Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 18 december 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-098805-22 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft verdachte ter zake van:
feit 1:
verduistering gepleegd door hem die het goed als bewindvoerder onder zich heeft,
meermalen gepleegd en
feit 2:
opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225,
eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen
gepleegd
veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Tevens heeft de rechtbank beslissingen genomen op vorderingen van benadeelde partijen als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep en heeft de rechtbank schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.
De verdediging heeft verweer gevoerd betreffende de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging alsmede de straf.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank ten aanzien van feit 1 partieel vrijgesproken ten aanzien van een aantal personen die zijn genoemd in het procesdossier maar waarvan niet is gebleken dat de verdachte gelden heeft verduisterd naar zijn privérekeningen. Het betreft de navolgende personen die eveneens zijn opgenomen in bijlage III van het vonnis van de rechtbank:
1. [benadeelde 1] ; 19. [benadeelde 19] ;
2. [benadeelde 2] ; 20. [benadeelde 20] ;
3. [benadeelde 3] ; 21. [benadeelde 21] ;
4. [benadeelde 4] ; 22. [benadeelde 22] ;
5. [benadeelde 5] ; 23. [benadeelde 23] ;
6. [benadeelde 6] ; 24. [benadeelde 24] ;
7. [benadeelde 7] ; 25. [benadeelde 25] ;
8. [benadeelde 8] ; 26. [benadeelde 26] ;
9. [benadeelde 9] ; 27. [benadeelde 27] ;
10. [benadeelde 10] ; 28. [benadeelde 28] ;
11. [benadeelde 11] ; 29. [benadeelde 29] ;
12. [benadeelde 12] ; 30. [benadeelde 30] ;
13. [benadeelde 13] ; 31. [benadeelde 31] ;
14. [benadeelde 14] ; 32. [benadeelde 32] ;
15. [benadeelde 15] ; 33. [benadeelde 33] ;
16. [benadeelde 16] ; 34. [benadeelde 34] ;
17. [benadeelde 17] ; 35. [benadeelde 35] ;
18. [benadeelde 18] ; 36. [benadeelde 36] .
Het hof heeft vastgesteld dat naast voormelde personen, verdachte tevens partieel is vrijgesproken voor de verduistering van gelden van [benadeelde 37] , hoewel deze niet is opgenomen in bijlage III van het vonnis van de rechtbank (zie voor deze partiële vrijspraak: paragraaf 8.1 van het vonnis van de rechtbank).
Het hoger beroep is onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen voormelde partiële vrijspraken. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat tegen voormelde partiële vrijspraken is gericht.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Dit laatste impliceert tevens dat niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen de beslissingen die de rechtbank heeft genomen ten aanzien van voormelde personen voor zover zij zich als benadeelde partij hebben gevoegd en een schadevergoeding hebben gevorderd en/of om oplegging hebben verzocht van een schadevergoedingsmaatregel naar aanleiding van het civiele vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 21 november 2018 (zaak/rolnummer C/03/230451/ HA ZA 17-29) (hof: hierna telkens te noemen: civiel vonnis).
Voor zover deze benadeelde partijen hun vordering in hoger beroep hebben gehandhaafd zal het hof, nu die beslissingen niet meer aan het oordeel van het hof zijn onderworpen, daarop geen beslissing nemen.
Concreet betreft het hier de navolgende benadeelde partijen die in hoger beroep hun vordering hebben gehandhaafd:
- [benadeelde 37] ;
- [benadeelde 5] ;
- [benadeelde 11] ;
- [benadeelde 14] ;
- [benadeelde 17] ;
- [benadeelde 16] ;
- [benadeelde 30] .
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis onder aanvulling van gronden maar met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissingen op de vorderingen van benadeelde partijen en opgelegde schadevergoedingsmaatregelen voor zover daarin een vergoeding voor immateriële schade is opgenomen.
Het gaat concreet om de navolgende benadeelde partijen die naast een vergoeding tot materiële schade tevens een vordering hebben ingediend tot vergoeding van immateriële schade en ten aanzien van wie tevens een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd:
- [benadeelde 38] ;
- [benadeelde 39] ;
- [benadeelde 40] ;
- [benadeelde 41] ;
- [benadeelde 42] ;
- [benadeelde 43] ;
- [benadeelde 44] ;
- [benadeelde 45] ;
- [benadeelde 46] ;
- [benadeelde 47] .
