Parketnummer : 20-001282-25
Uitspraak : 17 maart 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 13 mei 2025, parketnummer 02-012844-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 96-010508-22, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,
laatstelijk ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres 1] ,
volgens opgave van de raadsvrouw van de verdachte thans gedetineerd in Gent (België).
Hoger beroep
De politierechter heeft de verdachte, bij vonnis waarvan beroep, vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde. Voorts heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ (feit 1) en tweemaal ‘overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 3 en feit 5) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken, met aftrek van voorarrest. De politierechter heeft de verdachte daarnaast ter zake van ‘overtreding van artikel 5 van de ‘Wegenverkeerswet 1994’ (feit 4) veroordeeld tot een geldboete ten bedrage van € 500,00, subsidiair tien dagen hechtenis. Verder heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] afgewezen en de benadeelde partij veroordeeld in de proceskosten, tot op heden begroot op nihil. Ten slotte heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de onder parketnummer 96-010508-22 eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit. Voorts heeft de raadsvrouw een straftoemetingsverweer gevoerd.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is door politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 2 oktober 2024 te Terneuzen, een ambtenaar, [slachtoffer] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door die [slachtoffer] tegen de hand, althans tegen het lichaam te raken met het portier aan de bestuurderszijde van het door verdachte bestuurde motorrijtuig;
3.hij op of omstreeks 2 oktober 2024 te Terneuzen terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, Bellamystraat , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;
4.hij op of omstreeks 2 oktober 2024 te Terneuzen als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Kennedylaan en/of de weg, Grenulaan en/of de weg, Nieuwediepstraat en/of de weg, Meester F.J. Haarmanweg en/of de weg, Hoofdweg en/of de weg, Guido Gezellestraat ,
- op de Kennedylaan met slippende banden is weggereden en/of,
- op de Nieuwediepstraat onvoldoende zijn snelheid heeft geminderd bij het naderen van een of meerdere (scherpe) bocht(en) en/of,
- op de Grenulaan plotseling (hard) heeft geremd en zijn voertuig tot stilstand gebracht en/of,
- op de Meester F.J. Haarmanweg met een hogere snelheid dan de aldaar voor personenauto’s toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur heeft gereden en/of in elk geval gereden met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was en/of,
- op de Hoofdweg slingerbeweging heeft gemaakt en/of, op de kruising van de Hoofdweg met de Guido Gezellestraat geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij, verdachte, niet gestopt voor een voor zijn, verdachtes rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
5.hij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Terneuzen terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, Spuiweg , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij op 2 oktober 2024 te Terneuzen, een ambtenaar, [slachtoffer] , gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door die [slachtoffer] tegen de hand te raken met het portier aan de bestuurderszijde van het door verdachte bestuurde motorrijtuig;
3.hij op 2 oktober 2024 te Terneuzen terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, Bellamystraat , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto) van die categorie heeft bestuurd;
4.hij op 2 oktober 2024 te Terneuzen als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Kennedylaan en de weg Grenulaan en de weg Nieuwediepstraat en de weg Meester F.J. Haarmanweg en de weg Hoofdweg en de weg Guido Gezellestraat ,
- op de Kennedylaan met slippende banden is weggereden en
- op de Nieuwediepstraat onvoldoende zijn snelheid heeft geminderd bij het naderen van meerdere scherpe bochten en
- op de Grenulaan plotseling hard heeft geremd en zijn voertuig tot stilstand gebracht en
- op de Meester F.J. Haarmanweg met een hogere snelheid dan de aldaar voor personenauto’s toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur heeft gereden en gereden met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was en
- op de Hoofdweg slingerbewegingen heeft gemaakt en
- op de kruising van de Hoofdweg met de Guido Gezellestraat geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij, verdachte, niet gestopt voor een voor zijn, verdachtes, rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde,
door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd;
5.hij op 4 oktober 2024 te Terneuzen terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, Spuiweg , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, registratienummer PL2000-2024254452, gesloten d.d. 23 oktober 2024, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, doorgenummerde pagina’s 1-69. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen het bewijs dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan.
Ten aanzien van feit 1 en feit 4:
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 2 oktober 2024 (pg. 26-28), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer] :
Ik wil aangifte doen van mishandeling tegen mij als opsporingsambtenaar van de politie gedurende de rechtmatige uitoefening van mijn bediening.
