouden en doet hij de administratie.

Het hof is van oordeel dat, ondanks de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die door de verdediging uitvoerig naar voren zijn gebracht, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en uit het oogpunt van vergelding en preventie, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Naar het oordeel van het hof wordt echter met oplegging van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf onvoldoende recht gedaan aan de ernst van deze zaak en aan de mate waarin het bewezenverklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht bij de slachtoffers. Het hof zal mitsdien overgaan tot oplegging van een gevangenisstraf van langere duur.

Ter bepaling van de hoogte van de straf heeft het hof rekening gehouden met de bovenstaande strafverzwarende omstandigheden, maar ook met het feit dat de verdachte niet zelf gekozen heeft om te stoppen met zijn handelingen, maar dat dit pas gebeurde op het moment dat door de ouders van de slachtoffers om hen moverende redenen en niet als gevolg van het nadien bekend geworden misbruik, het contact met oma en de verdachte werd verbroken.

Alles overziende, in het bijzonder gelet op de gevolgen van het handelen van de verdachte, is het hof van oordeel dat de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf van 5 jaren passend en geboden is.

De omstandigheden die door de verdediging zijn aangevoerd en die tot een andere strafoplegging zouden moeten leiden, maken dit niet anders. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven dat hij ondanks zijn ziekte nog activiteiten in huis en buitenshuis doet, zoals de administratie, wat huishoudelijke taken, werken in tuinen en het uitlaten van honden. Hoewel de verdachte een progressieve ziekte en andere beperkingen heeft, ziet het hof hierin op dit moment geen aanleiding om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. In de penitentiaire inrichtingen in Nederland zijn op dit moment nog voldoende mogelijkheden om kwetsbare gedetineerden met beperkingen te plaatsen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Schadevergoedingsmaatregelen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade aan de slachtoffers [slachtoffer 1] (feiten 1 en 2) en [slachtoffer 2] (feiten 3 en 4) is toegebracht, ieder tot een bedrag van € 17.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2007 voor wat betreft [slachtoffer 1] en vanaf 7 september 2009 voor wat betreft [slachtoffer 2] . In zoverre worden de beslissingen van de rechtbank, die de vorderingen integraal heeft toegewezen, dan ook door het hof bevestigd.

Het hof overweegt dat de verdachte daarvoor jegens de slachtoffers voornoemd naar burgerlijk recht aansprakelijk is en het hof ziet dan ook, net als de rechtbank, aanleiding om aan de verdachte de maatregelen tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormelde bedragen, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente als voormeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan voornoemde slachtoffers bevordert. Gelet op de per 1 januari 2026 geldende afspraken, gemaakt door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), met betrekking tot de gijzeling bij de schadevergoedingsmaatregel zal het hof de gijzeling zoals opgelegd door de rechtbank vervangen, met dien verstande dat de duur van de gijzeling wordt aangepast in na te melden duur conform thans geldende afspraken. Voor de volledigheid zal het hof de gehele beslissing ter zake van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen in het dictum opnemen.

Het hof zal bepalen dat, in plaats van 122 dagen gijzeling zoals door de rechtbank is bepaald, gijzeling telkens voor een duur van 112 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 20.250,00, bestaande uit een bedrag van € 20.000,00 aan geleden immateriële schade (geestelijk letsel) en een bedrag van

€ 250,00 aan materiële schade (eigen bijdrage juridische rechtsbijstand), te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep geheel toegewezen en is in hoger beroep wederom aan de orde.

De raadsvrouw heeft, gelet op de bepleite vrijspraak, ook ten aanzien van deze vordering primair betoogd dat het hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zal verklaren in de vorderingen. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat het hof de vordering dient te matigen, mede gelet op het tijdsverloop en de bedragen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde is aangetast in de persoon op andere wijze. Van aantasting in de persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen, dat naar objectieve maatstaven is vastgesteld. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106 aanhef en onder b BW bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze sprake is.

Het hof is in navolging van de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon reeds kan worden aangenomen indien het bestaan van geestelijk letsel als hiervoor bedoeld niet zou kunnen worden vastgesteld. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat seksuele delicten een ernstige inbreuk op de integriteit en persoonlijke levenssfeer van slachtoffers kunnen opleveren en dat slachtoffers nog geruime tijd met de psychische gevolgen daarvan te kampen kunnen hebben, waardoor reeds op die grond kan worden gesproken van schending van een persoonlijkheidsrecht. Het hof overweegt voorts als volgt.

Uit de namens de benadeelde partij [slachtoffer 3] gegeven toelichting op de vordering tot schadevergoeding blijkt dat zij als gevolg van het seksuele misbruik door de verdachte

therapie heeft gehad en dat de behandelingen bestonden uit het ondergaan van EMDR. Deze waren zeer intensief en sloegen destijds niet aan. Hierdoor heeft zij jarenlang haar traumaklachten weggestopt. Zij staat thans nog aan het begin van haar verwerking en heeft wederom psychologische hulp gezocht om therapie voor haar traumaklachten te ondergaan en staat haar weer een intense en heftige periode te wachten.

Uit deze toelichting en de door haar ter terechtzitting in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat zij nog steeds angst en stress ervaart en (psychologische) hulp nodig heeft. Het hof acht dan ook voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] als gevolg van verdachtes onder 5 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade is toegebracht en verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden. Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit, de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, zoals hiervoor omschreven, en gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend is het hof van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 20.000,00 billijk en niet bovenmatig is.

Het hof zal de wettelijke rente over dit bedrag toewijzen vanaf 30 juni 2013, zijnde de laatste dag van de bewezenverklaarde pleegperiode.

Ten aanzien van de gevorderde materiële schade ad € 250,00 overweegt het hof als volgt. Uit productie 1 bij de schriftelijke vordering blijkt genoegzaam dat de benadeelde partij voor de onderhavige vordering haar rechtsbijstandsverzekeraar DAS heeft ingeschakeld en dat de benadeelde partij daarvoor een eigen bijdrage was verschuldigd van € 250,00. De kosten voor rechtsbijstand vormen echter géén rechtstreekse materiële schade ten gevolge van het strafbare feit, zodat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Deze kosten kunnen echter wel vallen onder proceskosten door de benadeelde partij gemaakt conform artikel 532 van het Wetboek van Strafvordering. Deze schade hangt namelijk, gezien de aard van de schade, zozeer samen met de inschakeling van juridische bijstand van een advocaat dat zij onder proceskosten dienen te worden geschaard.

Proceskosten

Het hof zal de verdachte als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van de benadeelde partij en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog door haar te maken kosten, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op € 250,00.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 3] is toegebracht tot een bedrag van € 20.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van 125 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 55, 57, 60a, 244 (oud) en 247 (oud) van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie van het bewezenverklaarde, de opgelegde straf en schadevergoedingsmaatregelen en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] en doet in zoverre opnieuw recht.

Kwalificeert het bewezenverklaarde onder 1, onder 2, onder 3, onder 4 en onder 5 als hiervoor vermeld.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

De benadeelde partij [slachtoffer 1]

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2007 tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 112 (honderdtwaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

De benadeelde partij [slachtoffer 2]

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 3 en 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 september 2009 tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 112 (honderdtwaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

De benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 5 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2013 tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 250,00 (tweehonderdvijftig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2013 tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 125 (honderdvijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. A.J. Henzen, voorzitter,

mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. G.M. Goes, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 5 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Buljevic is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A.J. Henzen
  • mr. N.I.B.M. Buljevic
  • mr. G.M. Goes

Griffier

  • mr. N. van der Velden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?