Aanvulling gronden
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging
De verdediging heeft in hoger beroep het in eerste aanleg gevoerde verweer herhaald dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging. Daartoe is in de kern aangevoerd dat door het lange tijdsverloop er een onherstelbare inbreuk is gemaakt op de verdedigingsrechten, dat er geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Daarbij is erop gewezen dat gedurende de verstreken periode de boekhouding van de bewindvoering door verdachte bij het Openbaar Ministerie is zoekgeraakt waardoor het voor de verdediging niet meer mogelijk is om onder andere carrousselbetalingen en contante betalingen aan onder bewind gestelden te controleren en daarmee de stelling van het Openbaar Ministerie te kunnen weerleggen dat iedere betaling naar de privérekening van verdachte frauduleus zou zijn.
De rechtbank heeft omtrent de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging het navolgende overwogen:
“De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat de redelijke termijn, zoals hiervoor bedoeld, in deze zaak is aangevangen op 24 januari 2017. De verdachte is toen gehoord door de politie. Voor de verdachte moet het vanaf dat moment duidelijk zijn geweest dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld. Daarmee staat buiten twijfel dat in deze zaak de
redelijke termijn inmiddels ruimschoots is overschreden en dit is volledig te wijten aan het
Openbaar Ministerie.
Voor niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie moet volgens de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sprake zijn van een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak, dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM (vgl. ECLI:NL:HR:2020:1890). Het moet gaan om een inbreuk die onherstelbaar is en die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is gecompenseerd. Uit een en ander volgt dat de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in beeld kan komen. De Hoge Raad stelt hoge eisen aan de motivering van die beslissing (vgl. ECLI:NL:HR:2024:1413). In het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, waarin uitgangspunten en regels zijn geformuleerd over de inbreuk op artikel 6, eerste lid. EVRM inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn en het rechtgevolg dat daaraan dient te worden verbonden, heeft de Hoge Raad vooropgesteld dat enkel de overschrijding van de redelijke termijn als zodanig geen grond vormt voor de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen (vgl. ECLl:NL:HR:2008:BD2578). De rechtbank is, indachtig het voorgaande, van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De rechtbank is verder immers niet gebleken van enige aanwijzing voor het bestaan van een ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak. De verdachte heeft ter terechtzitting van 25 november 2024 de aan hem ten laste gelegde feiten bekend en door de raadsman is geen vrijspraak bepleit. Evenmin is de kwaliteit van het onderzoek ter terechtzitting in het gedrang gekomen, waardoor de rechtbank niet meer tot een zorgvuldige beoordeling zou kunnen komen. De verdachte heeft, behoudens jarenlange onzekerheid over zijn strafzaak, geen nadeel ondervonden aan de overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank begrijpt dat het na verloop van tijd moeilijker is om op bepaalde feitelijke
omstandigheden te reageren, maar de verdediging heeft niet uitgelegd, en de rechtbank ziet
ook niet, hoe dit in het onderhavige geval tot een onherstelbare inbreuk op het recht op een
eerlijk proces heeft geleid. Het ontvankelijkheidsverweer van de verdediging wordt dan ook
verworpen.”
Het hof verenigt zich met voormelde overwegingen, neemt deze over en voegt daaraan toe dat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op vragen van het hof heeft verklaard dat iedere betaling die afkomstig was van één van zijn cliënten naar zijn privérekening frauduleus was en dat hij op geen enkele van die betalingen recht had. Ook gelet op deze verklaring is het hof van oordeel dat door het gestelde zoekraken van de boekhouding van de bewindvoering er geen inbreuk is gemaakt op de verdedigingsrechten van verdachte waardoor er van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM geen sprake meer zou zijn.
Het hof verwerpt met de rechtbank het verweer van de verdediging.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft bepleit dat anders dan de rechtbank aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou ertoe leiden dat verdachte zijn baan zal kwijtraken waardoor zijn gezin (waarvan verdachte kostwinner is) in financiële problemen zal raken. Bovendien wordt met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de kans kleiner dat hij op enig moment de gedupeerden schadeloos zal kunnen stellen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De rechtbank heeft het navolgende met betrekking tot de strafoplegging overwogen.
“Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de
persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren
is gekomen.
De verdachte heeft zich in de hoedanigheid van (beschermings)bewindvoerder en
budgetbeheerder schuldig gemaakt aan verduistering van geldbedragen van een groot deel
van zijn klantenportefeuille. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte
en het opzettelijk gebruikmaken van vervalste geschriften. De verdachte heeft gedurende
meerdere jaren structureel geld van zijn cliënten in zijn eigen zakken gestopt. Daarmee heeft hij zichzelf verrijkt ten nadele van een zeer kwetsbare groep mensen.
Cliënten van een bewindvoerder of een budgetbeheerder zijn immers om diverse redenen
zelf niet meer in staat om op verantwoorde wijze voor hun financiën te zorgen. Als
bewindvoerder en budgetbeheerder diende de verdachte de rekeningen van zijn cliënten te
betalen, regelingen te treffen voor hun schulden en overzicht te creëren in hun financiële
situatie. Zij waren naar hun aard zeer kwetsbaar en volledig afhankelijk van het integere
handelen van de verdachte, die daar op grove wijze misbruik van heeft gemaakt. In plaats van orde op zaken te stellen, heeft de verdachte ervoor gekozen om zichzelf te verrijken ten koste van zijn cliënten. Zodoende heeft hij hun problemen alleen maar groter gemaakt. Het vertrouwen dat zijn cliënten in de verdachte mochten hebben heeft hij op een schaamteloze manier geschaad en misbruikt. De verdachte had een verantwoordelijke functie, maar ook een voorbeeldfunctie, en met zijn handelen heeft hij het vertrouwen dat in het algemeen in
bewindvoerderskantoren en budgetbeheerders moet kunnen worden gesteld, ernstig
geschaad. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan. Dat geldt eveneens voor het
misleiden van de rechtbank door rekeningen en verantwoordingen te overleggen die vals dan wel vervalst waren. Het moet dan ook eenieder duidelijk zijn dat dit gedrag als
bewindvoerder of budgetbeheerder onacceptabel is.
De rechtbank is uit de vorderingen van de slachtoffers en de verklaringen van de aanwezige
slachtoffers ter terechtzitting gebleken dat de gevolgen voor hen immens zijn. Velen hebben
nog steeds last van het gewetenloze handelen van de verdachte. Meerdere slachtoffers zijn
hun woning verloren, omdat de verdachte de hypotheekkosten of huur niet betaalde, terwijl
hij tegen hen zei dat hij dit wel deed. Schrijnend is het verhaal van slachtoffer [benadeelde 48] , die
geen grote schulden had, maar het overzicht over haar financiën kwijtraakte. Ze wendde zich tot maatschappelijk werk in Brunssum en werd vanuit daar doorverwezen naar verdachte. Terwijl ze over een relatief goed maandelijks inkomen beschikte zou de verdachte haar helpen orde op zaken te stellen. Verdachte heeft haar voorgehouden dat dit binnen enkele maanden opgelost zou zijn. Vijf jaar later heeft [benadeelde 48] echter haar woning moeten verkopen omdat haar hypotheek niet werd voldaan, waarna een restschuld resteerde van 10.000 euro. Ook is haar inboedel verkocht en is zij noodgedwongen ingetrokken bij haar dochter. Van een ander slachtoffer is de pensioenpot volledig leeg. Een ander slachtoffer, nota bene aangetrouwde familie van de verdachte, was bijna uit de schulden en vroeg de verdachte om de laatste restanten af te lossen. De verdachte heeft dit niet gedaan en voornoemd slachtoffer raakte opnieuw diep in de schulden en was terug bij af. Het
voorgaande illustreert enerzijds de enorme gevolgen van het handelen van de verdachte voor de slachtoffers en anderzijds de kwetsbaarheid van de cliënten waarvan hij misbruik heeft gemaakt. De rechtbank neemt dit de verdachte zeer kwalijk.