Op 2 oktober 2024 was ik aan het werk voor de politie basisteam Zeeuws-Vlaanderen van de eenheid Zeeland-West-Brabant te Terneuzen. Ik was in uniform gekleed en ik was duidelijk herkenbaar als een opsporingsambtenaar van de politie. Ik reed in een als zodanig herkenbaar politievoertuig.
Ik werd door de meldkamer naar een melding van een mishandeling gestuurd. Het betrof de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] . [verdachte] had een ongeldig verklaard rijbewijs en was met de auto weggereden. Dit betrof een zwarte Volkswagen personenauto van het model: Polo. Het kenteken van dit voertuig betrof: [kenteken 1] .
Wij zijn met ons opvallende en als zodanig herkenbare politievoertuig aangesloten bij de collega's die achter de auto zaten. Op de Schependijk ter hoogte van het kruispunt met de Grenulaan heb ik de optische- en geluidssignalen van mijn politievoertuig geactiveerd. Ik heb vervolgens de onopvallende politieauto van de collega's en de betreffende Volkswagen Polo gepasseerd via de linker weghelft. Ik heb mijn politievoertuig schuin voor de Volkswagen Polo stilgezet en mijn stop transparant aan de achterzijde aangezet. Ik zag dat het onopvallende politievoertuig dat achter de Volkswagen Polo stond ook zijn "Stop" transparant aan had staan aan de voorzijde van de auto. Ik heb mijn politievoertuig schuin voor de Volkswagen Polo stilgezet en mijn stop transparant aan de achterzijde aangezet. Ik zag dat het onopvallende politievoertuig dat achter de Volkswagen Polo stond ook zijn "Stop" transparant aan had staan aan de voorzijde van de auto.
De collega die bij mij in de auto zat stapte uit en ik stapte vervolgens ook uit. Ik liep naar het bestuurdersportier van de auto. Ik keek in de richting van de bestuurder en zag dat hij in mijn richting keek en mij zag staan. Ik zag dat mijn collega contact maakte met de bestuurder van de Volkswagen Polo. Ik herkende de bestuurder van de Volkswagen Polo als: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] . Wij wilden [verdachte] op heterdaad aanhouden op voor het overtreden van artikel 9 van de Wegenverkeerswet 1994. Ik hoorde dat mijn collega tegen [verdachte] zei dat hij moest uitstappen. Ik zag dat de collega het bestuurdersportier van de Volkswagen Polo waar [verdachte] inzat opende. Vervolgens hoorde ik het geluid van een automotor die toeren maakt. Ik zag dat de Volkswagen Polo begon te bewegen en snel optrok. Ik zag dat het bestuurdersportier Van de Volkswagen Polo mijn kant op kwam en ik zag en voelde dat het portier met snelheid tegen mijn rechterhand aan kwam. Ik voelde dat dit pijn deed.
Vervolgens is er een achtervolging gestart door de binnenstad van Terneuzen die uiteindelijk via de Tractaatweg richting België ging. Deze achtervolging ging gepaard met hoge snelheden en [verdachte] haalde gevaarlijke capriolen uit in het verkeer. Toen wij België in reden reed [verdachte] bij verschillende verkeerslichten met 140 kilometer per uur door rood, waardoor er bijna ongelukken ontstonden. Hierop is besloten dat de achtervolging afgebroken moest worden, omdat het te gevaarlijk werd.
Direct na het afbreken van de achtervolging voelde ik dat de ringvinger van mijn rechterhand zeer deed. Ik voelde dat als ik deze wilde buigen of wilde strekken dit pijn deed. Ik zag dat mijn rechter ringvinger gezwollen was en dikker was dan mijn andere ringvinger, dit terwijl zij normaal even dik zijn. Ik heb direct mijn ring afgedaan. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 02 oktober 2024 met proces-verbaalnummer PL2000-2024254420-2 (los openomen), voor zover inhoudende als relaas verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
Op 2 oktober 2024 omstreeks 19:45 uur zagen wij dat het voertuig, een zwarte Volkswagen Polo voorzien van het kenteken [kenteken 1] die geparkeerd stond tegenover de woning Bellamystraat [huisnummer] in Terneuzen , het parkeervak uit reed en onze kant op kwam rijden. Wij zagen dat het voertuig vlak voor ons langs reed de Zuidlandstraat op. Wij herkenden de bestuurder allebei ambtshalve als [verdachte] geboren op [geboortedag] 1996. Wij volgden het voertuig totdat collega [slachtoffer] en [verbalisant 4] bij ons waren.
