Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 26 september 2023 gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 10 november 2016, parketnummer 04-990003-12 in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1961,
wonende te [adres] .
Procesverloop
De verdachte is bij vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 10 november 2016 vrijgesproken van het aan hem onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde en ter zake van:
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Bij arrest van 27 mei 2021 (parketnummer 20-003596-16) heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het vonnis vernietigd, de verdachte vrijgesproken van het aan hem onder 1 primair en subsidiair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde en de verdachte ter zake van:
- feitelijk leiding geven aan het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen
gepleegd (het onder 2 subsidiair en het onder 3 subsidiair tenlastegelegde);
- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en
het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen
gepleegd en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd (het onder 4 tenlastegelegde) en
- handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (het onder 5 tenlastegelegde)
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. De vordering van het Openbaar Ministerie tot oplegging van een maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht is afgewezen.
Namens de verdachte is op 4 juni 2023 tegen voormeld arrest cassatieberoep ingesteld.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 26 september 2023 (rolnummer 21/02346) het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 mei 2021 vernietigd, maar uitsluitend voor wat betreft de kwalificatie van het onder 4 bewezenverklaarde voorhanden hebben van munitie en de strafoplegging. De Hoge Raad kwalificeert het onder 4 bewezenverklaarde voorhanden hebben van munitie opnieuw als: ‘handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie’. De zaak is teruggewezen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien van de strafoplegging opnieuw wordt berecht en afgedaan. Voor het overige is het beroep verworpen.
Omvang van het hoger beroep na verwijzing door de Hoge Raad
De Hoge Raad heeft het bestreden arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 mei 2021 partieel vernietigd, te weten uitsluitend wat betreft de kwalificatie van het onder 4 bewezenverklaarde voorhanden hebben van munitie en de strafoplegging. De Hoge Raad heeft bij arrest deze kwalificatie verbeterd. Het hof dient daarom thans uitsluitend een oordeel te geven over de strafoplegging. Ingevolge jurisprudentie van de Hoge Raad (zie het arrest van 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:36622) is het hof van oordeel dat de beslissing omtrent de vordering tot oplegging van een maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht hier eveneens onder valt en derhalve zal het hof tevens hieromtrent een beslissing nemen.
In zoverre zal het hof de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw berechten en afdoen. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat thans – na verwijzing – nog aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof een maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal opleggen conform het ingediende verzoek ten behoeve van de slachtoffers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] en [slachtoffer 13] .
De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd. Met betrekking tot de vordering tot oplegging van een maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht heeft de verdediging bepleit dat het hof deze vordering zal afwijzen.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Het hof overweegt, grotendeels overeenkomstig de rechtbank, als volgt. De verdachte heeft gedurende een aanzienlijke tijd, te weten drie jaar, als directeur, feitelijk leiding gegeven aan het medeplegen van valsheid in geschrift binnen diens onderneming [naam onderneming] . Met behulp van geraffineerde afroommodules werden de salarissen van Poolse pluksters, die werkzaam waren bij [naam onderneming] , op verschillende wijzen afgeroomd. Vanaf 2011 waren er drie afroommodules ingebouwd in het tijdregistratiesysteem: de klokophaalpercentagemodule (welke vanaf juni 2011 naar 90 procent en in twee gevallen zelfs naar 85 procent is ingesteld), de correctiefactor van 30 tot 40 procent op de negatieve plukprestatie en de module die ervoor zorgde dat de pauzetijden met een standaard duur automatisch werden verwerkt in het tijdregistratiesysteem terwijl de daadwerkelijk genoten pauzetijden korter waren. Door invoering van deze modules bij enkel ‘Polenprofiel 13’ werden de Poolse pluksters stelselmatig gekort in hun uren en kwamen de daadwerkelijke gewerkte uren niet overeen met hetgeen vermeld stond op de salarisstroken.
Binnen [naam onderneming] paste het gebruik van de afroommodules binnen de normale bedrijfsvoering, waardoor iedere Poolse plukster – in ieder geval na invoering van de klokkingen en de afroommodules in 2011 tot het uitschakelen daarvan in augustus 2012 – in meer of mindere mate is getroffen door het afromen van de door haar gewerkte uren. Ook delen van de bedrijfsadministratie, gebaseerd op deze afgeroomde uren, werden door de werking van deze afroommodules valselijk opgemaakt. Gelet op het stelselmatig karakter van de door de verdachte gepleegde feiten en de duur van de periode waarin hij deze gepleegd heeft, is het hof van oordeel dat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Het hof slaat in dit verband tevens acht op het feit dat de verdachte, noch bij de opsporingsdienst, noch ter terechtzitting in eerste aanleg dan wel in hoger beroep, inzicht heeft getoond in de laakbaarheid van zijn handelen en daarvoor de verantwoordelijkheid op zich heeft genomen.