Gelet op de ernst van de feiten kan naar het oordeel van de rechtbank in beginsel slechts
worden volstaan met een vrijheidsbenemende straf van lange duur. Bij het bepalen van de
duur daarvan heeft de rechtbank gekeken naar de opgelegde straffen in soortgelijke zaken en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (de LOVS-
oriëntatiepunten. fraude). Doorgaans wordt voor het verduisteren van een geldbedrag als het bewezenverklaarde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tussen de 9 en 12 maanden opgelegd. Daarnaast heeft de verdachte zich ook meermalen schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte.”
Het hof neemt vorenstaande overweging van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne.
Aanvullend overweegt het hof het volgende.
Anders dan de rechtbank heeft overwogen is het hof van oordeel dat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep wel degelijk verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Verdachte heeft ook herhaaldelijk verklaard dat hij spijt heeft van zijn handelen en het leed dat hij door zijn handelen heeft aangericht bij de slachtoffers. Daarin is hij op het hof oprecht overgekomen. Ook heeft hij verklaard bereid te zijn de slachtoffers schadeloos te stellen en is hij daarvoor ook aan het sparen. Verder zou hij over het terugbetalen van zijn slachtoffers met diverse instanties contact hebben gezocht, maar deze instanties zouden daarbij hebben aangegeven nog niets voor verdachte te kunnen doen totdat deze strafzaak onherroepelijk is.
Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend is bij de ernst van de feiten.
Het hof heeft zich echter gesteld gezien voor de vraag of een strafmodaliteit die beter het belang dient van de gedupeerden bij een schadeloosstelling de voorkeur verdient boven deze straf, die vooral vergelding en speciale en generale preventie als doelstelling heeft. Schadeloosstelling van de benadeelden zou bij een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf immers wel eens illusoir kunnen worden. Verdachte wordt immers zijn vrijheid ontnomen bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf hetgeen tot gevolg kan hebben dat hij zijn baan en dus inkomen verliest.
Het hof vindt het - mede wegens het ruime tijdsverloop - op dit moment belangrijker dat op niet te lange termijn een begin kan worden gemaakt met het schadeloos stellen van de benadeelden. Dat betekent dat het hof afziet van het opleggen van een gevangenisstraf die ook daadwerkelijk vrijheidsbeneming van de verdachte betekent. Het hof legt alles afwegende aan verdachte voor feit 1 en feit 2 op de maximale taakstraf met daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur.
Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Benadeelde partijen
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 49]
De benadeelde partij [benadeelde 49] heeft in hoger beroep te kennen gegeven zijn vordering in eerste aanleg te willen handhaven. Nu het hof niet is gebleken dat [benadeelde 49] zich in het geding in eerste aanleg als benadeelde partij heeft gevoegd is de benadeelde partij, gelet op het bepaalde in artikel 421 van het Wetboek van Strafvordering onbevoegd in het geding in hoger beroep. Het hof zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Overige benadeelde partijen die tevens immateriële schade hebben gevorderd.
Het hof heeft hiervoor overwogen dat het vonnis van de rechtbank vernietigd zal worden ten aanzien van de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen voor zover deze tevens vergoeding van immateriële schade hebben gevorderd. Voor wat betreft de leesbaarheid zal het hof ten aanzien van die benadeelde partijen eveneens de door de rechtbank opgelegde schadevergoedingsmaatregelen vernietigen en te dien aanzien opnieuw beslissen.
Het hof overweegt in zijn algemeenheid omtrent de toekenning van immateriële schade het navolgende.
Art. 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:
a. oogmerk om zodanige schade toe te brengen, bijvoorbeeld indien de verdachte iemand heeft gedood met het oogmerk aan de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen;
b. aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze;
c. bepaalde gevallen van aantasting van de nagedachtenis van een overledene.
Van de onder b.3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
Het vorenstaande kader toegepast op de onderhavige zaak leidt tot het navolgende.
De hierna opgenomen benadeelde partijen geven ter onderbouwing van de gevorderde immateriële schade – in de kern – aan dat het strafbare handelen van verdachte veel impact op hen heeft gehad en dat hun financiële problemen en daarmee verbonden zorgen door toedoen van verdachte zijn toegenomen en dat hun vertrouwen ernstig is geschaad.
