GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Raadkamerappelnummer: AVNR. 000062-26
Parketnummer 1e aanleg: 01-350817-25
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft gezien de akte van de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, locatie 's-Hertogenbosch van 8 januari 2026, waarbij namens:
[naam verdachte]
geboren [datum] 1983 te [plaats]
wonende te [adres]
thans verblijvende in de P.I. [plaats]
hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, locatie 's-Hertogenbosch van 7 januari 2026, bij welke beschikking de gevangenhouding van [verdachte] werd bevolen.
Het hof heeft gezien de beschikking waarvan beroep.
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. Y. Hurkmans.
Het hof heeft kennisgenomen van het dossier.
Uit het dossier blijkt dat verdachte -kort verwoord- wordt verweten bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, meermalen gepleegd (feiten 1 en 3), poging tot doodslag (feit 2 primair), dan wel poging tot zware mishandeling (feit 2 subsidiair).
Tijdens het onderzoek in raadkamer en uit het procesdossier is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan het hof tot de slotsom is gekomen dat het dossier voldoende ernstige bezwaren bevat jegens verdachte ter zake hetgeen hem wordt verweten. Het hof heeft aan de hand van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting in raadkamer zich ervan vergewist dat de ernstige bezwaren zoals destijds aangenomen, die overigens niet worden betwist ter zake de feiten 1 en 3, zoals omschreven in de vordering tot inbewaringstelling, nog onverkort van kracht zijn. Het hof heeft in dit verband in het bijzonder acht geslagen op de deels bekennende proceshouding van de verdachte, de processen-verbaal van aangiften, alsmede de processen-verbaal van de verklaringen van de getuigen.
Hetgeen verdachte wordt verweten, namelijk de poging tot doodslag begaan tegen zijn ex-partner, is een strafbaar feit waar naar de wettelijke omschrijving 12 jaar of meer gevangenisstraf op staat en waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt.
Het zou voor de samenleving niet te begrijpen zijn en het zou door die samenleving ook niet worden geaccepteerd wanneer degene ten aanzien van wie voormelde ernstige bezwaren bestaan niet onverwijld in voorarrest zou worden genomen en voorlopig gehouden.
In dit licht is het hof van oordeel dat een eventuele invrijheidstelling van de verdachte zou kunnen leiden tot maatschappelijke onrust. Hoewel er niet noodzakelijkerwijs sprake hoeft te zijn van directe onrust, is de kans op dergelijke gevolgen voldoende aanwezig.
Voorts is het hof van oordeel dat sprake is van acuut gevaar voor herhaling. In dit verband oordeelt het hof als volgt.
Er zijn ernstige bezwaren aanwezig dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag begaan tegen zijn ex-partner en gelet op de inhoud van het procesdossier is hier sprake van herhaaldelijke en gewelddadige bejegening van zijn vrouwelijke ex-partner. Dergelijke feiten zijn bijzonder ernstig, niet alleen vanwege de fysieke en psychische schade die de aangeefster naar het zich laat aanzien heeft opgelopen, maar ook omdat zij een ernstige inbreuk vormen op de persoonlijke integriteit en veiligheid. Het hof acht het tevens van groot belang dat bijzondere aandacht wordt besteed aan de omstandigheid dat het aan verdachte verweten feit zich heeft voorgedaan in het bijzijn van het minderjarige kind en een omstander. Dit heeft immers niet alleen directe gevolgen voor de aangeefster, maar brengt ook ernstige psychische en emotionele schade toe aan het kind die getuige zou zijn geweest van dit geweld. In dit kader merkt het hof op dat de aanwezigheid van het minderjarige kind er verdachte kennelijk niet van heeft weerhouden om zich schuldig te maken aan het aan hem vermeende feit.
Voorts overweegt het hof, mede in het licht van de actuele maatschappelijke aandacht voor femicide – de fatale escalatie van huiselijk geweld – dat een vroegtijdige interventie van essentieel belang is ter voorkoming van verdere tragische escalaties. Dit is des te urgenter nu de verdachte en de aangeefster gezamenlijk een minderjarig kind hebben, hetgeen met zich meebrengt dat zij ook in de toekomst contact met elkaar zullen blijven onderhouden.
Het voorgaande brengt het hof daarom tot het oordeel dat het gedrag van verdachte niet alleen getuigt van persoonlijke risico’s, maar ook dat er sprake is van een acuut en ernstig gevaar voor recidive en verdere escalatie binnen de context van huiselijk geweld. De verklaring van de verdachte dat het gebruik van verdovende middelen vermoedelijk het criminogene factor is geweest, maakt dit oordeel thans niet anders.
Alles overwegende wijst het hof af het hoger beroep.
Ter zitting in raadkamer is namens verdachte verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis. In dit verband is door en namens verdachte verwezen naar het positieve reclasseringsrapport van 5 januari 2026.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof merkt allereerst op dat verdachte in beginsel het recht heeft om zijn berechting in vrijheid af te wachten.
Echter, schorsing van de voorlopig hechtenis bij een verwijt van een strafbaar feit waar naar de wettelijke omschrijving 12 jaar of meer gevangenisstraf op staat is in beginsel slechts aan de orde wanneer er sprake is van bijzondere zwaarwichtige de persoon van de verdachte betreffende omstandigheden op grond waarvan het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis dient te wijken voor het persoonlijk belang van de verdachte. In hetgeen namens en door verdachte is aangevoerd ziet het hof thans onvoldoende rechtvaardiging om tot schorsing van de voorlopige hechtenis over te gaan. Bovendien ziet het hof, ondanks het positieve advies van de reclassering in het rapport van 5 januari 2026 met betrekking tot een eventuele schorsing van de voorlopige hechtenis, niet welke voorwaarden aan een schorsing moeten worden verbonden om de kans op herhaling terug te brengen tot op een voor de samenleving aanvaardbaar niveau.
Het hof wijst derhalve af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:
Wijst af het hoger beroep.
Bevestigt de beschikking waarvan beroep.
Wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Aldus gedaan op 5 februari 2026
door mr. F. van Es, voorzitter, mr. C.A. van Roosmalen en mr. O.M.J.J. van de Loo, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. K.K. Boudih en B. Yazi, griffier.
De advocaat-generaal bij dit Gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van verdachte.
's-Hertogenbosch, 5 februari 2026
Gezien d.d.
De directeur van P.I. [plaats]