ECLI:NL:GHSHE:2026:694

ECLI:NL:GHSHE:2026:694

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 12-03-2026
Datum publicatie 12-03-2026
Zaaknummer 20-001243-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Poging tot doodslag, door aangever vijf keer in het bovenlichaam te steken met een keukenmes. Voorwaardelijk opzet. Beroep op noodweer slaagt niet, omdat niet is voldaan aan het proportionaliteitsvereiste. Beroep op noodweerexces slaagt wel. De verdachte is niet strafbaar voor het bewezenverklaarde. Daarom ontslag van alle rechtsvervolging.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch , van 24 april 2025 in de strafzaak met parketnummer 01-210582-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1962,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het primair tenlastegelegde bewezen verklaard, gekwalificeerd als ‘poging tot doodslag’, de verdachte vanwege een geslaagd beroep op noodweerexces niet strafbaar verklaard en haar ontslagen van alle rechtsvervolging. Voorts heeft de rechtbank het inbeslaggenomen mes onttrokken aan het verkeer en de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Tot slot heeft de rechtbank het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair tenlastegelegde zal bewezen verklaren, aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met aftrek van de duur van het voorarrest en een proeftijd van 2 jaren en het inbeslaggenomen mes zal onttrekken aan het verkeer. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof, opnieuw rechtdoende, de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk zal toewijzen tot een bedrag van € 500,00, de vordering voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren en voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel op zal leggen, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente.

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte geen vol opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer, maar heeft verder geen inhoudelijk verweer gevoerd ten aanzien van de bewezenverklaring. Primair heeft de raadsman bepleit dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), zodat zij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Sr, zodat zij om die reden dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Meer subsidiair heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] heeft de raadsman het hof primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de raadsman het hof verzocht om de hoogte van het toe te wijzen bedrag te matigen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, behalve voor wat betreft de beslissing op het beslag. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd en zal het hof opnieuw recht doen. Voorts ziet het hof aanleiding om de bewijsmiddelen en -overwegingen, de overwegingen omtrent de strafbaarheid van het feit en de overwegingen omtrent de strafbaarheid van de verdachte, zoals opgenomen in het vonnis waarvan beroep, aan te vullen en te verbeteren. Omwille van de leesbaarheid van het arrest zullen de bewijsmiddelen en de hiervoor genoemde overwegingen in het geheel worden vervangen door het navolgende. Tot slot zullen de toepasselijke wettelijke voorschriften, zoals opgenomen in het vonnis waarvan beroep, worden vervangen door de in dit arrest opgenomen toepasselijke wettelijke voorschriften.

Bewijsmiddelen

Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Oost-Brabant, district [district] , met proces-verbaalnummer 2024139084.3, gesloten d.d. 23 september 2024, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 259). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 juni 2024, pagina’s 239 tot en met 241, voor zover inhoudende als het relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :

Op 28 juni 2024 ontving het onderzoeksteam van de Gemeenschappelijk Meldkamer het geluidsbestand van de 112-melding gedaan op 27 juni 2024 om 22:20 uur.

Naam melder: [verdachte]

Letterlijke uitwerking van het beluisterde bestand:

Centralist: 112 politie Welke plaats is het noodgeval?

NNvrouw: [pleegplaats] . Ik heb zojuist [benadeelde partij] [het hof begrijpt: [benadeelde partij] ] in mijn huis, eh paar keer gestoken. Hij is ehh, hij vloog mijn zoon aan van 15. En eh ik heb een keukenmes gepakt... […] Ik heb een paar keer gestoken waar ik kon steken toen hij mijn zoon aan het slaan was.

Centralist: […] En waar heeft u hem geraakt? Weet u dat?

NNvrouw: Nee, dat weet ik echt niet.

Centralist: Maar u heeft hem wel geraakt?

NNvrouw: Ja, ik heb hem een paar keer eh. Ik ben blijven steken tot hij mijn zoon los liet.

