Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 8 februari 2024 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-258823-20 tegen:
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op
€ 2.500.000,- en heeft aan betrokkene een hoofdelijke betalingsverplichting opgelegd voor dat bedrag. Tevens heeft de rechtbank de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen.
Van de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.
De verdediging heeft verweer gevoerd betreffende de hoogte van het vastgestelde voordeel.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.
Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.
Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeling
Dit hof heeft bij arrest van heden (parketnummer 20-000515-24) betrokkene onder meer veroordeeld ter zake van – kort gezegd – het medeplegen van hennepteelt in de periode van 1 april 2019 tot en met 14 mei 2019.
De wettelijke grondslag
Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de betrokkene door middel van het begaan van voormelde feiten en andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door betrokkene zijn begaan, te weten hennepteelt in de periode voorafgaande aan 1 april 2019 een voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten. Voor wat betreft de voldoende aanwijzingen verwijst het hof naar hetgeen in de onderliggende strafzaak (parketnummer 20-000515-24) – mede op grond van de eigen verklaring van betrokkene – is overwogen namelijk dat betrokkene met anderen in een periode van 5 jaren hennep heeft geteeld en dat hij heeft gedeeld in de opbrengsten van de hennepoogsten.
Schatting van het voordeel
Aantal oogsten
Anders dan de rechtbank en waarvan in de ontnemingsrapportage is uitgegaan gaat het hof, in het voordeel van betrokkene, uit van 20 gerealiseerde oogsten en de uitgangspunten die zijn neergelegd in het rapport “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht”, update 1 november 2010 van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie. Dat leidt tot de volgende berekening.
kweekruimte 1
Opbrengsten
In kweekruimte 1 stonden 130 hennepplanten. Per m2 stonden er 11 planten. Dit levert aan hennep per plant op: 30 gram. In totaal per oogst is dat 130 planten x 30 gram = 3,9 kilogram. Met een verkoopprijs van € 3.280,= per kilogram, levert dit op een bruto-opbrengst van € 12.792,- per oogst.
Kosten
Het hof neemt de navolgende kosten in aanmerking:
-afschrijvingskosten bij 130 planten= € 150,00
-inkoopkosten stekken: 130 planten x € 2,85= € 370,50
-overige variabele kosten: 130 planten x € 3,33=€ 432,90
-knipkosten: € 260,00
Totaal kosten: € 1.213,40
De netto-opbrengst van kweekruimte 1 is dan (€ 12.792,- -/- € 1.213,40=) € 11.578,60.
Bij 20 oogsten levert dit een voordeel op van (20 x € 11.578,60=) € 231.572
Kweekruimte 2
In kweekruimte 2 stonden 673 hennepplanten. Per m2 stonden er 9 planten. Dit levert aan hennep per plant op: 30,9 gram. In totaal per oogst is dat 673 planten x 30,9 gram = 20,79570 kilogram. Met een verkoopprijs van € 3.280,= per kilogram, levert dit op een bruto-opbrengst van € 68.209,90 per oogst.
Kosten
Het hof neemt de navolgende kosten in aanmerking:
-afschrijvingskosten bij 673 planten= € 400,00-
-inkoopkosten stekken: 673 planten x € 2,85= € 1.918,05
-overige variabele kosten: 673 planten x € 3,33=€ 2.241,09
-knipkosten: 673 planten x € 2,- € 260,00
Totaal kosten: € 4.819,14
De netto-opbrengst van kweekruimte 2 is dan (€ 68.209,90 -/- € 4.819,14=) € 63.390,76.
Bij 20 oogsten levert dit een voordeel op van (20 x € 63.390,76=) € 1.267.815,20
Kweekruimte 3
In kweekruimte 3 stonden 284 hennepplanten. Per m2 stonden er 13 planten. Dit levert aan hennep per plant op: 29,1 gram. In totaal per oogst is dat 284 planten x 29,1 gram = 8,26440 kilogram. Met een verkoopprijs van € 3.280,= per kilogram, levert dit op een bruto-opbrengst van € 27.107,23 per oogst.
Kosten
Het hof neemt de navolgende kosten in aanmerking:
-afschrijvingskosten bij 284 planten= € 200,00-
-inkoopkosten stekken: 284 planten x € 2,85= € 809,40
-overige variabele kosten: 284 planten x € 3,33=€ 945,72
-knipkosten: 284 planten x € 2,- € 568,00
Totaal kosten: € 2.523,12
De netto-opbrengst van kweekruimte 3 is dan (€ 27.107,23 -/- € 2.523,12=) € 24.584,11.