Toen wij uiteindelijk de Kennedylaan op reden zagen wij dat collega [slachtoffer] en [verbalisant 4] met hun opvallende dienstvoertuig, met de optische en geluidssignalen aan, het voertuig inhaalden en dat ze deze op de rijbaan afblokten zodat deze niet verder kon rijden. Wij zagen dat collega [slachtoffer] en [verbalisant 4] uit hun dienstvoertuig stapte en naar het voertuig liepen. Ik, [verbalisant 2] , parkeerde ons dienstvoertuig kort achter het voertuig van verdachte [verdachte] . Wij zagen dat collega [verbalisant 4] het bestuurdersportier van het voertuig van verdachte [verdachte] opentrok en dat hij [verdachte] aansprak. Wij zagen en hoorden dat het voertuig plots met slippende banden en op hoge snelheid wegreed. Wij zagen dat collega [slachtoffer] opzij moest springen om niet door het voertuig aangereden te worden.
Wij zaten nog in ons dienstvoertuig en zetten direct de achtervolging in. Wij schakelden hierbij onze optische en geluidssignalen in. Wij zagen dat het voertuig met hoge snelheid de binnenstad in reed en via de Grenulaan de Schoolweg op reed. De binnenstad betreft een 30 kilometer per uur zone en bestaat voornamelijk uit erg smalle straatjes met aan beide kanten woningen en geparkeerde voertuigen. In de binnenstad lopen en fietsen rond dit tijdstip normaliter nog redelijk veel mensen.
Wij zagen dat verdachte [verdachte] met hoge snelheid linksaf de Nieuwediepstraat in reed. De Nieuwediepstraat betreft een vrij smalle straat met verkeer in beide richtingen. Aan beide kanten van de weg staan voertuigen geparkeerd. Wij zagen dat verdachte [verdachte] deze bocht met een zodanig hoge snelheid nam dat hij zijn voertuig nooit op tijd tot stilstand had kunnen brengen als er hier om de bocht iemand had gelopen, gefietst of gereden.
Wij zagen dat hij via de Nieuwediepstraat naar de Grenulaan reed. Wij reden toen vrij kort achter het voertuig en zagen dat hij hier plots hard op zijn rem trapte en tot stilstand kwam. Ik, [verbalisant 2] , kon mijn voertuig nog net op tijd tot stilstand brengen om een aanrijding te voorkomen. Wij kwamen daardoor achter het voertuig stil te staan op een geschatte afstand van enkele centimeters.
Wij zagen dat [verdachte] direct weer verder reed over de Grenulaan . Wij zagen dat hij vanaf de Grenulaan met een geschatte snelheid van 50 kilometer per uur linksaf de Kennedylaan op reed. Deze kruising betreft een vrij onoverzichtelijk kruising. Wij zagen dat [verdachte] bij het links afslaan de bocht afsneed en dat hij langs het tankstation de Kennedylaan opreed. Wij zagen dat hij dit met een zodanig hoge snelheid deed dat hij zijn voertuig nooit tijdig tot stilstand had kunnen brengen als hier een andere weggebruiker had gereden.
Wij zagen dat verdachte [verdachte] zijn weg vervolgde vanaf de Kennedylaan naar de Meester F.J. Haarmanweg . Wij zagen dat hij op de Meester F.J. Haarmanweg met een geschatte snelheid van 90 kilometer per uur een voor hem rijden personenauto inhaalde. Wij zagen dat hij tijdens deze inhaalactie over twee voetgangersoversteekplaatsen reed. Wij zagen dat hij tijdens deze inhaalactie totaal geen zicht had op de eerste voetgangersoversteekplaats. Als er hier een voetganger vanaf rechts naar links de voetgangersoversteekplaats was overgestoken had verdachte [verdachte] zijn voertuig nooit tijdig tot stilstand kunnen brengen of kunnen uitwijken om een aanrijding te voorkomen.