2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 juni 2024, pagina’s 80 tot en met 82, voor zover inhoudende als het relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] :

Op 27 juni 2024 omstreeks 22:20 uur kregen wij van het Operationeel Centrum de melding van steekpartij op de [pleegplaats] . Wij kwamen ter plaatse. Wij zagen in de woonkamer een vrouw staan. Wij zagen dat de vrouw aan het bellen was. Wij hoorden de vrouw zeggen door de telefoon dat ze hem meerdere keren had gestoken in zijn rug. Wij zagen op de salontafel in de woonkamer een keukenmes liggen met kartelrandjes. Wij hoorden de vrouw zeggen dat dat mes op de salontafel, het mes was waarmee ze had gestoken.

Wij zagen dat het slachtoffer lag op de [straatnaam] op een muurtje bij een gemeentetuin. Wij zagen dat het slachtoffer op zijn zij lag en steekwonden in zijn rug had. Ik, [verbalisant 4] , bekeek zijn rijbewijs. Ik zag de volgende gegevens op zijn rijbewijs staan: [benadeelde partij] .

3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 juni 2024, pagina’s 77 tot en met 79, voor zover inhoudende als het relaas van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] :

Op 27 juni omstreeks 22:30 uur werden wij door onze meldkamer verzocht te rijden naar het adres [pleegplaats] , alwaar iemand had gemeld een persoon te hebben neergestoken. Toen wij daar ter plaatse kwamen, zagen wij voor de woning met huisnummer [huisnummer] , een manspersoon liggen op zijn linkerzij. Wij zagen dat de persoon een met pijn vertrokken gezicht had, en snel en oppervlakkig ademde. Wij zagen dat de man een donker shirt droeg. Wij zagen dat ter hoogte van zijn schouderbladen het shirt met bloed doordrenkt was. Voorzichtig hebben wij daarop zijn shirt over zijn hoofd getrokken en gezocht naar verwondingen. Hierop zagen we aan zijn rugzijde 4 bloedende wonden van circa 3 cm breed. Ambtshalve herkenden we die als zijnde steekverwondingen. Ter hoogte van zijn linker borstbeen zagen we later nog een bloedende wond van circa 3 cm breed. Dit betrof eenzelfde verwonding als eerder vernoemd. Het slachtoffer was aanspreekbaar en vertelde ons dat hij door zijn ex-vrouw op het adres [pleegplaats] was neergestoken. Het slachtoffer bleek genaamd te zijn: [benadeelde partij] .

4. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 28 juni 2024, pagina’s 110 tot en met 114, voor zover inhoudende (als de verklaring van [benadeelde partij] ):

Plaats delict: [pleegplaats]

Pleegdatum/-tijd: 27 juni 2024, tussen 22:22 en 22:58 uur

“Ineens werd ik van achteren aangevallen. Ik voelde dat ik in mijn rug werd gestoken door een soort van kartelmes. Ik werd gestoken door [verdachte] [het hof begrijpt: de verdachte]. Ik voelde het in mijn rug. Ik heb een klaplong.”

5. Een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring d.d. 28 juni 2024, opgemaakt door [arts 1] , arts in opleiding tot specialist, namens [arts 2] , SEH-arts, pagina’s 149 tot en met 152, voor zover inhoudende:

Naam patiënt: dhr. [benadeelde partij]

Bovengenoemde patiënt zagen we op 27-06-2024 op de Spoedeisende Hulp.

Conclusie

- 5x steekverwondingen thorax/rug rechts.

- Traumatische pneumothorax [hof: klaplong] rechts.

Lichamelijk onderzoek

- Steekverwonding rechter thorax [hof: borstholte/borstkas] thv clavicula [hof: sleutelbeen].

- 4 steekverwondingen thv rechter bovenrug (~1-2cm).

