GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
BESCHIKKENDE
Wijst toe de vordering van de advocaat-generaal.
Gelast de gevangenneming van verdachte met onmiddellijke ingang.
Parketnummer hof: 20-001869-24
Parketnummer 1e aanleg: 01-880162-18
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft gezien de vordering ex artikel 65, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering d.d. 23 maart 2026 ingediend inzake:
strekkende tot de gevangenneming van verdachte.
Het hof heeft gedurende het onderzoek in raadkamer op 26 maart 2026 gehoord de
advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door diens raadsvrouw,
mr. F.L.C. Schoolderman.
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van het procesdossier.
De verdachte is door de meervoudige kamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 27 februari 2026 veroordeeld ter zake doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren. Namens verdachte is cassatieberoep ingesteld tegen voornoemd arrest.
Blijkens de inhoud van het procesdossier bevindt verdachte zich nu in detentie in het kader van de executie van een reeds onherroepelijke straf in de zaak met parketnummer
[nummer]
De advocaat-generaal heeft de gevangenneming van de verdachte gevorderd in de huidige zaak, omdat verdachte in aanmerking zou kunnen komen voor detentiefasering, verlof, dan wel andere vrijheden in verband met de detentie van de executie van de voornoemde straf. Ter zitting in raadkamer heeft de advocaat-generaal gepersisteerd bij de vordering.
De verdediging heeft ter zitting in raadkamer aangevoerd dat eerder geen voorlopige hechtenis is bevolen, en dat, nu de advocaat-generaal op de hoogte is gesteld van een verzoek tot verlof in het kader van detentiefasering met betrekking tot [parketnummer] , de vordering tot gevangenneming is ingediend. De verdediging heeft betoogd dat de voorlopige hechtenis in casu niet is geïndiceerd en niet de geëigende procedure betreft.
Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat thans geen dragende gronden voor de voorlopige hechtenis aanwezig zijn. In dit kader is aangevoerd dat het tijdsverloop zodanig is dat geen sprake meer kan zijn van een "geschokte rechtsorde", aangezien het aan verdachte verweten feit dateert van [datum] 2018. Zowel het Openbaar Ministerie als de rechtbank hebben destijds geen aanleiding gezien om de voorlopige hechtenis te bevelen op basis van de zogenoemde "schokgrond". Gelet op het verstreken tijdsverloop kan deze grond thans niet meer als rechtvaardiging voor de voorlopige hechtenis dienen.
Ook heeft de verdediging betoogd dat de recidivegrond niet aan de orde is, nu verdachte in verband met de veroordeling en detentie in de andere zaak met parketnummer [parketnummer] reeds is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar, welk gevangenisstraf pas op
[datum] 2029 zal expireren. Derhalve zal verdachte gedurende deze detentieperiode voorlopig in hechtenis blijven, hetgeen het bestaan van acuut gevaar voor herhaling, volgens de verdediging, uitsluit.
Gelet op de voorgaande overwegingen heeft de verdediging verzocht om afwijzing van de vordering tot gevangenneming.
Voor zover de raadsvrouw heeft willen betogen dat de advocaat-generaal niet-ontvankelijk is in de vordering tot gevangenneming, overweegt het hof als volgt.
Op grond van artikel 65, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering staat het de advocaat-generaal, na het wijzen van een veroordelend arrest, vrij om de vordering tot gevangenneming in te dienen. Het hof is, in tegenstelling tot de raadsvrouw, van oordeel dat de gang van zaken met betrekking tot de gevorderde gevangenneming geen strijd oplevert met de wet of de goede procesorde. Evenmin vormt het feit dat in een eerder stadium de voorlopige hechtenis niet is bevolen een obstakel voor een latere bevel tot gevangenneming, mits op dat moment ernstige bezwaren en dragende gronden aanwezig zijn.
Het hof verwijst in dit verband naar het bepaalde in artikel 65, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, waarvan de inhoud als volgt luidt:
“Behoudens het geval in artikel 66a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, kan de rechtbank, ambtshalve of op de vordering van de officier van justitie, na de aanvang van het onderzoek ter zitting de gevangenneming van de verdachte bevelen. Desgeraden hoort de rechtbank deze vooraf; zij is bevoegd te dien einde zijn dagvaarding te gelasten, zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging.”