Wij zagen dat verdachte [verdachte] zijn weg vervolgde over de Meester F.J. Haarmanweg in Terneuzen. Dit betreft een weg binnen de bebouwde kom alwaar maximaal 50 kilometer per uur gereden mag worden. Wij zagen op de snelheidsmeter van ons dienstvoertuig dat wij op een gegeven moment 135 kilometer per uur achter het voertuig van verdachte [verdachte] reden. Wij reden toen met een gelijke snelheid als het voertuig van verdachte [verdachte] over een afstand van zeker 1000 meter. Aldus de ijktabel van ons dienstvoertuig, voorzien van kenteken [kenteken 2] , is 135 kilometer per uur geijkt 127 kilometer per uur. Hier gaat nog een wettelijke correctie af van 4 kilometer per uur. De verdachte reed dus met een gecorrigeerde snelheid van 123 kilometer per uur terwijl op deze weg maximaal 50 kilometer per uur is toegestaan. Dit is een snelheidsoverschrijding van 73 kilometer per uur te hard.
Wij zagen dat hij met deze hoge snelheid meerdere voertuigen inhaalde, tegemoetkomende voertuigen passeerde en dat hij met deze snelheid ook diverse kruisingen en tientallen in en uitritten van bedrijven passeerde.
Wij zagen dat verdachte [verdachte] doorreed richting de Hoofdweg in Terneuzen. De Hoofdweg betreft een weg buiten de bebouwde kom alwaar 80 kilometer per uur gereden mag worden. Wij probeerden vervolgens op de Hoofdweg om het voertuig van verdachte [verdachte] te passeren. Wij zagen dat hij met zijn voertuig constant van links naar rechts over de beide rijbanen slingerde om te voorkomen dat wij hem zouden kunnen passeren.
Wij zagen dat verdachte [verdachte] op de kruising Hoofdweg met de Guido Gezellestraat over de rijbaan voor het recht doorgaande verkeer de op rood staande verkeerslichten passeerde en dat hij vervolgens rechtsaf de Guido Gezellestraat op reed. Wij zagen dat er, op het moment dat hij door rood de kruising op reed, net een voertuig passeerde welke kennelijk groen had en zijn weg rechtdoor over de Guido Gezellestraat wilde vervolgen. De weg waarop dit voertuig reed betreft eveneens een weg buiten de bebouwde kom alwaar 80 kilometer per uur gereden mag worden. Beide bestuurders hadden hun voertuig nooit tijdig tot stilstand kunnen brengen om een aanrijding te voorkomen en passeerden elkaar op enkele meters.
Wij zagen dat verdachte [verdachte] via de Guido Gezellestraat onder de Tractaatweg door reed en dat hij hier de rotonde linksom nam en zo de Tratctaatweg op reed. Wij zagen dat hij zijn snelheid hier opvoerde naar 178 kilometer per uur. Tijdens de gehele rit over de Tractaatweg slingerde hij hevig over de beide rijbanen.
Signalement
Verdachte
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedag] 1996
Geboorteplaats: [geboorteplaats] in Nederland
Voertuig
Voertuig: Personenauto
Merk/type: Volkswagen Polo
Kenteken: [kenteken 1]
3. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 4 oktober 2024 (pg. 54-61), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van verdachte [verdachte] :
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord verdachte
O: Opmerking verbalisant
O: U bent later die avond woensdag 2 oktober 2024 staande gehouden toen u een personenauto bestuurde.
V: Wat voor auto bestuurde u?
A: Een Volkswagen Polo. Ik wilde eerst meewerken, maar ineens ben ik toch weggereden. Ik heb wat rondjes door de binnenstad gereden en daarna ben ik naar België gevlucht.
V: Wat gebeurde er nadat u werd staande gehouden?
A: Ik zag de politieauto die voor me stond en dat er twee politieagenten uitstapten. Een van die agenten opende mijn portier en ik hoorde hem zeggen dat ik uit moest stappen. Ik kreeg het idee dat ik mee zou moeten naar het bureau. Toen ben ik weggereden.
O: De collegae hebben getracht u opnieuw staande te houden, maar door uw rijgedrag is besloten hiervan af te zien.
