ECLI:NL:GHSHE:2026:910

ECLI:NL:GHSHE:2026:910

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak 07-04-2026
Datum publicatie 07-04-2026
Zaaknummer 20-000130-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Veroordeling ter zake van het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige (van haar 15e-18e jaar), waarbij ook sprake was van het seksueel binnendringen van het lichaam, en ter zake van kinderporno, tot een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, en betaling van € 20.251,66 aan schadevergoeding.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 5 januari 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-006917-22 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] [in het jaar] 1973,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van:

 met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd (feit 1);

 ontucht plegen met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd (feit 2);

 een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, vervaardigen en in bezit hebben, meermalen gepleegd (feit 3);

 een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd (feit 4),

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en met oplegging van bijzondere voorwaarden. Voorts heeft de rechtbank twee onder de verdachte in beslag genomen gegevensdragers – een Apple iPad en een Samsung laptop – onttrokken aan het verkeer. Ten slotte heeft de rechtbank de vordering van de [benadeelde partij] tot een totaalbedrag van

€ 15.251,66 toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de vordering afgewezen.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, met aanvulling van de gronden (door toevoeging van de processen-verbaal van getuigenverhoor door de raadsheer-commissaris aan het bewijs) en met uitzondering van de strafoplegging, het beslag en de beslissing op de vordering van de [benadeelde partij] . De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof, te dien aanzien opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, medewerking verlenen aan een ambulante behandeling en een contactverbod met [aangeefster] . Met betrekking tot de vordering van de [benadeelde partij] , heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof deze geheel zal toewijzen tot het in hoger beroep gevorderde bedrag van € 20.251,66. De in beslaggenomen gegevensdragers moeten volgens de advocaat-generaal verbeurd worden verklaard.

De verdediging heeft primair integrale vrijspraak van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde bepleit. Subsidiair, in het geval van enige bewezenverklaring, is verzocht te volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een onvoorwaardelijke taakstraf voor de maximale duur. De verdediging heeft verzocht de [benadeelde partij] primair niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, subsidiair de vordering af te wijzen en meer subsidiair de vordering aanzienlijk te matigen. De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de onder de verdachte in beslag genomen gegevensdragers.

Vonnis waarvan beroep

Ter terechtzitting in hoger beroep is de vordering van de advocaat-generaal tot wijziging van de tenlastelegging toegewezen, inhoudende dat ten aanzien van feit 1 een woord, te weten het woord ‘ontuchtige’, is ingevoegd.

Het hof overweegt dat, hoewel daarmee de tenlastelegging in hoger beroep is gewijzigd, in het onderhavige geval niet tevens de grondslag van het onderzoek is gewijzigd, nu de tenlastelegging met invoeging van het woord ‘ontuchtige’ slechts in overeenstemming is gebracht met de wijze waarop de rechtbank het onder 1 tenlastegelegde feit in eerste aanleg reeds verbeterd heeft gelezen en bewezenverklaard.

Nu de grondslag van het onderzoek derhalve niet is gewijzigd, ziet het hof in deze wijziging van de tenlastelegging geen reden voor vernietiging van het vonnis op die grond.

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust en met aanvulling van de motivering van de beslissing op het beslag en met uitzondering van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de [benadeelde partij] .

Aanvulling van de bewijsmiddelen

Naast de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, zoals uitgewerkt opgenomen in bijlage II van het vonnis op pagina’s 14 tot en met 19, komt de bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3 mede te berusten op:

Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering, te weten screenshots van WhatsApp-berichten tussen de verdachte en [aangeefster] , afkomstig uit de telefoon van aangeefster en veiliggesteld door de politie, doorgenummerde dossierpagina's 218-237, voor zover inhoudende:

(pagina 228)

Bericht van [verdachte] (het hof begrijpt telkens: verdachte [verdachte] ) aan aangeefster:

(...)

Heb je alles gegeven wat je verdiende

Bericht van aangeefster aan [verdachte] :

Seks toen ik 15 was?

Verdiende ik dat ja?

Bericht van [verdachte] aan aangeefster:

Heb al vaker gezegd dat ik niet alles goed heb gedaan maar heb je nooit pijn willen doen

(pagina 235)

Bericht van aangeefster aan [verdachte] :

Jij wist dat ik op mijn 15e kwetsbaar was doordat me thuissituatie niet goed was

Bericht van [verdachte] aan aangeefster:

Wilde je toen alleen maar helpen, je verhaal raakte me tot op het bot

Bericht van aangeefster aan [verdachte] :

Helpen doormiddel van seks?

