GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Raadkamerappelnummer: AVNR. 000019-26
Parketnummer 1e aanleg: 03-304469-25
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft gezien de akte van de griffier van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht van 29 december 2025, waarbij namens:
[naam verdachte]
geboren [datum] 1979 te [plaats]
wonende te [adres]
thans verblijvende in de P.I. [plaats]
hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht van 24 december 2025, bij welke beschikking de verlenging gevangenhouding van
[verdachte] werd bevolen.
Het hof heeft gezien de beschikking waarvan beroep.
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. K. Valkeneers.
Het hof heeft kennisgenomen van het dossier.
Uit het dossier blijkt dat verdachte -kort verwoord- wordt verweten het medeplegen van het voorbereiden en/of bevorderen van het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, de handel van een hoeveel amfetamine en/of amfetamineolie en het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 53,3 liter amfetamineolie.
Tijdens het onderzoek in raadkamer en uit het procesdossier is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan het hof tot de slotsom is gekomen dat het dossier voldoende ernstige bezwaren bevat jegens verdachte ter zake hetgeen hem wordt verweten. De rechter-commissaris heeft de ernstige bezwaren jegens verdachte benoemd en het hof heeft aan de hand van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting in raadkamer zich ervan vergewist dat de ernstige bezwaren zoals destijds aangenomen nog onverkort van kracht zijn. Het hof heeft in dit verband mede acht geslagen op de deels bekennende proceshouding van de verdachte die in voldoende mate wordt ondersteund door de overige inhoud van het procesdossier. Tevens heeft het hof mede acht geslagen op de processen-verbaal van bevindingen. De verklaring van de verdachte dat hij een beperkte rol als klusjesman heeft gehad maakt dit oordeel thans niet anders.
Voorts is het hof van oordeel dat er sprake is van acuut gevaar voor herhaling.
Het hof overweegt in dit verband als volgt.
Verdachte wordt verweten betrokken te zijn geweest bij het medeplegen van de voorbereiding en/of het bevorderen van de handel en binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid amfetamine(olie), een middel dat, gezien de aard en het gebruik ervan, een onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid met zich meebrengt. De betrokkenheid van de verdachte bij deze criminele activiteiten, die mogelijk plaatsvinden binnen een netwerk, is van zodanige aard dat het niet alleen het strafrechtelijke systeem, maar ook de samenleving op grote schaal schaadt. Amfetamine is een van de meest schadelijke verdovende middelen, en de handel vormt een aanzienlijke bedreiging voor de gezondheid en veiligheid van de maatschappij.
Het hof acht op grond van de inhoud van het dossier het aannemelijk dat de verdachte deel uitmaakt van het criminele milieu. Dit milieu, gekarakteriseerd door georganiseerde drugshandel, dan wel het vervaardigen ervan, vormt een gesloten circuit, waarin leden vaak langdurig actief blijven, vanwege de lucratieve aard van de handel en de gevestigde netwerken. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat het voor betrokkenen in een dergelijk milieu, ook als verdachte een zeer beperkte rol zou hebben gehad, vaak uiterst moeilijk is zich daarvan te onttrekken.
Gelet op deze omstandigheden doet het hof ernstig vrezen voor herhaling van de strafbare feiten. De mogelijke betrokkenheid van de verdachte bij de internationale handel en/of de handel van amfetamine(olie) maakt het risico op recidive substantieel.
Bovendien heeft het hof in dit kader mede acht geslagen op het uittreksel uit het justitiële documentatieregister waaruit onder meer blijkt dat verdachte eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie ter zake de Opiumwet en daar ook voor is veroordeeld. Er bestaan thans ernstige bezwaren dat verdachte zich wederom schuldig heeft gemaakt aan een Opiumwetdelict. De eerdere veroordeling en de opgelegde straf hebben kennelijk niet geleid tot de beoogde gedragsverandering, aangezien verdachte, wederom in aanraking is gekomen met politie en justitie ter zake een soortgelijk delict. Deze herhaling roept fundamentele zorgen op, waarvan het vermoeden bestaat dat verdachte, bij een eventuele invrijheidstelling, nogmaals in contact zal komen met politie en justitie.
Alles overwegende wijst het hof af het hoger beroep.
Namens verdachte is ter zitting in raadkamer verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis. In dat verband is door en namens verdachte aangevoerd dat hij bij voortzetting van de voorlopige hechtenis zijn woning niet meer kan bekostigen. Tevens is aangevoerd dat nader medisch onderzoek dient te worden verricht aan een ‘vlek’ dat eerder is geconstateerd op zijn longen.
Het hof overweegt als volgt.
Met de raadsman is het hof van oordeel dat verdachte in beginsel het recht heeft zijn berechting in vrijheid af te wachten. Dat kan anders zijn wanneer, zoals in de onderhavige zaak, er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte, wanneer hij zich niet in voorlopige hechtenis bevindt, een strafbaar feit zal plegen als bedoeld in artikel 67a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. In een dergelijk geval zal de rechter, op grond van het subsidiariteitsbeginsel, dienen na te gaan of niet ook op een andere, voor de verdachte minder bezwarende manier, tegemoet kan worden gekomen aan het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis. Dat belang is gelegen in het verschoond blijven van een of meer strafbare feiten, gepleegd door verdachte.
Het hof is echter van oordeel dat het verzoek tot schorsing dient te worden afgewezen nu het hof vooralsnog, ondanks de door de reclassering in het rapport van 19 december 2025 omschreven voorwaarden, niet ziet welke voorwaarden, te stellen aan een schorsing van de voorlopige hechtenis, het gevaar voor herhaling kunnen terugbrengen tot op een voor de samenleving aanvaardbaar niveau.
Het hof wijst derhalve het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af.
BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:
Wijst af het hoger beroep.
Bevestigt de beschikking waarvan beroep.
Wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Aldus gedaan op 29 januari 2026
door mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter, mr. G. Tangenberg en mr. F. van Es, raadsheren,
in tegenwoordigheid van B. Yazi, griffier.
De advocaat-generaal bij dit Gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van verdachte.
's-Hertogenbosch, 29 januari 2026
Gezien d.d.
De directeur van de P.I. [plaats]