ECLI:NL:GHSHE:2026:800

ECLI:NL:GHSHE:2026:800

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 12-02-2026
Datum publicatie 23-03-2026
Zaaknummer 000069-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Het hoger beroep tegen het afgewezen verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis, alsmede het ter zitting in raadkamer gedane verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis zijn afgewezen. Met betrekking tot de zogenoemde 12-jaarsgrond heeft het hof onder meer het volgende overwogen: Het verwijt dat verdachte wordt gemaakt en ter zake waarvan jegens verdachte ernstige bezwaren bestaan betreft een poging doodslag op twee agenten in de rechtmatige bediening van hun functie. Gelet op de taak waar de politie voor staat en welke taak doorgaans in de frontlinie moet worden uitgevoerd, zou vrijlating van verdachte thans bij de politie tevens de indruk kunnen wekken dat de politie onvoldoende beschermd wordt in de uitoefening van haar taak, namelijk het handhaven van de rechtsorde. Nu de politie een wezenlijk onderdeel vormt van onze rechtsorde is het hof van oordeel dat ook thans nog sprake is van een ernstig geschokte rechtsorde.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Raadkamerappelnummer: AVNR. 000069-26

Parketnummer 1e aanleg: 03-108319-25

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft gezien de akte van de griffier van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht van 16 januari 2026, waarbij namens:

[naam verdachte]

geboren [datum] 1986 te [plaats]

wonende te [adres]

thans verblijvende in de P.I. [plaats]

hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht van 15 januari 2026, bij welke beschikking het verzoek tot opheffing van de aan [verdachte] opgelegde voorlopige hechtenis werd afgewezen.

Het hof heeft gezien de beschikking waarvan beroep.

Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. J. Engels.

Het hof heeft kennisgenomen van het dossier.

Uit het dossier blijkt dat verdachte -kort verwoord- wordt verweten poging tot doodslag (primair), dan wel poging tot zware mishandeling (subsidiair).

Tijdens het onderzoek in raadkamer en uit het procesdossier is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan het hof tot de slotsom is gekomen dat het dossier voldoende ernstige bezwaren bevat jegens verdachte ter zake hetgeen hem wordt verweten. De rechter-commissaris heeft de ernstige bezwaren jegens verdachte in het bevel tot inbewaringstelling benoemd en de raadkamer heeft in de bestreden beschikking deze ernstige bezwaren uitgebreid gemotiveerd. Het hof heeft aan de hand van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting in raadkamer zich ervan vergewist dat de ernstige bezwaren, zoals omschreven in de vordering tot inbewaringstelling en zoals destijds aangenomen nog onverkort van kracht zijn.

Voor zover de raadsvrouw heeft betoogd dat er geen sprake is van poging tot doodslag, overweegt het hof dat er voor die kwalificatie op dit moment wel degelijk ernstige bezwaren jegens de verdachte zijn. Het uiteindelijke oordeel hierover is voorbehouden aan de zittingsrechter, welke zitting op 3 maart 2026 zal plaatsvinden.

Het hof verwijst in dit verband naar de overweging van de raadkamer in de bestreden beschikking van 15 januari 2026, in welke beschikking onder meer het volgende staat verwoord:

Uit de aangiftes van politieambtenaren [namen] volgt dat zij zich samen in de politieauto bevonden, dat [de politieagent] op enig moment die auto op het midden van de weg tot stilstand had gebracht om zo de naderende auto die door de verdachte werd bestuurd te doen stoppen, dat die auto met een zeer hoge snelheid - de aangevers hebben het over een snelheid van ongeveer 100 km per uur - naderde en dat [de politieagent] met de dienstauto achteruit reed om een hevige botsing te voorkomen. In bepaalde gevallen kan het zo zijn dat ten aanzien van een verdachte die door zeer gevaarlijk te rijden bijna een heftig ongeval veroorzaakt, moet worden aangenomen dat deze de slachtoffers van dat mogelijke ongeval opzettelijk van het leven heeft willen beroven. Zo'n geval doet zich voor indien die verdachte zijn gedraging willens en wetens op de dood van de slachtoffers heeft gericht. Voorts kan een zodanig geval zich voordoen indien er sprake is van zogeheten voorwaardelijk opzet, hetgeen wil zeggen dat aangenomen moet worden dat de verdachte zich aan de aanmerkelijke kans dat de slachtoffers door zijn gedraging het leven zullen verliezen willens en wetens heeft blootgesteld, met dien verstande dat hij de aanmerkelijke kans dat anderen door zijn gedrag het leven zullen laten desbewust heeft aanvaard en op de koop toe heeft genomen. Dit voorwaardelijk opzet kan behalve op grond van de verklaring van de verdachte, worden aangenomen op grond van bijzondere omstandigheden van het geval. Welnu, de verdachte heeft verklaard dat hij zichzelf niet wilde “kapotrijden”. Hij zou de politieauto hebben willen vermijden en heeft juist afgeremd en is vervolgens de berm ingereden om een botsing te voorkomen, aldus de raadsvrouw. Niettegenstaande deze verklaring van de verdachte, is het zo dat de uiterlijke verschijningsvormen van het handelen van de verdachte een ander beeld lijkt te schetsen. Nergens uit blijkt dat hij enig uitwijkmanoeuvre heeft verricht. Uit de verklaring van verbalisant [naam] volgt immers dat zonder het door hem achteruitrijden van de politieauto er een hevige botsing zou hebben plaatsgevonden. Daarnaast zou uit de verklaring van getuige [naam] -die zich in de auto van de verdachte bevond en die verklaarde dat zij zag dat de politieauto naar het midden van de weg reed om hen te laten stoppen en dat de politieauto, op het allerlaatst, wegstuurde en de berm inreed - kunnen worden afgeleid wat de intentie van de verdachte was. Zij hoorde deze namelijk zeggen: "Ik wist wel dat ze aan de kant zouden gaan". Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er nog steeds sprake is van ernstige bezwaren voor de primair aan de verdachte tenlastegelegde poging tot doodslag. Of een en ander voldoende is voor de veroordeling van de verdachte zal worden uitgemaakt door de rechters die de zaak inhoudelijk zullen beoordelen.”