Verbetering van de bewijsmiddelen

Onder bijlage II, de bewijsmiddelen, feit 4 komen de bewijsmiddelen 4 en 5 te vervallen.

Aanvulling van de bewijsmotivering

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak van de onder 1, 2 3 en 4 tenlastegelegde feiten bepleit. Hetgeen daartoe is aangevoerd is uitgebreid verwoord in de door de raadsvrouw overgelegde en voorgedragen pleitnota. Kort gezegd, komt het verweer erop neer dat de verdachte het tenlastegelegde ontkent en dat de verklaringen van [aangeefster] en de getuigen als onbetrouwbaar ter zijde moeten worden geschoven. Ten aanzien van de op de telefoon van de aangeefster veiligstelde screenshots van WhatsApp-berichten waarin de aangeefster de verdachte confronteert met seksuele handelingen die tussen hen zouden hebben plaatsgevonden, heeft de verdediging nog opgemerkt dat de omstandigheid dat de verdachte daarop niet ontkennend heeft gereageerd, niet betekent dat die beweringen juist zijn. De verdachte heeft daarop niet expliciet ontkennend gereageerd, omdat hij wist dat het verwijt gelogen was, hij het niet nodig vond om daarop inhoudelijk te reageren en hij juist terughoudend was om escalatie te voorkomen. Uit de screenshots van deze berichten kan niet worden opgemaakt dat er tussen de verdachte en de aangeefster meer was dan een vader-dochterrelatie en deze dienen derhalve niet als ondersteunend aan de verklaring van aangeefster te worden gewaardeerd, aldus de raadsvrouw.

Het hof sluit zich aan bij de bewijsoverwegingen van de rechtbank, zoals deze in het vonnis zijn opgenomen, en bevestigt deze. Gelet op hetgeen door de verdediging in hoger beroep ten aanzien van de screenshots van de WhatsApp-berichten tussen de verdachte en de aangeefster is aangevoerd, overweegt het hof in aanvulling daarop nog als volgt.

Uit de desbetreffende screenshots van de WhatsApp-berichten tussen de verdachte en de aangeefster, zoals hiervoor onder het kopje ‘Aanvulling van de bewijsmiddelen’ uitgewerkt weergegeven, kan worden opgemaakt dat de aangeefster de verdachte confronteert met de omstandigheid dat zij seks met elkaar hebben gehad toen de aangeefster 15 jaar oud was, dat de verdachte wist dat zij toen kwetsbaar was vanwege haar thuissituatie en dat zij hem vraagt of zij dit verdiend heeft. De verdachte reageert daarop niet ontkennend, maar geeft toe dat hij weet dat hij niet alles goed heeft gedaan. Het hof is, anders dan de verdediging, van oordeel dat de verdachte hiermee wel degelijk inhoudelijk reageert op de berichten van de aangeefster en niet met een ontkenning. Hoewel het uitblijven van een ontkenning op zichzelf genomen niet kan bijdragen aan het bewijs voor het tenlastegelegde handelen van de verdachte, waardeert het hof de reactie van de verdachte in onderling verband en samenhang met de overige bewijsmiddelen gezien als een (impliciete) erkenning. Het hof is van oordeel dat de chatberichten de verklaring van de aangeefster ondersteunen en bezigt deze derhalve voor het bewijs.

Het hof overweegt verder nog het volgende ten aanzien van het verweer met betrekking tot het vingerfilmpje van de hand met lichaamsbeharing. De politie heeft weliswaar opgeschreven dat het om een hand met lichaamsbeharing ging, maar heeft ook de gelijkenissen met de gefotografeerde handen van de verdachte geconstateerd. Het hof gaat er, gelet daar op, maar ook gelet op het feit dat het filmpje in de woning van de verdachte is/lijkt te zijn opgenomen, dat de verdachte de enige man daar in huis was én het filmpje op zijn computer is aangetroffen, vanuit dat de verdachte (en de aangeefster, maar dat wordt ook niet betwist) degene op dat filmpje is.

Ook overigens heeft de verdediging met betrekking tot de bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten in hoger beroep niets ten verwere gebracht wat het hof tot een ander oordeel brengt dan de rechtbank. Het verweer wordt derhalve in al zijn onderdelen verworpen.

