ECLI:NL:GHSHE:2026:795

ECLI:NL:GHSHE:2026:795

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 18-03-2026
Datum publicatie 23-03-2026
Zaaknummer 20-002470-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Artikel 36f, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, betekening door elektronische overdracht, geen verontschuldigbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 4 september 2025, in de strafzaak met parketnummer 96-144039-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 1) en ‘overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en hem een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van 8 maanden.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft primair gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep.

Subsidiair, indien het hof van oordeel mocht zijn dat er sprake is van een begin van bewijs dat de verdachte mogelijk niet van de terechtzitting in eerste aanleg op de hoogte had kunnen zijn, heeft de advocaat-generaal het hof verzocht de zaak aan te houden om de verdachte in de gelegenheid te stellen zijn gestelde medische situatie ten tijde van het inloggen in de Berichtenbox van de verdachte op MijnOverheid op 30 juni 2025 om 09:40 uur nader te onderbouwen en om de verdachte in de gelegenheid te stellen na te gaan hoe en waar er toen is ingelogd in die Berichtenbox.

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte ontvankelijk is in zijn hoger beroep en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte was niet op de hoogte van het feit dat er op 4 september 2025 een zitting was bij de rechtbank en dat hij bij verstek is veroordeeld. Om deze reden heeft hij niet binnen 14 dagen na de zitting hoger beroep ingesteld, maar binnen 14 dagen na 1 oktober 2025, de dag dat hij per brief op de hoogte werd gesteld van het feit dat er een uitspraak werd gedaan. Ter terechtzitting heeft de verdediging onder verwijzing naar de overgelegde producties verder aangevoerd dat de verdachte in de periode van 29 juni 2025 tot en met 4 juli 2025 in het ziekenhuis in Spanje was opgenomen, waar hij twee dagen kunstmatig in coma is gehouden na val van een berg. Daardoor kon hij niet degene zijn die op 30 juni 2025 op MijnOverheid heeft ingelogd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De dagvaarding voor de terechtzitting van de politierechter op 4 september 2025 is op 18 juni om 12:18 uur geplaatst in de MijnOverheid Berichtenbox van de verdachte. Vast staat dat op 30 juni 2025 om 09.40 uur door middel van tweefactorauthenticatie is ingelogd in deze Berichtenbox op MijnOverheid, waarna een bevestiging is verzonden aan de verdachte. In deze bevestiging is de verdachte geïnformeerd over de elektronische overdracht van de gerechtelijke mededeling. De inlogcode (DigiD) is persoonsgebonden. Dit betekent dat alleen de persoon aan wie de DigiD-inlogcode is verstrekt zich toegang kan verschaffen tot zijn gegevens in de Berichtenbox via DigiD, behoudens de situatie dat deze persoon actief een derde in staat stelt om in te loggen. Gesteld noch anderszins aannemelijk geworden is echter dat in dit geval de verdachte een derde in staat heeft gesteld om in te loggen. De verdediging heeft ter terechtzitting bovendien aangegeven niet te weten wie anders dan de verdachte zou hebben ingelogd in de Berichtenbox van de verdachte. Ook is niet aannemelijk geworden dat de verdachte op het moment van inloggen op 30 juni 2025 om 09:40 uur in coma verkeerde. Uit de door de verdediging overgelegde stukken is wel aannemelijk geworden dat de verdachte destijds in een ziekenhuis in Spanje verbleef, maar deze stukken bieden geen objectieve bevestiging voor de stelling dat de verdachte in coma heeft verkeerd. Op een zich bij deze stukken bevindende foto, die overigens niet is voorzien van datum en tijdstip, is daarentegen juist een verwonde, maar bij bewustzijn verkerende, verdachte te zien die de camera inkijkt.

Gelet op het voorgaande moet het er voor worden gehouden dat het de verdachte is geweest die op 30 juni 2025 om 09.40 uur heeft ingelogd.

Gelet op artikel 36f, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) geldt betekening door elektronische overdracht als betekening in persoon indien degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is, zich toegang verschaft tot de elektronische voorziening. Nu het er voor moet worden gehouden dat de verdachte zich toegang heeft verschaft tot de elektronische voorziening op 30 juni 2025 heeft dit te gelden als een betekening in persoon.

Ingevolge artikel 408, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering kon de verdachte, nu de dagvaarding aldus in persoon aan hem was betekend, gedurende veertien dagen na de datum van het vonnis d.d. 4 september 2025 daartegen hoger beroep instellen. Het hoger beroep is echter pas na het verstrijken van de termijn van veertien dagen, te weten op 1 oktober 2025, ingesteld.

Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat hij niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Van dergelijke omstandigheden is het hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet gebleken.

Dit heeft tot gevolg dat de verdachte in het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

BESLISSING

Het hof:

verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Aldus gewezen door:

mr. L.G.J.M. van Ekert, voorzitter,

mr. T. van de Woestijne en mr. C.C.H.T. Coert, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes en mr. R.A.C.G. Heijse, griffiers,

en op 18 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Van Ekert en mr. Coert zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. L.G.J.M. van Ekert
  • mr. T. van de Woestijne
  • mr. C.C.H.T. Coert

Griffier

  • mr. C.J.G. Streutjes en mr. R.A.C.G. Heijse

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?