V: Hoe heeft u zich gedragen in het verkeer nadat u bent weggereden?
A: Ik moest wel de snelheid gebruiken, anders kom je niet weg.
Ik weet dat er gevaarlijke situaties zijn geweest.
Ten aanzien van feit 3 en feit 5:
Het hof volstaat ten aanzien van het bewezenverklaarde onder 3 en 5 op de voet van het bepaalde in artikel 359, derde lid van het Wetboek van Strafvordering met de opgave van de bewijsmiddelen, aangezien de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en er geen vrijspraak is bepleit.
Ten aanzien van feit 3 en feit 5:
Ten aanzien van feit 3 voorts:
- Het proces-verbaal van verkeersovertredingen d.d. 2 oktober 2024 met proces-verbaalnummer PL2000-2024254471-1 (pg. 1-5), voor zover inhoudende als relaas verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] .
Tan aanzien van feit 5 voorts:
Bewijsoverwegingen
I.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
II.
Ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde mishandeling is namens de verdachte bepleit dat de verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is namens de verdachte het volgende aangevoerd. De verdachte heeft geen opzet gehad op het toebrengen van pijn aan de hand van verbalisant [slachtoffer] , evenmin in voorwaardelijke zin. Allereerst is er geen sprake geweest van een aanmerkelijke kans op het veroorzaken van pijn door weg te rijden met een geopend portier. Als iemand door een geopend portier wordt geraakt, is het niet vanzelfsprekend dat dit pijn veroorzaakt. Tevens is geen sprake van een bewuste aanvaarding van een aanmerkelijke kans op dit gevolg, nu de verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij niet heeft meegekregen dat het geopende portier de hand van verbalisant [slachtoffer] raakte. Hij reed in paniek weg en heeft niemand bewust pijn gedaan, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Het hof stelt voorop dat uit het dossier niet volgt dat de verdachte vol opzet had om de verbalisant te verwonden. Het handelen van de verdachte had kennelijk tot doel te ontkomen aan de politie. Dit neemt echter niet weg dat de verdachte om dit doel te kunnen bereiken zich zodanig kan hebben gedragen, dat daaruit opzet in voorwaardelijk zin op het toebrengen van lichamelijk letsel volgt.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo'n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behalve als sprake is van contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
Uit de aangifte van verbalisant [slachtoffer] in samenhang met het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] leidt het hof het volgende af. Op 2 oktober 2024 was verbalisant [slachtoffer] in uniform gekleed en zodoende duidelijk als opsporingsambtenaar herkenbaar ter plaatse bij de staandehouding van de verdachte, die zich op dat moment in een stilstaande Volkswagen Polo bevond. Genoemde verbalisant naderde het voertuig te voet en maakte oogcontact met de verdachte, waarna zijn collega – eveneens in uniform gekleed en zodoende duidelijk als opsporingsambtenaar herkenbaar – het bestuurdersportier van de Volkswagen Polo opende. Vervolgens hoorde verbalisant [slachtoffer] hoe de automotor toeren maakte, waarna de Volkswagen Polo snel optrok en met slippende banden wegreed. Verbalisant [slachtoffer] zag het autoportier met snelheid op zich afkomen en werd hiermee tegen zijn rechterhand geraakt. Hij voelde direct dat dit pijn deed. Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] zag dat verbalisant [slachtoffer] moest wegspringen om de auto te ontwijken. Daarna vond een achtervolging plaats, waarbij de verdachte met hoge snelheden meerdere verkeersovertredingen beging en zich zeer gevaarlijk heeft gedragen. Na het afbreken van de achtervolging bleek de geraakte rechterringvinger van verbalisant [slachtoffer] gezwollen te zijn. Tevens deed het pijn om de vinger te strekken en te buigen.
Voorts leidt het hof uit het proces-verbaal van verhoor met de verdachte af dat de verdachte voor zijn staandehouding zag dat twee opsporingsambtenaren uit hun voertuig stapten en dat één van de verbalisanten de deur van zijn voertuig opende en zei dat de verdachte uit het voertuig moest stappen. De verdachte was zich er dus van bewust dat het bestuurdersportier geopend werd. Hij verklaarde vervolgens te zijn weggereden omdat hij het idee had dat hij mee moest naar het (politie)bureau. Hij heeft snelheid gemaakt om weg te komen van de politie en weet dat er onderweg gevaarlijke situaties zijn geweest.
