GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/1039 tot en met 24/1048
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 3 juli 2024, nummers BRE-23/2383 tot en met BRE-23/2392, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft voor de jaren 2007 tot en met 2016 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd (hierna: de aanslagen). Bij gelijktijdige beschikkingen is aan belanghebbende heffingsrente of belastingrente in rekening gebracht of vergoed.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen alle onder 1.1 genoemde aanslagen en beschikkingen. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft de bezwaren vervolgens aangemerkt als verzoeken tot ambtshalve vermindering en deze verzoeken ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep deels niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.
2. Feiten
De inspecteur heeft aan belanghebbende aanslagen IB/PVV voor de jaren 2007 tot en met 2016 opgelegd, waarbij steeds (onder meer) een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is vastgesteld.
Belanghebbende heeft bij brief van 13 januari 2022, ingekomen bij de inspecteur op 17 januari 2022, bezwaar gemaakt tegen het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen dat bij de aanslagen IB/PVV 2007 tot en met 2016 door de inspecteur is vastgesteld.
De inspecteur heeft op 7 april 2023 uitspraken op de bezwaren gedaan. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn. Vervolgens heeft de inspecteur besloten om de aanslagen IB/PVV 2007 tot en met 2016 niet ambtshalve te verminderen.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de bezwaren niet binnen de termijn van zes weken zijn ontvangen en ook niet zijn ontvangen binnen één week na afloop van de termijn. De rechtbank heeft geen redenen gezien om deze termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat de inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De rechtbank heeft voor de aanslagen voor de jaren 2007 tot en met 2009 geoordeeld dat zij niet toekomt aan een beoordeling of de verzoeken tot ambtshalve vermindering voor deze jaren terecht zijn afgewezen. De rechtbank heeft overwogen dat de mogelijkheid tot ambtshalve vermindering is gebaseerd op artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001, dat dit artikel pas is ingevoerd per 1 januari 2010 en dus niet geldt voor de jaren 2007 tot en met 2009. Het beroep is om deze reden voor deze jaren niet-ontvankelijk verklaard. Voor de jaren 2010 tot en met 2016 bestond deze mogelijkheid wel, maar ten aanzien van die jaren heeft de rechtbank geoordeeld dat het verzoek is ingediend na de daarvoor geldende termijn van vijf jaren. De rechtbank heeft het beroep voor de jaren 2010 tot en met 2016 daarom ongegrond verklaard.
3. Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
Heeft de inspecteur de bezwaarschriften tegen de aanslagen terecht niet-ontvankelijk verklaard?
Heeft de inspecteur de verzoeken tot ambtshalve vermindering van de aanslagen terecht afgewezen?
Belanghebbende concludeert tot een ontkennend antwoord op beide vragen en tot een vermindering van de aanslagen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4. Gronden
Ten aanzien van het geschil
Het hof begrijpt de stellingen van belanghebbende aldus, dat hij niet betwist dat zijn bezwaren op grond van de wettelijke bepalingen te laat zijn ingediend, maar dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is en dat deze wettelijke bepalingen in dit geval geen toepassing behoren te krijgen. Belanghebbende stelt dat pas sinds het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 bekend is dat het toenmalige stelsel van heffing van inkomstenbelasting in box 3 een inbreuk vormt op het discriminatieverbod in artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) en de bescherming van het eigendomsrecht in artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij dat verdrag. Belanghebbende stelt dat hij daardoor niet eerder bezwaar kon maken dan hij heeft gedaan. Belanghebbende stelt verder dat hij schade heeft geleden door onrechtmatige heffing van inkomstenbelasting en dat deze schade moet worden gecompenseerd, zoals in Nederland iedereen een door hem of haar veroorzaakte schade behoort te vergoeden.
De inspecteur stelt dat hij de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en terecht geen ambtshalve vermindering heeft verleend.
Tussen partijen is niet in geschil dat de bezwaren van belanghebbende zijn gemaakt na de daarvoor geldende termijn. Hetzelfde geldt voor de verzoeken tot ambtshalve vermindering van de aanslagen. Voorzover belanghebbende stelt dat deze termijnoverschrijdingen verschoonbaar zijn in de zin van artikel 6:11 van de Awb, verwerpt het hof deze stelling. Belanghebbende was in staat om tijdig bezwaar te maken respectievelijk verzoeken tot ambtshalve vermindering in te dienen, maar zag daar destijds geen of onvoldoende reden voor. Een nadien opgekomen reden kan echter niet bewerkstelligen dat een inmiddels niet-verschoonbare termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt.
Voorzover belanghebbende betoogt dat de toepassing van de verjaringstermijn voor verzoeken tot ambtshalve vermindering van aanslagen in dit geval onredelijk en onevenredig is, geldt ten eerste dat het hof niet bevoegd is om een uitspraak over de redelijkheid van de wet te doen. De rechter moet volgens de wet recht spreken: hij mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet beoordelen. Daarnaast kan het hof alleen bepalen dat de toepassing van een wet onevenredig is, als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afwegingen van de wetgever. Naar het oordeel van het hof is dat hier niet het geval. Een wettelijke verjaringstermijn heeft naar haar aard juist de bedoeling om het verleden definitief af te sluiten, ook als achteraf bezien materieel reden zou bestaan voor een teruggaaf (of navordering) van belasting. Dit leidt enerzijds voor zowel de belastingplichtige als de inspecteur tot rechtszekerheid, maar anderzijds een voor beide partijen gelijk risico dat niet kan worden teruggekomen op een materieel onjuiste belastingheffing.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.
5. Beslissing
Het hof:
De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, W.W. Monteiro en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
en afschriften van de uitspraak zijn op die datum is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters E.P.A. Brakeboer
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.