6. Een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, pagina’s 146 en 147, voor zover inhoudende:

Inbeslagneming

Plaats: [pleegplaats]

Datum: 28 juni 2024

Omstandigheden: Tijdens PD-onderzoek veiliggesteld

Volgnummer 2

Object: Handgereedschap (mes)

Spoor identificatienr.: AAQS2493NL

Inhoud/specificatie: Aangetroffen op salontafel

7. Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 4 september 2024, pagina’s 196 tot en met 200, voor zover inhoudende:

Onderstaand materiaal is ontvangen van de politie.

SIN: AAQS2493NL

Omschrijving: Mes

Het onderzoeksmateriaal is met het blote oog en met behulp van een microscoop onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Hierbij is bloed aangetroffen. Twee bloedsporen op het lemmet van het mes zijn bemonsterd. De bemonsteringen zijn als respectievelijk AAQS2493NL#01 en #02 veiliggesteld voor DNA-onderzoek.

In onderstaande tabel staan de resultaten van het onderzoek naar biologische sporen en het DNA-onderzoek.

8. Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 5 augustus 2024, pagina’s 178 tot en met 182, voor zover inhoudende:

Tabel 1 Overzicht

SIN: AAQS2493NL

Omschrijving: Mes, aangetroffen op salontafel

Het mes, weergegeven in figuur 1, heeft een gekartelde snijrand. Het heft bestaat uit zwart kunststof. Het lemmet heeft een lengte van circa 10 cm en een maximale breedte van ca 2 cm.

Bewijsoverwegingen

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde (poging tot doodslag) wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte geen vol opzet heeft gehad op de dood van aangever, in die zin dat zij niet de intentie had om hem te doden.

Het hof overweegt als volgt.

Aan de verdachte is primair ten laste gelegd dat zij op 27 juni 2024 te [pleegplaats] , ter uitvoering van het door haar voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk van het leven te beroven, [benadeelde partij] meermalen, althans eenmaal, met een mes in zijn rug en/of schouder en/of zij en/of borstkas heeft gestoken en/of gesneden en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte op 27 juni 2024 te [pleegplaats] [benadeelde partij] (hierna te noemen: aangever) vijf keer met een (kartel)mes heeft gestoken, waarvan vier keer in de rechterbovenrug en één keer in de rechterborstkas. Als gevolg daarvan heeft aangever vier steekverwondingen in de rechterbovenrug, één steekverwonding in de rechterborstkas ter hoogte van het sleutelbeen en een klaplong opgelopen.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat de verdachte daarbij de intentie heeft gehad om aangever te doden. Vol opzet op de dood van aangever kan daarom niet worden bewezen. Het hof dient dus te beoordelen of de verdachte wel voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangever.

Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, in casu de dood van aangever, aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij of zij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behalve als sprake is van contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte aangever vijf keer met een mes heeft gestoken, waarvan vier keer in de rechterbovenrug en één keer in de rechterborstkas. De verdachte stond op dat moment achter aangever, die in gevecht was met de zoon van de verdachte. Het mes waarmee de verdachte aangever heeft gestoken, had een gekartelde snijrand en een lemmet van circa 10 centimeter lang en een maximale breedte van circa 2 centimeter. Als gevolg van het handelen van de verdachte heeft aangever vier steekverwondingen in de rechterbovenrug, één steekverwonding in de rechterborstkas ter hoogte van het sleutelbeen en een klaplong opgelopen. Het hof maakt daaruit op dat de stekende bewegingen door de verdachte met kracht zijn gemaakt.

Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenlichaam vitale organen, zoals het hart en de longen, en belangrijke (slag)aders bevinden. Door iemand meermaals met een mes, zoals het hiervoor genoemde, met kracht in het bovenlichaam te steken, bestaat de kans dat een vitaal orgaan en/of slagader wordt geraakt en dat die persoon daardoor komt te overlijden. Naar het oordeel van het hof is die kans naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. De verdachte moet zich van die kans dan ook bewust zijn geweest.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof voorts vast dat de verdachte direct na het incident 112 heeft gebeld. Tegen de centralist heeft de verdachte onder meer gezegd dat zij aangever, toen hij de zoon van de verdachte aanviel en aan het slaan was, een paar keer met een keukenmes heeft gestoken waar zij kon steken en dat zij is blijven steken tot hij haar zoon losliet. Zoals hiervoor reeds is vastgesteld, heeft de verdachte aangever vier keer in de rechterbovenrug en één keer in de rechterborstkas gestoken. Door aangever met het hiervoor beschreven keukenmes (met kracht) te steken waar zij kon steken en door te blijven steken tot aangever haar zoon losliet, heeft de verdachte de kans dat zij aangever in een vitaal orgaan en/of slagader zou raken waardoor aangever zou komen te overlijden, bewust aanvaard.

Al met al acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangever.

Het hof acht het aan de verdachte primair tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen, een en ander zoals nader omschreven in de bewezenverklaring, opgenomen in het vonnis.

Strafbaarheid

Noodweer

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman primair bepleit dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, Sr, zodat zij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van haar zoon, tegen welke aanranding verdediging noodzakelijk was.

Zowel de verdachte als haar zoon hebben namelijk verklaard dat aangever in de avond van 27 juni 2024 uit het niets de zoon van de verdachte aanviel, waarbij hij hem meermaals heeft geslagen en door de woonkamer heeft gegooid. Uit de verklaringen van de verdachte en haar zoon kan voorts worden opgemaakt dat de zoon van de verdachte niet in staat was om zich op eigen kracht te onttrekken aan de aanranding door aangever. Daarbij speelt een rol dat de zoon van de verdachte gehandicapt, licht verstandelijk beperkt en zeer slechtziend is. Verdediging tegen de aanranding door aangever was dus noodzakelijk, zodat aan het subsidiariteitsvereiste is voldaan, aldus de raadsman. Datzelfde geldt voor het proportionaliteitsvereiste. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de ernst van de aanranding aanzienlijk was, dat, gelet op de verschillen in geslacht, leeftijd en lichaamsbouw tussen aangever (man, geboren in 1973) en de verdachte (vrouw, geboren in 1962) sprake was van een fysieke ongelijkheid tussen beiden en, tot slot, dat de verdachte, alvorens zij overging tot het steken van aangever met een mes, minder ingrijpende middelen heeft aangewend om de aanranding te doen afwenden. Zo heeft de verdachte eerst geroepen dat aangever haar zoon moest loslaten en hem met een plastic fles op zijn rug geslagen.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, Sr, niet kan slagen. Weliswaar was volgens de advocaat-generaal sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de zoon van de verdachte, waartegen verdediging geboden was, doch het door de verdachte toegepaste verdedigingsmiddel – meermalen steken met een mes in het bovenlichaam van aangever – stond niet in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding, zodat aan het proportionaliteitsvereiste niet is voldaan.

Het hof stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, Sr vereist is dat sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed (noodweersituatie), waartegen verdediging noodzakelijk is (subsidiariteitseis). Als de verdachte zich aan de aanranding had kunnen én moeten onttrekken, is niet voldaan aan deze eis. Voorts is vereist dat de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden/proportioneel is (proportionaliteitseis). Van belang in dat verband is of de gedraging van de verdachte – als verdedigingsmiddel – niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. Bij de vraag of aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit is voldaan, kan de persoon van degene die zich op noodweer beroept van belang zijn. Van de ene persoon mag bijvoorbeeld op grond van zijn hoedanigheid of bijzondere vaardigheden meer worden gevergd op het vlak van de proportionaliteit dan van een ander.

Voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop een beroep op noodweer steunt, geldt – anders dan voor de beslissing over de bewezenverklaring – niet als maatstaf dat deze feiten en omstandigheden zich ‘buiten redelijke twijfel’ hebben voorgedaan. Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er slechts om dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden, staat enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, in het bijzonder de verklaringen van de verdachte en haar zoon, leidt het hof, met het oog op het door de verdediging gevoerde noodweerverweer, de volgende feiten en omstandigheden af. Het hof acht deze feiten en omstandigheden aannemelijk geworden.

