Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 6 januari 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-191218-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,
blijkens de Informatiestaat SKDB-persoon d.d. 16 december 2025 vertrokken onbekend waarheen met als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats:
[adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘schuldheling’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 dag en een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het hof toepassing zal geven aan het bepaalde in artikel 416 van het Wetboek van Strafvordering en dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep. Subsidiair heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 dag en een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof toepassing zal geven aan het bepaalde in artikel 416 van het Wetboek van Strafvordering en dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep.
Het hof overweegt als volgt.
Van de zijde van de verdachte is per e-mailbericht d.d. 21 oktober 2025 te kennen gegeven dat de grieven tegen het vonnis van de politierechter zijn gericht tegen de bewezenverklaring van het tenlastegelegde en de strafmaat. Hiermee staat naar het oordeel van het hof vast dat van de zijde van de verdachte grieven tegen het vonnis van de politierechter zijn opgegeven. Het hof acht de verdachte dan ook – nu ook overigens tijdig hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis – ontvankelijk in het hoger beroep.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 11 juni 2024 te Breda een fiets (merk Gazelle, Paris C7+), althans een goed, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl zij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
zij op of omstreeks 11 juni 2024 te Breda een fiets (merk Gazelle, Paris C7+), in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan Verbond van Verzekeraars, in elk geval aan een ander, toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om deze/het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak van het onder primair impliciet primair tenlastegelegde
Aan de verdachte is onder het primair tenlastegelegde impliciet primair tenlastegelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van de in de tenlastelegging genoemde fiets. Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het hof niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte wist dat de fiets een door misdrijf verkregen goed betrof. De verdachte zal dan ook in zoverre van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder primair impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 11 juni 2024 te Breda een fiets (merk Gazelle, Paris C7+) voorhanden heeft gehad, terwijl zij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat zij ‘redelijkerwijs had kunnen vermoeden’ dat de in de tenlastelegging genoemde fiets een door misdrijf verkregen goed betrof. Gelet op de formulering van de wettekst is evenwel vereist dat de verdachte dat ‘redelijkerwijs had moeten vermoeden’. Naar het oordeel van het hof heeft ‘redelijkerwijs had moeten vermoeden’ een essentieel andere betekenis dan ‘redelijkerwijs had kunnen vermoeden’, zoals dat aan de verdachte is tenlastegelegd. Gelet hierop is het hof van oordeel dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert, zodat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Vrijspraak van het subsidiair tenlastegelegde
Nu het hof niet tot een veroordeling komt ter zake van het primair tenlastegelegde, zal het hof ook moeten oordelen over de subsidiair tenlastegelegde diefstal van de fiets.
Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het hof niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de bewuste fiets heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder primair impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door:
mr. T. van de Woestijne, voorzitter,
mr. G.J. Hanssen en mr. W.P.A. Korver, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier,
en op 23 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. W.P.A. Korver is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.