Tevens verwijst het hof naar het bepaalde in artikel 75, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, waarvan de inhoud als volgt luidt:
“Na de aantekening van beroep van de einduitspraak worden de bevelen tot gevangenneming, gevangenhouding dan wel verlenging daarvan gegeven door de rechter in hoogste feitelijke aanleg. De artikelen 65, tweede lid, 66, tweede lid en 67 tot en met 69, zijn op deze bevelen van overeenkomstige toepassing. Een op artikel 67 gegrond bevel kan ook worden gegeven of verlengd op de grond dat in het bestreden vonnis een vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd van ten minste even lange duur als de door de verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd na verlenging.”
In de systematiek van de wet is gevangenneming van de verdachte die zich niet reeds in voorlopige hechtenis bevindt derhalve mogelijk. Noch de tekst of het systeem van de wet noch de wetsgeschiedenis verzet zich tegen de gevangenneming. Het hof is derhalve van oordeel dat de vordering tot gevangenneming rechtmatig is en dat de advocaat-generaal ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.
De vraag die het hof hierop dient te beantwoorden is, of er sprake is van voldoende ernstige bezwaren tegen de verdachte, alsmede of er dragende gronden aanwezig zijn die de voorlopige hechtenis rechtvaardigen.
Het hof oordeelt als volgt.
Tijdens het onderzoek in raadkamer en uit het procesdossier is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan het hof tot de slotsom is gekomen dat het dossier voldoende ernstige bezwaren bevat jegens verdachte ter zake hetgeen hem wordt verweten. In het veroordelend arrest van 27 februari 2026 zijn de bewijsmiddelen uitvoerig genoemd en het hof heeft thans aan de hand van de inhoud van het dossier, in het bijzonder het voornoemde arrest, en het verhandelde ter zitting in raadkamer zich ervan vergewist dat de ernstige bezwaren jegens verdachte onverkort van kracht zijn.
Hetgeen verdachte wordt verweten onder feit 1 primair, zoals verwoord in het arrest van dit hof van 27 februari 2026, te weten doodslag van [het slachtoffer] , is een strafbaar feit waar naar de wettelijke omschrijving 12 jaar of meer gevangenisstraf op staat.
Het hof heeft in dit verband acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte bij vonnis van 28 juni 2024, onder parketnummer 01-880162-18, door de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, is vrijgesproken. Niettemin heeft het hof bij arrest van 27 februari 2026 de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 jaren. Na het wijzen van dit veroordelend arrest is in de samenleving bekend geworden dat de verdachte de dader is van het aan hem verweten strafbare feit. In het licht van deze bekendmaking is het hof van oordeel dat het, gelet op de ernst van het strafbare feit en de opgelegde langdurige gevangenisstraf ter zake een levensdelict, niet verenigbaar is met de maatschappelijke opvattingen van rechtvaardigheid en de rechtsorde dat een verdachte, die na veroordeling bij arrest, zijn verdere berechting in het kader van het door hem ingestelde cassatieberoep in vrijheid zou mogen afwachten.
Gelet op deze omstandigheid is het hof van oordeel dat de samenleving niet zal begrijpen noch accepteren dat een verdachte, na veroordeling bij arrest, zijn verdere berechting in het kader van het door hem ingestelde cassatieberoep in vrijheid afwacht.
Het hof is echter van oordeel dat uit het procesdossier en uit het verhandelde ter zitting in raadkamer niet is gebleken van concrete feiten en omstandigheden waaruit een ernstig gevaar voor herhaling blijkt.
Alles overwegende wijst het hof de vordering van de advocaat-generaal toe en beveelt de gevangenneming van de verdachte totdat het arrest van de Hoge Raad in kracht van gewijsde is gegaan, met dien verstande dat het bestreden arrest van dit hof van 27 februari 2026 tevens een dragende grond is voor de voorlopige hechtenis.
Het hof heeft in dit verband gelet op artikel 75, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering, waarvan de inhoud als volgt luidt:
“Na de einduitspraak in hoogste feitelijke aanleg blijft, onverminderd het bepaalde in het laatste lid van dit artikel, het bevel van kracht totdat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.”