Gelet op het bepaalde in artikel 6:106 BW moet worden vastgesteld of het door de benadeelde partijen ter onderbouwing van hun schadevergoeding aangevoerde een aantasting in persoon op andere wijze oplevert in die zin of de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Het hof is anders dan de rechtbank van oordeel dat daarvan geen sprake is. De aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten zijn naar het oordeel van het hof niet van zodanige aard dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Gelet hierop zal het hof de benadeelde partijen in hun vordering voor zover dit betrekking heeft op de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren en de schadevergoedingsmaatregelen voor zover dit betrekking heeft op immateriële schade aanpassen.
Het hof bevestigt voor het overige de beslissingen van de rechtbank op de vorderingen van de andere benadeelde partijen en de ten aanzien van die benadeelde partijen door de rechtbank opgelegde schadevergoedingsmaatregelen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 38]
De benadeelde partij [benadeelde 38] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 15.941,26 aan materiële schade en een bedrag van
€ 600,- aan immateriële schade.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van
€ 5.110,00 waarvan € 4.610 ter zake materiële schade en een bedrag van € 500,- aan immateriële schade.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 3.910,- ter zake materiële schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering op gronden als hiervoor aangegeven.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 38] is toegebracht tot een bedrag van € 3.910,00 ter zake materiële schade. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.
Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 39]
De benadeelde partij [benadeelde 39] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding bestaande uit een bedrag van € 4.050,69 ter zake materiële schade en een bedrag van € 500,- ter zake immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2,88 ter zake materiële schade en een bedrag van € 500,- aan materiële schade.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 2,88 ter zake materiële schade, bestaande uit kosten voor het verzenden van brieven naar Slachtofferhulp Nederland.
In het overige gedeelte van de materiële schade is de benadeelde partij niet ontvankelijk, enerzijds omdat ter zake het verduisterde bedrag (€ 160,-) bij civiel vonnis (hof: zie hiervoor) reeds onherroepelijk is beslist en voor het overige gedeelte niet als rechtstreekse schade van het bewezenverklaarde kan worden aangemerkt.
Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering op gronden als hiervoor aangegeven.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 39] is toegebracht tot een bedrag van € 2,88 ter zake materiële schade.
Daarnaast is bij civiel vonnis vastgesteld dat verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor een bedrag van € 160,-, ter zake materiële schade.
Het hof ziet hierin aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van € 162,88, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.
Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 40]
De benadeelde partij [benadeelde 40] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 6.080,- aan materiële schade en een bedrag van € 500,- ter zake immateriële schade.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van
€ 4.570,- ter zake materiële schade en een bedrag van € 500,- aan materiële schade.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 4.570,- ter zake materiële schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. In het overige gedeelte van de materiële schade is de benadeelde partij niet ontvankelijk omdat deze niet als rechtstreekse schade van het bewezenverklaarde kan worden aangemerkt.
Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering op gronden als hiervoor aangegeven.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 40] is toegebracht tot een bedrag van € 4.570,00 ter zake materiële schade. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.
Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 41]
De benadeelde partij [benadeelde 41] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding bestaande uit een bedrag van € 6.755,30 ter zake materiële schade en een bedrag van € 2.500,- ter zake immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,- ter zake immateriële schade.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. Dit betekent dat enkel het toegewezen bedrag van
€ 500,- aan immateriële schade aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Anders dan de rechtbank verklaart het hof verdachte niet-ontvankelijk in deze vordering gelet op de gronden als hiervoor aangegeven.
Schadevergoedingsmaatregel
Daarnaast is bij civiel vonnis vastgesteld dat verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor een bedrag van € 1.610,- ter zake materiële schade.
Het hof ziet hierin aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van € 1.610,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.
Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 42]
De benadeelde partij [benadeelde 42] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding bestaande uit een bedrag van € 4.000,- ter zake materiële schade en een bedrag van € 500,- ter zake immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,- ter zake immateriële schade.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
Met de rechtbank verklaart het hof de verdachte niet-ontvankelijk in de vordering omdat ter zake het verduisterde bedrag bij civiel vonnis reeds onherroepelijk is beslist.
Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering op gronden als hiervoor aangegeven.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu bij civiel vonnis is vastgesteld dat verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor een bedrag van € 4.000,- ter zake materiële schade, ziet het hof met de rechtbank aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 47]
De benadeelde partij [benadeelde 47] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding bestaande uit een bedrag van € 21.701,- ter zake materiële schade en een bedrag van € 500,- ter zake immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500 ter zake immateriële schade.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
Met de rechtbank verklaart het hof de verdachte niet-ontvankelijk in de vordering ter zake de materiële schade nu omtrent het verduisterde bedrag enerzijds bij civiel vonnis reeds onherroepelijk is beslist (€ 19.430,-) en voor het overige gedeelte niet als rechtstreekse schade van het bewezenverklaarde kan worden aangemerkt.
Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering op gronden als hiervoor aangegeven.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu bij civiel vonnis is vastgesteld dat verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor een bedrag van € 19.430,- ter zake materiële schade, ziet het hof met de rechtbank aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.
Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 43]
De benadeelde partij [benadeelde 43] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding bestaande uit een bedrag van € 2.180,- ter zake materiële schade en een bedrag van € 500,- ter zake immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500 ter zake immateriële schade.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
Met de rechtbank verklaart het hof de verdachte niet-ontvankelijk in de vordering ter zake de materiële schade nu omtrent het verduisterde bedrag enerzijds bij civiel vonnis reeds onherroepelijk is beslist (€ 450,-) en voor het overige gedeelte niet als rechtstreekse schade van het bewezenverklaarde kan worden aangemerkt.
Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering op gronden als hiervoor aangegeven.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu bij civiel vonnis is vastgesteld dat verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor een bedrag van € 450,- ter zake materiële schade, ziet het hof met de rechtbank aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.
Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 44]
De benadeelde partij [benadeelde 44] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 24.856,- aan materiële schade en een bedrag van € 500,- ter zake immateriële schade.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van
€ 799,- ter zake materiële schade en een bedrag van € 500,- aan immateriële schade.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 799,- ter zake materiële schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. In het overige gedeelte van de materiële schade is de benadeelde partij niet ontvankelijk omdat deze niet als rechtstreekse schade van het bewezenverklaarde kan worden aangemerkt.
Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering op gronden als hiervoor aangegeven.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 44] is toegebracht tot een bedrag van € 799,- ter zake materiële schade. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.
Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 45]
De benadeelde partij [benadeelde 45] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding bestaande uit een bedrag van € 4.267,- ter zake materiële schade en een bedrag van € 500,- ter zake immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500 ter zake immateriële schade.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
Met de rechtbank verklaart het hof de verdachte niet-ontvankelijk in de vordering ter zake de materiële schade nu omtrent het verduisterde bedrag enerzijds bij civiel vonnis reeds onherroepelijk is beslist (€ 1.588,-) en voor het overige gedeelte niet als rechtstreekse schade van het bewezenverklaarde kan worden aangemerkt.
Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering op gronden als hiervoor aangegeven.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu bij civiel vonnis is vastgesteld dat verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor een bedrag van € 1.588,- ter zake materiële schade, ziet het hof met de rechtbank aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.
Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 46]
De benadeelde partij [benadeelde 46] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding bestaande uit een bedrag van € 2.680,- ter zake materiële schade en een bedrag van € 500,- ter zake immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500 ter zake immateriële schade.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. Dit betekent dat slechts de toegewezen vordering van € 500,- aan immateriële schade in het hoger beroep aan de orde is.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de benadeelde partij in de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk is op gronden als hiervoor aangegeven.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu bij civiel vonnis is vastgesteld dat verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor een bedrag van € 1.350,- ter zake materiële schade, ziet het hof met de rechtbank aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.
Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 225 en 323 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
3 1 december 2016;
Het hof:
Verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dit is gericht tegen de vrijspraken van verduistering van gelden van de navolgende personen (zie ook bijlage III van het vonnis van de rechtbank):
1. [benadeelde 1] ; 19. [benadeelde 19] ;
2. [benadeelde 2] ; 20. [benadeelde 20] ;
3. [benadeelde 3] ; 21. [benadeelde 21] ;
4. [benadeelde 4] ; 22. [benadeelde 22] ;
5. [benadeelde 5] ; 23. [benadeelde 23] ;
6. [benadeelde 6] ; 24. [benadeelde 24] ;
7. [benadeelde 7] ; 25. [benadeelde 25] ;
8. [benadeelde 8] ; 26. [benadeelde 26] ;
9. [benadeelde 9] ; 27. [benadeelde 27] ;
10. [benadeelde 10] ; 28. [benadeelde 28] ;
11. [benadeelde 11] ; 29. [benadeelde 29] ;
12. [benadeelde 12] ; 30. [benadeelde 30] ;
13. [benadeelde 13] ; 31. [benadeelde 31] ;
14. [benadeelde 14] ; 32. [benadeelde 32] ;
15. [benadeelde 15] ; 33. [benadeelde 33] ;
16. [benadeelde 16] ; 34. [benadeelde 34] ;
17. [benadeelde 17] ; 35. [benadeelde 35] ;
18. [benadeelde 18] ; 36. [benadeelde 36]
en van [benadeelde 37] .
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de beslissingen op de vorderingen van na te melden benadeelde partijen en de ten aanzien van die benadeelde partijen opgelegde schadevergoedingsmaatregelen en doet in zoverre opnieuw recht.
Strafoplegging
Ten aanzien van de feiten 1 en 2:
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 480 (vierhonderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 240 (tweehonderdveertig) dagen hechtenis.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
De benadeelde partijen:
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 38]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 38] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.910,00 (drieduizend negenhonderdtien euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 38] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 3.910,00 (drieduizend negenhonderdtien euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 18 (achttien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 39]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 39] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2,88 (twee euro en achtentachtig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 39] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 162,88 (honderdtweeënzestig euro en achtentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 40]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 40] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.570,00 (vierduizend vijfhonderdzeventig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 40] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.570,00 (vierduizend vijfhonderdzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 18 (achttien) dagen.
Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 49]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 49] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 41]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 41] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 41] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.610,- (eenduizendzeshonderdentien euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen.
Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 42]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 42] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 42] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.000,00 (vierduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 14 (veertien) dagen.
Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 47]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 47] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 47] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 19.430,00 (negentienduizend vierhonderddertig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 70 (zeventig) dagen.
Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 43]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 43] niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 43] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 450,00 (vierhonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag.
Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 44]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 44] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 799,00 (zevenhonderdnegenennegentig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 44] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 799,00 (zevenhonderdnegenennegentig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 45]
Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 45] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.588,00 (duizend vijfhonderdachtentachtig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 6 (zes) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 46]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 46] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 46] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.350,00 (duizend driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Het dictum van het voor het overige bevestigde vonnis luidt als volgt:
Schadevergoedingsmaatregelen n.a.v. het vonnis van de rechtbank Limburg van 21
november 2018;
-legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van
[benadeelde 50] van een bedrag van 1.390,00 euro, te vermeerderen met de wettelijke
rente vanaf 31 december 2016;
-bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast
voor de duur van 4 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde
betalingsverplichting niet op;
-legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde 51]
van een bedrag van 2.580,00 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
-bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast
voor de duur van 9 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde
betalingsverplichting niet op;
-legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde 52]
van een bedrag van 2.040.00 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente
vanaf 31 december 2016;
-bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast
voor de duur van 7 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde
betalingsverplichting niet op;
-legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van
[benadeelde 53] van een bedrag van 1.800,00 euro, te vermeerderen met de wettelijke
rente vanaf 3l december 2016;
-bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast
voor de duur van 6 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde
betalingsverplichting niet op;
-legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde 48]
van een bedrag van 38.674,74 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente
vanaf 31 december 2016;
-bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast
voor de duur van 129 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor
opgelegde betalingsverplichting niet op;
-legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van
[benadeelde 54] van een bedrag van 1.440,00 euro, te vermeerderen met de wettelijke
rente vanaf 31 december 2016;
-bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast
voor de duur van 5 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde
betalingsverplichting niet op;
-legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van
[benadeelde 55] van een bedrag van 2.780.00 euro, te vermeerderen met de wettelijke
rente vanaf 31 december 2016;
-bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast
voor de duur van 8 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde
betalingsverplichting niet op;
-legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde 56]
van een bedrag van 3.940,00 euro, te vermeerderen met de wettelijke
rente vanaf 31 december 2016;
-bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast
voor de duur van 14 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde
betalingsverplichting niet op.