Daarnaast heeft de verdachte twee vuurwapens, een geluidsdemper en 306 patronen voorhanden gehad. Dergelijke wapens worden in toenemende mate gebruikt bij het plegen van strafbare feiten. Het bezit van vuurwapens leidt bovendien regelmatig tot het gebruik ervan, met gevaar voor betrokkenen en toevallig aanwezige derden tot gevolg. Ongecontroleerd vuurwapenbezit brengt aldus een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van anderen mee en veroorzaakt gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 november 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. In dat kader heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij aandeelhouder is in het bedrijf [naam bedrijf] , waar hij een dubbelrol heeft; het inwerken van zijn dochter als bestuurder en het verder ontwikkelen van een met behulp van AI gestuurde oogstsysteem. Ten behoeve van dit bedrijf en de innovatie die daar plaatsvindt is volgens de verdachte een investering gedaan van 5 miljoen euro. De verdachte geeft aan onmisbaar te zijn binnen het bedrijf. Tevens heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij een koopwoning heeft, evenals een aanzienlijke schuld.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De door de verdachte naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden maken dit niet anders.
Met betrekking tot het procesverloop en de duur daarvan, overweegt het hof het navolgende.
Het hof stelt voorop dat iedere verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft in deze zaak naar vaste rechtspraak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Bovendien heeft in onderhavige zaak als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de fases van hoger beroep en cassatie telkens dienen te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat het beroep is ingesteld.
Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat in de onderhavige strafzaak de redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 28 januari 2013, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft vervolgens vonnis gewezen op 10 november 2016. In eerste aanleg is derhalve sprake van een schending van de redelijke termijn met een periode van ruim één jaar en negen maanden. Namens de verdachte is op 23 november 2016 hoger beroep ingesteld. Het hof heeft arrest gewezen op 27 mei 2021. In hoger beroep is aldus tevens sprake van een termijnoverschrijding. Deze overschrijding van de redelijke termijn bedraagt ruim twee jaren en zes maanden. Vervolgens is op 4 juni 2021 cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 26 september 2023 arrest gewezen, waarbij de zaak is teruggewezen naar dit hof opdat de zaak op het bestaande hoger beroep gedeeltelijk opnieuw wordt berecht en afgedaan. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt in de cassatiefase daarmee ongeveer vijf maanden. Het hof zal bij arrest van heden – 18 maart 2026 – eindarrest wijzen. Hierdoor is de redelijke termijn in hoger beroep (tweede behandeling) met ongeveer zes maanden overschreden.
Het hof stelt derhalve vast dat de overschrijding van de redelijke termijn in zijn totaliteit met vijf jaren en ongeveer twee maanden is overschreden. Van bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop, althans de overschrijding van de redelijke termijn, rechtvaardigen is het hof niet gebleken. Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de straftoemeting.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is. Nu de redelijke termijn is geschonden als voormeld, zal worden volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Ten overvloede overweegt het hof dat als zou zijn uitgegaan van het door de verdediging bepleite aanvangsmoment van de redelijke termijn in eerste aanleg, het hof tot dezelfde strafoplegging zou zijn gekomen als hiervoor vermeld.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Schadevergoedingsmaatregel
In eerste aanleg hebben zich geen slachtoffers gevoegd als benadeelde partij als gevolg van
een omissie aan de zijde van de ondersteuning van de slachtoffers. Het Openbaar Ministerie
acht het wenselijk dat toch aan diverse ex-werknemers van [naam onderneming] een schadevergoeding wordt verstrekt op basis van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Op 24 juli 2020 is aan alle procespartijen een overzicht van de schade per ex-werknemer ter beschikking gesteld. In september 2020 is een nadere schriftelijke onderbouwing hiervan overgelegd aan alle procespartijen. Op 26 april 2021 zijn namens de slachtoffers voornoemde stukken overgelegd, een aanvullende verklaring afgelegd en is een schriftelijke onderbouwing overgelegd door [advocaat] , advocaat namens een aantal slachtoffers. Bij e-mailbericht van 12 februari 2026 is namens de slachtoffers een toelichting, met bijlagen, op het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aan alle procespartijen verstrekt. Op 4 maart 2026 zijn nog een tweetal bijlagen ingebracht. Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 4 maart 2026 is hierop namens de slachtoffers door [advocaat 2] en [advocaat 3] een nadere toelichting gegeven.
Met betrekking tot de gevorderde schadevergoedingsmaatregel overweegt het hof als volgt. Hoewel in het kader van de tweede behandeling in hoger beroep een nadere toelichting ten aanzien van het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel is overgelegd namens de slachtoffers en dit ter terechtzitting is toegelicht, waarmee het verzoek wellicht (enigszins) vereenvoudigd is, is het hof van oordeel dat het vaststellen van de schade nog steeds een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Het hof weegt daarbij mee dat de gestelde schade in al zijn onderdelen gemotiveerd, op een of meerdere, grondslagen is betwist. Het hof is van oordeel dat een zorgvuldige beoordeling nader onderzoek vergt, in de vorm van een nadere conclusiewisseling en vervolgens een nader debat ter terechtzitting en daar is in deze procedure geen ruimte voor. Zonder grondig nader onderzoek is de daadwerkelijk geleden schade als gevolg van de valsheid in geschrift dan ook niet vast te stellen. Derhalve zal het hof de vordering tot oplegging van een maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht afwijzen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst af de vordering van het Openbaar Ministerie tot oplegging van een maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
Aldus gewezen door:
mr. L.G.J.M. van Ekert, voorzitter,
mr. T. van de Woestijne en mr. M. van der Horst, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,
en op 18 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.