Met de rechtbank acht het hof het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met [aangeefster] vanaf haar 15e tot haar 18e jaar, waarbij ook sprake was van het seksueel binnendringen van het lichaam van de aangeefster door de verdachte. Gedurende meerdere jaren vonden de ontuchtige handelingen wekelijks plaats. De aangeefster was een kwetsbaar meisje door haar instabiele thuissituatie. Zij was bevriend geraakt met de zoon van de verdachte en kwam steeds vaker bij het gezin van de verdachte thuis. De verdachte won het vertrouwen van de aangeefster en zij ging uiteindelijk bij het gezin in huis wonen. Gedurende de tijd dat de aangeefster bij de verdachte woonde, was hij (mede)verantwoordelijk voor haar welzijn. Zij zag hem als een tweede vader en zocht geborgenheid en warmte bij hem. De verdachte wist dat de aangeefster een kwetsbaar pubermeisje was en had haar een veilige omgeving moeten bieden. In plaats daarvan heeft hij misbruik gemaakt van de situatie. Met de rechtbank, vindt het hof het buitengewoon kwalijk en ernstig dat de verdachte het door de aangeefster (en haar ouders) in hem gestelde vertrouwen op deze manier heeft geschonden.

Door het langdurige en wekelijkse seksuele misbruik heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van de aangeefster op ernstige wijze geschonden en haar normale en gezonde seksuele ontwikkeling doorkruist. Het is een feit van algemene bekendheid dat seksueel misbruik ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer.

Minderjarige meisjes moeten worden beschermd, zowel tegen personen die op seksueel

gebied misbruik van hen willen maken als tegen zichzelf. Dat de aangeefster de gevolgen van de seksuele handelingen destijds niet heeft kunnen overzien, blijkt onder meer uit haar suïcidepoging op 3 november 2020. Ook is een posttraumatische stressstoornis (hierna: PTSS) bij haar geconstateerd en zij is behandeld met medicatie en EMDR-therapie. De aangeefster heeft verklaard dat het gebeurde invloed heeft op haar gevoel van veiligheid en haar vertrouwen in anderen. Het leeft nog altijd voort in haar lichaam, haar reacties en haar dagelijks leven.

De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het maken en bezitten van kinderpornografisch materiaal. Niet alleen heeft hij een film en meerdere foto’s van seksuele gedragingen van de aangeefster gemaakt, op de gegevensdragers van de verdachte zijn ook als kinderporno bestempelde foto’s aangetroffen van een ander, onbekend gebleven, pubermeisje.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt. Het hof heeft daarbij ook acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten, die alleen al voor het vervaardigen van kinderpornografisch materiaal uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren. Daarbij is dan nog geen rekening gehouden met de bewezenverklaarde ontucht, waarop qua strafwaardigheid naar het oordeel van het hof het zwaartepunt ligt.

Bij de straftoemeting heeft het hof ook rekening gehouden met de inhoud van het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 december 2025. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld en dat de strafbeschikking en transacties die op het uittreksel staan vermeld geen verband houden met soortgelijke strafbare feiten. De verdachte dienst derhalve als een ‘first offender’ te worden beschouwd.

Tevens heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken. In dat kader heeft de verdachte verklaard dat hij, samen met zijn zoon, in een koopwoning woont, dat hij arbeidsongeschikt is geraakt vanwege hernia’s en een darmaandoening en dat recent is geconstateerd dat hij een dubbelzijdig botinfarct in zijn been heeft opgelopen.

Voorts heeft het hof kennisgenomen van de inhoud van de omtrent de verdachte opgemaakte reclasseringsrapporten van 9 november 2023 en 11 augustus 2025. Uit laatstgenoemd rapport volgt onder meer dat de reclassering het gedrag van de verdachte, ondanks (het hof begrijpt: zelfs uitgaande van) zijn ontkennende houding, opvallend en grensoverschrijdend vindt. De manier waarop de verdachte met de aangeefster omging was zelfs zodanig opvallend dat buren hebben gemeend daarvan een melding bij Veilig Thuis te moeten doen.

De reclassering beschrijft dat positief is dat de praktische leefgebieden van de verdachte stabiel zijn en hij bereid is zijn medewerking te verlenen aan een reclasseringstraject gericht op gedragsverandering. In geval van een veroordeling, adviseert de reclassering oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf met een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling door Fivoor (of een soortgelijke zorgverlener) als bijzondere voorwaarden. Met een behandeling kan het delict geanalyseerd worden en kan de verdachte leren om in de toekomst zijn grenzen te herkennen en aan te geven, zodat hij niet wederom in een soortgelijke situatie terechtkomt. De reclassering ziet geen contra-indicaties voor oplegging van een gevangenisstraf.