In de avond van 27 juni 2024 bevonden de verdachte, op dat moment 62 jaar oud, haar toen vijftienjarige zoon, die geestelijk en lichamelijk beperkt, slechthorend en slechtziend is, en aangever, op dat moment 51 jaar oud, zich in de (kleine) woonkamer van de woning van de verdachte aan de [pleegplaats] . De verdachte zou de vloer van haar woonkamer (laten) vervangen en wilde op voornoemde avond de meubels en oude vloer uit de woonkamer verwijderen. Aangever en haar zoon zouden de verdachte hierbij helpen. Op enig moment, nadat de verdachte en haar zoon tegen aangever hadden gezegd dat hij weg moest gaan, viel aangever zeer onverwacht en zonder aanleiding de zoon van de verdachte aan en begon hem, onder meer tegen zijn hoofd, te stompen en te slaan. Daarop heeft de zoon van de verdachte zich proberen te verweren en (in zijn eigen woorden) een beetje teruggeslagen, maar aangever bleef hem slaan, pakte hem vast en liet hem niet los. Verbalisant [verbalisant 8] , die na het incident ter plaatse kwam, constateerde dat in het shirt dat de zoon van de verdachte droeg, meerdere gaten en scheuren zaten. De verdachte zag dat haar zoon werd aangevallen door aangever en niet uit eigen beweging weg kon komen. Daarop heeft de verdachte aangever aan zijn shirt en aan zijn haren getrokken, geroepen dat hij moest stoppen en van haar zoon moest afblijven en hem, aangever, met een deels gevulde plastic fles op zijn rug geslagen. Omdat aangever de zoon van de verdachte niet losliet en bleef stompen en slaan, heeft de verdachte een keukenmes gepakt en aangever daarmee gestoken, waarvan vier keer in de rechterbovenrug en één keer in de rechterborstkas. Op dat moment liet aangever de zoon van de verdachte los en verliet hij de woning. Vrijwel direct daarna hebben de verdachte en haar zoon 112 gebeld en is de politie ter plaatse gekomen.

Het hof is van oordeel dat de gedragingen van aangever in de avond van 27 juni 2024 – het plotseling en zonder aanleiding (onophoudelijk) slaan en stompen van de zoon van de verdachte, onder meer tegen zijn hoofd, hem vasthouden en niet loslaten – kunnen worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de zoon van de verdachte. Het lukte de zoon van de verdachte niet om zich uit eigen beweging aan deze aanranding te onttrekken. Daarbij is van belang dat aangever ten tijde van de aanval 51 jaar oud was, terwijl de zoon van de verdachte slechts 15 jaar oud was. Hoewel de zoon van de verdachte volgens de verklaring van de verdachte bij de politie “een boom van een kerel” was en is, is hij ook geestelijk en lichamelijk beperkt, slechthorend en slechtziend. Omdat aangever, ondanks weerstand van de zoon van de verdachte en dringende verzoeken van de verdachte om de aanranding te staken, de aanranding onophoudelijk voortzette, is het hof van oordeel dat de verdachte, die haar zoon immers niet alleen kon laten bij aangever, genoodzaakt was het lijf van haar zoon te verdedigen tegen de aanranding. Met de rechtbank is het hof evenwel van oordeel dat de gedraging van de verdachte – het vijfmaal met een (kartel)mes steken in het bovenlichaam van aangever – als verdedigingsmiddel niet in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding. Dat de verdachte eerst heeft geprobeerd de aanranding met minder ingrijpende middelen af te weren – zij heeft aangever aan zijn shirt en haar getrokken en hem met een deels gevulde waterfles op zijn rug geslagen – doet aan voorgaand oordeel van het hof niet af.