Het hof ziet echter wel aanleiding om de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen ter fine van executie van de reeds onherroepelijke straf inzake het parketnummer [nummer] en oordeelt in dit verband als volgt.
Schorsing van de voorlopig hechtenis bij een verwijt van een strafbaar feit waar naar de wettelijke omschrijving 12 jaar of meer gevangenisstraf op staat, alsmede na een veroordelend arrest, is in beginsel slechts aan de orde wanneer er sprake is van bijzondere zwaarwichtige de persoon van de verdachte betreffende omstandigheden op grond waarvan het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis dient te wijken voor het persoonlijk belang van de verdachte.
Het hof overweegt voorts dat de executievolgorde van vrijheidsbenemende sancties is neergelegd in artikel 1:4 van de ministeriële regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: de Regeling). Uit die Regeling volgt dat de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis voorgaat op de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf en overige vrijheidsbenemende sancties. Artikel 1:9, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat van de executievolgorde niet wordt afgeweken, tenzij “uit een persoonsgerichte beoordeling volgt dat dit bijdraagt aan een persoonsgerichte invulling van de tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 1:2, tweede lid, onder a, van het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen”. Gelet hierop, alsmede in aanmerking genomen dat het schorsen van de voorlopige hechtenis ter fine van de executie van een onherroepelijk opgelegde gevangenisstraf in zijn algemeenheid niet zelden gepaard gaat met een aantal zwaarwegende praktische bezwaren, die in voorkomende gevallen ook (maatschappelijk ongewenste) risico’s met zich kunnen brengen, is het hof van oordeel dat als uitgangspunt dient te gelden dat de schorsing niet wordt bevolen ter fine van executie van een reeds onherroepelijke straf, tenzij er wederom sprake zijn van zwaarwegende persoonlijke belangen.
Het hof acht, in hetgeen namens en door de verdachte is aangevoerd, thans wel de zwaarwegende persoonlijke belangen van de verdachte aanwezig, die de schorsing van de voorlopige hechtenis rechtvaardigen.
Met de verdediging is het hof van oordeel dat het belang van de voortgang van de tenuitvoerlegging van de onherroepelijke straf in dit geval zwaarder weegt dan het belang bij de voortduring van de voorlopige hechtenis in onderhavige zaak, nu verdachte zich reeds in detentie bevindt in het kader van de executie van de onherroepelijke straf. Tevens is het van belang dat namens verdachte cassatieberoep is ingesteld en dat een eventueel oordeel van de Hoge Raad nog niet in zicht is.
Het hof zal overigens wel bepalen dat de voorlopige hechtenis herleeft op het moment dat verdachte in aanmerking komt voor verlof en/of strafonderbreking en/of detentiefasering dan wel om welke reden dan ook uit de penitentiaire inrichting zou worden vrijgelaten.
Alles overwegende schorst het hof de voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang, opdat de executie van de bovengenoemde onherroepelijke straf kan worden voortgezet tot het moment waarop de tenuitvoerlegging van de straf afloopt dan wel verdachte in aanmerking komt voor verlof of strafonderbreking of detentiefasering, om welke reden dan ook wordt vrijgelaten uit de penitentiaire inrichting.
Schorst ambtshalve de voorlopige hechtenis.
Beveelt dat de voorlopige hechtenis van verdachte zal worden geschorst met onmiddellijke ingang, zodat de executie van de onherroepelijke straf onder parketnummer [nummer] kan worden voortgezet.
Stelt aan verdachte als voorwaarden der schorsing:
Bepaalt dat de voorlopige hechtenis herleeft op het moment dat verdachte in aanmerking komt voor detentiefasering, verlof en/of strafonderbreking, dan wel andere vrijheden.
Aldus gedaan op 2 april 2026
door mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter, mr. Y. van Setten en mr. E.F. Stamhuis,
in tegenwoordigheid van B. Yazi, griffier.
mr. Y. van Setten en mr. E.F. Stamhuis zijn buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.
Fiat betekening en tenuitvoerlegging:
's-Hertogenbosch,
De advocaat-generaal,
Gezien d.d.
De directeur van