Alles afwegende, kan het hof zich vinden in de door de advocaat-generaal gevorderde strafoplegging. Het hof acht die straf passend en geboden en zal de verdachte derhalve veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van het voorarrest. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal het hof bijzondere voorwaarden verbinden, te weten een meldplicht bij de reclassering en het verlenen van medewerking aan een ambulante behandeling bij Fivoor (of een soortgelijke zorgverlener).

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

De door de verdediging bepleitte strafoplegging doet geen recht aan de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, zodat het hof daaraan voorbij gaat.

Redelijke termijn

Het hof stelt voorop dat iedere verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

In de onderhavige strafzaak kan worden vastgesteld dat de redelijke termijn voor berechting in hoger beroep met ruim 2 maanden is overschreden. Het hof overweegt daarbij dat de inhoudelijke behandeling van de zaak in eerste instantie was gepland op de terechtzitting van 16 september 2025 – en daarmee binnen de redelijke termijn – maar dat die zitting geen doorgang kon vinden wegens ziekte van de raadsvrouw. Nu sprake is van een overschrijding van beperkte duur die (mede) te wijten is aan de verdediging, zal het hof volstaan met de enkele constatering van de schending van de redelijke termijn.

Tenuitvoerlegging

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de

penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke

invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van

Strafvordering.

Aanvullende motivering van de beslissing op het beslag

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep de onttrekking aan het verkeer bevolen van de onder de verdachte in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een Apple iPad met goednummer 2417133 en een Samsung laptop met goednummer 2417147. De rechtbank overwoog daarbij dat is gebleken dat de feiten 3 en 4 zijn begaan met behulp van deze gegevensdragers.

In aanvulling daarop overweegt het hof nog als volgt.

Op voornoemde gegevensdragers is kinderpornografisch materiaal aangetroffen. Het is niet mogelijk om met zekerheid te kunnen stellen dat het kinderpornografisch materiaal van deze gegevensdragers is verwijderd, waardoor de gegevensdragers van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. De gegevensdragers kunnen bovendien dienen tot het begaan van soortgelijke feiten.

Het hof bevestigt derhalve de beslissing van de rechtbank tot onttrekking aan het verkeer van deze gegevensdragers.

Vordering van de [benadeelde partij]

De [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 20.385,00. Dit bedrag bestaat uit € 385,00 aan materiële schade en € 20.000,00 immateriële schade, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep tot een totaalbedrag van

€ 15.251,66 toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering, althans voor zover ziende op de immateriële schade. Ten aanzien van de materiële schade is de vordering in hoger beroep gematigd tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 251,66. Dit betekent dat in hoger beroep een bedrag van in totaal € 20.251,66 wordt gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde totaalbedrag van € 20.251,66. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Materiële schade

Door de benadeelde partij is ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om vergoeding van de navolgende materiële schadeposten:

 een bedrag van € 38,07 ter zake van het kilometertarief voor ambulancevervoer;

 een bedrag van € 81,22 ter zake van ambulancevervoer;

 een bedrag van € 119,29 ter zake van ambulancevervoer;

 een bedrag van € 13,08 ter zake van antidepressiva medicatie.

Ter onderbouwing van deze schade is namens de benadeelde partij naar voren gebracht dat de benadeelde partij op 3 november 2020 met een ambulance naar het ziekenhuis is gebracht en kortdurend is opgenomen op de GGZ-crisisafdeling, nadat zij een suïcidepoging had gedaan. Over de aanleiding hiervan is opgemerkt dat de benadeelde partij het seksueel misbruik door de verdachte jarenlang geheim heeft moeten houden. Zij kon hierover met niemand praten en durfde lange tijd geen hulp te zoeken of iemand in vertrouwen te nemen. De benadeelde partij voelde zich heel eenzaam in deze periode, met als dieptepunt de suïcidepoging als vlucht uit de voor haar benarde situatie. Voornoemde kosten zijn niet door de verzekering vergoed, omdat deze onder het eigen risico van de benadeelde partij vallen.

Anders dan de verdediging, maar met de rechtbank en de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat voornoemde schadeposten in een voldoende causaal verband staan met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Het hof merkt daarbij op dat de veroorzaker van schade – in dit geval de verdachte – het slachtoffer moet accepteren zoals zij is: inclusief alle gebreken en kwetsbaarheden die deze persoon met zich meebrengt. Dat de benadeelde partij reeds een kwetsbaar meisje was toen zij bij de verdachte in huis kwam wonen, al voordat het bewezenverklaarde zich afspeelde, maakt niet dat het handelen van de verdachte niet in causaal verband staat met de suïcidepoging en crisisopname van de benadeelde partij. Het hof overweegt hierbij nog nadrukkelijk dat uit het bericht van [naam] , arts in opleiding tot psychiater bij het Elisabeth Tweesteden Ziekenhuis, aan de huisarts van de benadeelde partij blijkt dat de benadeelde partij op het moment van het consult op 3 november 2020 een blanco psychiatrische voorgeschiedenis had.