Hetgeen verdachte wordt verweten, namelijk de poging tot doodslag, is een strafbaar feit waarvoor volgens de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 12 jaar of meer op staat en waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt.

Het verwijt dat verdachte wordt gemaakt en ter zake waarvan jegens verdachte ernstige bezwaren bestaan betreft een poging doodslag op twee agenten in de rechtmatige bediening van hun functie. Het zou naar het oordeel van het hof in strijd zijn met de geldende rechtsopvatting wanneer de verdachte thans zijn berechting in vrijheid zou mogen afwachten nu naar de inschatting van het hof dat bij de agenten op wie de aanslag op hun leven zou zijn gepleegd en bij de politie als organisatie tot een groot gevoel van onbehagen zou kunnen leiden.

Gelet op de taak waar de politie voor staat en welke taak doorgaans in de frontlinie moet worden uitgevoerd, zou vrijlating van verdachte thans bij de politie tevens de indruk kunnen wekken dat de politie onvoldoende beschermd wordt in de uitoefening van haar taak, namelijk het handhaven van de rechtsorde. Nu de politie een wezenlijk onderdeel vormt van onze rechtsorde is het hof van oordeel dat ook thans nog sprake is van een ernstig geschokte rechtsorde.

Voorts is het hof van oordeel dat er sprake is van acuut gevaar voor herhaling.

Het hof heeft in dit verband gelet op het als omvangrijk te benoemen uittreksel uit het justitiële documentatieregister van verdachte waaruit hij blijkt dat hij eerder meermalen met politie en justitie in aanraking is gekomen en ook meermalen is veroordeeld. Verdachte liep tijdens het aan hem vermeende strafbare feit bovendien in een proeftijd. Gelet op deze omstandigheden in combinatie met de aard van het aan hem verweten feit maakt het hof op dat verdachte zich kennelijk weinig gelegen laat liggen aan politieel en justitieel ingrijpen. Dit doet blijken van een mentaliteit dat ernstig doet vrezen voor herhaling. Feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden zijn niet gesteld noch is het hof anderszins van het bestaan ervan gebleken.

Alles overwegende wijst het hof af het hoger beroep.

Namens verdachte is ter zitting in raadkamer verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof merkt allereerst op dat verdachte in beginsel het recht heeft om zijn berechting in vrijheid af te wachten.

Echter, schorsing van de voorlopig hechtenis bij een verwijt van een strafbaar feit waar naar de wettelijke omschrijving 12 jaar of meer gevangenisstraf op staat is in beginsel slechts aan de orde wanneer er sprake is van bijzondere zwaarwichtige de persoon van de verdachte betreffende omstandigheden op grond waarvan het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis dient te wijken voor het persoonlijk belang van de verdachte. In hetgeen namens en door verdachte is aangevoerd ziet het hof thans onvoldoende rechtvaardiging om tot schorsing van de voorlopige hechtenis over te gaan.

Het hof heeft mede in ogenschouw genomen dat verdachte zich, ten tijde van het aan hem verweten strafbare feit, in een proeftijd van een voorwaardelijke veroordeling bevond. Het hof leidt hieruit af dat verdachte kennelijk niet bereid en/of niet in staat is zich te houden aan voorwaarden.

Alles in samenhang bezien ziet het hof thans niet welke voorwaarden aan een schorsing moeten worden verbonden om de kans op herhaling terug te brengen tot op een voor de samenleving aanvaardbaar niveau.

Het hof wijst derhalve af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:

Wijst af het hoger beroep.

Bevestigt de beschikking waarvan beroep.

Wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

Aldus gedaan op 12 februari 2026

door mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter, mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. J.C. Gillesse raadsheren, in tegenwoordigheid van B. Yazi, griffier.

De advocaat-generaal bij dit Gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van verdachte.

's-Hertogenbosch, 12 februari 2026

Gezien d.d.

De directeur van P.I. [plaats]

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.T.F.M. van Krieken
  • mr. O.M.J.J. van de Loo
  • mr. J.C. Gillesse

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?