Het hof merkt op dat de verdachte, al tijdens het politieverhoor op 28 juni 2024, verklaard heeft dat zij tijdens de aanval op haar zoon hoorde dat aangever tegen haar zoon zei dat hij hem zou vermoorden/doden, dat zij dacht en vreesde dat aangever dit ook echt zou doen en dat zij daarop het keukenmes heeft gepakt en aangever is gaan steken. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft de verdachte dit herhaald. De zoon van de verdachte is bij zijn politieverhoor met voormelde verklaring van de verdachte geconfronteerd en heeft daarop desgevraagd verklaard dat hij niet gehoord heeft dat aangever dit gezegd heeft. Desalniettemin acht het hof de verklaring van de verdachte (ook) op dit punt betrouwbaar en aannemelijk. Daarbij overweegt het hof dat het, gelet op de omstandigheden dat de zoon van de verdachte slechthorend is en door aangever werd aangevallen en op zijn hoofd geslagen, goed mogelijk is dat die zoon niet alles wat tijdens de aanranding (een plotselinge gevechtssituatie) door aangever en/of de verdachte gezegd is, heeft meegekregen. Het hof ziet verder geen reden om aan de verklaring van de verdachte te twijfelen.

Het hof is van oordeel dat de opmerking van aangever dat hij de zoon van de verdachte zou vermoorden/doden weliswaar de aanranding door aangever ernstiger en de noodzaak tot verdediging groter en pregnanter maakt, doch dat de gedraging van de verdachte – het vijfmaal met een (kartel)mes steken in het bovenlichaam van aangever – als verdedigingsmiddel ook dan niet in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding.

Aan het proportionaliteitsvereiste is aldus niet voldaan, zodat het beroep van de verdediging op noodweer niet kan slagen.

Met de rechtbank acht het hof het bewezenverklaarde feit, door de rechtbank terecht gekwalificeerd als poging tot doodslag, strafbaar.

Noodweerexces

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman subsidiair bepleit dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Sr, zodat zij om die reden dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat bij de verdachte als gevolg van de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van haar zoon door aangever waaraan haar zoon zich niet uit eigen beweging kon onttrekken en waartegen verdediging (derhalve) noodzakelijk was, een hevige gemoedsbeweging (angst en paniek) ontstond, die er vervolgens toe heeft geleid dat de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging mogelijk heeft overschreden. De raadsman heeft benadrukt dat de verdachte op 27 juni 2024 weliswaar al lange tijd met aangever in conflict was, maar dat dit conflict niet de aanleiding was voor het handelen van de verdachte. Die aanleiding was namelijk de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van haar zoon door aangever, aldus de raadsman. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat uit het feit dat verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , die na het incident ter plaatse zijn gegaan, in het door hen opgestelde proces-verbaal hebben opgeschreven dat de verdachte op dat moment rustig was en meewerkte, niet kan worden afgeleid dat de verdachte niet (daarvoor) in een hevige gemoedsbeweging verkeerde. Het is immers goed mogelijk dat de verdachte op dat moment in shock was. Daar komt bij dat de moeder van de verdachte, met wie de verdachte direct na het incident telefonisch contact had opgenomen, verklaard heeft dat haar dochter verward op haar overkwam. Tot slot heeft de raadsman het hof erop gewezen dat, mocht het hof aannemen dat de verdachte, zoals door de zoon van de verdachte is verklaard, tegen aangever heeft gezegd dat ze een mes ging pakken, uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat ‘bewust handelen’ niet zonder meer onverenigbaar is met het vereiste van “een hevige gemoedsbeweging”, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Sr.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Sr, niet kan slagen. Daartoe heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat bij de verdachte weliswaar sprake was van een hevige gemoedsbeweging als gevolg van de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van haar zoon door aangever, doch dat het disproportionele handelen van de verdachte jegens aangever – het vijfmaal met een (kartel)mes steken in het bovenlichaam van aangever – niet het onmiddellijke gevolg was van deze hevige gemoedsbeweging, maar van een reeds eerder bij de verdachte bestaande emotie jegens aangever.

