Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 18 juni 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-079885-25 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] [in het jaar] 1974,
met als laatst opgegeven adres in Nederland: [adres] ,
doch volgens opgave van diens raadsvrouw thans wonende te [land] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het namens de verdachte gevoerde beroep op noodweer verworpen en is de verdachte ter zake van mishandeling (door het slachtoffer te steken met een mes) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 weken, met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte door diens raadsvrouw naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.
De verdediging heeft primair een beroep op noodweer gedaan en verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging (het hof merkt daarbij op dat een geslaagd beroep op noodweer zal leiden tot vrijspraak van het tenlastegelegde in plaats van ontslag van alle rechtsvervolging). Subsidiair, in geval van strafoplegging, is verzocht om de verdachte te veroordelen tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met verbetering van de motivering van de strafbaarheid van de verdachte en met (een korte) aanvulling van de motivering van de strafoplegging.
Daarnaast zal het hof de inhoud van de door de politierechter in het vonnis gebezigde bewijsmiddelen, die redengevend zijn voor de bewezenverklaring, uitwerken in dit arrest. De politierechter heeft immers volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, zonder de inhoud daarvan weer te geven. Het hof is echter gebonden aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, gelet op het door de verdediging gevoerde beroep op noodweer. In geval van mishandeling betekent dit, vanwege het alsdan ontbreken van de wederrechtelijkheid van het handelen van de verdachte, dat daarmee vrijspraak van het tenlastegelegde is bepleit. Het hof kan derhalve niet volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Uitwerking van de bewijsmiddelen
In de hierna volgende bewijsmiddelen wordt verwezen naar het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, met zaakregistratienummer: PL2100-2025055074, in de wettige vorm opgemaakt en op 15 maart 2025 gesloten door verbalisant [verbalisant] , agent van politie, met bijlagen, bestaande uit in wettige vorm opgemaakte processen-verbaal en/of geschriften, aantal dossierpagina’s: 68.
1. Het proces-verbaal van aangifte, doorgenummerde dossierpagina’s 9-10, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] :
(pagina 9)
Ik doe aangifte van (...) mishandeling. Ik ben woonachtig op het asielzoekerscentrum gelegen aan [adres] .
Op 14 maart 2025, omstreeks 09.00 uur, ging ik naar het gebouw op het asielzoekers-centrum waar de dokter zich bevindt. Ik was op dat moment samen met twee vrienden. Bij de ingang van dit gebouw, bij de buitendeur, kwam ik de (...) man (...) tegen. De man keek naar mij. Ik hoorde dat de man zei: “Als jij bij het huis komt, maak ik jou dood”.
De man stond op dit moment dicht bij mij. Ik zag dat de man één van zijn handen uit zijn broekzak haalde. Ik kon niet goed zien wat de man in zijn hand had die hij uit zijn broekzak haalde. Ik zag dat hij deze arm (...) met een snelle beweging in mijn richting bewoog. (...) Ik zag dat deze arm naar mijn linker bovenarm ging. Ik voelde op dat moment een stekende, scherpe pijn op mijn linker bovenarm. Ik had op dat moment nog steeds niet gezien wat de man in zijn hand had, maar door de pijn had ik het vermoeden dat dit een scherp voorwerp was.
Ik zag dat de man (...) wegrende in de richting van de receptie.
Na het incident (...) deed ik mijn jas uit. Ik zag dat er verse bloedvlekken zaten op mijn shirt ter hoogte van mijn linker bovenarm. Ik zag dat ik een bloedende wond had aan mijn linker arm, op de plek waar ik de stekende pijn voelde.
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde dossierpagina’s 13-14, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [getuige 1] :
(pagina 13)
Op 14 maart 2025, tussen 09.00 en 10.00 uur, werd ik getuige van het steekincident bij het AZC te [pleegplaats] . We liepen met drie personen – [aangever] , [getuige 2] en ik – naar de dokter. Bij de dokter zag en hoorde ik dat [aangever] ruzie maakte met een andere persoon, die ik niet ken.
(...) Voor ik het wist, zag ik dat [aangever] werd gestoken met een mes. (...) Pas toen de man [aangever] in zijn arm had gestoken, had ik door dat hij een mes bij zich had. Ik zag toen een mes tussen zijn vingers van zijn rechter hand door steken. Ik zag dat [aangever] (...) één keer gestoken werd, daarna is de man gevlucht.