Het hof is van oordeel dat door onder de hiervoor genoemde omstandigheden hard weg te rijden met een auto waarvan het portier is geopend, terwijl in de onmiddellijke nabijheid van die auto personen staat, er een aanmerkelijke kans is op het toebrengen van pijn en/of letsel bij een of meer van die personen.
De verdachte was zich bewust van het geopende portier en van de aanwezigheid van twee agenten in de nabijheid van zijn auto en koos er desondanks voor met hoge snelheid weg te rijden om zo aan de agenten te kunnen ontkomen.
Het hof concludeert dat de verdachte, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van deze gedragingen, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het gevolg, te weten het toebrengen van pijn en/of letsel aan verbalisant [slachtoffer] , zou intreden. Het hof is daarom van oordeel dat de verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op mishandeling van de verbalisant.
Het verweer wordt derhalve verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straffen
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht af te zien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en in plaats daarvan, als stok achter de deur, te volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Daartoe is aangevoerd dat het van groot belang is dat de verdachte na zijn huidige detentie in België in een stabiele situatie terechtkomt en zijn leven weer kan opbouwen. Hij wil in het bedrijf van zijn ouders gaan werken en bij hen gaan inwonen. Het is dan ook onwenselijk om de verdachte een gevangenisstraf op te leggen, aldus de raadsvrouw.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straffen gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Met zijn handelen heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van deze ambtenaar. Dit is een kwalijk feit, omdat personen met een publieke taak in het belang van de openbare orde en de veiligheid moeten kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met dergelijke strafbare gedragingen. De verdachte heeft door zijn handelen blijk gegeven van een gebrek aan respect voor de politie.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte heeft aanzienlijk harder gereden dan de ter plaatse toegestane maximale snelheid, onvoldoende zijn snelheid geminderd bij het naderen van meerdere scherpe bochten, plotseling hard geremd en zijn voertuig tot stilstand gebracht, slingerbewegingen gemaakt en gebod- of verbodstekens genegeerd. Het hof merkt dit rijgedrag van de verdachte aan als zeer onoplettend en onvoorzichtig. In zijn poging om uit handen van de politie te blijven, heeft de verdachte risico’s genomen waarbij hij andere verkeersdeelnemers in gevaar heeft gebracht. De verdachte heeft zijn eigen belang om niet door de politie te worden aangehouden, laten prevaleren boven de veiligheid van andere verkeersdeelnemers.
Ten slotte is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich tweemaal schuldig heeft gemaakt aan de overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Daarmee heeft de verdachte steeds de regels die gelden in het verkeer niet in acht genomen en de verkeersveiligheid in gevaar gebracht. Bovendien heeft de verdachte er blijk van gegeven zich weinig aan te trekken van besluiten van een instantie die – mede met het oog op de verkeersveiligheid – is belast met onder andere de beoordeling van de geldigheid van rijbewijzen.
Bij de straftoemeting heeft het hof acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 15 december 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten. Deze veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw de fout in te gaan.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Naar het oordeel van het hof kan alles overziende, en in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende, acht het hof ten aanzien van het bewezenverklaarde onder 1, 3 en 5 een gevangenisstraf voor de duur van vijf weken, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Ten aanzien van de onder 4 bewezenverklaarde overtreding acht het hof het, gelet op het zeer gevaarzettende karakter van verdachtes handelen met de bedoeling om te ontkomen aan de politie, passend om een hechtenis voor de duur van één week op te leggen.
Vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie in het arrondissement Zeeland-West-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Zeeland-West-Brabant van 24 januari 2024 onder parketnummer 96-010508-22.
Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zes weken dient te worden gelast.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 57, 62, 63, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 9, 176 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 02-012844-25 onder 1, onder 3 en onder 5 bewezenverklaarde:
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) weken;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:
veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 1 (één) week.
Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging:
beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 januari 2024, parketnummer 96-010508-22, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:
gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken.
Aldus gewezen door:
mr. R.G.A. Beaujean, voorzitter,
mr. H.A.T.G. Koning en mr W.P.A. Korver, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. Beskers, griffier,
en op 17 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.