Bij 20 oogsten levert dit een voordeel op van (20 x € 24.584,11=) € 491.682,20
Totaal voordeel bij 20 oogsten in kweekruimten 1 tot en met 3 is dan (€ 231.572 +
€ 1.267.815,20 + € 491.682,20=) € 1.991.069,- (afgerond).
Toerekening
Voor wat betreft de toerekening van het voordeel aan de betrokkene overweegt het hof het navolgende.
De ontnemingsmaatregel strekt ertoe de betrokkene het wederrechtelijk voordeel te ontnemen dat hijzelf in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Toerekening van voordeel aan de betrokkene zonder dat wordt vastgesteld dat het desbetreffende bedrag in zijn vermogen is gevloeid, verdraagt zich daarom moeizaam met het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel. Ook ingeval meer daders het delict hebben begaan, staat de rechter voor de taak om vast te stellen wat de omvang is van het voordeel dat de betrokkene daadwerkelijk heeft genoten. Niet altijd is aanstonds duidelijk wat de omvang is van het voordeel dat door ieder van de daders afzonderlijk is verkregen. De rechter zal bij onduidelijkheid daaromtrent op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval, zoals de rol die de onderscheiden daders hebben gespeeld, het aantreffen van voordeel bij één of meer van hen en de procesopstelling van de betrokkene, moeten vaststellen welk deel van het totale bedrag aan de betrokkene moet worden toegerekend.
De rechtbank is bij de beslissing waarvan beroep uitgegaan van hoofdelijke toerekening van het voordeel aan de betrokkene en de medebetrokkene. Over die wijze van toerekening heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 7 april 2015 (ECLI:NL:HR:2015:878) onder meer het volgende overwogen:
“2.4.8. Hoofdelijke aansprakelijkheid in de zin van art. 36e, zevende lid, Sr zal zich naar verwachting slechts in een beperkt aantal gevallen voordoen.
In de situatie dat twee of meer daders van een strafbaar feit daarvan hebben geprofiteerd, maar aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet een indicatie valt te ontlenen voor de verdeling van de opbrengst, ligt pondspondsgewijze toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel meer voor de hand. In de gevallen dat niet kan worden vastgesteld met hoeveel mededaders het strafbare feit is gepleegd, kan op basis van de omstandigheden van het geval het daardoor verkregen voordeel ook voor een naar redelijkheid te bepalen gedeelte aan de betrokkene worden toegerekend.
Indien het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zodanige duidelijke aanwijzingen bevatten dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat twee of meer, bekende of onbekende, daders gezamenlijk de beschikking hebben of gedurende zekere tijd de beschikking hebben gehad over de gehele opbrengst van het strafbare feit en de betrokkene als een van die daders geen, dat vermoeden ontzenuwende, gegevens daaromtrent verschaft - op welke situatie de wetgever bij invoering van het huidige art. 36e, zevende lid, Sr in het bijzonder oog had - kan de rechter het wederrechtelijk verkregen voordeel als gemeenschappelijk voordeel voor het geheel aan de betrokkene toerekenen. In zo een geval mag worden aangenomen dat het opleggen van de ontnemingsmaatregel voor het gemeenschappelijke geheel van het verkregen voordeel het met de ontnemingsmaatregel beoogde reparatoire karakter heeft.”
Het hof is van oordeel dat het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en/of hoger beroep de in het arrest van de Hoge Raad bedoelde duidelijke aanwijzingen heeft bevatten, zodat het hof niet overgaat tot het hoofdelijk toerekenen van het voordeel aan de betrokkene.
In de onderliggende strafzaak is vastgesteld dat betrokkene met anderen hennep heeft geteeld en heeft gedeeld in de opbrengst. Betrokkene heeft verklaard dat nog drie andere personen bij de kwekerij betrokken zijn geweest. Gelet hierop en bij het ontbreken van aanwijzingen voor een andere wijze van verdelen zal het hof voormeld geschat voordeel ponds-pondsgewijs aan vier personen toerekenen zodat aan betrokkene wordt toegerekend een bedrag van € 497.767,- (afgerond).
Op te leggen betalingsverplichting
Het hof zal aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof heeft vastgesteld dat in de ontnemingszaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden maar verbindt daaraan geen verdere consequenties nu in de onderliggende strafzaak deze overschrijding in de strafoplegging is verdisconteerd.
Gijzeling
Het hof bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 497.767,00 (vierhonderdzevenennegentigduizend zevenhonderdzevenenzestig euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 497.767,00 (vierhonderdzevenennegentigduizend zevenhonderdzevenenzestig euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen
Aldus gewezen door:
mr. C.A. van Roosmalen, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,
en op 9 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. C.A. van Roosmalen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.