Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 8 februari 2024 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-258832-20 tegen:
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op
€ 2.500.000,- en heeft aan betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor dat bedrag. Tevens heeft de rechtbank de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen.
Van de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.
De verdediging heeft verweer gevoerd tegen de hoogte van het geschatte voordeel.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.
Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.
Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeling
Dit hof heeft bij arrest van heden (parketnummer 20-000424-24) betrokkene veroordeeld ter zake van – kort gezegd – het medeplegen van hennepteelt in de periode van 1 april 2019 tot en met 14 mei 2019.
Wettelijke grondslag
Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de betrokkene door middel van het begaan van voormelde feiten en andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door betrokkene zijn begaan, te weten hennepteelt in de periode voorafgaande aan 1 april 2019 een voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten. Het hof stelt in dat kader vast dat in de onderliggende strafzaak (parketnummer 20-000424-24) is vastgesteld dat betrokkene – op basis van zijn eigen verklaring - gedurende een periode van drie maanden hennep heeft geteeld.
Betrokkene heeft in dat verband verder verklaard dat hij voor zijn werkzaamheden een vergoeding van € 1.000,- per maand ontving. Het hof volgt betrokkene in deze verklaring nu uit het dossier genoegzaam volgt dat betrokkene enkel een uitvoerende rol heeft vervuld en niet een van de initiators van de hennepkwekerij is geweest en daarmee verder heeft gedeeld in de opbrengsten van de kwekerij.
Het hof stelt daarmee het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van in totaal € 3.000,- onder verwerping van het andersluidende standpunt van de advocaat-generaal.
Op te leggen betalingsverplichting
Het hof zal aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof heeft vastgesteld dat in de ontnemingszaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden maar verbindt daaraan geen verdere consequenties nu in de onderliggende strafzaak deze overschrijding in de strafoplegging is verdisconteerd.
Gijzeling
Het hof bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 30 dagen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 30 dagen.
Aldus gewezen door:
mr. C.A. van Roosmalen, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,
en op 9 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. C.A. van Roosmalen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.