3. Het proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde dossierpagina’s 15-16, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [getuige 3] :
(pagina 15)
Vandaag (het hof begrijpt: 14 maart 2025) rond 9.00 uur was ik bij de huisartsenpost op het AZC in [pleegplaats] . Ik stond buiten (...) toen ik zag dat er een discussie ontstond tussen twee medebewoners. Ik zag een korte kale man, ik ken hem omdat hij bij mij in gebouw 8 woont. De andere persoon ken ik niet. Hij was lang. Ik zag dat de korte man in de toegangsdeur van de huisartsenpost bleef staan. Hierdoor kon de lange man niet naar binnen.
Ik probeerde de partijen te scheiden, maar toen zag ik dat de korte man een mes in zijn rechterhand had. Ik zag dat de korte man de lange man vastpakte. Ik zag dat hij vervolgens (...) de lange man stak met het mes. Daarna rende de korte man weg, ik zag dat hij het mes nog in zijn hand had.
Toen [de lange man] zijn jas uit deed zag ik dat hij een snee in zijn bovenarm had waar bloed uit kwam.
4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, doorgenummerde dossierpagina’s 48-51, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte [verdachte] :
O: opmerking verbalisant
V: vraag verbalisant
A: antwoord verdachte
(pagina 49)
O: Er is (...) een getuige geweest [die] zag dat het slachtoffer werd gestoken door jou met een mes. Dit mes had jij vast tussen de vingers van jouw rechterhand.
V: Wat kan je hierover verklaren?
A: (...) Ik heb mijn hand in mijn zak gestoken. (...) Ik heb (...) een openaar (het hof begrijpt telkens: flesopener) in mijn zak gehad. Een openaar om flessen te openen.
V: Welke kleur?
A: Donkerrood.
(pagina 50)
O: Ik ga je nu een foto (het hof begrijpt: foto 2 op dossierpagina 54) laten zien van het betreffende mes. Een collega van de politie vond in een prullenbak een rood zakmes dat ingeklapt was. Deze prullenbak stond in jouw vluchtrichting.
V: Wat kan jij over dit mes verklaren?
A: Dit is [de] flessenopener (het hof heeft op de foto waargenomen dat het een donkerrood zakmes betreft waaraan ook een flessenopener zit). Dit is van mij.
V: Heb jij hiermee het slachtoffer gestoken?
A: Deze had ik in mijn zak. En mogelijk heb ik hem met deze gestoken (...).
5. Het proces-verbaal fotoblad letsel slachtoffer, doorgenummerde dossierpagina’s 60-62, voor zover houdende 5 foto’s, geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5º, van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof neemt waar dat op deze foto’s 1 en 2 een gehechte snee in de linkerarm van een man is te zien. Op foto 3 is een scheur/snee in de linkerarm van een jas te zien. Op foto’s 4 en 5 is waar te nemen dat de bovenkleding is bebloed.
Verbetering van de motivering van de strafbaarheid van de verdachte
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het door de verdediging gedane beroep op noodweer verworpen. Hoewel dit verweer ten onrechte onder het kopje ‘De strafbaarheid van verdachte’ is besproken, volgt het hof de politierechter wel in het oordeel dat geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding en dat derhalve ook geen sprake is van een noodweersituatie.
Het hof bevestigt het oordeel van de politierechter, zoals opgenomen op pagina 5 van het vonnis, met uitzondering van de navolgende zinsnede:
“Er zijn door de verdediging geen alternatieve scenario’s geschetst om vast te kunnen stellen dat verdachte zich diende te verdedigen.”
Het hof schrapt deze zin en leest het oordeel van de politierechter op deze wijze verbeterd.
Aanvullende motivering van de strafoplegging
Met de advocaat-generaal, acht het hof de door de politierechter opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 7 weken, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Het hof is van oordeel dat de door de verdediging verzochte oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf onvoldoende recht doet aan de aard en de ernst van de bewezenverklaarde mishandeling. De verdachte heeft immers met een zakmes in de bovenarm van een mede-asielzoeker gestoken. De door de raadsvrouw aangevoerde persoonlijke omstandigheden van de verdachte maken het oordeel over de op te leggen straf niet anders. Het hof schuift de door de verdediging verzochte afdoening derhalve als niet passend ter zijde.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. J.J. Peters, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. M.C.C. van de Schepop, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 20 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.