Het hof is derhalve van oordeel dat sprake is van materiële schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en dat het gevorderde bedrag van € 251,66 geheel kan worden toegewezen.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft de immateriële schade op een bedrag van € 20.000,00 gesteld. Daartoe is aangevoerd dat de benadeelde partij in haar puberjaren slachtoffer is geworden van seksueel misbruik door de verdachte. De benadeelde partij kwam als vriendin van de zoon van de verdachte bij de familie thuis. Het seksueel misbruik door de verdachte heeft ongeveer 3 jaren geduurd, heeft meermalen per week plaatsgevonden en ook tijdens een vakantie. Het bewezenverklaarde handelen van de verdachte heeft een nadelige invloed gehad op de sociaal-emotionele en seksuele ontwikkeling van de benadeelde partij en heeft zelfs geleid tot een suïcidepoging en opname op een GGZ-crisisafdeling. De benadeelde partij heeft PTSS opgelopen en heeft zich daarvoor onder behandeling van deskundigen moeten stellen. Nog altijd heeft het bewezenverklaarde zijn weerslag op het dagelijks leven van de benadeelde partij.

Het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschendingen met zich brengen dat de gestelde nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat sprake is van aantasting in de persoon ‘op een andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Bovendien volgt genoegzaam uit de bewijsmiddelen, de voorgedragen slachtofferverklaring en hetgeen overigens ter terechtzitting over de vordering is besproken, dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen door het handelen van de verdachte.

Het hof heeft bij de beslissing over de hoogte van de toewijzing van de immateriële schade onder meer aansluiting gezocht bij de ‘Rotterdamse schaal’, een ordening van bedragen aan smartengeld bij letsel en andere persoonsaantastingen (in dit geval zou een bedrag tussen

€ 12.500,00 en € 32.000,00 passend zijn), en bij de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen. Gelet op de feiten en omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan – zoals de lange duur en frequentie van het misbruik, de afhankelijkheidsrelatie, het leeftijdsverschil, het vervaardigde beeldmateriaal en de gevolgen voor de benadeelde partij – acht het hof een bedrag van € 20.000,00 als smartengeld billijk. Het hof zal de vordering tot immateriële schade dan ook geheel toewijzen.

Resumé

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de [benadeelde partij] als gevolg van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een totaalbedrag van € 20.251,66. De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden, zodat de vordering tot dit bedrag toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente. Hoewel de schade op verschillende tijdstippen is ingetreden, zal het hof bij de wijze van moderatie bepalen dat de wettelijke rente over zowel de materiële schade als de immateriële schade – anders dan namens de benadeelde partij is verzocht – aanvangt op de laatste dag van de pleegperiode, te weten

20 maart 2020.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het [slachtoffer] is toegebracht tot een totaalbedrag van € 20.251,66. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 (achtenveertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

 de verdachte zich uiterlijk binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd zal melden bij Reclassering Nederland op het adres Ringbaan West 275 in Tilburg (088-8041505) en zich daarna gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden, zo lang en zo frequent als de reclassering noodzakelijk acht;

 de verdachte zich gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, onder behandeling zal stellen van Fivoor of een soortgelijke zorgverlener te bepalen door de reclassering. De verdachte zal zich houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

 meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

 meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken, zo vaak en zo lang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij] ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.251,66 (twintigduizend tweehonderdeenenvijftig euro en zesenzestig cent) bestaande uit € 251,66 (tweehonderdeenenvijftig euro en zesenzestig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] , ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.251,66 (twintigduizend tweehonderdeenenvijftig euro en zesenzestig cent) bestaande uit € 251,66 (tweehonderdeenenvijftig euro en zesenzestig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 125 (honderdvijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 20 maart 2020.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. J.J. Peters, voorzitter,

mr. S.V. Pelsser en mr. G.M. Goes, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,

en op 7 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Peters is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.J. Peters
  • mr. S.V. Pelsser
  • mr. G.M. Goes

Griffier

  • mr. N.S. Willems Ettori-Oort

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?