De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 50]
-wijst een bedrag aan materiële schade van 1.390.00 euro af;
-bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot
schadevergoeding;
-veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen
die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 51]
-bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot
schadevergoeding;
-veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen
die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 57]
-wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en
veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde 57] , van een
bedrag van 790,00 euro, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke
rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;
-veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot
op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve
van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
-verklaart de benadeelde voor het meergevorderde niet-ontvankelijk;
-legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde 57]
, van een bedrag van 790,00 euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31
december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;
-bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast
voor de duur van 2 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde
betalingsverplichting niet op;
-voormeld bedrag bestaat uit materiële schade;
-de veroordeelde is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde partij bevrijd
voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding
van deze schade;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 52]
-bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot
schadevergoeding;
-veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen
die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 58]
-wijst een bedrag aan materiële schade van 510,00 euro af;
-bepaalt dat de benadeelde partij voor het meergevorderde niet-ontvankelijk is in de
vordering tot schadevergoeding;
-veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen
die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 53]
-wijst een bedrag aan materiële schade van 1.800,00 euro af;
-bepaalt dat de benadeelde partij voor het meergevorderde niet-ontvankelijk is in de
vordering tot schadevergoeding;
-veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen
die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 48]
-bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot
schadevergoeding;
-veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen
die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 54]
-wijst een bedrag aan materiële schade van 1.440.00 euro af;
-bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in het meergevorderde aan
schadevergoeding;
-veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt tot op
heden begroot op nihil;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 55]
-bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot
schadevergoeding;
-veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen
die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 59]
-wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en
veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde 59] , van een
bedrag van 3.123,00 euro aan materiële schadevergoeding, vermeerderd met de
wettelijke rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;
-veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot
op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve
van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
-verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk voor het meergevorderde aan materiële
schade;
-legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde 59]
, van een bedrag van 3.123,00 euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
31 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;
-bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast
voor de duur van 11 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde
betalingsverplichting niet op;
-voormeld bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding;
de veroordeelde is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde partij bevrijd
voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding
van deze schade;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 60]
-wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en
veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde 60] ,
van een bedrag van 349,00 euro, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de
wettelijke rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening
-veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot
op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve
van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
-verklaart de benadeelde niet-ontvankelijk voor het meergevorderde;
-legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van
[benadeelde 60] , van een bedrag van 349,00 euro, vermeerderd met de wettelijke
rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;
-bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast
voor de duur van 1 dag. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde
betalingsverplichting niet op;
-voormeld bedrag bestaat uit materiële schade;
-de veroordeelde is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde partij bevrijd
voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding
van deze schade;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 61]
-wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en
veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde 61] , van een
bedrag van 1.000,00 euro, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke
rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;
-veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot
op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve
van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
-verklaart de benadeelde niet-ontvankelijk voor het meergevorderde;
-legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde 61]
, van een bedrag van 1.000,00 euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
31 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;
-bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast
voor de duur van 4 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde
betalingsverplichting niet op;
-voormeld bedrag bestaat uit materiële schade;
-de veroordeelde is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde partij bevrijd
voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding
van deze schade;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 62]
-wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en
veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde 62] , van een
bedrag van 750,00 euro, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke
rente vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;
-veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot
op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve
van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
-verklaart de benadeelde niet-ontvankelijk voor het meergevorderde;
-legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van
[benadeelde 62] , van een bedrag van 750,00 euro, vermeerderd met de wettelijke rente
vanaf 31 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;
-bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast
voor de duur van 2 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde
betalingsverplichting niet op;
-voormeld bedrag bestaat uit materiële schade;
-de veroordeelde is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde partij bevrijd
voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding
van deze schade;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 56]
-bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot
schadevergoeding;
-veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen
die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 63]
-bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot
schadevergoeding;
-veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen
die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 17]
-bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot
schadevergoeding;
-veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen
die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Aldus gewezen door:
mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,
mr. C.A. van Roosmalen en mr. C.M.A. Ellens - Veenhof, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,
en op 25 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. C.M.A. Ellens – Veenhof is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.