Het hof stelt voorop dat noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Sr in beeld kan komen als aan alle vereisten voor noodweer is voldaan, behalve aan het proportionaliteitsvereiste omdat sprake is van een al dan niet verontschuldigbare “overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging”. Van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan sprake zijn indien:

Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging van de verdachte het “onmiddellijk gevolg” moet zijn van een “hevige gemoedsbeweging” die is veroorzaakt door een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding – het vereiste van dubbele causaliteit – volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid, jegens het slachtoffer. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde “onmiddellijk gevolg”, kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. Voorts kan het tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling van belang zijn.

Het hof heeft hiervoor onder Noodweer reeds overwogen dat de verdediging van de verdachte tegen de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van haar zoon door aangever weliswaar noodzakelijk, maar niet proportioneel was. Naar het oordeel van het hof was aldus sprake van een overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging. De vraag die het hof vervolgens dient te beantwoorden, is of deze overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging verontschuldigbaar en daarom niet strafbaar is.

Voor wat betreft de feiten en omstandigheden die het hof in casu aannemelijk acht en derhalve aanneemt, verwijst het hof naar hetgeen hiervoor onder Noodweer is overwogen. In aanvulling daarop leidt het hof uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, in het bijzonder de verklaringen van de verdachte en haar zoon, met het oog op het door de verdediging gedane beroep op noodweerexces, de volgende feiten en omstandigheden af. Het hof acht ook deze feiten en omstandigheden aannemelijk geworden.

In de avond van 27 juni 2024 te [pleegplaats] was sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de zoon van de verdachte door aangever, tegen welke aanranding verdediging noodzakelijk was. De zoon van de verdachte was niet in staat om zich uit eigen beweging aan de aanranding te onttrekken en aangever bleef, ondanks weerstand van de zoon en dringende verzoeken en pogingen van de verdachte om de aanranding te staken, de zoon vasthouden, slaan en stompen. De verdachte zag de angst in de ogen van haar zoon en raakte in paniek. Op het moment dat zij aangever hoorde zeggen dat hij haar zoon zou vermoorden/doden, sloegen bij haar, zo verklaarde zij bij de politie, de stoppen door. De verdachte was bang dat aangever daartoe daadwerkelijk zou overgaan. Tijdens het tweede verhoor bij de politie heeft de verdachte dienaangaande verklaard dat zij wist dat aangever gevaarlijk was en dat zij om die reden een dergelijke opmerking van aangever (“ik maak je wel dood”) serieus neemt. Vervolgens pakte de verdachte van het aanrecht in de (deels open) keuken, op korte afstand van waar aangever en de zoon van de verdachte zich bevonden, een (kartel)mes. Daarmee heeft zij aangever vijf keer in zijn bovenlichaam gestoken. Hierna liet aangever de zoon van de verdachte los en verliet hij de woning.

Uit het dossier volgt dat de verdachte in de maanden voorafgaand aan 27 juni 2024 bij de politie verschillende meldingen had gedaan van bedreiging, mishandeling en afpersing door aangever. Naar aanleiding van één van deze meldingen – in het dossier wordt gesproken van een casus van huiselijk geweld – is aan aangever zelfs een huis-/contactverbod met betrekking tot (de woning van) de verdachte opgelegd. Ook heeft de verdachte verklaard dat aangever drugsverslaafd en als gevolg daarvan soms erg onvoorspelbaar was en dat hij wel eens stemmen in zijn hoofd hoorde en psychotisch was.

Uit het reclasseringsadvies d.d. 9 juli 2024 volgt voorts dat de wijkagent van de wijk waarin de verdachte woonachtig was tegen de reclassering heeft verteld dat aangever de verdachte volledig controleerde, dat de verdachte geen vrije keuze had om nee te zeggen tegen aangever en dat de verdachte door (de familie van) aangever, die in het huis achter dat van de verdachte woonde, constant in de gaten werd gehouden.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat bij de verdachte naar aanleiding van de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van haar zoon door aangever een hevige gemoedsbeweging is ontstaan. Deze hevige gemoedsbeweging was het onmiddellijke gevolg van de aanranding door aangever en niet van een al eerder bij de verdachte jegens aangever bestaande emotie, zoals kwaadheid. Weliswaar was op de datum van het incident sprake van een reeds langdurig conflict tussen de verdachte en aangever, maar dit conflict vormde naar het oordeel van het hof niet de aanleiding voor het handelen van de verdachte. In dat verband merkt het hof op dat de verdachte, na het verbreken van de relatie met aangever, zelf de hulp had ingeroepen van aangever bij de verbouwing van haar keuken en de herinrichting van de woonkamer. Het hof acht wel aannemelijk dat de gebeurtenissen tussen de verdachte en aangever die voorafgingen aan het incident, invloed kunnen hebben gehad op het ontstaan van de hevige gemoedsbeweging bij de verdachte. De verdachte had – blijkens de hiervoor genoemde meldingen – in het verleden namelijk meer dan eens ervaren dat aangever agressief en onvoorspelbaar kon zijn, zodat de vrees dat hij, mede gelet op de door hem geuite bedreiging jegens de zoon van de verdachte, te ver zou gaan in de uitoefening van het geweld tegen die zoon niet ongefundeerd was.

In het requisitoir van de advocaat-generaal wordt groot gewicht toegekend aan de verklaring van de zoon van de verdachte dat hij zijn moeder heeft horen roepen dat zij een mes ging pakken in de keuken. De verdachte heeft echter steeds ontkend dit te hebben geroepen. Ook aangever heeft niet verklaard dat hij de verdachte iets dergelijks heeft horen roepen. Daarbij tekent het hof aan dat de zoon van de verdachte slechthorend is. Dit alles maakt dat het hof niet kan vaststellen dat de verdachte een dergelijke uitlating zou hebben gedaan, zodat het hof hieraan voorbijgaat, wat er verder ook van zij. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat, zoals de raadsman van de verdachte terecht heeft aangevoerd, uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat ‘bewust handelen’ niet zonder meer onverenigbaar is met het vereiste van “een hevige gemoedsbeweging”, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Sr.

Ten overvloede merkt het hof nog op dat de raadsman eveneens terecht heeft aangevoerd dat uit het feit dat verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , die na het incident ter plaatse zijn gegaan, in het door hen opgestelde proces-verbaal hebben opgeschreven dat de verdachte op dat moment rustig was en meewerkte, niet kan worden afgeleid dat de verdachte niet (daarvoor) in een hevige gemoedsbeweging verkeerde. Dat de verdachte na het incident rustig was, kan immers allerlei oorzaken hebben en daarbij is het goed mogelijk dat de verdachte in shock was.

Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat aan de vereisten van noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Sr, is voldaan. Dit betekent dat de verdachte niet strafbaar is voor het bewezenverklaarde en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Beslag

Het hof stelt vast dat het mes waarmee de verdachte aangever op 27 juni 2024 gestoken heeft, in beslag is genomen. Anders dan de rechtbank, is het hof niet van oordeel dat dit mes van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Het hof zal daarom niet overgaan tot onttrekking van het mes aan het verkeer.

Wel is het hof van oordeel dat het inbeslaggenomen mes vatbaar is voor verbeurdverklaring. Ten tijde van het bewezenverklaarde behoorde dit mes immers toe aan de verdachte en voorts heeft de verdachte het bewezenverklaarde met behulp van dit mes begaan. Het hof zal het mes dan ook verbeurd verklaren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing met betrekking tot het beslag en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een mes (goednummer: PL2100-2024139084-G2221445).

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door:

mr. A.J. Henzen, voorzitter,

mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. A.C. van Campen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,

en op 12 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. O.A.J.M. Lavrijssen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A.J. Henzen
  • mr. O.A.J.M. Lavrijssen
  • mr. A.C. van Campen

Griffier

  • mr. S. Kerssies

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?